Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:25

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
16/01070
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:319
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

CAG. Beslag en beklag. Klaagschrift 22 jaar na inbeslagneming. Niet-ontvankelijkverklaring door rechtbank ex art. 552a lid 3 Sv niet onbegrijpelijk. Verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2018/60
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01070 B

Zitting: 23 januari 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De rechtbank Rotterdam heeft de klager bij beschikking van 22 december 2015 niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingediende klaagschrift, strekkende tot opheffing van het beslag op en teruggave aan hem van onder hem inbeslaggenomen geldbedragen en personenauto’s.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard, onjuist is dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd.

3.2. De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“Procedure

Op 15 januari 2015 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.

(…)

Feiten

Tegen de klager is een gerechtelijk vooronderzoek geopend. Op 14 april 1992 heeft de rechter-commissaris een doorzoeking ter inbeslagneming verricht in de voormalige woning van de klager aan de [a-straat 1] te Rotterdam. Daarbij is op de voet van artikel 94 Sv (onder meer) het volgende in beslag genomen:

- een contant geldbedrag van fl. 43.000,=;

- een contant geldbedrag van fl. 1.335,=;

- en een op of bij voornoemd adres aangetroffen personenauto van het merk Citroen voorzien van het kenteken [AA-00-BB] .

Op 15 april 1992 heeft de rechter-commissaris een doorzoeking ter inbeslagneming verricht in een pand aan de Argonautenweg te Rotterdam, waarin een filiaal van de ABN-Amrobank was gevestigd. Daarbij zijn de volgende in een safeloket aangetroffen geldbedragen in beslag genomen:

- een contant geldbedrag van $ 29.980;

- een contant geldbedrag van fl. 550.000.

Op 13 november 2014 heeft de officier van justitie de strafzaak tegen de klager geseponeerd.

Inhoud beklag

Het klaagschrift strekt tot teruggave aan de klager van de hiervoor bij de feiten benoemde door de rechter-commissaris in beslag genomen auto, althans de opbrengst van een eventuele verkoop daarvan, en geldbedragen.

In het klaagschrift is gesteld dat bij de doorzoeking op het voormalige woonadres van de klager ook een personenauto van het merk Citroen, met het kenteken [CC-00-DD] in beslag genomen is. Het klaagschrift strekt eveneens tot teruggave aan de klager van deze auto, althans de (eventuele) verkoopopbrengst daarvan.

Ontvankelijkheid

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het beklag, omdat dit niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. Mede gelet op de memorie van toelichting bij de wijziging van artikel 552a Sv per 1 maart 1993 (Kamerstukken II 1991-1992, 21 504 nr. 3 p. 44-45), geldt in een geval als deze, waarin sprake is geweest van een vervolging, als hoofdregel dat het klaagschrift zo spoedig na de inbeslagneming moet worden ingediend. Het klaagschrift is pas na ruim 22 jaar na de inbeslagneming ingediend. Ook is er pas na ruim 17 jaar na de inbeslagneming voor het eerst met het openbaar ministerie over het beslag gecorrespondeerd (te weten in juli 2009).

Namens de klager is, in reactie op het standpunt van de officier van justitie, aangevoerd dat hij wel in het beklag behoort te worden ontvangen. Daartoe is - kort weergegeven - aangevoerd dat de regel dat het klaagschrift zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming moet worden ingediend alleen voor derde-belanghebbenden als hoofdregel geldt. Dit geldt niet voor de verdachte, omdat daarmee zijn verdedigingspositie in gevaar kan worden gebracht. Indien de verdachte al in een vroeg stadium aan de politie zou moeten meedelen dat het inbeslaggenomene aan hem toebehoort, zou dit betekenen dat hij daarmee zijn gerechtvaardigde verdedigingsbelangen zou moeten doorbreken. Dit geldt zeker in de zaak van de klager, waarbij het ging om ernstige verdenkingen. De wetgever heeft daarom bij de wetswijziging in 1993 voor de verdachte (en zelfs voor degene tegen wie een ontnemingsprocedure loopt) de mogelijkheid geopend om tot uiterlijk drie maanden na het einde van de zaak een klaagschrift in te dienen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vast staat dat in deze zaak sprake is geweest van een vervolging, aangezien in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte doorzoekingen zijn gedaan en aldus een rechter-commissaris in de zaak betrokken is geweest. Voorts staat vast dat de zaak inmiddels tot een einde is gekomen.

Met de officier van justitie en de advocaat is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot de voor het onderhavige beklag geldende indieningstermijn van het klaagschrift dient te worden uitgegaan van de huidige (per 1 maart 1993 ingevoerde) wettekst van artikel 552a, derde lid Sv. Dit omdat in de onderhavige zaak de termijn van 3 jaar na inbeslagneming in artikel 552a, tweede lid, Sv (oud) nog niet was verstreken op het moment van het in werking treden van deze wetswijziging.

Ingevolge het derde lid van artikel 552a Sv wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen ingediend. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1991-1992, 21 504 nr. 3 p. 44-45) volgt dat het klaagschrift in beginsel ontvankelijk is zolang de vervolging nogt loopt. De uiterste termijn daarbij is gelegd bij de drie maanden nadat de vervolging van de zaak tot een einde is gekomen. Wel blijft gelden dat het beklag zo spoedig mogelijk na inbeslagneming moet worden ingediend, zodat de rechter op die grond tot niet-ontvankelijkheid van een klacht wegens laksheid bij de indiening daarvan kan besluiten, aldus de memorie van toelichting. Het belang van een tijdige indiening is dat het voor de beoordeling van het beklag relevante onderzoek nog kan worden verricht.

De rechtbank stelt vast dat deze door de wetgever vooropgestelde norm, te weten: ‘indiening zo spoedig mogelijk na inbeslagneming’, in deze strafzaak in zeer ernstige mate is overschreden. Pas 181 jaar na de inbeslagname is voor het eerst geklaagd over het voortduren van de beslagen en pas na 22 jaar is een klaagschrift ingediend. Dat er sprake is van een extreem laat ingediend klaagschrift blijkt uit de omstandigheid dat zelfs de verjaringstermijn voor het feit ter zake waarvan het gerechtelijk vooronderzoek was geopend (artikel 140 Sr) ten tijde van het indienen van het klaagschrift al ruim was overschreden. Gelet daarop snijdt het verweer geen hout dat de klager zijn verdedigingspositie als verdachte binnen het gerechtelijk vooronderzoek zou hebben geschaad indien hij eerder had geklaagd. Ook de aangevoerde omstandigheid dat de verdachte (mogelijk) ook werd verdacht van (betrokkenheid bij) een moord, maakt dat niet anders. Allereerst merkt de rechtbank op dat voor deze stelling elke aannemelijkheid ontbreekt. Bovendien, zijn de beslagen gelegd in kader van een gerechtelijk vooronderzoek dat zich niet uitstrekte tot het feit dat de raadsman thans opwerpt. Voor de vastgestelde, extreem lange, termijnoverschrijding is daarom geen rechtens te respecteren belang aanwezig.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klager niet ontvankelijk moet worden verklaard in het beklag.”

3.3. Uit art. 552a lid 3 Sv volgt dat een op de voet van art. 552a Sv zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming ingediend klaagschrift ontvankelijk is zolang er nog geen drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.2

3.4. Maar ook wanneer de voornoemde termijn van drie maanden nog niet is verstreken, kan de rechter een klaagschrift dat niet ‘zo spoedig mogelijk’ na de inbeslagneming is ingediend, op deze grond niet-ontvankelijk verklaren. Dat volgt uit art. 552a lid 3 Sv. De rechtbank wijst daarop – en wel met recht, ook al is die onder meer op dit punt gewijzigde bepaling in werking getreden op 1 maart 1993, dus na de datum waarop de inbeslagneming waarover het thans gaat heeft plaatsgevonden, te weten op 14 april 1992. De hoofdregel is immers dat strafvorderlijke wetswijzigingen dadelijk ingaan na inwerkingtreding van de wet. Dat kan weliswaar voor complicaties zorgen in verband met onverhoedse wetswijzigingen, maar in redelijkheid kon worden gevergd van de beslagene om met de wijziging van de termijn (die drie jaar bedroeg) in dit opzicht rekening te houden – een nuancering die de Hoge Raad aanbracht in HR 20 oktober 1979, NJ 1980, 93. Immers, de vóór 1 maart 1993 geldende termijn bedroeg drie jaar na de inbeslagneming en die termijn was ten tijde van de inbeslagneming nog niet verstreken.

3.5. het oordeel van de rechtbank, terecht gestoeld op de ‘nieuwe’ wettelijke bepaling, dat het namens de klager ingediende klaagschrift niet zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming is ingediend en daarom niet-ontvankelijk is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel acht ik ook niet onbegrijpelijk, gelet op de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheid dat de klager sedert de inbeslagneming van de desbetreffende voorwerpen in 1992, voor het eerst pas 17 jaar na de inbeslagneming heeft gecorrespondeerd c.q. geklaagd over het voortduren van de beslagen en pas na 22 jaar een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv heeft ingediend. Evenmin is het onbegrijpelijk dat de rechtbank in het door de klager aangevoerde, nl. dat zijn verdedigingspositie in gevaar kon worden gebracht, onvoldoende grond aanwezig heeft geacht voor verontschuldiging van de klager in de extreme termijnoverschrijding.

3.6. Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 AEH: bedoeld zal zijn 17; zie boven de overwegingen van de rechtbank omtrent klagers eerste correspondentie omtrent het beslag.

2 Vgl. o.a. HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8947, NJ 2012/47 en HR 3 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6781, NJ 2006/51.