Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:264

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
16/04547
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:751
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over 1. noodweer(exces) en 2. medeplegen van voorhanden hebben van een wapen en munitie. 1. Klacht over oordeel van het hof dat geen sprake was van een noodweersituatie. 2. Bewijsklacht medeplegen van voorhanden hebben van een wapen en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04547

Zitting: 27 maart 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 25 augustus 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, de verdachte wegens 1 subsidiair “medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, 3 “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en 4 subsidiair “medeplichtigheid aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 98 dagen, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, en tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen hechtenis.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (16/04859), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.J. Bussink, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de verwerping van het beroep op noodweer(exces) ten aanzien van feit 1 onvoldoende met redenen heeft omkleed.

  5. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 subsidiair bewezen verklaard dat:

“zij in de gemeente Delfzijl, op 15 augustus 2012, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , personen, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers zijn verdachte en [medeverdachte] , gewapend met een gaspistool, achter [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aan gerend of gelopen en hebben verdachte en/of [medeverdachte] met dat gaspistool een schot in de lucht afgevuurd;”

6. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 april 2013 blijkt dat de verdachte onder meer het volgende heeft verklaard:

“U vraagt mij naar feit 1. (…) Er stonden drie mannen voor mijn deur met van alles. Ik maakte eruit op dat het een ploertendoder was.”

7. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 augustus 2016 is de verdachte in hoger beroep gebleven bij de door haar tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring. Voorts blijkt uit de aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities dat de raadsvrouwe ter terechtzitting onder meer het volgende heeft aangevoerd:

“INLEIDING

Begin van dit alles niet vergeten. Woordenwisseling tussen 2 groepen. [medeverdachte] en de anderen lopen rustig naar auto. Andere groep trekt wapens. Waaronder aangever [slachtoffer 2] : zilverkleurig wapen. [verdachte] is dan nog altijd degene die de confrontatie wenst te mijden en wegrijdt. Echter niet voldoende. Aangevers komen zelfs bewapend bij het huis [verdachte] . Huis waar zelfs kleine kinderen aanwezig waren. De kinderen van [verdachte] . Vallen wat dreigementen en de groep vertrekt. Besluit om kinderen veilig naar Groningen te brengen, want immers gaat veiligheid voor alles. Wat volgt is hetgeen besproken.

(…)

NOODWEER

Bij een bewezenverklaring van het primaire of subsidiaire is de vervolgvraag of dit ook een strafbaar handelen oplevert. Het antwoord daarop is een volmondig nee.

Uit de geschetste feiten volgt duidelijk dat aangevers zich ontzettend bedreigend hebben gedragen. Dit geldt voor het gedrag bij de coffeeshop - waar [verdachte] zich rustig van distantieert en onttrekt - en het daaropvolgende gedrag voor het huis - waar de jonge kinderen zich in bevonden - van [verdachte] . Met de rechtbank eens dat sprake is van een dermate dreigende situatie, waardoor er sprake is van een wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid en goed en [verdachte] zich mocht verdedigen.”

8. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsvrouwe in aanvulling op haar pleitnotities het volgende heeft opgemerkt:

“De rechtbank heeft overwogen dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat zij in de woning had kunnen blijven. Dit was echter geen reëel scenario.”

9. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“De raadsvrouw heeft terzake het onder 1 ten laste gelegde ter terechtzitting betoogd dat, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, verdachte heeft gehandeld uit noodweer c.q. noodweerexces. Verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsvrouw.

Voor een geslaagd beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, is allereerst vereist dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte, ook wel een noodweersituatie. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat aangevers zich bij de woning van verdachte vertoonden met wapens, zoals door de verdachte is gesteld. Gelet hierop acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte zichzelf moest verdedigen tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van diens lijf, eerbaarheid of goed.

Van een noodweersituatie was geen sprake en het verweer wordt verworpen. Het hof acht in vervolg hierop ook noodweerexces niet aanwezig.”

10. In de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de aan het beroep op noodweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. De verwerping van het beroep op noodweer heeft aldus een feitelijke grondslag.1 Het hof heeft niet aannemelijk bevonden dat de aangevers zich bij de woning van de verdachte vertoonden met wapens.

11. Bij de beantwoording van de vraag of dat oordeel begrijpelijk is, moet worden vooropgesteld dat het ontbreken van de feitelijke grondslag niet uit de gebezigde bewijsmiddelen hoeft te volgen. Aan de andere kant zullen de overwegingen ter verwerping van het beroep op noodweer niet in strijd mogen zijn met de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft de stelling van de verdediging dat de aangevers zich voorzien van wapens bij het huis van de verdachte bevonden niet aannemelijk bevonden. Dit feitelijk oordeel is niet in strijd met de bewijsmiddelen en behoefde geen nadere motivering. Daarbij neem ik in aanmerking dat de raadsvrouwe in hoger beroep haar opmerking dat de aangevers bewapend bij de woning van de verdachte kwamen niet heeft onderbouwd. Daarbij wijs ik er voorts op dat de selectie en waardering van het voorhanden materiaal aan de feitenrechter is voorbehouden. Voor zover de steller van het middel wijst op (onderdelen van) niet tot het bewijs gebezigde getuigenverklaringen, stuit het middel daarop af.

12. Het middel bevat voorts de klacht dat het hof heeft miskend dat de noodweersituatie niet enkel was gelegen in de aanwezigheid van wapens bij de aangevers, maar dat de aanwezigheid van de aangevers voor de woning waar zich ook de kinderen van de verdachte bevonden, mede in het licht van het eerdere incident die dag, een dusdanig bedreigende situatie creëerde, dat sprake was van een noodweersituatie.

13. Uit de wettelijke omschrijving van noodweer blijkt dat het bij deze strafuitsluitingsgrond gaat om de verdediging van bepaalde rechtsgoederen tegen een wederrechtelijke aanranding. Noodweer impliceert verdedigend optreden.2 De feitenrechter zal aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten beoordelen of zich een noodweersituatie heeft voorgedaan. Daartoe moet worden bezien of het feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Bij de beslissing of daarvan sprake is, komt betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.3

14. Het hof heeft geoordeeld dat geen sprake was van een noodweersituatie en heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat niet aannemelijk is geworden dat de aangevers zich bij de woning van de verdachte vertoonden met wapens. Het hof achtte onvoldoende aannemelijk geworden dat de verdachte zichzelf moest verdedigen tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van haar lijf, eerbaarheid of goed. Dat oordeel is, gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende vaststellingen van het hof, niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik erop dat de medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de aangevers naar de voordeur liepen en dat hij, op het moment dat de aangevers voor zijn huis liepen, het alarmpistool uit het dressoir heeft gepakt (bewijsmiddel 2) en de verdachte heeft verklaard dat zij thuis was en naar buiten is gegaan (bewijsmiddel 1). Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk niet aannemelijk geacht dat de aangevers aanstalten maakten het huis van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] te betreden dan wel dat zich anderszins een situatie voordeed waarin de verdachte haar huis uit diende te gaan teneinde zich te verdedigen tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed.4 In het licht van hetgeen de raadsvrouwe in hoger beroep heeft aangevoerd, behoefde dit oordeel geen nadere motivering. Daarbij neem ik in aanmerking dat het verweer in hoger beroep was gestoeld op de – door het hof van de hand gewezen – lezing waarbij de aangevers zich hadden bewapend.

15. Het middel faalt.

16. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof zijn oordeel dat sprake is van het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen en munitie ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van wapens en munitie in de woning.

17. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat:

“zij in de gemeente Delfzijl, op 15 augustus 2012 en 16 augustus 2012 tezamen en in vereniging met anderen,

- een wapen en munitie van categorie II, te weten een machinepistool, merk/model CZ VZ 61 Skorpion, met bijbehorende munitie, voorhanden heeft gehad;”

18. Zoals blijkt uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota, heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar aangevoerd dat de verdachte wel tassen heeft gezien en vastgehouden, maar nooit heeft geweten wat hierin zat, zodat de voor strafbaarheid noodzakelijke bewustheid ontbreekt. Het hof heeft dat verweer verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat voor het medeplegen van het voorhanden hebben van het machinepistool, merk/model Skorpion, en bijbehorende munitie, voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. Uit de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 1] en de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] blijkt dat het wapen aanwezig was in de woning van de verdachte en aldaar, in het bijzijn van verdachte, is getoond door medeverdachte [medeverdachte] . De verdachte wist derhalve dat het machinepistool in haar woning aanwezig was en niet is gebleken dat zij - als bewoonster van de woning - heeft getracht aan die situatie een einde te maken.”

19. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van art. 26 Wet Wapens en Munitie (WWM) is vereist dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid van de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid van dat wapen of die munitie.5 Mijn ambtgenoot Knigge wijst erop dat de aanwezigheid van een wapen in de woning die door de verdachte zelf wordt bewoond, een objectief aanknopingspunt vormt voor de vaststelling dat de verdachte dat wapen voorhanden heeft. De vereiste bewustheid kan daaruit volgens hem als regel worden afgeleid, ook als de verdachte beweert onwetend te zijn geweest.6

20. Uit de bewijsvoering blijkt het volgende. De verdachte heeft verklaard dat zij erbij was toen ze de kinderen naar een tante in Groningen brachten, zodat de kinderen buiten schot zouden blijven. Daarna zijn ze naar Vinkhuizen gegaan en van daaruit teruggereden naar Delfzijl, naar huis (bewijsmiddel 8). [betrokkene 1] heeft verklaard dat ze met vier auto’s naar Delfzijl zijn gegaan en dat [medeverdachte] voorop reed, de verdachte daarachter, daar weer achter Douwe7 en als laatste hijzelf. Vervolgens zijn ze bij de [a-straat 1] in Delfzijl gezamenlijk naar binnen gegaan en heeft [betrokkene 1] gezien dat [medeverdachte] een tasje met camouflagekleuren pakte en een in zijn handen en legde het even later op de tas naast zich. [betrokkene 1] zag dat de patroonhouders aan elkaar waren getapet en ook dat er patronen in de houder zaten (bewijsmiddel 9). [betrokkene 3] heeft verklaard dat [medeverdachte] , toen zij terugkwamen in [medeverdachte] ’s huis, een wapen heeft laten zien dat hij in Groningen heeft opgehaald (bewijsmiddel 10). [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij ergens heen gingen, dat [medeverdachte] ergens heen ging in Vinkhuizen8 en terugkwam met een legergroene tas die zij later ook heeft gezien bij [medeverdachte] thuis onder de eettafel en dat [medeverdachte] , toen zij thuiskwamen, hun het wapen heeft laten zien en het toen weer in het tasje heeft gedaan. Op dat moment waren [betrokkene 3] , [medeverdachte] , de verdachte en zijzelf in huis (bewijsmiddel 11). [betrokkene 2] heeft dit wapen als Skorpion herkend (bewijsmiddel 12). De Skorpion is uiteindelijk door de politie gevonden in de woning van ene [betrokkene 4] aan de [a-straat 1] (bewijsmiddel 13).9

21. Het hof heeft kennelijk uit het voorafgaande afgeleid dat het wapen ook in het bijzijn van de verdachte is getoond. In dat oordeel ligt tevens besloten dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid van de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid van dat wapen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. In het licht van het in hoger beroep gevoerde verweer, dat slechts inhoudt dat de verdachte nooit heeft geweten wat er in de tas zat, behoefde dit oordeel geen nadere motivering. Ook kon het hof gelet op het voorafgaande oordelen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen in de woning van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] .

22. Het middel faalt.

23. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende redenering.

24. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. A.J.Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 19 bij art. 41.

2 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 322.

3 Vgl. HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773, NJ 2014/277 m.nt. Keulen, rov. 4.3, HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4155, rov. 2.4 en HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8087, NJ 2006/ 509 m.nt. Buruma, rov. 3.5.1. Zie in dit verband ook het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond.

4 Zie in dit verband HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT637, NJ 2012/28, waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof dat geen sprake was van een noodweersituatie niet onbegrijpelijk achtte. Het betrof een verdachte die zich met zijn vriendin in een caravan met dichte ramen en deuren bevond, terwijl X. had geprobeerd de deur te openen door hieraan te trekken en een dakpan door de ruit had gegooid.

5 Vgl. onder meer HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1169, NJ 1999/537 m.nt. Schalken, HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6138, NJ 2010/86 en HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4507.

6 Onderdeel 5.4 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1705, met verwijzing naar HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1403, NJ 1999/152 alsmede onderdeel 3.4.1 van de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voor HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8648.

7 Kennelijk wordt bedoeld [betrokkene 3] .

8 Ik merk op dat Vinkhuizen een wijk in de stad Groningen is.

9 In het requisitoir van de advocaat-generaal in hoger beroep wordt vermeld dat het de woning van een buurman betreft.