Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:252

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-03-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
17/03990
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:694, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Echtscheiding. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/03990

mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 16 maart 2018

Conclusie inzake:

[de vrouw]

verzoekster tot cassatie

adv.: mr. K. Aantjes

tegen

[de man]

verweerder in cassatie

niet verschenen

In deze echtscheidingszaak gaat het in cassatie slechts om de vraag of het in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden gegeven oordeel van het hof dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor een gemeenschappelijk krediet, onbegrijpelijk is.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Partijen (hierna: de vrouw resp. de man) zijn met elkaar gehuwd op 9 september 2009 onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende dat er tussen hen geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap zal bestaan. 1

1.2

Bij inleidend verzoekschrift van 7 augustus 2015 heeft de man, voor zover in cassatie van belang, verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw heeft zelfstandig verzocht de echtscheiding uit te spreken en, voor zover in cassatie van belang, als nevenvoorziening verdeling c.q. verrekening verzocht van hetgeen tussen partijen op grond van de tussen hen bestaande huwelijkse voorwaarden gemeenschappelijk is dan wel verrekend dient te worden.

1.3

Bij beschikking van 8 juni 2016, ingeschreven op 29 augustus 2016, heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft voorts overwogen in het kader van de verzochte afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden niets concreets te kunnen beslissen over het geschilpunt betreffende het gemeenschappelijk krediet bij de Voorschotbank ad € 50.000 uit 2009 (beschikking, p. 10) en de verzochte nevenvoorziening in zoverre afgewezen.

1.4

De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Hij heeft verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en, voor zover in cassatie van belang, subsidiair verzocht te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het in 2009 afgesloten gemeenschappelijk krediet bij de Nederlandse Voorschotbank van € 50.000,-.

1.5

De vrouw heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend. Zij heeft verzocht de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen en, voor zover in cassatie van belang, aan te vullen in die zin dat de man wordt veroordeeld om concrete informatie aan de vrouw te verschaffen, bestaande uit schriftelijke bewijsstukken (de bankafschriften), waaruit blijkt op welke wijze het krediet bij de Voorschotbank is aangewend, op verbeurte van een dwangsom.

1.6

Het hof Den Haag heeft bij beschikking van 31 mei 2017 de beschikking van de rechtbank ten aanzien van, voor zover in cassatie van belang, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vernietigd en heeft, in zoverre opnieuw beschikkende, bepaald dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het gemeenschappelijk krediet bij de Nederlandse Voorschotbank van € 50.000,-, met afwijzing van het aanvullend verzoek van de vrouw.

1.7

De vrouw heeft tijdig2 beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. De man heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 29 en het dictum van de bestreden beschikking3 , inhoudende dat partijen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het gemeenschappelijk krediet bij de Nederlandse Voorschotbank ad € 50.000,-. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen (met door mij aangebrachte onderstreping):

“29. Het hof is uit de stukken en het besprokene ter zitting genoegzaam gebleken dat het gemeenschappelijk krediet door beide partijen op 13 juli 2009 is afgesloten en ondertekend op 13 juli 2009, zodat vaststaat dat zij hoofdelijke schuldenaren zijn ten aanzien van deze schuld. Nu in de huwelijkse voorwaarden geen regeling is getroffen ten aanzien van de draagplicht van schulden, dient de draagplicht beoordeeld te worden aan de hand van artikel 6:10 BW. Hierin is bepaald dat hoofdelijke schuldenaren verplicht zijn, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in onderlinge verhouding aangaat, bij te dragen. Niet betwist is dat een gedeelte van het krediet ad € 28.000,- is gebruikt voor de kosten van het huwelijk van partijen. Verder is voldoende aannemelijk gemaakt dat de overige € 22.000,- van het krediet is gebruikt voor de aanschaf van luxe goederen ten behoeve van beide partijen. Dat de vrouw er niet van op de hoogte was dat de daarvoor benodigde gelden afkomstig waren uit deze lening, maakt dat niet anders. Het verzoek van de man om te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het gemeenschappelijk krediet bij de Nederlandse Voorschotbank ad € 50.000,- kan derhalve worden toegewezen. (…)”

Het middel bestempelt als onbegrijpelijk de oordelen van het hof (i) dat niet betwist is dat een gedeelte van het krediet ad € 28.000,- is gebruikt voor de kosten van het huwelijk van partijen en (ii) dat verder voldoende aannemelijk is gemaakt dat de overige € 22.000,- van het krediet is gebruikt voor de aanschaf van luxe goederen ten behoeve van beide partijen.

2.2

Het middel voert hiertoe aan dat de vrouw uitdrukkelijk heeft betwist dat het doorlopend krediet is aangegaan ter financiering van het huwelijk van partijen4 en dat zij met name heeft betwist dat het doorlopend krediet aan beide partijen ten goede is gekomen5.

Voorts voert het middel aan dat hetgeen de voorzitter van het hof blijkens het proces-verbaal tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gezegd (en dat is overgenomen in rov. 29), te weten:

“(…) Ten aanzien van het krediet bij de Voorschotbank van € 50.000,-:

€ 28.000,- is gebruikt voor het huwelijk, samen op vakantie geweest naar Indonesië. Het restant bedrag is gebruikt voor dure artikelen voor de vrouw (bijvoorbeeld dure tassen), dus is daarna opgenomen voor luxe goederen, consumptief verbruikt. (…)” 6

door geen van partijen is aangevoerd en dat het volstrekt onduidelijk is waar de voorzitter dit op baseert.

2.3

Voordat ik het middel bespreek, stel ik voorop dat in cassatie niet is opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het gemeenschappelijk krediet door beide partijen op 13 juli 2009 is afgesloten en ondertekend, dat zij hoofdelijke schuldenaren zijn ten aanzien van deze schuld en dat zij ieder draagplichtig zijn voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat. In cassatie gaat het derhalve slechts om de vraag welk gedeelte van de schuld elk van partijen in hun onderlinge verhouding aangaat.

2.4

Het partijdebat op dat punt was in feitelijke instanties als volgt.

In het proces-verbaal in eerste aanleg d.d. 4 april 2016 staat het volgende opgetekend:

“(Advocaat vrouw:) (…) Als er al gezam lening is, moet vrouw dan openstaande schuld voor rekening nemen. Vrouw nooit beschikt over 50.000,--. Kan in inboedel zijn gegaan of in onderneming man, dan deel inboedel voor haar of vordering op onderneming. Als het in de woning is gegaan, dan vergoedingsrecht. (…)” 7

“(Vrouw:) (…) Bruiloft in amsterdam in nootdorp. Man alles betaald voor ongeveer 5.000,-.

Ik heb kopie van de uitnodiging. Ongeveer 15 mensen aanwezig. Man vertelde dat het 5.000,-- kostte.” 8

In een faxbericht aan de rechtbank van 18 april 2016 schrijft de advocaat van de man het volgende:

“(…) Bovendien is de stelling dat (de vrouw) nooit over het geld heeft beschikt merkwaardig, nu ter zitting is aangegeven dat (zij) altijd in designerkleding en met dure tassen rond liep.

Bovendien is het ter zitting uitgebreid over dit krediet gegaan en is er tevens gesproken over het doeleinde van deze lening. De lening is door beide partijen aangegaan om het huwelijk te financieren. Nu beide partijen familie in Indonesië hebben diende er diverse familieleden te worden overgevlogen voor de bruiloft. Ook de rest van de bruiloft is met dit geld gefinancierd (trouwjurk, feest, catering, huwelijksreis, etc.). Dat het geld ook echt voor de bruiloft is aangewend blijkt uit de datum waarop de kredietlening is overeengekomen, te weten 13 juli 2009, twee maanden voor het huwelijk van partijen. (…)” 9

In het beroepschrift van de man is ter toelichting op grief 15 het volgende aangevoerd:

“ (…)

141. Voorts heeft de vrouw in de bodemprocedure gesteld dat zij niet beschikt zou hebben over dit geld en dat zij daarom niet de helft van de openstaande schuld voor haar rekening dient te nemen. De man heeft ter zitting uitgebreid toegelicht waarom partijen deze overeenkomst zijn aangegaan. Namelijk ter financiering van het huwelijk van partijen. Dit blijkt ook uit de datum waarop het krediet is afgesloten, namelijk twee maanden voor het huwelijk. Het huwelijk van partijen is groots uitgepakt. Zo zijn er mensen vanuit Indonesië overgevlogen wat de nodige kosten met zich heeft meegenomen en de jurk van de vrouw is hier ook van betaald. Op het huwelijk waren ongeveer 100 gasten aanwezig. Aan een huwelijk van deze omvang is een kostenplaatje verbonden en daarom zijn partijen destijds samen dit krediet aangegaan.”

In haar verweerschrift heeft de vrouw, voor zover in cassatie van belang, als volgt gereageerd op de toelichting bij grief 15:

“(…)

88. De man geeft voor het bestaan van dit doorlopend krediet bovendien een verklaring die voor de vrouw onacceptabel is. Volgen[s] de man is het volledige bedrag aangewend voor de bruiloft van partijen, waarbij 100 mensen aanwezig waren en allerlei personen (kennelijk op kosten van partijen) werden overgevlogen uit Indonesië. Volgens de vrouw echter waren er ongeveer 15 personen op de bruiloft aanwezig en heeft de bruiloft volgens de man € 5.000 gekost.

89. (…) Vooropgesteld, de vrouw heeft nimmer beschikt over die € 50.000,-. De man kan dat geld op allerlei manieren hebben aangewend:

- Er kunnen inboedelgoederen van zijn gekocht. (…)

- De man kan het geld hebben geïnvesteerd in zijn onderneming. (…)

- De man kan het geld hebben aangewend voor verbouwingen aan de woning die op zijn naam staat. (…)

Kortom, de man dient opheldering te verschaffen over de besteding van het doorlopend krediet in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Doet hij dit niet, dan dient zijn vordering te worden afgewezen. (…)”

In de “aantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling” bij het hof van de advocaat van de man wordt het volgende gesteld:

“Ad grief E: krediet Nederlandse Voorschotbank

De vrouw verzoekt veroordeling van de man concrete informatie te verschaffen over de wijze waarop het krediet is aangewend. In het beroepschrift is namens de man gesteld dat het krediet is gebruikt voor de kosten van het huwelijk van partijen. De vrouw volstaat met het betwisten van de kosten van de bruiloft en werpt een rookgordijn op waarvoor het krediet anderszins aangewend zou kunnen zijn. Het krediet is door partijen in 2009 aangegaan. Door tijdsverloop zijn mogelijk geen gegevens meer voorhanden.”

In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep op 17 maart 2017 is, voor zover in cassatie van belang, het volgende opgenomen:

“Adv. Vrouw: (…)De vrouw wil weten: heeft de man € 50.000,- geïnvesteerd in de onderneming? Als dat zo is, dan liggen de onderlinge verhoudingen anders. Op grond daarvan moet de man deugdelijke informatie verstrekken. Dit mag je van hem verwachten als voormalige echtgenoot. (…)” 10

“Vz: (…) Ten aanzien van het krediet bij de Voorschotbank van € 50.000,-:

€ 28.000,- is gebruikt voor het huwelijk, samen op vakantie geweest naar Indonesië. Het restant bedrag is gebruikt voor dure artikelen voor de vrouw (bijvoorbeeld dure tassen), dus is daarna opgenomen voor luxe goederen, consumptief verbruikt. (…)” 11

“Adv. vrouw: (…) Ten aanzien van het krediet bij de Voorschotbank: de vrouw had geen idee dat zij dit getekend heeft. Hoe besteed? Man roept wat, maar is geen bewijs. De vrouw vindt het vervelend dat zij dure cadeaus van de man heeft gekregen, dit blijkt nu een sigaar uit eigen doos, dit is onacceptabel voor haar.” 12

2.5

De klachten van het middel zijn naar mijn mening tevergeefs voorgesteld.

2.6

Dat geldt in de eerste plaats voor de klacht over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat niet betwist is dat een gedeelte van het krediet ad € 28.000,- is gebruikt voor de kosten van het huwelijk van partijen. Deze klacht faalt nu de voorzitter van het hof blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft geconstateerd dat € 28.000,- van het krediet gebruikt is voor het huwelijk en de vakantie van partijen naar Indonesië en de advocaat van de vrouw vervolgens blijkens het proces-verbaal op dit punt slechts opmerkt dat de man wat roept, maar dat er geen bewijs is. Het kennelijke oordeel van het hof dat de vrouw de besteding van het krediet niet voldoende gemotiveerd betwist heeft, is derhalve niet onbegrijpelijk.

2.7

Voor zover het middel beoogt te klagen over onjuistheid van het proces-verbaal, geldt dat klachten over onjuistheid van het proces-verbaal niet met succes kunnen worden aangevoerd indien voor de beweerde onjuistheid geen steun in de andere gedingstukken kan worden gevonden.13 Indien er verschil zou bestaan tussen de in het proces-verbaal opgenomen weergave van de aldaar afgelegde verklaringen en hetgeen in de overige gedingstukken is gesteld, noopt zodanig verschil niet ertoe aan te nemen dat eerstgenoemde weergave onjuist is.14 In dit verband merk ik op dat de man in feitelijke instanties15 onder meer heeft aangevoerd dat voor het huwelijk familie uit Indonesië is overgevlogen wat de nodige kosten met zich heeft meegebracht en dat ook de trouwjurk van de vrouw en de huwelijksreis zijn bekostigd met het krediet en dat in de gedingstukken geen gemotiveerde betwisting is te lezen van deze stellingen.

2.8

Met betrekking tot de constatering van de voorzitter van het hof dat het restantbedrag (€ 22.000,-) is gebruikt voor dure artikelen voor de vrouw, geldt dat de klacht dat de man dit niet heeft aangevoerd reeds feitelijke grondslag mist, omdat de advocaat van de man in het hierboven geciteerde faxbericht aan de rechtbank van 18 april 2016 heeft aangegeven dat de stelling dat de vrouw nooit over het geld heeft beschikt merkwaardig is, nu ter zitting is aangegeven dat zij altijd in designerkleding en met dure tassen rond liep. Voor zover het middel aldus gelezen moet worden dat geklaagd wordt dat de vrouw heeft betwist dat het restantbedrag is gebruikt voor dure artikelen mist het eveneens feitelijke grondslag, nu in het hierboven geciteerde proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof waarnaar het middel verwijst, te lezen is dat de advocaat van de vrouw heeft gezegd dat de vrouw het vervelend vindt dat zij dure cadeaus heeft gekregen, dat dit nu een sigaar uit eigen doos blijkt te zijn en dat dit voor haar onacceptabel is. In dit verband merk ik op dat het hof in rov. 29 nog geoordeeld heeft dat de omstandigheid dat de vrouw er niet van op de hoogte was dat de voor de aanschaf van luxe goederen ten behoeve van partijen benodigde gelden afkomstig waren uit deze lening, het oordeel van het hof niet anders maakt en dat daartegen in cassatie niet wordt opgekomen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Bestreden beschikking van het hof van 31 mei 2017, p. 2, derde alinea, in verbinding met de beschikking van de rechtbank van 8 juni 2016, p. 2 onder “Feiten”.

2 Het verzoekschrift tot cassatie is op 16 augustus 2017 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

3 Het middel noemt ook rov. 34, waarin de beslissing wordt aangekondigd en wordt overwogen dat hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt.

4 Verwezen wordt naar het verweerschrift in appel onder 88-89.

5 Verwezen wordt naar het p-v van de mondelinge behandeling van het hof d.d. 17 maart 2017, p. 2 (midden) en p. 4 (onderaan).

6 Verwezen wordt naar het p-v d.d. 17 maart 2017, p. 4 (boven het midden).

7 Proces-verbaal mondelinge behandeling rechtbank d.d. 4 april 2016, p. 7.

8 Proces-verbaal mondelinge behandeling rechtbank d.d. 4 april 2016, p. 9.

9 Faxbericht d.d. 18 april 2016, p. 2.

10 Proces-verbaal mondelinge behandeling hof d.d. 17 maart 2017, p. 2.

11 Proces-verbaal mondelinge behandeling hof d.d. 17 maart 2017, p. 4.

12 Proces-verbaal mondelinge behandeling hof d.d. 17 maart 2017, p. 4.

13 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/265.

14 HR 6 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0539, NJ 1992/359.

15 Zie het faxbericht aan de rechtbank van 18 april 2016, p. 2, en het beroepschrift onder 141.