Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:256

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-03-2018
Datum publicatie
22-06-2018
Zaaknummer
17/04457
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:979, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht, procesrecht. Beschermingsbewind. Vermogen van de man onder bewind gesteld. Kantonrechter verleent machtiging aan bewindvoerder om accountant in te schakelen. Is echtgenote ontvankelijk in hoger beroep tegen beschikking kantonrechter? Begrip 'belanghebbende' in de zin van art. 798 lid 1 Rv. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/20
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/04457

mr. .M.L.C.C. Lückers

Zitting: 16 maart 2018

Conclusie inzake:

[de vrouw]

Advocaat: S. Kousedghi

tegen

[de bewindvoerder]

In deze zaak wordt opgekomen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) in het hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter in een machtigingsprocedure in de zin van art. 1:441 lid 2 BW. De kantonrechter heeft een machtiging verleend aan de bewindvoerder van de man, met wie de vrouw in gemeenschap van goederen is getrouwd, om een derde in te schakelen voor de gezamenlijke aangifte inkomstenbelasting waaraan kosten verbonden zijn van naar verwachting meer dan € 1.500,-. Het middel klaagt dat de vrouw als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv moet worden aangemerkt en derhalve ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat zij o.a. door het bestaan van de huwelijksgoederengemeenschap door de verleende machtiging wordt getroffen in haar eigen belang en het om een gezamenlijke aangifte inkomstenbelasting gaat.

1. Feiten1 en procesverloop

1.1 [de vrouw], verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw), is gehuwd met [de man] (hierna: de man)2. Het vermogen van de man is op 20 maart 2015 onder bewind gesteld.

1.2 Op 3 november 2016 heeft de bewindvoerder de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, verzocht haar machtiging te verlenen om de aangifte inkomstenbelasting 2015 te laten verzorgen door een derde onafhankelijke partij (belastingadvieskantoor of accountantskantoor), met daarbij de mededeling dat de daaraan verbonden kosten naar verwachting meer dan € 1.500,- zullen gaan bedragen.

1.3 De kantonrechter heeft deze machtiging bij beschikking van 30 december 2016 verleend.

1.4 De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen.

1.5 Bij beschikking van 15 juni 2017 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

1.6 De vrouw heeft tijdig3 beroep in cassatie ingesteld. Zij heeft een voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel gemaakt voor het geval het opgevraagde proces-verbaal daartoe aanleiding zou geven. Van dat voorbehoud heeft zij gebruik gemaakt.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar hoger beroep. Het hof heeft hiertoe als volgt overwogen:

“Het hof stelt voorop dat bij onderbewindstelling geldt dat het beheer over de onder bewind staande goederen toekomt aan de bewindvoerder (artikel 1:438 lid 1 BW), die echter voor bepaalde handelingen de toestemming van de rechthebbende nodig heeft (artikel 1:441 lid 2 BW) en dat laatstgenoemde slechts met medewerking van de bewindvoerder beschikkingshandelingen kan verrichten (artikel 1:438 lid 2 BW).

Voor het geval tussen hen verschil van mening bestaat over de wenselijkheid of noodzaak van bepaalde beschikkingshandelingen, kan de benodigde toestemming worden vervangen door een op verzoek van de bewindvoerder (artikel 1:441 lid 2 BW) onderscheidenlijk de rechthebbende (artikel 1:438 lid 2 BW) door de kantonrechter verleende machtiging. Uit de parlementaire geschiedenis van deze wetsartikelen blijkt dat de wetgever een beperkte regeling voor ogen stond, waarbij slechts de rechthebbende en de bewindvoerder zijn betrokken.

Uit het voorafgaande volgt dat een machtigingsprocedure als bedoeld in de artikelen 1:438 lid 2 BW en artikel 1:441 lid 2 BW, waarover het in de onderhavige procedure gaat, niet kan worden aangemerkt als een ‘zaak van onderbewindstelling, als bedoeld in het tweede lid van artikel 798 Rv, nu de in die bepaling opgenomen uitbreiding van de kring van belanghebbenden niet in overeenstemming is met de aard en strekking van een dergelijke procedure. Dit betekent dat verzoekster niet als belanghebbende hoger beroep kan instellen tegen de beslissing van de kantonrechter.

(Hoge Raad 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4932)”

Het middel komt niet op tegen het oordeel van het hof dat de vrouw niet als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 2 Rv kan worden aangemerkt.

Middelonderdeel I.1 klaagt dat het hof miskent dat de vrouw als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv moet worden aangemerkt gelet op de omstandigheid dat zij nog altijd getrouwd is met de man, dat zij in die hoedanigheid zijn fiscale partner is, zodat de aangifte gezamenlijk moet worden ingediend en dat de man en de vrouw in gemeenschap van goederen getrouwd zijn. Uit deze omstandigheden kan volgens het middel geen andere conclusie getrokken worden dan dat de aan de bewindvoerder verleende machtiging tot het inschakelen van een (onafhankelijke) derde ter indiening van de gezamenlijke aangifte inkomstenbelasting 2015 – en wel voor meer dan € 1.500,- – haar (concrete, namelijk: financiële) belangen rechtstreeks raakt, zodat zij als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv moet worden aangemerkt. De door de bewindvoerder gemaakte keuze tot het inschakelen van een derde heeft rechtstreeks invloed op de omvang van het gemeenschappelijke inkomen en vermogen waar de vrouw deelgenoot van is. Daarnaast geldt dat het ook háár eigen belastingaangifte betreft.

Middelonderdeel I.2 klaagt dat voor zover het hof impliciet geoordeeld heeft dat de in middelonderdeel I.1 genoemde omstandigheden niet maken dat de vrouw belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1 Rv, het hof is uitgegaan van een onjuiste maatstaf van art. 798 lid 1 Rv. Voor zover het hof op andere gronden aan deze omstandigheden voor bij is gegaan, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

2.2

Alvorens het middel te bespreken stel ik het volgende voorop. Op grond van artikel 1:431 lid 1 BW kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die degene die in verband met de in dat artikellid genoemde omstandigheden niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen, als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Onder aan de meerderjarige toebehorende goederen zijn in dat verband begrepen goederen die behoren tot zijn huwelijksgemeenschap of gemeenschap van geregistreerd partnerschap en die niet uitsluitend onder het bestuur van zijn echtgenoot dan wel geregistreerd partner staan.

Met betrekking tot die tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen4 is in de parlementaire geschiedenis het volgende opgemerkt:

“Is een rechthebbende gehuwd in algehele of in beperkte gemeenschap van goederen, dan zal hij in beginsel het bestuur hebben over de van zijn zijde in de gemeenschap gevallen goederen. Is hij daartoe niet meer in staat, dan zal hij het bestuur kunnen overlaten aan de andere echtgenoot. Ook is het in dat geval mogelijk dat de rechtbank het bestuur aan de andere echtgenoot opdraagt (artikel 90 van Boek 1 B.W.) en ten slotte kan ook bij huwelijkse voorwaarden het bestuur aan de andere echtgenoot zijn opgedragen (artikel 97 lid 1 van Boek 1). Is de echtgenoot die goederen bestuurt – die al dan (…) niet van zijn zijde in de gemeenschap zijn gevallen - daartoe niet langer in staat, dan voorziet de tweede zin van het onderhavige artikel in de mogelijkheid dat ook die goederen onder bewind gesteld worden. Deze maatregel doet uiteraard geen afbreuk aan de bevoegdheden die m.b.t. het bestuur over deze goederen eventueel aan de andere echtgenoot toekomen; vgl. Asser-de Ruiter-Moltmaker, p. 120 e.v.”5

Inzake het bestuur bepaalt art. 1:90 BW lid 1 dat een echtgenoot bevoegd is tot het bestuur van zijn eigen goederen en, volgens de regels van art. 1:97 BW, tot het bestuur van goederen van een gemeenschap. Blijkens art. 1:90 lid 2 BW omvat het bestuur van een echtgenoot over een goed de daaraan verbonden bevoegdheden, waaronder o.a. begrepen de bevoegdheid tot beschikking en beheer. Art. 1:97 BW bepaalt het volgende:

1. Een goed dat op naam van een echtgenoot staat of dat hij krachtens erfopvolging bij versterf, making of lastbevoordeling of gift heeft verkregen, staat onder diens bestuur. Voor het overige is ieder der echtgenoten bevoegd tot het bestuur over de goederen van de gemeenschap. Artikel 170, eerste lid, van Boek 36 is van overeenkomstige toepassing.

2. (…)

3. Geschillen tussen de echtgenoten over het bestuur ten aanzien van tot de gemeenschap behorende goederen, kunnen op verzoek van de echtgenoten of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd.

Blankman merkt op dat omdat in het nieuwe huwelijksvermogensrecht gezamenlijk bestuur (art. 1:97 BW) de hoofdregel is, dit betekent dat wanneer een ander dan de echtgenoot of partner van de rechthebbende tot bewindvoerder wordt benoemd, deze benoeming tot een forse aantasting van de bestuursbevoegdheid van de echtgenoot of partner kan leiden.7

Braun schrijft over de gevolgen die het bewind kan hebben voor de in gemeenschap van goederen gehuwde andere echtgenoot het volgende:

“De benoeming van een buitenstaander als bewindvoerder over het vermogen van een echtgeno(o)t(e) die in gemeenschap van goederen is gehuwd, kan leiden tot een (ongewenste) inperking van de handelingsvrijheid en inmenging in het privéleven van zijn/haar echtgeno(o)t(e). De bewindvoerder voert immers niet alleen het beheer over het vermogen van de rechthebbende, maar als gevolg van de door het huwelijk ontstane gemeenschap van goederen ook over (een deel van) het vermogen van zijn/haar echtgeno(o)t(e) (artikel 1:431 lid 1 laatste zin BW). Hierdoor kan de echtgeno(o)t(e) van de rechthebbende voor wat betreft het beheer over de gemeenschapsgoederen (gedeeltelijk) buiten spel worden gezet.”8

2.3

In verband met de door Braun gesignaleerde gevolgen die een bewind kan hebben voor de andere echtgenoot van de in gemeenschap van goederen gehuwde onder bewind gestelde doet Braun onder andere de volgende aanbeveling:

“Daarnaast zou de bewindvoerder moeten worden verplicht om de andere echtgeno(o)t(e), in ieder geval ten aanzien van een aantal rechtshandelingen, te consulteren. Hierbij denk ik dan aan de bestuurshandelingen en obligatoire rechtshandelingen die worden genoemd in artikel 1:441 lid 2 BW. Ingeval deze andere echtgeno(o)t(e) weigerachtig is, zou de kantonrechter op gelijke wijze als in de in artikel 1:441 lid 2 genoemde gevallen om een machtiging kunnen worden verzocht. Dit is ook in lijn met het bepaalde in artikel 1:97 lid 3 BW waarin wordt voorzien in een geschillenregeling voor die gevallen van gezamenlijk bestuur van de echtgenoten waarin zij het niet met elkaar eens kunnen worden.”9

2.4

In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of de echtgenote van de onder bewind gestelde man in hoger beroep kan komen van de door de kantonrechter op grond van art. 1:441 lid 2 BW afgegeven machtiging om de aangifte inkomstenbelasting 2015 te laten verzorgen door een derde onafhankelijke partij waarvan de kosten naar verwachting meer dan € 1.500,- zullen bedragen.

In zaken betreffende het personen – en familierecht (niet zijnde scheidingszaken) kan blijkens art. 806 lid 1 Rv van een beschikking hoger beroep worden ingesteld10 door (a) de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden en (b) andere belanghebbenden.

Het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt in de verzoekschriftprocedure in het algemeen moet volgens vaste rechtspraak worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen11.

Voor zaken betreffende het personen- en familierecht, anders dan scheidingszaken, geeft de eerste afdeling van Titel 6 van Boek III Rv een afwijkend voorschrift: voor de toepassing van deze afdeling wordt onder 'belanghebbende' verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft (art. 798 lid 1 Rv). Het woord rechtstreeks beoogt volgens de wetsgeschiedenis om de in beginsel ruime kring van belanghebbenden enigszins in te perken.12 Volgens Wortmann in haar noot onder de beschikking van de Hoge Raad van 22 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1748, NJ 2015/336 moet het gaan om persoonlijke, actuele en concrete rechten13.

In het tweede lid van art 798 Rv is bepaald dat in zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap onder belanghebbenden bovendien worden verstaan de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel en de kinderen of, bij gebreke van dezen, de ouders, broers en zusters van degene wiens curatele, goederen of mentorschap het betreft.

Met betrekking tot het tweede lid hebben Schaafsma-Beversluis en Keijser het volgende geschreven:

“9. Omdat in zaken van curatele, onderbewindstelling en mentorschap (…) onder de oude wetgeving een aantal personen op wier rechten of verplichtingen de zaak in ieder geval niet rechtstreeks betrekking heeft, thans is toegelaten om verzoeken te doen en verweer te voeren, is in lid 2 van art. 798 bepaald wie ‘bovendien’ onder belanghebbenden worden verstaan in zaken van curatele, onderbewindstelling en mentorschap. (…) In de eerste plaats wordt genoemd de echtgenoot; dit is opmerkelijk omdat deze ook zonder een dergelijke bepaling toch als belanghebbende moet worden beschouwd. (…)”14

2.5

Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat een machtigingsprocedure in de zin van art. 1:441 lid 2 BW, zoals in de onderhavige procedure aan de orde, niet kan worden aangemerkt als “een zaak van onderbewindstelling” als bedoeld in het tweede lid van art. 798 Rv. De Hoge Raad heeft daartoe bij beschikking van 1 januari 200215 als volgt overwogen:

“Bij onderbewindstelling geldt dat het beheer over de onder bewind staande goederen toekomt aan de bewindvoerder (art. 1:438 lid 1) BW), die echter voor bepaalde handelingen de toestemming van de rechthebbende nodig heeft (art. 1:441 lid 2) en dat laatstgenoemde slechts met medewerking van de bewindvoerder beschikkingshandelingen kan verrichten (art. 1:438 lid 2). Voor het geval tussen hen verschil van mening bestaat over de wenselijkheid of noodzaak van bepaalde beschikkingshandelingen, kan de benodigde toestemming worden vervangen door een op verzoek van de bewindvoerder (art. 1:441 lid 2) onderscheidenlijk de rechthebbende (art. 1:438 lid 2) door de Kantonrechter verleende machtiging. Hierbij gaat het — uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9 weergegeven passage uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit de wetgever ook voor ogen stond — om een beperkte regeling, waarbij slechts de rechthebbende en de bewindvoerder zijn betrokken.

Uit het voorafgaande volgt dat een machtigingsprocedure als bedoeld in de art. 1:438 lid 2 en 1:441 lid 2 BW, waarover het in het onderhavige geding gaat, niet kan worden aangemerkt als een 'zaak van onderbewindstelling' als bedoeld in het tweede lid van art. 798 Rv., nu de in die bepaling opgenomen uitbreiding van de kring van belanghebbenden niet in overeenstemming is met de aard en strekking van een dergelijke procedure.”

In zijn noot onder deze beschikking heeft De Boer opgemerkt:

“7. Het voorgaande betrof de beperkende uitleg van het tweede lid van art. 798 Rv en laat m.i. in beginsel onverlet het eerste lid (…). In het onderhavige geval moest ervan worden uitgegaan dat een zoon geld had uitgegeven aan een advocaat ter veiligstelling van het vermogen van zijn bejaarde moeder, wier vermogen onder bewind was gesteld. De bewindvoerder vroeg machtiging aan de rechter om de zoon diens kosten (gedeeltelijk) te vergoeden. Voor de hand ligt te redeneren dat die procedure niet rechtstreeks mede op de rechten (als crediteur uit zaakwaarneming) van de zoon betrekking heeft, omdat zijn vordering als zodanig daardoor niet wordt beïnvloed. (…) het was fraaier geweest als de Hoge Raad in casu, toen hij de zaak zelf afdeed, ook had gemotiveerd waarom de zoon evenmin op grond van het eerste lid van art. 798 Rv niet-ontvankelijk was.”

2.6

In zijn beschikking van 24 januari 2014 heeft de Hoge Raad zijn vaste rechtspraak inzake art. 798 lid 2 Rv herhaald16 en is hij daarnaast expliciet ingegaan op de vraag of de zoons van een onder bewind gestelde in een door de bewindvoerder ingestelde machtigingsprocedure in de zin van art. 1:441 lid 2 BW eventueel wel konden worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv. De Hoge Raad heeft deze vraag in die zaak ontkennend beantwoord, omdat niet kan worden gezegd dat het verzoek van de bewindvoerder tot opheffing van de huwelijkse voorwaarden van de rechthebbende op de rechten (of verplichtingen) van de zoons van de rechthebbende rechtstreeks betrekking heeft, zoals art. 798 lid 1 Rv eist. De door de bewindvoerder beoogde opheffing van de huwelijkse voorwaarden is weliswaar van invloed op de omvang van het vermogen van hun vader, maar daarbij zijn hun eigen rechten niet, en zeker niet rechtstreeks in het geding. Dit strookt met de memorie van toelichting bij art. 798 Rv, waarin van de zijde van de regering is opgemerkt dat de nadere specificatie van het begrip ‘belanghebbenden’ in lid 2 — waar het derhalve gaat om de kring van naasten tot wie de zoons in dit geval behoren — betrekking heeft op “personen op wier rechten of verplichtingen de zaak in ieder geval niet rechtstreeks betrekking heeft (Kamerstukken II 1991-1992, nr. 22 487, nr. 3, p. 8), aldus de Hoge Raad.17

2.7

In zijn beschikking van 26 juni 201518 heeft de Hoge Raad in een zaak waarin de kantonrechter machtiging heeft verleend voor de verkoop van een pand dat toebehoort aan de wegens geestelijke stoornis onder curatele gestelde moeder geoordeeld dat de zoon als huurder van dat pand onder bepaalde omstandigheden als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv kan worden aangemerkt. De Hoge Raad overwoog:

“3.5 Het hof heeft zijn oordeel dat Piet niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, enkel gemotiveerd met de overweging dat de zaak niet rechtstreeks betrekking heeft op diens rechten of verplichtingen. Daarbij is het niet ingegaan op de (…) stellingen van Piet die betrekking hebben op de specifieke omstandigheden van dit geval, in het bijzonder de stelling dat Piet rechten uit de huurverhouding met zijn moeder ten dele samenhangen met de moeder-zoonverhouding en niet tegen een nieuwe verhuurder kunnen worden ingeroepen.

In een geval als het onderhavige kan de huurder in elk geval als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv worden aangemerkt indien aannemelijk is dat toewijzing van het verzoek leidt tot een dreiging van inbreuk op zijn rechten als huurder. Indien het hof ervan is uitgegaan dat de zojuist vermelde stellingen van Piet over de huurverhouding hem nog niet tot belanghebbende maken, is het derhalve uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof op andere gronden aan die stellingen is voorbijgegaan, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.”

2.8

Ik keer terug naar onderhavige zaak. Nu de vrouw in haar appelschrift onder 6 heeft gesteld dat zij en haar echtgenoot in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep niet volgt dat de bewindvoerder dit heeft betwist, dient hiervan in cassatie te worden uitgegaan. Gelet op deze omstandigheid is het middel mijns inziens terecht voorgesteld. Het verlenen van een machtiging tot het inschakelen van een derde partij om de aangifte inkomstenbelasting te verzorgen voor naar verwachting meer dan € 1.500,- raakt de echtgenote rechtstreeks in haar financiële belangen, nu de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen (deels) tot het onder bewind gestelde vermogen behoren en de te verwachten kosten van meer dan € 1.500,- ten laste van dat vermogen komen. Indien het hof heeft geoordeeld dat de vrouw niet als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 2 Rv dient te worden aangemerkt en om die reden niet ontvankelijk is in haar hoger beroep, miskent het hof dat het ook had moeten beoordelen of de vrouw op grond van art. 798 lid 1 Rv ontvankelijk was in haar hoger beroep. Indien het oordeel van het hof aldus moet worden gelezen dat de omstandigheid dat de vrouw en de man in gemeenschap van goederen waren gehuwd niet maakt dat de vrouw belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1 Rv, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

2.9

Nu het middel in zoverre terecht is voorgesteld behoeft de klacht in het naar aanleiding van de ontvangst van het proces-verbaal ingediende aanvullend verzoekschrift geen behandeling.

Voor de volledigheid merk ik op dat deze klacht inhoudende dat het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, althans in elk geval het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, nu het de vrouw niet (ter zitting) in de gelegenheid heeft gesteld om zich over het voornemen van het hof tot het toepassen van art 798 lid 2 Rv uit te laten, tevergeefs is voorgesteld.


Uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof volgt immers dat de ontvankelijkheid ter terechtzitting uitdrukkelijk aan de orde is gesteld en dat de vrouw in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 15 juni 2017 onder “De beslissing in eerste aanleg”.

2 Dat de man en de vrouw gehuwd zijn blijkt uit de partijaanduiding van de vrouw in de in voetnoot 1 genoemde beschikking.

3 Het cassatieverzoekschrift is op 14 september 2017 ingekomen bij de Hoge Raad.

4 Zie hierover ook Asser/De Boer Personen- en familierecht, deel 1, 2010/1136.

5 Kamerstukken II, 1978-1979, 15 350, nr. 3, p. 19.

6 Dit artikellid luidt: “Handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht. Ieder van hen is bevoegd ten behoeve van de gemeenschap verjaring te stuiten.”

7 C. Blankman, “Beschermingsmaatregelen voor senioren”, preadvies KNB 2013, in: Notariële bescherming ouderen, p. 36. Ik merk op dat Van Teeffelen signaleert dat de praktijk forse problemen kent in de situatie dat de rechthebbende is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan en er een gemeenschap van goederen is: “Volgens de wet vallen de goederen die uitsluitend onder het bestuur staan van de echtgenoot of geregistreerd partner niet onder het bewind (art. 4:131 lid 1 laatste volzin BW), maar veel echtelieden en geregistreerde partners houden niet bij welke goederen onder wiens bestuur staan c.q. op welke wijze de goederen in de gemeenschap zijn gevallen (zie art. 1:97 BW). Dit probleem speelt uiteraard met name wanneer de partner niet tot bewindvoerder is benoemd.” Zie P. van Teeffelen, “Wie zorgt er voor mij? De oudere in het personen- en familierecht”, FJR 2013/40, p. 3.

8 S.C. Braun, “Bewind en de in gemeenschap van goederen gehuwde andere echtgeno(o)t(e)”, FJR 2013/80 onder 3.

9 S.C. Braun, “Bewind en de in gemeenschap van goederen gehuwde andere echtgeno(o)t(e)”, FJR 2013/80 onder 4.2.

10 Behoudens tegen de beschikkingen genoemd in art. 807 Rv.

11 vgl. HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45; HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9961, NJ 2012/339; HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1338, NJ 2014/299; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3636, NJ 2016/172.

12 Kamerstukken II 1991/1992, 22487, nr. 3 p. 6 en 7

13 Zie verder onder punt 2.7.

14 E.L. Schaafsma-Beversluis & J.A.M.P. Keijser, Het nieuwe personen – en familieprocesrecht, 1995, p. 36 & 37.

15 ECLI:NL:HR:2002:AD4932, NJ 2002/463 m.nt. J. de Boer.

16 HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:160, NJ 2014/168, rov. 3.5.

17 Rov. 3.4.

18 ECLI:NL:HR:2015:1748, NJ 2015/336 m.nt. Wortmann, rov. 3.5.