Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:24

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-01-2018
Datum publicatie
23-01-2018
Zaaknummer
16/02932
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:541
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over veroordeling wegens belediging, aanduiding op Twitter en Facebook van medegemeenteraadslid als 'racist'. Art. 266 Sr en art. 10 EVRM. CAG gaat in op het toetsingskader voor beperkingen op het recht van vrijheid van meningsuiting en de reikwijdte van de begrippen 'uitspraken gedaan in het politieke debat'. Het hof heeft zich van dit toetsingskader onvoldoende rekenschap gegeven. Vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02932

Zitting: 23 januari 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 2 mei 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens “eenvoudige belediging” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van driehonderdvijftig euro (subsidiair zeven dagen hechtenis) met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. F.L. Donders, advocaat te Tilburg, vier middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De onderhavige zaak betreft de vervolging van de verdachte voor het beledigen van de politicus [A] door het plaatsen van berichten met betrekking tot [A] op het Twitteraccount en de Facebookpagina van de verdachte op 10 en 11 juni 2014. Uit de gedingstukken blijkt dat in de nacht van 10 op 11 juni 2014 een raadsvergadering van de gemeente Zoetermeer over de mogelijke stichting van een bijzondere islamitische basisschool plaatsvond, waarbij zowel de verdachte (raadslid van [B] ) als [A] (raadslid van [A] ) betrokken waren. Tijdens dit debat heeft [A] het woord gevoerd en verklaard dat zijn raadsfractie tegen de voorgestelde stichting van een islamitische basisschool was omdat dergelijke scholen niet zouden bijdragen aan de integratie van burgers in de Nederlandse samenleving en “alleen maar anti-integratie” zouden zijn. Toen [A] in reactie op een vraag van de verdachte te kennen gaf dat hij in dit verband niet op scholen op religieuze grondslag in het algemeen, maar op islamitische scholen in het bijzonder doelde, heeft de verdachte vervolgens gezegd dat [A] discriminatoir bezig was. Nog tijdens de raadsvergadering heeft de verdachte op zijn openbare Twitteraccount onder andere de volgende tekst geplaatst: “In het kader van problemen benoem ik dus het probleem, discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist @ [A] ”. Enige tijd later heeft hij op zijn Facebookpagina een bericht met vrijwel dezelfde tekst geplaatst.

In eerste aanleg werd de verdachte bij vonnis van 25 september 2015 door de rechtbank ‘s-Gravenhage vrijgesproken van de tenlastegelegde belediging, omdat de uitlatingen van de verdachte gelet op de politieke context waarin zij werden gedaan volgens de rechtbank niet beledigend waren. Anders dan de rechtbank, is het hof in hoger beroep wel tot een veroordeling van de verdachte gekomen.

3.1. Alvorens de middelen te bespreken zal ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weergeven.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 10 juni en 11 juni 2014 te Zoetermeer opzettelijk een persoon genaamd [A] , in het openbaar schriftelijk en mondeling (middels een zogenoemde tweet op zijn, verdachtes, openbare twitteraccount en middels een bericht op zijn, verdachtes, Facebookpagina) heeft beledigd, door berichten te plaatsen op zijn, verdachtes, openbare twitteraccount en Facebookpagina met de woorden: ‘ In het kader van problemen benoemen benoem ik dus het probleem, discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist [A] ’ en ‘ de racist @ [A] ’ en ‘de racist [A] ’.”

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte.

a. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 september 2015 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Ik heb die twitterberichten geplaatst. Op 10 juni 2014 hebben we een debat gehad in de gemeenteraad van Zoetermeer over de stichting van een Islamitische basisschool. [A] steunde het voornemen van de gemeente om niet akkoord te gaan met het voornemen om een Islamitische basisschool te stichten in Zoetermeer. Hij heeft hierbij aangegeven dat zijn fractie van mening is. dat dit soort scholen niet bijdragen aan de integratie van burgers in de Nederlandse samenleving, nu het alleen maar anti-integratie is. Op mijn vraag, of hij doelde op scholen op religieuze grondslag in het algemeen of op scholen op Islamitische grondslag, heeft [A] geantwoord dat hij doelde op het laatste. Ik heb toen tegen hem gezegd dat hij discriminatoir bezig was. Ik heb vanuit de zaal, respectievelijk om 23.52 uur en om 00.05 uur, twee twitterberichten gestuurd. Mijn bedoeling hierbij was om aan te geven dat mijn partij discriminatie en racisme onacceptabel vindt en dat wij dat veroordelen op het moment dat een politicus van een andere partij zich hier schuldig aan maakt. Ik wilde vanuit mijn politieke overtuiging mijn oordeel geven. Ik gebruik mijn twitteraccount als vicefractievoorzitter van [B] te Zoetermeer. Het is een account waarmee ik mij als politicus profileer. Ik twitterde in het verlengde van het debat. De woorden die ik op Facebook heb geplaatst, hadden dezelfde strekking. Het bericht op Facebook zal rond dezelfde tijd zijn geplaatst als de twitterberichten. Op Facebook heb ik vrienden, mensen die ik van vroeger ken en activisten uit hetzelfde politieke netwerk. Mijn account is afgeschermd en is niet openbaar toegankelijk. Op mijn facebookprofiel staat vermeld dat ik diverse functies bekleed bij [B] . Ik wilde mijn politieke oordeel uitspreken, namelijk dat ik discriminatie en racisme onacceptabel vind. Ik heb geen spijt van het plaatsen van de berichten.

b. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2016 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Vlak na het debat heb ik tijdens de raadsvergadering getwitterd.

U houdt mij voor dat ik tijdens de raadsvergadering (om 00.05 uur) de woorden ‘ de racist @ [A] ’ en ‘de racist [A] ’ op Twitter heb geplaatst. Ik heb de uitspraak gedaan in de context van het politieke debat en het maatschappelijke probleem.

2. Een proces-verbaal aangifte d.d. 17 juni 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014119383-1.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (blz. 27-29):

als de op 16 juni 2014 afgelegde verklaring van [A] :

Ik ben als fractievoorzitter verbonden aan de lokale politieke partij, genaamd [A] , afgekort [A] te Zoetermeer. Deze partij is vertegenwoordigd in zowel de gemeenteraad als in het college van Burgemeester en Wethouders van deze gemeente.

Op 10 juni 2014, omstreeks 23.00 uur, was ik als fractievoorzitter aanwezig bij een publieke raadsvergadering die gehouden werd in de raadszaal van het stadhuis, dat gevestigd is op het adres Markt 10 te Zoetermeer.

Tijdens die vergadering werd door het college een zogenaamd ‘voorstel te nemen besluit’ ingebracht. Het voorstel ging over het al dan niet stichten van een bijzondere Islamitische basisschool in Zoetermeer. Het college verzocht de gemeenteraad niet akkoord te gaan met dit voornemen om die school in Zoetermeer te stichten.

De overgrote meerderheid steunde het voorstel van het college en ging dan ook niet akkoord met dit voornemen. Ook de [A] stemde voor en was dus tegen de komst van deze bijzondere school. Ik heb als fractievoorzitter de mening van de partij tijdens een zogenaamde stemverklaring uitgedragen. Tijdens deze stemverklaring bleken 4 leden van de Socialistische Partij (SP) en 2 leden van Groen Links tegen te zijn. Tijdens de stemverklaring kwam [verdachte] als vice-fractievoorzitter van [B] aan het woord. In strijd met het reglement en daardoor tot mijn verbazing richtte [verdachte] het woord tot mij als fractievoorzitter van de [A] . Hij vroeg mij of ik ook voor had gestemd als het zou gaan om een bijzondere christelijke school. Aangezien de voorzitter van de vergadering niet ingreep en kennelijk dus het gedrag van [verdachte] goed vond heb ik geantwoord op deze vraag. Ik antwoordde hem beargumenteerd dat wij dan niet hadden voorgestemd.

Ik hoorde [verdachte] vervolgens zeggen ten overstaan van alle aanwezigen dat hij dat discriminatie vond en dat hij het een treurige zaak vond om met zo een partij in de raad en zelfs in het college te zitten.

Op 11 juni 2014 werd ik door diverse partijen gewezen op uitlatingen van [verdachte] op Facebook en Twitter. Hierop was onder andere het volgende te lezen.

Twitter:

In het kader van problemen benoem ik dus het probleem discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist [A] .

Facebook:

[verdachte]

Dus in het kader van problemen benoemen benoemde ik het probleem: discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist [A] .

Hieruit blijkt dat [verdachte] mij in het openbaar en in strijd met de waarheid heeft uitgemaakt voor een racist. Dat heeft hij kennelijk opzettelijk meerdere keren publiekelijk op het internet, dus ten overstaan van de gehele wereld gedaan. Hij heeft er dus alles aan gedaan om daar op grote schaal ruchtbaarheid aan te geven.

3. Een proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie d.d. 17 juni 2014 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014119383-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (blz. 25- 26):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 10 juni 2014 te 23.00 uur heb ik, als hulpofficier van justitie, een schriftelijke klacht ontvangen ter zake van: aangever is door een persoon meerdere malen publiekelijk voor racist uitgemaakt.

De klacht werd gedaan door:

Achternaam: [A]

Voornamen: [voornamen]

Geboren: [geboortedatum] 1948.

De klager verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader over te gaan.

De klager verklaarde tegenover mij het volgende:

[verdachte] heeft mij op Facebook en op Twitter naar aanleiding van een genomen besluit tijdens een openbare raadsvergadering te Zoetermeer in het openbaar en in strijd met de waarheid uitgemaakt voor een racist. Dat heeft hij kennelijk opzettelijk meerdere keren publiekelijk op het internet, dus ten overstaan van de gehele wereld gedaan. Hij heeft er dus alles aan gedaan om daar op grote schaal ruchtbaarheid aan te geven.

Ik voel mij dan ook in mijn eer en goede naam aangerand en wens dat tegen [verdachte] een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld en dat hij ter zake belediging, laster dan wel smaad wordt vervolgd.

4. een twitterbericht d.d. 10 juni 2014 van [verdachte] . Dit bericht houdt in (blz. 35):

In het kader van problemen benoem ik dus het probleem, discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist @ [A] .”

3.4. Het bestreden arrest bevat de volgende nadere bewijsoverwegingen:

“De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - op gronden als vermeld in haar overgelegde pleitnota - primair op het standpunt gesteld dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van het hem subsidiair ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsvrouw heeft hiertoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Verdachte heeft nooit de bedoeling gehad om [A] te beledigen. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat [A] discriminerende uitlatingen heeft gedaan tijdens de raadsvergadering op 10 juni 2014 te Zoetermeer. Door zijn eigen uitlatingen heeft [A] er zelf toe bijgedragen dat hem deze bewoordingen zouden worden toegevoegd. Derhalve kan [A] door de uitlatingen van verdachte niet zijn beledigd.

Uit het arrest van het EHRM van 13 november 2003 (13 november 2003, NJ 2004, 338, Scharsach) blijkt dat iemand als politicus meer aan uitlatingen te dulden heeft dan een gewone burger. Verdachte heeft als politicus op zijn Twitter-account kritiek geuit over de door [A] , eveneens als politicus gedane uitlatingen tijdens de raadsvergadering op 10 juni 2014 in Zoetermeer. Onder de gegeven omstandigheden en gelet op de door [A] gedane uitlatingen, kunnen de door verdachte geplaatste berichten niet als opzettelijk beledigend voor [A] worden gekwalificeerd.

Subsidiair kan verdachte met succes een beroep doen op het bepaalde in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, namelijk dat niet als een eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit. Deze bepaling dient gezien te worden als een rechtvaardigingsgrond waardoor een beroep daarop zou leiden tot het ontslag van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het dossier is het volgende komen vast te staan.

Op 10 juni 2014 heeft een raadsvergadering van de gemeente Zoetermeer plaatsgevonden, waarbij moest worden besloten over het al dan niet stichten van een bijzondere Islamitische basisschool in Zoetermeer. Het College stelde voor om niet akkoord te gaan met het voornemen deze school te stichten. Dit voorstel werd gesteund door [A] . [A] heeft tijdens het debat het woord gevoerd en heeft hierbij verklaard dat zijn fractie vindt dat dit soort scholen niet bij dragen aan de integratie van burgers in de Nederlandse samenleving, het alleen maar anti-integratie is en dat zijn fractie daarop tegen is en derhalve voor het voorstel van het College zal stemmen.

Op de vraag van de verdachte, of [A] doelde op scholen op religieuze grondslag in het algemeen of op scholen op Islamitische grondslag in het bijzonder, heeft [A] geantwoord dat hij doelde op het laatste. Verdachte heeft toen gezegd dat [A] discriminatoir bezig was.

Verdachte heeft vervolgens, tijdens de raadsvergadering (om 00.05 uur) de woorden ‘de racist @ [A] ’ en ‘de racist [A] ’ op Twitter geplaatst.

Kort hierna heeft de verdachte de woorden ‘Dus in het kader van problemen benoemen benoemde ik het probleem: discriminatie van een complete geloofsgemeenschap door de racist [A] ’ op zijn Facebook account geplaatst. Verdachte heeft aldus, naar eigen zeggen, zijn politieke frustratie op dat moment geuit. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij van mening was dat [A] door zijn uitlatingen tijdens het debat discrimineerde, waarbij een persoon die discrimineert door verdachte wordt omschreven als een racist.

[A] voelt zich beledigd door juist deze term ‘racist’ .

Het hof is van oordeel dat de verdachte de beledigende uitlating in het openbaar heeft gedaan. Een ieder die aangesloten is op deze sociale netwerken heeft kennis kunnen nemen van de beledigende uitlating van de verdachte jegens [A] .

De verdachte heeft verklaard dat zijn Twitter-account 418 volgers had en dat de belediging dus niet op grote schaal verspreid is. Dat betekent echter niet dat de groep personen die de tweet heeft kunnen zien beperkt is tot deze 418 volgers. Verdachte heeft namelijk, zoals hij zelf ook erkent, een openbaar Twitter-account.

Hoewel het Facebook-account van verdachte niet openbaar is, hebben toch in ieder geval meer dan 700 personen die tot verdachtes Facebook vrienden behoren kennis kunnen nemen van de beledigende uitlating.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte de opzet heeft gehad om [A] te beledigen, deze belediging wijd te verspreiden en een grote groep mensen met deze belediging te bereiken.

Het hof is voorts van oordeel dat de uitlatingen van de verdachte niet in het politiek debat zijn gedaan, maar zijn geschreven buiten het kader van de raadsvergadering en ook anderszins buiten een politieke context. Wel zijn de uitlatingen in het maatschappelijk debat gedaan.

De waardigheid van de persoon [A] wordt aangetast, met name door het gebruik van het woord ‘racist’ . Dat woord heeft immers, mede door de massale volkerenmoord op Joden, Roma en Sinti tijdens de Tweede Wereldoorlog een bijzonder negatieve lading. Deze aantasting wordt versterkt door het feit dat een ieder die gebruik maakt van sociale media kennis heeft kunnen nemen van de beledigende uitlating van de verdachte. De tweet van verdachte is niet sarcastisch of ironisch bedoeld. Het gaat om een uiterst serieuze uitlating, gericht tegen de persoon [A] .

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond als bepaald in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en dat verdachte beschermd wordt door artikel 10 van het EVRM, waarin de vrijheid van meningsuiting wordt beschermd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 10 lid 2 EVRM bevat de voorwaarden waaraan een beperking van de vrijheid van meningsuiting moet voldoen. Beoordeeld dient te worden of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting bij wet is voorzien, of de inbreuk een legitiem doel dient en of de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Dit laatste criterium omvat de vragen of sprake is van een pressing social need of de inbreuk in verhouding staat tot het nagestreefde doel en of de door de nationale autoriteiten gegeven motivering relevant en voldoende is.

Het EHRM gunt de nationale autoriteiten een bepaalde beoordelingsruimte (margin of appreciation) bij de bepaling of er een pressing social need bestaat.

Bij de beoordeling van de noodzaak om deze uitingsvrijheid te beperken, weegt het EHRM alle omstandigheden van het geval mee.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak aan alle drie de voorwaarden voor een beperking van de vrijheid van meningsuiting is voldaan.

In de eerste plaats is de beperking bij wet voorzien in artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht.

Bovendien is de beperking in het belang van de bescherming van de goede naam en rechten van anderen, namelijk in deze zaak het belang dat [A] niet in een ongunstig daglicht gesteld wordt en niet geschaad wordt in zijn eer en goede naam.

Ten slotte is de beperking van de uitingsvrijheid noodzakelijk in een democratische samenleving.

Het bepaalde in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, namelijk dat niet als een eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit biedt in casu geen bescherming aan verdachte, nu verdachte in zijn uitingen veel verder is gegaan dan geboden was door de aard en strekking van zijn kritiek. Het gebruik van het woord ‘racist’ gaat veel verder dan nodig was voor de kritiek van de verdachte en is ook geenszins van toepassing op het standpunt dat aangever heeft ingenomen tijdens de raadsvergadering. De uitlating ‘racist’ is dan ook onnodig grievend jegens de aangever.

De uitlating van de verdachte is, gelet op het voorgaande, zonder meer beledigend van aard.

Verdachte heeft zijn uitlatingen gedaan via een medium waarmee een zeer groot publiek kan worden bereikt.

Vandaag de dag is het moeilijk om personen te vinden die niet aangesloten zijn bij sociale media zoals Facebook en/of Twitter. Nu de verdachte als politiek vertegenwoordiger van [B] in Zoetermeer een groot aantal volgers heeft en bovendien geen besloten account heeft, is de beledigende uitlating op grote schaal verspreid.

Hoe groter de impact van een uitlating, hoe prangender het is om hier strafrechtelijk tegen op te treden omdat de schade die wordt aangericht omvangrijker is.”

4. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van de middelen.

- Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het verweer, dat de in de tenlastelegging genoemde uitlatingen van de verdachte vallen onder het recht op vrijheid van meningsuiting in de zin van art. 10, eerste lid, EVRM en moeten worden bezien in de context van het politieke debat, heeft verworpen.

- Het tweede middel richt zich in het bijzonder tegen de bewijsoverwegingen van het hof die inhouden dat “verdachte de opzet heeft gehad om [A] te beledigen, deze belediging wijd te verspreiden en een grote groep mensen met deze belediging te bereiken” en dat “de uitlatingen van de verdachte niet in het politiek debat zijn gedaan, maar zijn geschreven buiten het kader van de raadsvergadering en ook anderszins buiten een politieke context” (zie p. 5 van het bestreden arrest).

- In het derde middel wordt met name opgekomen tegen het bewijsoordeel van het hof dat het gebruik van het woord ‘racist’ door de verdachte in casu een beledigende strekking had.

- Het vierde middel houdt in dat het hof het beroep van de verdediging op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van art. 266, tweede lid, Sr onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Voordat ik hiertoe overga zal ik eerst het algemene toetsingskader in grote lijnen schetsen.

4.1. De Hoge Raad hanteert in zijn jurisprudentie over art. 266 Sr (eenvoudige belediging) en art. 137c Sr (groepsbelediging) een beslissingsschema, dat aansluit bij het drie-stappenplan dat het EHRM hanteert bij de beoordeling van klachten over schendingen van de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd in art. 10 EVRM.1 Op grond daarvan kan bij de bespreking van de middelen worden vooropgesteld dat het hof in de onderhavige zaak achtereenvolgens de volgende vragen diende te beantwoorden:

(i) of de uitlatingen van de verdachte – op zichzelf gezien of gelet op de context waarin deze zijn gedaan – de strekking hadden om [A] bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam;

(ii) of de uitlatingen van de verdachte – voor zover het oordeel ten aanzien van het onder (i) genoemde criterium bevestigend luidt – werden gedaan in een context die het beledigende karakter daarvan mogelijk wegneemt vanwege het in art. 10, eerste lid, EVRM verzekerde recht op vrijheid van meningsuiting casu quo de bijzondere strafuitsluitingsgrond van art. 266, tweede lid, Sr;

(iii) en of de uitlatingen van de verdachte – voor zover het oordeel ten aanzien van het onder (ii) genoemde criteria bevestigend luidt – niettemin onnodig grievend moeten worden geacht.

4.1.1. Van belang is verder dat zowel bij de vraag of een uitlating op zichzelf beledigend is als bij de vraag of deze uitlating in het kader van art. 10 EVRM toelaatbaar moet worden geacht (vraag ii), de “context” waarin deze uitlating is gedaan relevant is. Daarbij dient de weging van de context bij de eerste vraag een ander doel dan de weging ervan bij de tweede vraag.2 Een uitlating, die op zichzelf niet beledigend hoeft te zijn, kan dat gelet op de context wel zijn. Zo achtte de Hoge Raad het in aanwezigheid van anderen uitmaken van een politieagent voor “mafkees” of “mierenneuker” gelet op deze context beledigend want kennelijk bedoeld om deze politieagenten in hun eer en goede naam aan te tasten.3 Ook iemand die stottert op stotterende wijze aanspreken in het bijzijn van derden kan als beledigend worden beschouwd, als dat gebeurt met geen ander doel dan de ander te kwetsen.4

4.1.2. Bij de toetsing aan art. 10 EVRM (vraag ii) heeft de context vooral betrekking op de vraag of het gaat om uitlatingen, die zijn gedaan een publiek of maatschappelijk debat. Als dat het geval is, dan kunnen volgens vaste jurisprudentie van het EHRM ook uitingen die “offend, shock or disturb” bescherming van art. 10 EVRM genieten.5 Deze jurisprudentie is door de Hoge Raad in die zin in de zijne verwerkt dat indien een uitlating gedaan is in het kader van het publieke debat, door die omstandigheid de strafbaarheid van de uitlating kan vervallen.6 Het publieke debat omvat in deze jurisprudentie niet alleen het politieke debat over maatschappelijke vragen binnen de politieke arena, zoals in casu de gemeenteraad, maar ook daarbuiten zoals uitingen die (in het verlengde daarvan) gedaan worden in een interview met de media7 of tijdens demonstraties.8 In het huidige Twittertijdperk mag veilig worden aangenomen dat het publieke debat, waarvan het politieke debat deel uitmaakt, ook via de zogenaamde social media plaatsvindt.

4.1.3. Het EHRM heeft in zijn jurisprudentie benadrukt dat het met name voor gekozen politici van belang is dat zij de vrijheid en gelegenheid hebben om zich (via de media) uit te laten over wat de publieke opinie bezig houdt en daarmee iedereen in de gelegenheid te stellen te participeren in het publieke debat, dat het hart van het concept van een democratische samenleving vormt.9 Daarbij wordt door het EHRM een onderscheid gemaakt tussen uitlatingen over feiten en uitlatingen die waardeoordelen behelzen. Als het over feiten of feitelijke handelingen gaat dan moeten uitlatingen die hierop zijn gebaseerd berusten op een voldoende feitelijke grondslag.10 Vertaald naar de nationale context zal het hierbij meestal gaan om uitingen die, als zij de eer en goede naam van iemand aantasten, gekwalificeerd kunnen worden als smaad, strafbaar gesteld in art. 263 Sr.11 Waardeoordelen vereisen in beginsel geen feitelijke onderbouwing, ook niet indien zij schokkend of kwetsend zijn, tenzij een waardeoordeel een feitelijke grondslag veronderstelt.12 Voor politici die deelnemen aan het publieke debat over een zaak van algemeen belang komt ten aanzien van het uiten van waardeoordelen een zeer ruime uitingsvrijheid toe.13 Zo overwoog het EHRM in de zaak Lombardo e.a. tegen Malta:

“while freedom of expression is important for everybody, it is especially so for elected representatives of the people. They represent the electorate, draw attention to their preoccupations and defend their interests.”

4.1.4. Ook al zijn er grenzen aan wat in het kader van het maatschappelijke debat nog acceptabel kan worden geacht als het gaat over waardeoordelen over een persoon14, is er volgens het EHRM bij politici minder ruimte om de meningsuiting te beperken dan indien het gaat om privépersonen. In de zaak Lindon verwoordde de Grote Kamer van het EHRM dit als volgt:

“There is little scope under Article 10 § 2 of the Convention for restrictions on freedom of expression in the area of political speech or debate – where freedom of expression is of the utmost importance (see Brasilier v. France, no. 71343/01, § 41, 11 April 2006) – or in matters of public interest (see, among other authorities, Sürek v. Turkey (no. 1) [GC], no. 26682/95, § 61, ECHR 1999‑IV, and Brasilier, cited above).

Furthermore, the limits of acceptable criticism are wider as regards a politician as such than as regards a private individual. Unlike the latter, the former inevitably and knowingly lays himself open to close scrutiny of his every word and deed by both journalists and the public at large, and he must consequently display a greater degree of tolerance (see, for example, Lingens, cited above, § 42; Vides Aizsardzības Klubs v. Latvia, no. 57829/00, § 40, 27 May 2004; and Brasilier, cited above).” 15

4.1.5. In de zaak Scharsach tegen Oostenrijk werd het bezigen van de term ‘Keller Nazi’ door een journalist ten aanzien van een vrouwelijke FPÖ-politica gelet op de politieke context waarin de term werd gebruikt toelaatbaar geacht. Het EHRM oordeelde dat in dit geval de vereisten voor de bescherming van iemands goede naam en rechten door de nationale rechters ten onrechte zwaarder waren gewogen dan de rol van een journalist. De pers mag ook informatie en ideeën ten aanzien van onderwerpen van algemeen belang verspreiden, die beledigend, weerzinwekkend of verontrustend kunnen zijn.16 Ook mag kritiek van politici onderling in een politiek debat ‘op de man zijn gericht’ omdat dat soms onvermijdelijk is.17

4.1.6. Tot slot moet nog worden opgemerkt dat door het EHRM striktere maatstaven worden aangelegd ten aanzien van de algemene uitingsvrijheid van politici als zij zich denigrerend uitlaten ten aanzien van minderheidsgroeperingen18 of aanzetten tot haat en geweld.19 Dergelijke uitlatingen zijn onverenigbaar met de uitgangspunten van de democratie. Om met de woorden van mijn ambtgenoot Knigge te spreken:

“4.8. (…) Wat niet uit het oog mag worden verloren, is dat, zoals ook uit de door het Hof geciteerde overwegingen blijkt, de grote uitingsvrijheid die aan politici wordt toegekend, door het EHRM wordt gemotiveerd met het nauwe verband dat het EHRM legt tussen de vrijheid van meningsuiting en een democratische samenleving. In een dergelijke samenleving moet onder meer ruimte zijn voor (scherpe) kritiek op de autoriteiten. Dat brengt mee dat die autoriteiten dergelijke kritiek dienen te verdragen en zeker niet in de kiem mogen smoren met strafrechtelijke procedures wegens belediging. Het behoeft zo gezien niet te verbazen dat, als een parlementslid die tot de oppositie behoort, wordt vervolgd voor zijn kritische uitlatingen, het EHRM zich geroepen voelt tot “the closest scrutiny” denkbaar. Het voortbestaan van de democratie is daarbij immers direct in het geding.

4.9. Anders ligt het als het gaat om denigrerende uitlatingen met betrekking tot minderheidsgroepen. Daarvoor dient in een democratie juist heel weinig ruimte te zijn. Dergelijke uitlatingen dreigen namelijk de democratie en de daaraan inherente mensenrechten – waarvan het funderend principe de menselijke waardigheid is die aan ieder individu wordt toegedacht – te ondermijnen.”20

4.1.7. Toegespitst op onderhavige zaak – een publiek dispuut tussen politici in een gemeenteraad – laat de hiervoor besproken Straatsburgse jurisprudentie zich zo samenvatten, dat indien en voor zover een uiting van een politicus een waardeoordeel behelst, terwijl deze uitlating is gedaan in het kader van het publieke debat, behalve als dit waardeoordeel iedere feitelijke grondslag ontbeert en daarom excessief is21, een veroordeling wegens belediging van een (andere) politicus al heel snel een schending van art. 10 EVRM oplevert.22

4.2. Het eerste middel komt er in de kern op neer dat de uitlatingen van de verdachte zijn gedaan in het kader van het politieke en publieke debat, dat het hof heeft miskend dat deze onder de uitingsvrijheid van art. 10, eerste lid, EVRM vallen en dat het hof deze uitlatingen niet aan de hand van het hierop betrekking hebbende toetsingskader heeft beoordeeld. Het eerste middel hangt nauw samen met de tweede klacht van het tweede middel, welke klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat “de uitlatingen van de verdachte niet in het politiek debat zijn gedaan, maar zijn geschreven buiten het kader van de raadsvergadering en ook anderszins buiten een politieke context”. In de toelichting op deze klacht wordt gesteld dat het gelet op het gevoerde verweer “volstrekt onduidelijk is” hoe het hof tot dit oordeel heeft kunnen komen. Ik zal eerst deze klacht bespreken omdat deze de meest verstrekkende is. Immers indien deze klacht gegrond is omdat het hof bij zijn oordeel een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, of als dit oordeel onbegrijpelijk is, dan slagen in het verlengde daarvan naar mijn mening ook de overige middelen.

4.3. De klacht richt zich tegen de navolgende overweging van het hof:

“Het hof is voorts van oordeel dat de uitlatingen van de verdachte niet in het politiek debat zijn gedaan, maar zijn geschreven buiten het kader van de raadsvergadering en ook anderszins buiten een politieke context. Wel zijn de uitlatingen in het maatschappelijk debat gedaan.”

4.4. Gelet op de bewijsoverwegingen van het hof, zoals hiervoor onder 3.4. aangehaald, en de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, kan ik de opvatting van het hof, dat de twitter- en facebookberichten verzonden in de nacht van 10 op 11 juni 2014 tijdens en na de raadsvergadering van de gemeente Zoetermeer niet zijn gedaan in het “politieke debat” en “ook anderszins buiten een politieke context” zijn geschreven, moeilijk volgen.

4.5. Het hof heeft immers vastgesteld dat die avond en nacht in de gemeenteraad van Zoetermeer werd gedebatteerd over het al dan niet stichten van een Islamitische basisschool in Zoetermeer en dat zowel [A] als de verdachte daarin het woord hebben gevoerd. In dat debat heeft [A] gezegd dat dit soort scholen niet bijdraagt aan de integratie van burgers in de Nederlandse samenleving. Op de vraag van de verdachte of [A] doelde op scholen op religieuze grondslag in het algemeen of op scholen op Islamitische grondslag in het bijzonder, heeft [A] geantwoord dat hij op het laatste doelde. Dit is de aanleiding geweest voor de tenlastegelegde Twitterberichten en berichten op Facebook van de verdachte, die voortborduren op het debat in de raadsvergadering. Dit is ook in de Twitter- en Facebookberichten te lezen. Daarbij wordt verwezen naar “ [A] ” hetgeen verwijst naar de gemeenteraadsvergadering van Zoetermeer23 en “@ [A] ” zijnde de partij van [A] die in de gemeenteraad van Zoetermeer zit.

4.6. Verder heeft het hof in de bewijsmiddelen (bewijsmiddel 1) opgenomen dat de verdachte heeft verklaard:

- dat hij vanuit zijn politieke overtuiging zijn oordeel wilde geven en dat hij in het verlengde van het debat in de raad heeft getwitterd;

- dat hij zijn twitteraccount als vicefractievoorzitter van [B] te Zoetermeer gebruikt en dat dit een account is waarmee hij zich als politicus profileert;

- dat voor zijn bericht op Facebook hetzelfde geldt en hij op Facebook vrienden heeft die activisten zijn uit hetzelfde politieke netwerk;

- en dat op zijn facebookprofiel staat vermeld dat hij diverse functies bekleedt bij [B] .

4.7. Gelet op deze vaststellingen vind ik het oordeel van het hof dat de uitlatingen van de verdachte niet zijn gedaan in een politiek debat of een politieke context, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk.

4.8. Mogelijk is echter ook, dat het hof dit oordeel heeft gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Uit de passage in de gewraakte overweging van het hof: “maar zijn geschreven buiten het kader van de raadsvergadering”, kan worden afgeleid dat het hof voor de beoordeling van de vraag of het in casu om een “politiek debat” of een “politieke context” gaat, kennelijk als maatstaf heeft aangelegd dat het moet gaan om een uitlatingen die in de raadsvergadering – en niet daarbuiten of daarna – zijn gedaan. Nu is dat het criterium dat wordt gehanteerd bij de beoordeling of gemeenteraadsleden (en andere deelnemers aan de beraadslagingen) immuniteit toekomt voor uitlatingen die zij tijdens een vergadering van de gemeenteraad hebben gedaan ingevolge art. 22 Gemeentewet. Dit artikel luidt:

“De leden van het gemeentebestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van de raad hebben gezegd of aan de raad schriftelijk hebben overgelegd.”

Art. 83 lid 4 van de Gemeentewet verklaart art. 22 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vergadering van een door de raad ingestelde raadscommissie. Art. 22 Gemeentewet wordt door de Hoge Raad strikt geïnterpreteerd met dien verstand dat de immuniteit zich niet uitstrekt tot andere handelingen dan die respectievelijk in de gemeenteraadsvergadering of de raadscommissievergadering hebben plaatsgevonden.24 Art. 22 Gemeentewet is echter niet aan de orde bij onderhavige zaak, omdat het gaat om berichten die als zodanig niet in de raadsvergadering zijn gedeeld, maar buiten de raadsvergadering zijn verspreid.

4.9. De betekenis van het politieke debat zoals deze in de hiervoor besproken nationale en EHRM-jurisprudentie wordt uitgelegd, heeft een bredere reikwijdte en omvat ook uitlatingen die in de context van het debat dat zich in de politieke gremia afspeelt worden gedaan. Het politieke debat in deze betekenis is dus niet beperkt tot hetgeen bijvoorbeeld in een gemeenteraadsvergadering wordt gezegd.

4.10. Enigszins verwarrend is daarbij, dat het hof in de hiervoor onder 4.3 geciteerde overweging van oordeel is dat de uitlatingen wel in het maatschappelijk debat zijn gedaan (overigens zonder dat het hof daar wat betreft de toets aan art. 10 lid 2 EVRM verder enige consequenties aan verbindt; daarop kom ik bij de bespreking van het eerste middel terug). Naar mijn mening maakt het hof hier een kunstmatig onderscheid tussen het politieke debat en het publieke debat. De Hoge Raad ziet in zijn arrest van 16 december 2014 het politieke debat als een onderdeel van het publieke debat:

“4.4.3. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie in de zin van voormelde wettelijke bepalingen, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is.

4.4.4. Bij de beoordeling van de vraag of een uitlating onnodig grievend is, dient, indien het gaat om een uitlating door een politicus in het kader van het publiek debat – het politieke debat daaronder begrepen – [onderstreping AG) onder ogen te worden gezien enerzijds het belang dat de betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar anderzijds ook de verantwoordelijkheid die de politicus in het publieke debat draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat.(…)”25

4.11. Ik meen dan ook dat het oordeel van het hof, dat de betrokken uitlatingen niet zijn gedaan in het kader van een politiek debat of in een politieke context, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting indien het hof hiervoor aansluiting heeft gezocht bij art. 22 Gemeentewet, dan wel dat het hof anderszins heeft veronachtzaamd dat zowel binnen de jurisprudentie van het EHRM als de jurisprudentie van de Hoge Raad onder het “politieke debat” of het “publieke debat” meer wordt verstaan dan het debat dat zich binnen de politieke gremia in strikte zin afspeelt.

4.12. De tweede klacht van het tweede middel slaagt.

4.13. Daarmee zijn we aanbeland bij het eerste middel waarin gesteld wordt dat het hof heeft miskend dat de gedane uitlatingen onder de uitingsvrijheid van art. 10, eerste lid, EVRM vallen en het hof de betrokken berichten niet aan de hand van het hierop betrekking hebbende toetsingskader ex art. 10 EVRM heeft beoordeeld.

4.14. Ik ben van mening dat het middel doel treft. Het hof heeft weliswaar mede gelet op het bepaalde in het tweede lid van art. 10 EVRM overwogen dat de uitlatingen van de verdachte binnen de delictsomschrijving van art. 266 Sr vallen, dat art. 266 Sr een bij de wet voorziene beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting vormt, dat de genoemde beperking het legitieme doel van de bescherming van de eer en goede naam van anderen dient en dat deze beperking binnen een democratische samenleving noodzakelijk is. Maar dat toetsingskader heeft betrekking op de verenigbaarheid van de strafbaarstelling van belediging met de vereisten van art. 10 lid 2 EVRM in zijn algemeenheid. Het door het hof gemaakte onderscheid tussen uitlatingen binnen een (strikt) politieke context en uitlatingen binnen een (bredere) maatschappelijke context kunnen niet tot gevolg hebben, dat de jurisprudentie van het EHRM over de door de rechter aan te leggen toets met betrekking tot uitlatingen in publieke debatten over zaken van algemeen belang buiten de deur worden gehouden.

4.15. Het hof is in zijn arrest niet toegekomen aan het hiervoor onder 4.1 - 4.1.7 geschetste toetsingskader, dat geldt indien uitlatingen worden gedaan door politici tegenover (andere) politici in het publieke debat. Daarin moeten zaken van algemeen belang aan de orde kunnen worden gesteld, ook als de uitlatingen kwetsend, choquerend of verontrustend zijn. Zelfs als de betrokken uitlatingen volledig onder de delictsomschrijving van art. 266 Sr vallen, dan nog kan dit er niet aan afdoen dat het de verdachte onder de gegeven omstandigheden krachtens art. 10 EVRM vrij stond die uitlatingen te doen. Deze weging heeft het hof niet gemaakt, kennelijk omdat het geoordeeld heeft dat de uitlatingen niet in een politieke context zijn gedaan. Ook de omstandigheid dat het hof de uitlatingen wel beschouwt als te zijn gedaan in het maatschappelijke debat, had het hof tot een nadere toets aan de van toepassing zijnde criteria die door het EHRM zijn ontwikkeld moeten noodzaken.

4.16. Daarbij had het hof moeten ingaan op de vraag of in het debat een algemeen belang aan de orde was. Dat lijkt mij eigenlijk niet voor betwisting vatbaar. Het ging immers over integratie van degenen die de islam als geloofsovertuiging hebben, de vrijheid van onderwijs en mogelijke discriminatie in dit verband. Vervolgens had het hof moeten beoordelen of het gebruiken van de term “racist” – een waardeoordeel over de persoon c.q. de politieke denkbeelden van [A] – de ruime vrijheid die volgens de jurisprudentie van het EHRM toekomt aan een politicus, die stelling neemt tegen een andere politicus, de grens van vrijheid van meningsuiting te buiten ging oftewel excessief was. Aan deze vragen is het hof, zoals hiervoor al gezegd ten onrechte voorbij gegaan, terwijl daar wel alle aanleiding voor was, zeker gelet op de omstandigheid dat de rechtbank in eerste aanleg de verdachte, juist vanwege de context van het politieke debat in de gemeenteraad, heeft vrijgesproken.26

4.17. Het eerste middel is derhalve gegrond.

4.18. Nu de tweede klacht van het tweede middel en het eerste middel naar mijn mening doel treffen en dit tot vernietiging van de bestreden uitspraak dient te leiden, behoeven de overblijvende klachten geen uitgebreide bespreking.

4.19. In de eerste klacht van het tweede middel en het derde middel, wordt geklaagd over verschillende bewijsoverwegingen van het hof over het opzet van de verdachte op belediging en over de beledigende strekking van de uitlatingen van de verdachte over [A] . Het oordeel van het hof dat het woord ‘racist’ zowel een negatieve als een gevoelige lading heeft, waardoor de uitlatingen van de verdachte over [A] een beledigende strekking hebben, is op zichzelf niet onbegrijpelijk.27 Waar het in onderhavige zaak uiteraard om gaat is of de context waarin deze uitlatingen zijn gedaan het beledigende karakter daarvan mogelijk wegneemt vanwege het in art. 10, eerste lid, EVRM verzekerde recht op vrijheid van meningsuiting. Voor zover het hof dit laatste heeft miskend, zoals bij de bespreking van het eerste middel reeds aan de orde is gekomen, slagen ook de eerste klacht van het tweede middel en het derde middel.

4.20. Wat het vierde middel aangaat, dat betrekking heeft op de verwerping door het hof van het beroep van de verdediging op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van art. 266, tweede lid, Sr kan worden opgemerkt dat aangenomen wordt dat deze rechtvaardigingsgrond conform art. 10 EVRM dient te worden uitgelegd.28 Het hof heeft dat in het onderhavige geval niet gedaan. Het hof heeft overwogen dat het bepaalde in art. 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat niet als een eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit in casu geen bescherming aan de verdachte biedt, nu de verdachte door het gebruik van het woord ‘racist’ veel verder is gegaan dan nodig. Hierbij heeft het hof er geen blijk van gegeven te hebben getoetst aan het meer verstrekkende toetsingskader dat bij art. 10 lid 2 EVRM geldt. Dit middel slaagt daarom eveneens op de gronden zoals deze zijn uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel.

5. Alle voorgestelde middelen slagen.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie A.L.J. Janssens & A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, 2011, 3.5.3 en voor het beslissingsschema met name HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE7632, NJ 2003/261, m.nt. P.A.M. Mevis, bevestigd in HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6731, NJ 2012/37, m.nt. E.J. Dommering en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583, NJ 2015/108, m.nt. N. Rozemond.

2 Zie onder nr. 10 van de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld vóór HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, m.nt. N.Keijzer (ECLI:NL:PHR:2015:2745).

3 HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671, m.nt. Buruma, r.o. 2.4 en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2003, NJ 2014/181, m.nt. Keijzer, rov. 2.5.

4 HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:306.

5 EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72, NJ 1978, 236, r.o. 49 (Handyside) en EHRM 23 april 1992, nr. 11798/85, NJ 1994/102 m.nt. E.J. Dommering (Castells) r.o. 42.

6 Zie HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001/203, m.nt. De Hullu en HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7750, NJ 2009/379, m.nt. E.J. Dommering.

7 HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368.

8 HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, NJ 2016/248, m.nt. N. Keijzer.

9 EHRM 23 april 1992, nr. 11798/85, NJ 1994/102 m.nt. E.J. Dommering (Castells) r.o. 43.

10 Zie bijvoorbeeld EHRM 15 november 2007, nr. 12556/03 (Pfeiffer), r.o. 46. waarin het EHRM overweegt: “In this context, the Court reiterates its established case-law to the effect that, while the existence of facts can be demonstrated, the truth of value judgments is not susceptible of proof. Where a statement amounts to a value judgment, the proportionality of an interference may depend on whether there exists a sufficient factual basis for the impugned statement, since even a value judgment without any factual basis to support it may be excessive(..) As the Court has noted in previous cases, the difference lies in the degree of factual proof which has to be established.” De beschuldigingen aan het adres van Pfeiffer dat hij deel uit maakte van een “jachtgezelschap” dat een wetenschapper en politicus (die zelfmoord had gepleegd) de dood had ingejaagd, werd door het EHRM als een feitelijke aantijging opgevat, die zonder onderbouwing de grens van vrijheid van meningsuiting overschreed.

11 Zie in dit verband bijvoorbeeld HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0287, NJ 2011/504, m.nt. Dommering over de opiniepeiler Maurice de Hond die in het openbaar beweringen had gedaan dat een met naam en toenaam genoemde persoon de moordenaar zou zijn in de Deventer moordzaak.

12 EHRM (Grand Chamber) 22 oktober 2007, nr. 21279/02, NJ 2008/443, m.nt. E.J. Dommering (Lindon), r.o. 55.

13 EHRM 24 februari 1997, NJ 1998/360, m.nt. E.J. Dommering (HUMO) en EHRM 24 juni 2004, nr. 40660/08, NJ 2005/22, m.nt. E.J. Dommering (Von Hannover);

14 Zo oordeelde het EHRM in de zaak Pfeiffer, 15 november 2007, nr. 12556/03: “Where a statement amounts to a value judgment, the proportionality of an interference may depend on whether there exists a sufficient factual basis for the impugned statement, since even a value judgment without any factual basis to support it may be excessive.”

15 EHRM 22 oktober 2007, nr. 21279/02, NJ 2008/443, m.nt. E.J. Dommering (Lindon), r.o. 46; herhaald in EHRM 4 april 2017, no. 7333/06, (Lombardo) r.o. 54.

16 EHRM 13 november 2003, nr. 39394/98, NJ 2004/338, m.nt. E.J. Dommering (Scharsach), r.o. 44.

17 Zie voor een zaak die net als de onderhavige speelde in de context van een debat in de gemeenteraad EHRM 9 maart 2017, nr. 55135/10 (Athanasios Makris), r.o. 37: “Quant à l’ argument du Gouvernement selon lequel la présente affaire doit être distinguée de l’ affaire Mika (précitée) au motif que, en l’ espèce, l’ intéressé était identifié expressément, la Cour observe que, pour qu’ une critique soit efficace, elle peut parfois être dirigée contre des personnes nommément désignées, faute de quoi le débat public sur des questions d’ intérêt général perdrait en substance et risquerait de devenir un concept fictif (Fedchenko c. Russie (no 2), no 48195/06, § 59, 11 février 2010).”

18 EHRM 16 juli 2009, nr. 15651/07 (Féret).

19 EHRM 20 april 2010, NJ 2010/429, m.nt. E.J. Dommering (Le Pen) en EHRM 15 maart 2011, NJ 2012/491, m.nt. E.J. Dommering (Mondragon).

20 Conclusie AG Knigge voor HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583 NJ 2015/108, m.nt. N. Rozemond (ECLI:NL:PHR:2014:1479).

21 EHRM 15 november 2007, nr. 12556/03 (Pfeiffer), r.o. 45-48.

22 A.L.J. Janssens in C.P.M. Cleiren e.a. (red.), T&C Strafrecht, Aant. 15 van de Inleidende opmerkingen bij Titel XVI (Belediging) van Boek II.

23 079 is het kengetal van Zoetermeer en het is in Twitterberichten gebruikelijk op deze wijze te verwijzen naar een bepaalde stad.

24 HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:883, r.o. 2.4.1: “De bescherming tegen vervolging in rechte die art. 22 Gemeentewet aan een gemeenteraadslid biedt, strekt zich niet uit tot andere handelingen dan die welke in die wettelijke bepaling worden genoemd (vgl. HR 24 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AD2221, NJ 1984/801, m.nt. M. van der Scheltema).

25 HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583, NJ 2015/108, m.nt. N. Rozemond, r.o. 4.4.4. waarin de Hoge Raad overweegt: ”bij de beoordeling van de vraag of een uitlating onnodig grievend is, dient, indien het gaat om een uitlating door een politicus in het kader van het publiek debat – het politieke debat daaronder begrepen – onder ogen te worden gezien enerzijds het belang dat de betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar anderzijds ook de verantwoordelijkheid die de politicus in het publieke debat draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat.”

26 De relevante overweging uit het vonnis van de rechtbank luidt: “ De rechtbank overweegt dat voorafgaande aan de door verdachte gedane uitingen op Twitter en Facebook, sprake was van een door verdachte als gemeenteraadslid in de gemeenteraad gevoerde politieke discussie met [A] , eveneens gemeenteraadslid. Verdachte heeft zich tijdens dat debat op het standpunt gesteld dat [A] discriminatoir bezig was en heeft tijdens en/of kort na dit debat de gewraakte berichten geplaatst op Twitter en Facebook. Onder deze omstandigheden en bezien in de context van de gehele tekst van de elkaar opvolgende tweets en het Facebookbericht en bezien in de context van het in de gemeenteraad gevoerde politieke debat tussen verdachte en [A] , is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte geuite bewoordingen niet kunnen worden opgevat als aanranding van de eer en/of goede naam van de aangever en dus niet beledigend zijn. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde.”

27 Zie in dit verband de conclusie van AG C.J.G. Bleichrodt waarin hij de term racist (gebruikt tegenover een politieagent) zonder meer beledigend acht (ECLI:NL:PHR:2007:BA3602). De Hoge Raad deed de zaak af met 81 RO, HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3602.

28 A.L.J. Janssens in C.P.M. Cleiren e.a. (red.), Tekst & Commentaar Strafrecht (11de druk), aant. 15b in de Inleidende opmerkingen bij Titel XVI (Belediging) van Boek II; de noot van E.J. Dommering onder ECLI:NL:HR:2011:BP0287, NJ 2011.504 en A.L.J. Janssens & A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten (derde druk), Kluwer, Deventer, 2011, p. 164 e.v.