Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:247

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
16/04355
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:1957
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over afwijzing aanhoudingsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04355

Zitting: 27 maart 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 10 augustus 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij verstek met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 1 december 2015. Daarbij is de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen”, en “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien het hof heeft verzuimd bij de beoordeling van het verzoek alle daartoe in aanmerking komende belangen af te wegen.

  4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
    (i) De politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij vonnis van 1 december 2015 de verdachte veroordeeld ter zake van – kort gezegd – twee gekwalificeerde diefstallen. De verdachte, die ten tijde van de behandeling van de zaak in eerste aanleg was gedetineerd, had een afstandsverklaring ingevuld en zijn raadsvrouw uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem het woord ter verdediging te voeren. Het vonnis is op de voet van art. 279 Sv op tegenspraak gewezen.
    (ii) Op 1 december 2015 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
    (iii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 juli 2016 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“(…) Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
(…)

De voorzitter deelt voorts mede dat de verdachte per email van 27 juli 2016 te 10:23 uur heeft verzocht om aanhouding van de zaak omdat hij wegens ziekte, te weten een voedselvergiftiging niet in staat is om ter terechtzitting te verschijnen.

De voorzitter geeft aan dat de Hoge Raad in het arrest van 12 mei 2015, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2015:1236 heeft bepaald dat van de verdachte of diens raadsman mag worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht.

De advocaat-generaal heeft op verzoek van de voorzitter aan haar administratie gevraagd om aan verdachte terug te mailen dat het hof binnen een week een doktersverklaring wenst te verkrijgen.

De advocaat-generaal vordert primair dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep, nu de verdachte niet na het instellen van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, heeft ingediend. Geheel subsidiair vordert de advocaat- generaal dat het hof het vonnis van de rechtbank bevestigt.

De voorzitter deelt mede dat het hof, indien het binnen één week de beschikking krijgt over een doktersverklaring, het onderzoek zal heropenen teneinde de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te laten maken.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 10 augustus 2016 te 14:00 uur.

In de periode tussen het sluiten van het onderzoek op 27 juli 2016 en de uitspraak heeft het hof geen nadere gegevens ter staving van het feit dat verdachte ten tijde van de terechtzitting ziek was ontvangen. (…)”

(iv) Het hof heeft de verdachte op 10 augustus 2016 met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 1 december 2015.

5. Het voorafgaand1 aan de terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van de verdachte tot aanhouding van de zaak is een verzoek tot toepassing van art. 281, eerste lid, Sv op de voet van art. 328 Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv.

6. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voldoet de rechter aan het verzoek van een verdachte die wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering ernstig in het gedrang zou komen bij aanhouding van de zaak en dat dit belang zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding. In de regel mag daarom van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens kan verstrekken die de rechter met het oog op de te nemen beslissing wenselijk acht. Indien een verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd, staat het de rechter vrij om daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Oordelen en beslissingen daarover kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.2

7. Van de verdachte mag in de regel worden verlangd dat de ziekte wordt gestaafd met informatie die de rechter daarvoor relevant acht. Een enkele ziekmelding hoeft dan ook niet zonder meer tot aanhouding van de zaak te leiden.3 Daar staat echter tegenover dat de rechter de lat niet te hoog mag leggen.4 Indien de overlegging van een medische verklaring of een ander bewijsstuk niet van de verdachte kan worden verlangd, mag die omstandigheid niet tot afwijzing van een verzoek tot aanhouding leiden.5 Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen langer bestaande ziekte en plotseling opkomende ziekte. In het eerste geval bestaat immers in de regel meer gelegenheid tot het tijdig verschaffen van een doktersverklaring dan wel van andere documenten die de ziekte kunnen staven dan in geval de ziekte kort voor de terechtzitting is ontstaan.6

8. Het hof heeft gehandeld volgens een omstreden werkwijze die was opgenomen in het Landelijk Aanhoudingenprotocol van 9 september 2005.7 Deze werkwijze houdt in dat de zaak bij verstek wordt behandeld, waarna de verdachte de mogelijkheid wordt geboden om binnen enkele werkdagen na de zittingsdatum een bewijsstuk van verhindering in te dienen op grond waarvan wordt beslist of heropening van het onderzoek ter terechtzitting is geboden.8 Borgers heeft in dit verband betoogd dat de werkwijze niet goed is te verenigen met het aan de rechtspraak van de Hoge Raad ten grondslag liggende uitgangspunt dat het verlenen van verstek eerst aan de orde is nadat het aanhoudingsverzoek is beoordeeld.9 In de huidige versie van het Landelijk Aanhoudingenprotocol van 18 november 201110 is deze werkwijze niet meer opgenomen.

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 juli 2016 bevat geen uitdrukkelijke beslissing op het verzoek tot aanhouding. Het hof heeft verstek verleend en vervolgens gerefereerd aan het aanhoudingsverzoek van de verdachte. Dat is de verkeerde volgorde. Een uitdrukkelijke beslissing op het aanhoudingsverzoek ontbreekt. Voorts blijkt uit de overwegingen van het hof niet of het hof heeft onderzocht of het overleggen van een doktersverklaring of andere gegevens in redelijkheid van de verdachte verlangd had kunnen worden. Ook indien ervan uit wordt gegaan dat in de overwegingen van het hof besloten ligt dat dit van de verdachte verlangd kon worden, geldt dat het verzoek niet op die enkele grond afgewezen mag worden.11 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 juli 2016 blijkt niet of het hof heeft onderzocht of het aangevoerde, ondanks het ontbreken van bewijsstukken, aannemelijk is geworden. Evenmin blijkt of het hof een afweging heeft gemaakt tussen enerzijds het aanwezigheidsrecht van de verdachte en anderzijds het belang van een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.12 Het middel klaagt daarover terecht.

10. Het middel slaagt.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie daarover ook G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 670.

2 Vgl. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3205 (rov. 2.4), HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1236 (rov. 2.5), HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:887 (rov. 2.3), HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:193 (rov. 2.5), HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5171, NJ 2009, 323 m.nt. Borgers (rov. 2.3), HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0566 (rov. 2.3), HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4856, NJ 2007, 603 (rov. 3.3), HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730, NJ 2002, 466 m.nt. Knigge (rov. 3.3 en 3.4), HR 17 februari 1998, NJ 1998, 428 (rov. 4.2), HR 1 november 1994, NJ 1995, 86 (rov. 5.2), HR 3 mei 1994, NJ 1994, 582 (rov. 4.1-4.3), HR 4 december 1984, NJ 1985, 340 (rov. 4.4).

3 Vgl. HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730, NJ 2002, 466 m.nt. Knigge (rov. 3.4).

4 HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5171, NJ 2009, 323 m.nt. Borgers onder 8. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voor HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:193, onder 4.5.

5 HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5171, NJ 2009, 323 m.nt. Borgers onder 8.

6 Zie ook Knigge in zijn noot onder HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730, NJ 2002/466.

7 Het Landelijk Aanhoudingenprotocol van 9 september 2005 is niet meer te raadplegen via www.rechtspraak.nl, maar kan worden gevonden via www.recht.nl, onder de zoekterm ‘Landelijk aanhoudingenprotocol’.

8 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorafgaand aan HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:193 onder 4.5 en de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voorafgaand aan HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1236, onder 10.

9 Zie G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 716, en M.J. Borgers, Het landelijk strafprocesreglement’, DD 2011/52, p. 769. Zie voorts de annotatie van Borgers bij HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5171, NJ 2009,323 onder 8.

10 Het Landelijk Aanhoudingenprotocol van 18 november 2011 is te raadplegen via: www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/Strafrecht/Paginas/Aanhoudingenprotocol.aspx.

11 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3205 onder punt 3.5.

12 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3205 onder 3.5 en de verwijzing naar HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:622. Vgl. voor de door de rechter te maken belangenafweging bij de beslissing op een aanhoudingsverzoek onder meer: HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:65 (rov. 2.3), HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2635 (rov. 2.3), HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1286 (rov. 2.3) en HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999, 294 (rov. 3.3).