Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:262

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-03-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
17/02417
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:876, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Procesrecht. Executiegeschil. Is appelgrens van art. 332 lid 1 Rv van toepassing in geval van executiegeschil in de zin van art. 438 lid 2 Rv?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/02417

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 23 maart 2018

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

1. N.V. Univé Zorg

2. Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V.

Deze zaak betreft een executie-kort geding in de zin van art. 438 lid 2 Rv. Het hof heeft de geëxecuteerde niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, na ambtshalve toepassing van de in art. 332 lid 1 Rv neergelegde appelgrens van € 1.750,-. Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat deze grens niet geldt in executiegeschillen zoals het onderhavige.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vermeld in het bestreden arrest onder 2.2.1

1.1.1

Eiser tot cassatie (hierna: de schuldenaar) is een aantal jaren voor zorg verzekerd geweest bij verweerster in cassatie onder 1 (hierna: Univé). Nadat de schuldenaar de verzekering had opgezegd, was hij nog € 233,76 aan Univé verschuldigd. De schuldenaar heeft dit bedrag niet betaald en is daartoe vervolgens bij verstekvonnis van de rechtbank Middelburg van 8 augustus 2011 veroordeeld, met rente en kosten.

1.1.2

Univé heeft getracht het verstekvonnis te executeren, allereerst door het doen leggen van executoriaal derdenbeslag onder het UWV op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de schuldenaar. Dit beslag is gelegd door (een deurwaarder van) AGC, de rechtsvoorgangster van verweerster in cassatie onder 2 (hierna: AGC/LAVG). Op die uitkering lag op dat moment al beslag. De eerste beslaglegger heeft, op basis van de door hem gehanteerde beslagvrije voet, het door het beslag getroffen vakantiegeld van de schuldenaar verdeeld, uit welke verdeling Univé € 317,17 heeft ontvangen.

1.1.3

Nadat het beslag op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de schuldenaar was opgeheven, heeft AGC/LAVG in opdracht van Univé op 4 april 2016 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Belastingdienst, op de zorgtoeslag van de schuldenaar, voor het resterende deel van haar vordering ad € 790,80, met rente en kosten.2 De schuldenaar heeft vervolgens de ontvangst van zorgtoeslag stopgezet.

1.2

Op 18 mei 2016 heeft de schuldenaar Univé en AGC/LAVG in kort geding doen dagvaarden voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De schuldenaar heeft toen – samengevat – gevorderd: (i) veroordeling van Univé en AGC/LAVG tot opheffing van het beslag op zijn zorgtoeslag, onder de bepaling dat alle rente en kosten voor Univé en AGC/LAVG blijven. Subsidiair heeft hij gevorderd: (ii) restitutie van ten onrechte geïncasseerde zorgtoeslagen; (iii) een verbod opnieuw beslag te leggen voor de vordering uit het verstekvonnis (dan wel een gebod om dit niet te doen dan na overleg met de deurwaarder van de eerste beslaglegger, althans met bepaling van een beslagvrije voet rekening houdend met zorgpremie minus normpremie en zorgtoeslag); (iv) betaling van € 500,- als voorschot op een door de schuldenaar te vorderen schadevergoeding; (v) veroordeling in de proceskosten.3

1.3

De schuldenaar heeft aan deze vorderingen – samengevat en voor zover in cassatie van belang – ten grondslag gelegd dat ingevolge art. 45 lid 1, aanhef en onder a, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir4) sprake is van een beslagverbod, dat het beslag op de zorgtoeslag vexatoir is en dat Univé misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.5

1.4

Univé en AGC/LAVG hebben verweer gevoerd, daarbij primair het standpunt innemend dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant op grond van art. 438 Rv absoluut en relatief onbevoegd was om van dit executiegeschil kennis te nemen. Bij vonnis van 3 juni 2016 heeft deze voorzieningenrechter zich absoluut bevoegd (rov. 4.1) maar relatief onbevoegd verklaard (rov. 4.2). De zaak werd verwezen naar de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland.

1.5

Ter zitting van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland heeft de schuldenaar (mondeling) zijn eis willen vermeerderen door ook teruggaaf te vorderen van € 317,17.6

1.6

Bij vonnis van 8 juli 2016 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland de vorderingen van de schuldenaar afgewezen. De zo-even genoemde eisvermeerdering heeft de voorzieningenrechter buiten beschouwing gelaten, wegens strijd met de eisen van een goede procesorde (rov. 4.1). De tegen AGC/LAVG gerichte vorderingen heeft de voorzieningenrechter afgewezen omdat onvoldoende was gebleken van onrechtmatig handelen aan de zijde van AGC/LAVG (rov. 4.4 - 4.5). Ook de tegen Univé gerichte vorderingen achtte de voorzieningenrechter niet toewijsbaar. Daartoe overwoog de voorzieningenrechter, kort samengevat, dat van een beslagverbod of –beperking als bedoeld in art. 475c, aanhef en onder c, Rv in deze zaak geen sprake is (rov. 4.6) en dat het bepaalde in art. 475d Rv over de (omvang van de) beslagvrije voet in dit geval niet geldt (rov. 4.7). Ook art. 45 lid 1, aanhef en onder a, Awir leidt niet tot toewijzing van de gevorderde opheffing, nu de betalingen waartoe de schuldenaar bij verstekvonnis van 8 augustus 2011 was veroordeeld, kosten zijn voor een geleverde prestatie in het kader waarvan de schuldenaar zorgtoeslag ontvangt (rov. 4.8). In het verlengde hiervan heeft de voorzieningenrechter ook de nevenvorderingen afgewezen (rov. 4.9).

1.7

De schuldenaar is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Hij heeft (wederom) zijn eis vermeerderd en in hoger beroep – naast de onder 1.2 vermelde vorderingen – tevens restitutie gevorderd van het geïncasseerde vakantiegeld ten bedrage van € 317,17 (vi), een dwangsomveroordeling ten aanzien van de onder 1.2 genoemde geboden (vii) en vergoeding van door de schuldenaar betaalde eigen bijdragen voor gefinancierde rechtsbijstand in eerste aanleg en in hoger beroep (viii). Univé en AGC/LAVG hebben de grieven bestreden en verweer gevoerd tegen de eisvermeerdering.

1.8

Bij tussenarrest van 25 oktober 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een comparitie van partijen gelast. Ter comparitie heeft de voorzitter ambtshalve de appelgrens van art. 332 lid 1 Rv aan de orde gesteld. Voor de reacties van partijen verwijs ik naar het proces-verbaal van de comparitie (blz. 2 - 4).

1.9

Bij eindarrest van 21 maart 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:2341) heeft het hof de schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Met partijen gaat het hof ervan uit dat de in eerste aanleg ingestelde vorderingen tot opheffing van het beslag, tot restitutie en tot verbod van verdere beslagen tezamen dezelfde waarde vertegenwoordigen als de vordering van € 790,80, waarvoor het beslag is gelegd (rov. 4.3). De restitutievordering van € 317,17 was door de voorzieningenrechter in strijd geacht met de eisen van een goede procesorde, zodat deze niet inhoudelijk ter beoordeling heeft voorgelegen. In zijn grief tegen het buiten beschouwing laten van die eisvermeerdering is de schuldenaar ingevolge art. 130 lid 2 Rv niet-ontvankelijk; voor het bepalen van het totale beloop van de vordering in de zin van art. 332 lid 1 Rv moet die eisvermeerdering dan ook buiten beschouwing blijven. Overigens zou ook bij inachtneming van die eisvermeerdering het totale beloop van de vordering onder de appelgrens blijven (rov. 4.4). Voor het bepalen van het beloop van de vordering in de zin van art. 332 lid 1 Rv tellen de proceskosten niet mee. De voorzieningenrechter had te beslissen over een vordering met een totale waarde van € 1.290,80 (rov. 4.5). Voor zover de schuldenaar een beroep had gedaan op gronden voor doorbreking van deze appelgrens, heeft het hof dat argument verworpen7 (rov. 4.6).

1.10

De schuldenaar heeft – tijdig – cassatieberoep ingesteld. Aan Univé en AGC/LAVG is in cassatie verstek verleend. De schuldenaar heeft zijn standpunt schriftelijk laten toelichten.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel valt uiteen in vier onderdelen, gericht tegen rov. 4.2 tot en met 4.6. De onderdelen worden voorafgegaan door een “algemene klacht” (blz. 3, bovenaan), die gelijkluidend is aan onderdeel 2 en hierna in samenhang met dat onderdeel wordt besproken.

2.2

Onderdeel 1, dat de verst gaande strekking heeft, klaagt dat het hof heeft miskend dat de in art. 332 lid 1 Rv neergelegde appelgrens geen toepassing vindt in executiegeschillen als het onderhavige, dat wil zeggen: in executie-kort gedingen in de zin van art. 438 lid 2 Rv. Het onderdeel wijst in dit verband op de bijzondere aard van deze procedure, op doel en strekking van de daarin gevorderde voorzieningen bij voorraad en op de absolute bevoegdheid van (de voorzieningenrechter in) de rechtbank in executiegeschillen. Voorts doet het middelonderdeel een beroep op HR 13 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4794, NJ 1984/566 m.nt. W.H. Heemskerk, waaruit het onderdeel afleidt dat uitspraken van (de voorzieningenrechter in) de rechtbank in executiegeschillen steeds appellabel zijn. Aldus doet zich, volgens de klacht, de in art. 332 lid 1 Rv bedoelde uitzonderingssituatie voor dat “de wet anders bepaalt” (vgl. art. 705 Rv).

2.3

Alvorens de klacht te bespreken, maak ik enkele opmerkingen van algemene aard over de in art. 438 Rv neergelegde regeling voor executiegeschillen en over de in art. 332 lid 1 Rv opgenomen appelgrens.

2.4

Art. 438 Rv geeft een regeling voor geschillen die in verband met de tenuitvoerlegging van vonnissen kunnen rijzen. Volgens art. 438 lid 1 Rv is steeds de rechtbank absoluut bevoegd om over zulke geschillen te oordelen, ook al is het te executeren vonnis gewezen door een kantonrechter, een gerechtshof of de Hoge Raad.8 Wat betreft de relatieve bevoegdheid, geeft art. 438 lid 1 Rv de eiser een aantal keuzemogelijkheden.9 Art. 438 lid 2, eerste volzin, Rv bepaalt dat executiegeschillen, ter verkrijging van een voorziening bij voorraad, ook kunnen worden gebracht in kort geding voor de voorzieningenrechter van de volgens het eerste lid bevoegde rechtbank.10 In de praktijk is dit de meest gebruikelijke route, aangezien executiegeschillen naar hun aard veelal spoedeisend zijn.11 Art. 438 lid 2 Rv kent aan de voorzieningenrechter, in aanvulling op zijn algemene bevoegdheden ingevolge art. 254 Rv, een aantal bijzondere bevoegdheden toe. Daartoe behoort de bevoegdheid om een constitutief vonnis te wijzen (namelijk schorsing van de executie of opheffing van een beslag).12 Kenmerkend voor executiegeschillen is dat uitsluitend de executie ter beoordeling voorligt en niet de executoriale titel (de in de hoofdzaak toegewezen vordering).13 De executierechter kan slechts de staking van de executie bevelen indien de executant, kort samengevat, misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid.14

2.5

Wat betreft de appelgrens: art. 332 Rv geeft een algemene regeling van de gevallen waarin hoger beroep mogelijk is in dagvaardingszaken.15 Partijen kunnen hoger beroep instellen tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,- of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,- tenzij de wet anders bepaalt (lid 1). Indien de zaak meer dan één vordering tussen dezelfde partijen betreft, is het totale beloop of de totale waarde van deze vorderingen beslissend voor de toepassing van de appelgrens (lid 2). De appelgrens geldt ook in kort geding, in die zin dat de appellabiliteit van een kortgedingvonnis dient te worden afgeleid uit de regels die toepasselijk zouden zijn indien de desbetreffende vordering in een bodemprocedure zou zijn ingesteld.16 De appelgrens geldt ook voor zogenoemde ‘aard’-vorderingen in de zin van art. 93 Rv, d.w.z. voor vorderingen die, ongeacht hun waarde, tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren.17

2.6

De ratio van de appelgrens is, dat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die gemoeid zijn met de behandeling van de zaak in hoger beroep. In de vakliteratuur is betoogd dat de appelgrens niet slechts ertoe strekt het gerechtelijke apparaat te ontzien, maar ook de procespartijen beoogt te beschermen tegen onnodige (proces)kosten.18 Gelet op dit laatste, wordt de genoemde ratio mede in verband gebracht met het door art. 6 EVRM beschermde recht op toegang tot de rechter (het ‘toegankelijkheidsbeginsel’). Daarachter steekt de gedachte dat het vooruitzicht van een procedure in twee feitelijke instanties over een relatief kleine vordering rechtzoekenden zou kunnen ontmoedigen om zo’n procedure te voeren.19 Tegen deze achtergrond pleiten verscheidene auteurs voor een aanzienlijke verhoging van de appelgrens.20 Daarbij wijzen zij erop dat de in art. 93 Rv neergelegde competentiegrens van de kantonrechter, waarmee de appelgrens vroeger globaal gelijke tred hield, in 2011 substantieel is verhoogd (tot € 25.000,-)21 zonder een evenredige verhoging van de appelgrens.22

2.7

De uit art. 332 lid 1 Rv voortvloeiende uitsluiting van hoger beroep in zaken met een (te) gering financieel belang kan niet worden doorbroken met een beroep op de doorbrekingsgronden die hoger beroep mogelijk maken waar dat in bijzondere wetsbepalingen is uitgesloten.23 Dit laat onverlet dat van vonnissen waartegen ingevolge art. 332 lid 1 Rv geen hoger beroep kan worden ingesteld, op grond van art. 78 e.v. RO cassatieberoep openstaat. Voor zover het gaat om kantonrechtervonnissen, gelden daarbij de beperkingen van art. 80 lid 1 RO, met dien verstande dat de Hoge Raad, gelet op art. 6 EVRM, ook de schending van fundamentele rechtsbeginselen als grond voor cassatie van kantonrechtervonnissen aanvaardt.24

2.8

Na deze algemene opmerkingen keer ik terug naar het middelonderdeel. De daarin verdedigde rechtsopvatting dat in executiegeschillen in kort geding de appelgrens niet geldt en dus steeds hoger beroep kan worden ingesteld, ongeacht de waarde of het beloop van de vordering, kan mijns inziens niet als juist worden aanvaard. Art. 332 lid 1 Rv geldt voor alle vonnissen van de burgerlijke rechter en laat slechts een uitzondering toe indien de wet ‘anders bepaalt’. Van zo’n wettelijke uitzondering is hier geen sprake.25 De wettelijke regeling van executiegeschillen in art. 438 Rv en de “eigen aard van het executiegeschil” waarop zij berust26, bieden geen aanknopingspunt voor het maken van zo’n uitzondering. Voor zover het onderdeel op de gedachte berust dat vanwege het spoedeisende karakter van executiegeschillen in kort geding en/of het voorlopige karakter van de daarin getroffen voorzieningen27, een grotere kans op fouten en (dus) een grotere behoefte aan de mogelijkheid van hoger beroep bestaat, faalt het omdat die gedachte al in 1981 (voor kort gedingen in het algemeen) door de Hoge Raad is verworpen.28 Voor zover het middelonderdeel een uitzondering op de appelgrens bepleit met een beroep op de absolute bevoegdheid van (de voorzieningenrechter in) de rechtbank om te oordelen over executiegeschillen, ook ten aanzien van kantonrechtervonnissen, faalt het omdat het onderscheid tussen kantonzaken en niet-kantonzaken – anders dan onder het tot 1 januari 2002 geldende procesrecht – naar huidig recht niet van invloed is op de appellabiliteit.29

2.9

De in het middelonderdeel verdedigde rechtsopvatting is ook niet aanvaard in HR 13 april 1984, NJ 1984/566 m.nt. W.H. Heemskerk. Het ging in die zaak om de invordering bij dwangbevel van een opgelegde heffing. De heffingsdebiteur, genaamd Vriend, was daartegen in verzet gekomen bij de rechtbank op de voet van art. 127 lid 4 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie. Na afwijzing van zijn vordering stelde deze rechtstreeks cassatieberoep in, kennelijk indachtig de appelgrens voor vonnissen van de kantonrechter die toen was neergelegd in art. 38 (oud) RO.30 De Hoge Raad verklaarde de heffingsdebiteur niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep omdat op grond van het toenmalige art. 54 (oud) RO voor vonnissen van de rechtbank geen appelgrens gold en de beslagdebiteur dus hoger beroep had kunnen instellen. De Hoge Raad overwoog, voor zover van belang:

“Vonnissen van rechtbanken, in eerste aanleg gewezen, zijn vatbaar voor hoger beroep, tenzij het tegendeel uit de wet voortvloeit. Ten aanzien van vonnissen gewezen op een verzet als bedoeld in art. 127 lid 4 vloeit zodanige uitsluiting voort noch uit dit artikel noch uit enige andere wettelijke bepaling. Art. 38 Wet RO, op welk artikel Vriend zich bij pleidooi heeft beroepen, is te dezen niet van toepassing, nu niet de Ktr. maar de Rb. op het verzet beslist.

Tegen het vonnis van de Rb. stond derhalve hoger beroep open, zodat Vriend in zijn cassatieberoep niet kan worden ontvangen.” (rov. 3)

2.10

Anders dan het middelonderdeel veronderstelt, behelst het arrest niet de regel dat in executiegeschillen steeds appel openstaat. Het arrest leert slechts dat bij gebreke van een wettelijke uitsluiting of beperking van appel – zoals eertijds onder het regime van art. 54 RO (oud) – hoger beroep kan worden ingesteld. De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.

2.11

Onderdeel 2 klaagt, evenals de “algemene klacht” die aan de onderdelen voorafgaat, dat het hof in rov. 4.3 de ingestelde vorderingen tot opheffing van het beslag, tot restitutie en tot het geven van een verbod van verdere beslagen ten onrechte heeft gelijkgesteld met de vordering van Univé ten bedrage van € 790,80, waarvoor het beslag was gelegd. Volgens het middelonderdeel moet onder “de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen” (in de zin van art. 332 lid 1 Rv) niet de vordering van de executant (hier: Univé), maar de vordering van de geëxecuteerde (hier: de schuldenaar) worden verstaan. Het onderdeel tekent hierbij aan dat de door het beslag getroffen zorgtoeslag van de schuldenaar in 2016 € 998 bedroeg, dus meer dan de vordering van Univé van € 790,80.

2.12

De klacht mist feitelijke grondslag. Op zichzelf is juist dat de in een executiegeschil ingestelde vordering van de geëxecuteerde een hogere waarde kan vertegenwoordigen dan de vordering van de executant.31 Het hof heeft dit niet miskend. Het hof is in rov. 4.3 “met partijen” ervan uitgegaan dat de vorderingen tot opheffing van het beslag, tot restitutie en tot verbod van verdere beslagen tezamen dezelfde waarde vertegenwoordigen als de vordering van Univé ad € 790,80. Tegen de vaststelling dat partijen zijn uitgegaan van een gelijkschakeling van de waarde van de opheffingsvordering met nevenvorderingen en de vordering waarvoor het beslag was gelegd, richt het middel geen klacht. Het onderdeel faalt omdat het hof de waarde van de vorderingen heeft mogen bepalen met inachtneming van de desbetreffende stellingen van partijen.

2.13

Overigens was de vaststelling van het hof dat partijen zijn uitgegaan van deze gelijkschakeling begrijpelijk in het licht van de uitlatingen van partijen ter comparitie. In antwoord op een door het hof gestelde vraag naar het financiële belang van de zaak sprak de advocaat van de schuldenaar over “€ 797,- als zijnde het belang van opheffingsvordering” (proces-verbaal, blz. 4). Wat betreft de in eerste aanleg ingestelde vordering tot restitutie van ten onrechte geïncasseerde zorgtoeslagen, stond tussen partijen vast dat de waarde daarvan nihil was, omdat de schuldenaar zijn zorgtoeslag onmiddellijk na de beslaglegging had stopgezet en daarom geen zorgtoeslagen aan Univé waren uitgekeerd.32 Wat betreft de mogelijkheid van een herleving van het beslag door het opnieuw aanvragen van zorgtoeslag, verklaarde de advocaat van de schuldenaar dat een eventueel daaruit voortvloeiende toename van het financiële belang geen onderdeel uitmaakte van de vordering (proces-verbaal, blz. 2). Over de waarde van de nevenvordering tot verbod van verdere beslaglegging heeft de advocaat van de schuldenaar in het geheel geen uitspraken gedaan. Wel refereerde zij aan de niet-toegelaten eisvermeerdering in eerste aanleg en aan de proceskosten, waarvan de waarde echter niet meetelt voor de appelgrens.33

2.14

Tegen deze achtergrond heeft het hof inderdaad “met partijen” tot uitgangspunt kunnen nemen dat de vorderingen tot opheffing van het beslag, tot restitutie en tot verbod van verdere beslagen tezamen dezelfde waarde vertegenwoordigen als de vordering van Univé ad € 790,80. Voor zover het onderdeel zich erop beroept dat de door het beslag getroffen zorgtoeslag in 2016 € 998 bedroeg, faalt het bij gebrek aan belang. Ook met inachtneming van dat hogere bedrag is de waarde van de vorderingen immers onder de appelgrens gelegen (€ 998 + € 500 = € 1.498). Onderdeel 2 faalt.

2.15

Onderdeel 3 is geschreven voor het geval dat het hof de door de schuldenaar ingestelde vorderingen tot opheffing van het beslag, tot restitutie en tot het geven van een verbod van verdere beslagen heeft beschouwd als vorderingen van onbepaalde waarde in de zin van art. 332 lid 1 Rv. In dat geval heeft het hof volgens de klacht miskend dat deze vorderingen ‘aard’-vorderingen en geen ‘waarde’-vorderingen zijn, en dat van een vonnis in kort geding over aardvorderingen als deze steeds hoger beroep openstaat. Het onderdeel verwijst in dit verband naar art. 705 in verbinding met art. 254 e.v. Rv.

2.16

De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft immers, in navolging van partijen, tot uitgangspunt genomen dat de opheffingsvordering en de daaruit voortvloeiende nevenvorderingen een bepaalde waarde vertegenwoordigen, namelijk dezelfde als de vordering van Univé ad € 790,80. Overigens lijkt het onderdeel de in art. 332 lid 1 Rv neergelegde criteria voor appellabiliteit (vorderingen van bepaalde waarde tegenover vorderingen van onbepaalde waarde) ten onrechte op één lijn te stellen met de in art. 93 Rv neergelegde criteria voor bevoegdheid van de kantonrechter (‘waarde’-vorderingen tegenover ‘aard’-vorderingen). Ik memoreer in dit verband dat de appelgrens ook geldt voor aardvorderingen (zie alinea 2.5 hiervoor) en dat het onderscheid tussen kantonzaken en niet-kantonzaken naar huidig recht niet (meer) van invloed is op de appellabiliteit (zie alinea 2.8).

2.17

Voor zover het onderdeel betoogt dat in executiegeschillen als het onderhavige steeds hoger beroep openstaat, bouwt het kennelijk voort op onderdeel 1 en de in dat kader verdedigde, hierboven onjuist bevonden rechtsopvatting. Volledigheidshalve merk ik nog op dat art. 705 Rv in deze zaak toepassing mist, omdat het hier niet gaat om (de opheffing van) een conservatoir beslag.

2.18

Onderdeel 4.a richt een voortbouwende klacht tegen rov. 4.5 (slot), waar het hof concludeert dat geen hoger beroep openstaat. Deze klacht mist zelfstandige betekenis en behoeft geen afzonderlijke bespreking.

2.19

Onderdeel 4.b klaagt dat het hof in rov. 4.6 ten onrechte heeft geoordeeld dat tegen het vonnis van de voorzieningenrechter ingevolge art. 80 lid 1 RO cassatieberoep openstond. Volgens het onderdeel was dat niet het geval, nu het bestreden vonnis niet door een kantonrechter (in de zin van art. 80 lid 1 RO) is gewezen, maar door de voorzieningenrechter in de rechtbank (in de zin van art. 438 lid 2 Rv). Verder betoogt het middelonderdeel dat de uitspraak van het hof een “rechtens ontoelaatbare, met het (systeem van) beslag- en executierecht strijdige, en maatschappelijk onaanvaardbare uitkomst” heeft omdat bij executoriale beslagen ter zake van vorderingen onder de appelgrens de geëxecuteerde steeds de mogelijkheid wordt ontnomen om hoger beroep in te stellen.34

2.20

De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof respondeert in rov. 4.6 op een zijdelingse opmerking van de advocaat van de schuldenaar ter comparitie, over een eventueel beroep op doorbrekingsgronden.35 In dat kader overweegt het hof:

“Voor zover [de schuldenaar] heeft bedoeld zich te beroepen op schending van fundamentele rechtsbeginselen, is dat geen grond voor doorbreking van de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rechtsvordering. Omdat in een cassatieberoep op de voet van art. 80 lid 1 RO ruimte wordt geboden voor klachten over schending van fundamentele rechtsbeginselen acht de Hoge Raad in een geval als het onderhavige niet onaanvaardbaar dat tegen een beslissing in een zaak met een waarde gelegen onder de appelgrens geen hoger beroep kan worden ingesteld (vgl. Hoge Raad 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490).”

2.21

Deze overwegingen staan in de sleutel van HR 16 maart 2007, reeds aangehaald, NJ 2007/637, waarnaar het hof verwijst. In die zaak ging het om een niet-appellabel vonnis van een kantonrechter, waarvan (slechts) binnen de grenzen van art. 80 lid 1 RO cassatieberoep openstond. Vandaar dat het hof refereert aan “een cassatieberoep op de voet van art. 80 lid 1 RO”. Anders dan het onderdeel veronderstelt, ligt hierin niet het oordeel besloten dat ook in de onderhavige zaak (slechts) op de beperkte gronden van art. 80 lid 1 RO cassatieberoep had kunnen worden ingesteld. Bovendien faalt het onderdeel bij gebrek aan belang, omdat het hof met juistheid heeft overwogen dat de appelgrens niet kan worden doorbroken en de verwijzing naar art. 80 lid 1 RO niet dragend is voor dat oordeel.

2.22

Voor zover het onderdeel nog klaagt over de onjuiste en/of onwenselijke uitkomst van het bestreden arrest, breng ik in herinnering dat de appelgrens mede in het teken staat van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de rechtspraak, en in verband daarmee steun geniet (zie alinea 2.6 hiervoor). Zo beschouwd, is de door het hof bereikte slotsom dat in deze zaak, vanwege het (te) geringe financiële belang, geen hoger beroep openstaat, in overeenstemming met het wettelijke stelsel en ook maatschappelijk aanvaardbaar.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv

1 Zie ook rov. 2.1 tot en met 2.4 van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 8 juli 2016.

2 Zie voor de berekening van dit bedrag het als productie 3 bij inleidende dagvaarding overgelegde beslagexploot van 4 april 2016.

3 Vgl. de (in cassatie onbestreden) weergave in rov. 3.1 van het bestreden arrest, in verbinding met de uitleg die de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland in rov. 3.1 van het vonnis van 8 juli 2016 aan de vordering had gegeven.

4 Wet van 23 juni 2005 tot harmonisatie van inkomensafhankelijke regelingen, Stb. 2005, 344. Artikel 45, lid 1 onder a, bepaalt dat een tegemoetkoming niet vatbaar is voor (onder meer) beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij het betreft beslag wegens (a) “een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming”.

5 Zie de weergave van de stellingen van de schuldenaar in rov. 3.1.1 van het verwijzingsvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 juni 2016.

6 Dit bedrag betrof het door middel van het eerste bedrag geïncasseerde vakantiegeld. Zie ook rov. 4.4 van het bestreden arrest.

7 Onder verwijzing naar HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637 m.nt. H.J. Snijders.

8 Zie MvT Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv, Wet RO en Fw (Inv. 3, 5 en 6), blz. 95.

9 Zie MvT Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv, Wet RO en Fw (Inv. 3, 5 en 6), blz. 95-96.

10 Omstreden is of (ex art. 438 lid 2 jo. 254 lid 5 Rv) ook de kantonrechter in executiegeschillen als kortgedingrechter kan optreden. Zie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/219 (noot 5), met vermelding van vindplaatsen. In de onderhavige zaak speelt die discussie niet, nu de in eerste aanleg oordelende voorzieningenrechter hoe dan ook bevoegd was op grond van art. 438 lid 2 Rv.

11 Zie H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2017, nr. 428.

12 Zie MvT Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv, Wet RO en Fw (Inv. 3, 5 en 6), blz. 96. Vóór de invoering van art. 438 lid 2 Rv werd in HR 18 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0375, NJ 1992/4, al geoordeeld dat de president in kort geding bevoegd is zelf beslagen op te heffen.

13 Zie H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2017, nr. 428; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy 2015, nr. 231.

14 Zie HR 22 april 1983, NJ 1984/145 m.nt. W.H. Heemskerk, rov. 3.2.

15 Zie voor een nadere bespreking van de appelgrens en de historische achtergrond daarvan de conclusie van de A-G Wesseling-van Gent voor HR 16 maart 2007, reeds aangehaald, NJ 2007/637. De KEI-wetgeving (art. I van de wet van 16 juni 2016, Stb. 289) heeft wel een wijziging gebracht in art. 332 Rv, maar deze is voor de beoordeling van het middel niet van belang.

16 Zie HR 3 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4175, NJ 1982/184 m.nt. W.H. Heemskerk, en voorts Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein en Wesseling van Gent 4 2012/17.

17 Zie A. Hammerstein, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 332 Rv (2018), aant. 3a, die verwijst naar HR 19 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9594, NJ 2002/299 (rov. 3.3).

18 Zie bijv. E. van Geuns en M.V.E.E. Jansen, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 332 Rv (2012), aant. 3; H.J. Snijders in zijn noot in NJ 2007/637, reeds aangehaald, punt 1.

19 Zie bijv. H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2017, nr. 255; H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel appel, Deventer: Kluwer 2009, nr. 36; en H.J. Snijders, ‘Alternatieven voor civielrechtelijk appel’, in: R.H. Happé e.a. (red.), Hoger beroep in de steigers, Den Haag: BJU: 2003, blz. 208.

20 Zie: A.W. Jongbloed en A.L.H. Ernes (red.), Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, Deventer: Kluwer 2014, blz. 404 (noot 42); E. van Geuns en M.V.E.E. Jansen, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 332 Rv (2012), aant. 3.

21 Dat gebeurde bij de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie, Stb. 2011/255.

22 De appelgrens werd laatstelijk in 1999 verhoogd tot NLG 3.500 (Stb. 1998/605), welk bedrag bij de invoering van de euro in 2002 naar boven is afgerond tot € 1.750 (Stb. 2001/481).

23 Zie bijv. HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.6 (met verwijzing naar eerdere gelijkluidende rechtspraak).

24 Zie HR 16 maart 2007, reeds aangehaald, NJ 2007/637 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.7.1 e.v.

25 Art. 705 Rv, waarop het onderdeel wijst, behelst niet zo’n uitzondering en is in deze zaak ook niet van toepassing, nu dat artikel de opheffing van een conservatoir beslag betreft. Vgl. MvA I Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv, Wet RO en Fw (Inv. 3, 5 en 6), blz. 100, waar wordt opgemerkt dat de bevoegdheidsregeling van art. 705 Rv “op een andere gedachte” berust.

26 Zie MvA I Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv, Wet RO en Fw (Inv. 3, 5 en 6), blz. 101.

27 Overigens behoeven de in een (executie-) kort geding te treffen voorzieningen niet van tijdelijke aard te zijn. Vgl. Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy 2015, nr. 134.

28 Vgl. HR 3 april 1981, reeds aangehaald, NJ 1982/184 m.nt. W.H. Heemskerk en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Ten Kate.

29 Zie punt 2.4 van de conclusie van A-G Wesseling van Gent voor HR 16 maart 2007, NJ 2007/637; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein en Wesseling van Gent 4 2012/12.

30 Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet op de Bedrijfsorganisatie, zoals weergegeven door A-G Mok in zijn conclusie voor het arrest, onder 3, was vanuit de Tweede Kamer voorgesteld de kantonrechter (mede) bevoegd te verklaren in executiegeschillen in de zin van art. 127 lid 4, maar had de wetgever uiteindelijk de voorkeur gegeven aan de (absolute) bevoegdheid van de rechtbank.

31 Vgl. de NJ-annotatie van W.H. Heemskerk bij HR 13 april 1984, NJ 1984/566.

32 Zie de pleitnota zijdens Univé en AGC/LAVG d.d. 24 juni 2016, par. 11. Vgl. de desbetreffende verklaring van de schuldenaar ter comparitie (“Daarom heb ik de zorgtoeslag voor zolang het beslag ligt, stopgezet.”).

33 Aldus terecht (en in zoverre onbestreden in cassatie) rov. 4.4 en 4.5 van het bestreden arrest.

34 Zie in gelijke zin de s.t. namens de schuldenaar, par. 7.

35 Zie proces-verbaal d.d. 18 januari 2017, blz. 4, waar wordt verwezen naar HR 29 maart 1985, NJ 1986/242 m.nt. L. Wichers Hoeth en W.H. Heemskerk (gronden voor doorbreking van een rechtsmiddelverbod).