Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:237

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-02-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
17/01584
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:443
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Oplegging TBS t.z.v. poging tot afpersing, bedreiging (meermalen gepleegd) en belaging. Is sprake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen a.b.i. art. 38e.1 Sr en art. 359.7 Sv? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BY8434 en ECLI:NL:HR:2018:116 inhoudende dat rechter bij oplegging TBS moet motiveren of deze wel of niet is opgelegd t.z.v. een geweldsmisdrijf. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat sprake was van een geweldsmisdrijf omdat "de verdachte (...) de slachtoffers verbaal en per e-mail [heeft] bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling en (...) deze bedreiging kracht [heeft] bijgezet d.m.v. het sturen van foto's naar het e-mailadres van een van de slachtoffers waarop de gevolgen (ernstige verminkingen) van genoemd misdrijf staan afgebeeld". Daarmee heeft het Hof zijn oordeel echter ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging wat betreft strafoplegging en terugwijzing. HR merkt op dat in die vernietiging zijn begrepen alle in de bestreden uitspraak genomen beslissingen a.b.i. art. 351 Sv omtrent de oplegging van een straf en/of maatregel, waaronder ook de schadevergoedingsmaatregel, maar niet de beslissingen a.b.i. art. 361 Sv omtrent vordering b.p. (vgl. ECLI:NL:HR:2013:1430).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01584

Zitting: 6 februari 2018 (bij vervroeging)

Mr. A.J. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 1 maart 2017 voor 1: poging tot afpersing, 2: bedreiging met verkrachting en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, meermalen gepleegd, en 3: belaging, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden en tot verbeurdverklaring van in het arrest omschreven voorwerpen. Voorts heeft het hof gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd. Tot slot heeft het hof de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, zoals in het arrest nader beschreven.

  2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof dat bij verdachte een stoornis aanwezig was ten tijde van de gepleegde feiten onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"1: hij in de periode van 29 mei 2015 tot en met 16 juni 2015 te gemeente Kaag en Braassem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld een persoon genaamd [betrokkene 1] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag van 48.500,00 euro, toebehorende aan [betrokkene 1]

– op 29 mei 2015 een (bedreigende) mail heeft gestuurd met daarin onder meer opgenomen de tekst dat [betrokkene 1] geld moet betalen en als hij dat niet doet dat dan zijn vrouw en dochters met zoutzuur overgoten zullen worden en dat hij de politie niet mag inschakelen en

– op 16 juni 2015 heeft gebeld met [betrokkene 1] en daarin heeft gezegd: "oké, maar als ik bij [betrokkene 2] over haar gezicht zoutzuur over heen gooi, wat gebeurt er dan, weet je wat zoutzuur is" en "ik wil dat u gaat lijden en ik kan u wel door uw kop heen schieten maar dan lijdt u niet, dan ben je in één keer weg. Als ik uw dochter te grazen neem bijvoorbeeld [betrokkene 2] en ik gooi zoutzuur over haar gezicht dan gaat zij lijden en dan gaat u ook lijden"

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2: hij in de periode van 24 februari 2014 tot en met 16 juni 2015 te gemeente Kaag en Braassem en Zaandam een persoon genaamd [betrokkene 1] en één of meer van diens familieleden te weten [betrokkene 3] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 4], meerdere malen heeft bedreigd met verkrachting en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

– op 24 februari 2014 een telefoongesprek gevoerd met [betrokkene 3] (echtgenote van [betrokkene 1]) en daarbij gezegd: "ik ga u en uw man doden" en

– in de periode van 24 februari 2014 tot en met 25 februari 2014 meerdere malen gebeld naar [betrokkene 1] en/of familieleden van [betrokkene 1], waarin door de beller werd gezegd: "dat hij een einde moest maken aan het leven van [betrokkene 1]" en "hoe hij het zou vinden als [betrokkene 3] (= echtgenote van [betrokkene 1]) zou worden verkracht" en in een telefoongesprek met [betrokkene 2], dochter van [betrokkene 1], heeft gezegd: "dat hij haar zou verkrachten" en

– op 29 mei 2015 een bedreigende mail heeft gestuurd met daarbij gevoegd foto's van vrouwen wier lichaam/gezicht waren verminkt door zoutzuur met daarin onder meer opgenomen de tekst dat [betrokkene 1] geld moet betalen en als hij dat niet doet dat dan zijn vrouw en dochters met zoutzuur overgoten zullen worden en dat hij de politie niet mag inschakelen en

– op 16 juni 2015 gebeld met [betrokkene 1] en daarin gezegd: "oké, maar als ik bij [betrokkene 2] over haar gezicht zoutzuur over heen gooi, wat gebeurt er dan, weet je wat zoutzuur is" en "ik wil dat u gaat lijden en ik kan u wel door uw kop heen schieten maar dan lijdt u niet, dan ben je in één keer weg. Als ik uw dochter te grazen neem bijvoorbeeld [betrokkene 2] en ik gooi zoutzuur over haar gezicht daar gaat zij lijden en daar gaat u ook lijden";

3: hij in de periode van 24 februari 2014 tot en met 21 september 2015 te gemeente Kaag en Braassem en Zaandam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon genaamd [betrokkene 1] met het oogmerk [betrokkene 1] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen door

– in de periode tussen 24 februari 2014 te 14.37 uur en 15 februari 2014 te 15.12 uur zes (6) keer te bellen naar [A] (bedrijf van [betrokkene 1]) en

– in de periode tussen 24 februari 2014 te 14.37 uur en 25 februari 2014 te 00.44 uur tweeëntwintig (22) keer te bellen naar de huistelefoon van [betrokkene 1] en

– in de periode tussen 15 juni 2015 te 18.01 uur en 19 juni 2015 te 19.30 uur ongeveer vijftig (50) keer te bellen naar de huislijn van [betrokkene 1] en ongeveer veertig (40) keer naar [A] (bedrijf van [betrokkene 1]) en veertig (40) keer na de huislijn van [betrokkene 5] (broer van [betrokkene 1]) en één (1) keer naar de huislijn van de moeder van [betrokkene 1]."

3.3. In zijn arrest heeft het hof over de opgelegde maatregel het volgende overwogen:

“Indien bij een verdachte ten tijde van het plegen van een strafbaar feit sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, kan ter zake van bepaalde feiten terbeschikkingstelling worden opgelegd indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van die maatregel eist. Bij de vaststelling van het bestaan van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens slaat de rechter acht op de over de verdachte opgemaakte multidisciplinaire rapportage Ook indien de verdachte weigert om mee te werken aan het opstellen van een dergelijke rapportage, waardoor de deskundigen geen advies hebben kunnen geven, kan de rechter overgaan tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling. De vaststelling van het bestaan van een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan dan geschieden op basis van oudere rapportages, aanwijzingen uit het strafdossier of verdere informatie omtrent de geestesgesteldheid van de verdachte.

Vastgesteld wordt dat de verdachte niet heeft willen meewerken aan het opstellen van een ambulante pro Justitia rapportage, zodat de deskundige het bestaan van een psychische stoornis niet heeft kunnen bevestigen noch ontkrachten. Ook in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) heeft de verdachte geen medewerking willen verlenen aan het onderzoek, zodat ook de deskundigen van het PBC niet tot een dergelijke vaststelling hebben kunnen komen. Met de rechtbank, ziet het hof evenwel in deze PBC rapportage, in combinatie met de stukken omtrent de geestesgesteldheid van de verdachte, alsmede de aard en omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, voldoende aanwijzingen om het bestaan van een geestelijke stoornis bij de verdachte aannemelijk te achten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In 2012 is over de verdachte in het kader van reclasseringstoezicht een voortgangsverslag opgesteld waarin is vermeld dat de verdachte is gediagnostiseerd met schizofrenie en dat er sprake is van hoge onmacht. In het kader van de onderbewindstelling van de verdachte heeft psychiater dr. Sno in april 2013 een schriftelijke verklaring afgelegd, inhoudende dat de verdachte sinds 2010 bij hem onder behandeling is en op As I is gediagnostiseerd met een psychotische stoornis NAO (Niet Anders Omschreven) en op AS II met een persoonlijkheidsstoornis NAO. Dit wordt onderschreven door de rapportage sociale activering van mei 2013, waarin wordt vermeld dat de verdachte schizofrenie heeft en daarvoor sinds 2010 onder behandeling is bij dr. Sno.

Voorts bevinden zich bij de stukken de bevindingen van GGD arts dr. Kwast, van december 2013. Blijkens deze bevindingen is bij de verdachte sprake van een ernstige, chronische psychiatrische, aandoening, die de verdachte beperkt in het dagelijks functioneren. De GGD-arts rapporteert dat de verdachte voor deze ernstige, chronische psychiatrische aandoening onder behandeling is van een specialist en dat hij hiervoor medicatie gebruikt.

Hoewel de deskundigen in het PBC, vanwege de weigerende houding van de verdachte om mee te werken aan het onderzoek, niet in staat zijn gebleken om het bestaan van een stoornis te bevestigen (dan wel te ontkrachten), komen zij wel tot de conclusie dat er aanwijzingen zijn dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis. Dit is mede gebaseerd op de in de woning van de verdachte aangetroffen geschriften van de hand van de verdachte. Volgens de deskundigen wijzen deze geschriften in de richting van een paranoïde, psychotische belevingswereld met diverse vreemde preoccupaties en wanen.

Gelet op de voornoemde bronnen is naar het oordeel van het hof voldoende mate aannemelijk dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis.

Het hof heeft daarnaast nog acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 januari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte twee keer eerder is veroordeeld terzake van bedreiging en stalking. In die zaken ging het – evenals in het onderhavige geval – om feiten die door de verdachte zijn gepleegd jegens personen die hem in zijn beleving jaren daarvoor onheus hadden bejegend. Ook in die zaken is de verdachte zonder recente aanleiding of contact met de slachtoffers tot de feiten gekomen.

Op basis van vorenstaande informatie over de geestesgesteldheid van de verdachte, alsmede voormelde feiten en omstandigheden, komt het hof tot de hiervoor vermelde conclusie dat bij de verdachte sprake is van een langdurige psychotische stoornis. Ten aanzien van de vraag of deze stoornis reeds bij de verdachte aanwezig was ten tijde van de feiten, overweegt het hof dat de stoornis van de verdachte tenminste sinds 2010 aanwezig was en dat kort voor de aanvang van de feiten is vastgesteld dat de stoornis van de verdachte ernstig en chronisch is. Dit maakt dat deze stoornis naar het oordeel van het hof ook ten tijde van het plegen van de feiten aanwezig is geweest, zodat ook aan de voorwaarde van gelijktijdigheid van de stoornis en delict als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, om te komen tot de oplegging van terbeschikkingstelling is voldaan.

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de dossierstukken alsmede gelet op de weigerende houding van de verdachte om mee te werken aan enig onderzoek, komt het hof tot het oordeel dat bij de verdachte geen sprake is van probleembesef, hetgeen passend lijkt te zijn bij zijn ziektebeeld. Gelet hierop en gelet op zijn recidive acht het hof de kans op herhaling zeer groot. Voorts staat vast dat het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het betreft tevens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft de slachtoffers verbaal en per e-mail bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling en heeft deze bedreiging kracht bijgezet door middel van het sturen van foto’s naar het e-mailadres van een van de slachtoffers waarop de gevolgen (ernstige verminkingen) van genoemd misdrijf staan afgebeeld.

Gelet op de uit de voornoemde stukken blijkende persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte alsmede op de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten en de aanzienlijke kans op recidive, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging vereisen. Het hof zal voorts de maatregel, niet gemaximeerd aan de verdachte opleggen.”

3.4. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte geen medewerking wil verlenen aan ambulante of klinische rapportage. Dat stemt over een met wat verdachte ter terechtzitting van 15 februari 2017 heeft verklaard. Verdachte vond zelf dat hij psychisch in orde was en wilde daarom in het PBC niet meewerken. Evenmin heeft verdachte toestemming gegeven om medische stukken over hem op te vragen.1 Aldus deed zich de situatie voor waarvoor het derde lid van artikel 37, dat ingevolge het derde lid van artikel 37a Sr van overeenkomstige toepassing is, is geschreven.

3.5. De weigering van verdachte om medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het multidisciplinaire advies moet worden verricht mag er niet toe leiden dat de rechter geen terbeschikkingstelling met verpleging meer kan opleggen. Dan zou de bescherming van de samenleving tekortschieten. Wel dienen de gedragskundigen dan een rapport over de reden van de weigering op te maken ter voorlichting van de rechter over de achtergrond van de weigering.2 Voor het opleggen van terbeschikkingstelling is nodig dat de rechter over gegevens beschikt waaruit kan worden afgeleid dat verdachte aan een zodanige psychische stoornis lijdt dat behandeling is aangewezen. Zo een indicatie kan vervat zijn in de rapportage over de opstelling van verdachte tijdens de observatie, maar ook uit andere gegevens bijvoorbeeld betrekking hebbend over de manier waarop het misdrijf is gepleegd, het gedrag dat daaraan voorafging, de achtergrond van de verdachte zoals geschetst in voorlichtingsrapportage en de verklaringen van verdachte zelf. De beslissing van de rechter over de oplegging van tbs is altijd het resultaat van zijn eigen oordeelsvorming, en dat geldt ook voor de vraag of hij daartoe over toereikende gegevens beschikt.3

Uiteindelijk komt het erop neer dat het oordeel van de feitenrechter dat terbeschikkingstelling met verpleging nodig is in geval van een weigerende observandus begrijpelijk moet zijn. En dat kan het geval zijn ook als gedragskundigen niet dezelfde diagnose delen of wanneer er uitzonderingsgewijs zelfs geen psychiatrische rapportage beschikbaar is. Het middel stelt dus te zware eisen aan de rechterlijke motivering van het opleggen van een terbeschikkingstelling met verpleging. Het gaat er slechts om of die motivering begrijpelijk is, en in de onderhavige zaak lijkt mij dat zeker het geval te zijn. Het hof heeft uit de gegevens waarover het heeft kunnen beschikken kunnen afleiden dat verdachte leidende is aan een langdurige psychotische stoornis die zich ook ten tijde van het plegen van de feiten voordeed. Voorts acht het hof de kans op herhaling zeer groot en heeft het hof vastgesteld dat het gaat om misdrijven waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is en dat verpleging noodzakelijk is met het oog op de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen.

3.6. De steller van het middel citeert uit een uitspraak van het EHRM.4 Het betrof een psychiatrische opname op klacht van iemand met wie betrokkene een conflict had. Het EHRM erkende de mogelijkheid dat een betrokkene weigert om zich te laten onderzoeken, maar dan zal toch minstens een mening van een medisch deskundige op basis van het dossier beschikbaar moeten komen. In het algemeen zijn de nationale autoriteiten het best in staat om te bepalen aan welke voorwaarden de deskundige moet voldoen. Maar in het bijzonder als de betreffende persoon geen psychiatrische voorgeschiedenis heeft is het nodig dat een psychiater een onderzoek uitvoert.5

In de onderhavige zaak zijn meerdere psychiaters ingeschakeld, hetzij in het recente verleden, hetzij in het kader van een onderzoek naar verdachtes geestvermogens in de onderhavige zaak. Aldus is ook voldaan aan de eisen die artikel 5, § 1 onder e EVRM stelt. De oplegging van terbeschikkingstelling met verpleging is toereikend gemotiveerd.

Het eerste middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt over het oordeel van het hof dat de terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat oordeel is onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

4.2. De relevante wetgeving heeft de volgende inhoud:

"Artikel 37a Sr

1. De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien:

1°. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot een der misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet, en

2°. de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

(...)

Artikel 38e Sr

1. De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

2. Behoudens de gevallen waarin een bevel als bedoeld in artikel 37b of artikel 38c is gegeven, gaat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van negen jaar niet te boven.

3. Indien de totale duur van de terbeschikkingstelling niet in tijd is beperkt, kan de termijn van de terbeschikkingstelling telkens worden verlengd, wanneer de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen die verlenging eist.

Artikel 359 Sv

(...)

7. Als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, geeft het vonnis dit onder opgave van redenen aan.

(...)"

4.3. Inderdaad zijn bedreiging (artikel 285 Sr) en belaging (artikel 285 Sr) volgens de rechtspraak van de Hoge Raad niet zonder meer te karakteriseren als een geweldsmisdrijf, dus als een misdrijf dat was gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen.6 Maar als feit 1 heeft het hof een poging tot afpersing bewezenverklaard. Artikel 317 Sr heeft een andere strekking dan de artikelen 285 en 285b Sr, zij het dat er ook met name met artikel 285 Sr een bepaalde overlap kan bestaan. In 2013 heeft de HR overwogen dat de tbs-verlengingsrechter alle relevante omstandigheden in aanmerking moet nemen ter beantwoording van de vraag of het misdrijf waarvoor de terbeschikkingstelling is opgelegd gericht was tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Ingeval van bedreiging zal de verlengingsrechter daarbij onder meer kunnen betrekken of aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd.7 Het komt mij voor dat een en ander kan worden getransponeerd naar de fase waarin de terbeschikkingstelling wordt opgelegd voor een poging tot afpersing. Als het delict op zichzelf nog geen aantasting van de lichamelijke integriteit van anderen of een ander inhield kan de opleggingsrechter, die het voldoende aannemelijk acht dat de bedreiging zou worden uitgevoerd, op grond van die omstandigheden motiveren dat zich de situatie als bedoeld in het zevende lid van artikel 359 Sv en in artikel 38e lid 1 Sr toch voordoet.

4.4. Naar mijn oordeel schiet de motivering van de oplegging van een in duur onbeperkte terbeschikkingstelling in het arrest tekort. Het hof heeft ontoereikend onderbouwd waarom de misdrijven waarvoor het verdachte heeft veroordeeld gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen. Ik tref in de motivering van het hof geen overwegingen aan die wijzen op het bestaan van aanwijzingen dat verdachte zijn bedreigingen ook zou willen uitvoeren.

Het tweede middel is terecht voorgesteld.

5. Het eerste middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, waaronder begrepen de last tot terbeschikkingstelling, maar niet de aan verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8505.

2 Kamerstukken II 1992/93, 22909, 3, p. 5-6.

3 Kamerstukken II 1992/93, 22909, 6, p. 2-3.

4 EHRM 5 oktober 2000, nr. 31365/96 (Varbanov vs. Bulgaria).

5 EHRM 18 februari 2014, nr. 8300/06 (Ruiz Rivera v. Switzerland) § 59; EHRM 2 juni 2016, nr. 6281/13 (Petschulies v. Germany) § 69.

6 HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, NJ 2013/161 m.nt. van Kempen, r.o. 4.3; HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:646.

7 HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8434, NJ 2013/161 m.nt. van Kempen, r.o. 4.6.