Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:238

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-02-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
16/05233
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:440
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging moord en opzettelijk ontploffing teweegbrengen door om 3 uur ’s nachts een handgranaat in de slaapkamer van de twee kamer woning van de ex-vriend van de vriendin van verdachte te gooien, terwijl deze die nacht op de bank in de woonkamer in slaap was gevallen, art. 289 en 157 Sr. 1. Voorwaardelijk opzet op dood? 2. Schriftuur b.p. Vordering b.p. deels n-o, onevenredige belasting strafgeding. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05233

Zitting: 6 februari 2018

Mr. Silvis

Aanvullende Conclusie inzake:

[verdachte]

1. In deze zaak heb ik op 12 december 2017 geconcludeerd. In deze aanvullende conclusie bespreek ik de namens de benadeelde partij nadien binnengekomen, gezien verlate verwittiging tijdig voorgestelde middelen, die opkomen tegen de beslissingen van het hof met betrekking tot de door haar ingediende vordering tot schadevergoeding, in het bijzonder tegen de beslissingen ten aanzien van het materieel gevorderde deel.

2. Het hof heeft voor zover van belang het volgende overwogen:

‘Vordering tot schadevergoeding [betrokkene 1]

In het onderhavige strafproces heeft [betrokkene 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 6.081,24.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft bevestiging gevorderd van het vonnis waarvan beroep.

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof, met uitzondering van de posten "dierenhuid", "laptop" en "overige". De raadsvrouw heeft betoogd dat de benadeelde partij wat die posten betreft niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij - gelijk als bij de rechtbank - aangetoond dat tot een bedrag van € 2.304,24 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te' vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 3.250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadéelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.554,24 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 1].’

3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten aanzien van schadeposten 6. (rendierenhuid € 89,99) en 7. (laptop € 418,-) ten onrechte niet gemotiveerd heeft of het van mening is dat het niet aannemelijk is dat deze schade is geleden of dat het niet aannemelijk is dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Het tweede middel klaagt dat het hof zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanwege het feit dat de vordering niet met bewijsstukken is onderbouwd, de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, terwijl het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. De middelen worden gezamenlijk besproken.

4. Voor zover het eerste middel er van uit gaat dat het hof schadepost 6. (rendierenhuid) niet heeft toegewezen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest. Immers, naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij - gelijk als bij de rechtbank - aangetoond dat tot een bedrag van € 2.304,24 materiële schade is geleden. Dit bedrag is de uitkomst van de optelsom van de gevorderde schadebedragen van de voorwerpen in het voegingsformulier waarbij het schadebedrag concreet is opgegeven, minus het schadebedrag ten aanzien van de laptop (€ 418,-) en de trolley (€ 109,-), terwijl de rechtbank in haar vonnis onder meer heeft overwogen dat de rechtbank de vordering zal toewijzen met uitzondering van de post laptop (post 7) en tevens verminderd met de kosten voor de trolley als onderdeel van de post bedtextiel (post 3).

5. Blijkens de laatste zinsnede in de schriftuur van de benadeelde partij gaat deze er vanuit dat het verzoek om vergoeding van de schade aan de laptop is afgewezen. Ook deze opvatting berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft immers, zoals hiervoor uiteengezet, de vordering voor het overige deel niet afgewezen, maar de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en naar de burgerlijke rechter verwezen, nu beoordeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

6. Onder de door het hof gebezigde term ‘overige’ vallen derhalve de laptop en de goederen ten aanzien waarvan namens de benadeelde partij is betoogd dat de rechter ex art. 6:97 BW de schade kan schatten. Deze goederen betreffen blijkens het voegingsformulier (en als zodanig weergegeven):

‘-TV

-TV-kast

-Playstation

-Diverse playstation spellen

-Dvd speler

-Diverse Dvd’s

-Gordijnen

-Tapijt

-Foto’s en fotolijsten’

7. Op grond van het bepaalde in art. 361, derde lid, Sv welke bepaling ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, kan de rechter indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat de vordering geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof heeft bij diens oordeel dan ook de juiste maatstaf gehanteerd.

8. Of een behandeling van een vordering een onevenredige belasting in het strafgeding oplevert is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.1 De Hoge Raad toetst daarbij terughoudend.2 Het oordeel van het hof komt mij ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk voor, in aanmerking genomen de grote hoeveelheid (deels elektronische) goederen, waarbij bovendien ten aanzien van het overgrote deel ook in hoger beroep geen nadere gegevens zijn verstrekt, bijvoorbeeld in de zin van jaartallen (tv, playstation en dvd-speler) en (ten aanzien van ‘diverse dvd’s’ en ‘diverse playstation spellen’) hoeveelheden en tevens gelet op het verhandelde ter zitting, waaruit blijkt dat de raadsvrouw van de verdediging zich tegen toewijzing van de schadepost ‘laptop’ en de niet nader geconcretiseerde schadeposten verzet. De omstandigheid dat de rechter de bevoegdheid heeft de omvang van de schade te schatten, doet mijns inziens aan het vorenstaande niet af.

9. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW3751, NJ 2012, 451, rov. 4.5.2.

2 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW3751, NJ 2012, 451 en HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012, 520, m.nt. B.F. Keulen. Zie ook HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2329.