Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:236

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-02-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
16/04686
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:438
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen begunstiging door lijk te verslepen en in tapijt te wikkelen, art. 189.1.2 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AX5766 m.b.t. strekking van strafbaarstelling van art. 189.1.2 Sr. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte, nadat A door misdrijf om het leven was gebracht, het lichaam van A heeft versleept en dat lichaam in een tapijt heeft gewikkeld, althans daarbij heeft geholpen. Het daarop berustende oordeel dat verdachte en haar mededader sporen van het misdrijf hebben weggemaakt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. V.zv. het middel berust op de opvatting dat moet worden vastgesteld welke sporen zijn weggemaakt en op welke wijze daardoor het onderzoek werd bemoeilijkt, stelt het een eis die het recht niet kent. Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2016:239.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04686

Zitting: 6 februari 2018

Mr. A.J. Machielse

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Op 16 februari 2016 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarbij verdachte voor doodslag is veroordeeld, vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Den Haag om op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.1 Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 8 september 2016 voor het meest subsidiair bewezenverklaarde: medeplegen van nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om de nasporing of vervolging te bemoeilijken, sporen van het misdrijf wegmaken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste uitleg van artikel 189 lid 1 onder 2 Sr als het hof van oordeel zou zijn dat verdachte het stoffelijk overschot van het slachtoffer heeft weggemaakt. Als het hof van oordeel zou zijn geweest dat verdachte andere sporen heeft weggemaakt door het lijk in een tapijt te wikkelen en te verslepen blijkt niet welke sporen op welke wijze zouden zijn weggemaakt.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"zij op of omstreeks 12 maart 2011 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, nadat er op 12 maart 2011 te Amsterdam, een misdrijf, te weten de overtreding van artikel 289 of 288/287 of 312 en/of 317 Wetboek van Strafrecht, was gepleegd, met het oogmerk om de nasporing of vervolging van dat misdrijf te bemoeilijken, sporen van dat misdrijf heeft weggemaakt immers heeft verdachte en/of haar mededader

– het lichaam van [slachtoffer] versleept en

– het lichaam van [slachtoffer] in een tapijt gewikkeld en/of helpen wikkelen."

3.3. Artikel 189 Sr heeft, voor zover relevant, de volgende inhoud:

"1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

(...)

2. hij die nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt;

(...)"

3.4. De bewezenverklaring heeft het hof doen voorafgaan door de volgende overwegingen:

“In de ochtend van 13 maart 2011 is in de woning van de verdachte het levenloze lichaam van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) aangetroffen, gewikkeld in een tapijt. Uit onder meer het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel blijkt dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven is gekomen.

Uitgaande van de berekening met behulp van het Henssge nomogram en de letseldatering moet het fatale letsel bij [slachtoffer] zijn toegebracht op 12 maart 2011 tussen 11.54 uur en 17.00 uur.

Op basis van het dossier stelt het hof vast dat [slachtoffer] op 12 maart 2011 om 14.35 uur nog in leven was. Hij bevond zich toen in de woning van de verdachte en voerde een telefoongesprek met de getuige [getuige]. De verdachte was op dat moment ook in de woning aanwezig. Voorts volgt uit het dossier dat een buurtbewoner genaamd [betrokkene] zich kort daarvoor, omstreeks 14.20 uur, ook in de woning van de verdachte bevond.

De verdachte is in verband met deze strafzaak meerdere keren gehoord, eerst als getuige en daarna als verdachte. Zij heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de levensberoving. Zij heeft over haar eigen gedragingen rond het overlijden van [slachtoffer] zeer wisselende verklaringen afgelegd en zij erkent ook dat haar aanvankelijke verklaringen in strijd met de waarheid zijn. Het hof acht niet aannemelijk geworden het standpunt van verdachte dat zij als gevolg van de gebeurtenissen – kort gezegd — in de war is geraakt en vergeetachtig is geworden en daardoor leugenachtig heeft verklaard. Daarmee is immers niet te rijmen dat wanneer verdachte ter terechtzitting met belastend materiaal uit het dossier wordt geconfronteerd zij het ‘niet meer weet’ of theatraal in algemeenheden vervalt, terwijl zij mogelijk ontlastend materiaal tamelijk moeiteloos inpast in een van haar versies van de gebeurtenissen op 12 maart 2011 en daarnaast zelfs alternatieve scenario’s lijkt te verzinnen. Verdachte lijkt aldus haar verklaring met het dossier te hebben opgebouwd en daaraan te hebben bijgesteld. Daarmee heeft verdachte bijgedragen aan de verdenking jegens haar. Voor een bewezenverklaring van de tenlastelegging zijn verdachtes ongeloofwaardige verklaringen en geveinsde vergeetachtigheid echter bepaald onvoldoende. Zoals het hof hieronder zal toelichten is er ook overigens onvoldoende bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij – kort gezegd – het om het leven brengen van [slachtoffer]. Wel is het hof op grond van forensisch bewijs ervan overtuigd dat zij het lichaam van [slachtoffer] na zijn dood heeft versleept en het lichaam ook in een tapijt heeft gewikkeld, althans daarbij heeft geholpen, en dat zij die handelingen niet alleen heeft verricht. Bij die oordelen is de hiervoor beschreven houding van verdachte overigens (ook) verklaarbaar; angst om ook voor de dood van [slachtoffer] verantwoordelijk te worden gehouden kan verdachte ertoe hebben gebracht aanvankelijk wisselend en soms ongeloofwaardig over de gebeurtenissen op 12 maart 2011 – waaronder het bezoek dat [slachtoffer] haar die dag thuis bracht – te verklaren.

Op basis van de beveiligingsbeelden van coffeeshop Crash Light stelt het hof vast dat de auto van verdachte in elk geval om 15.57 uur die dag in de Pretoriusstraat heeft gereden. Het hof gaat er vanuit dat de verdachte de bestuurster was van haar auto. Het hof merkt in dit verband nog op dat de beveiligingscamera’s van de coffeeshop Crash Light geen zicht geven op de voordeur van de woning van de verdachte en de daarvoor aan het trottoir gelegen parkeerplaatsen, waardoor niet valt niet uit te sluiten dat de verdachte, zoals zij zelf heeft verklaard, al eerder dan 15.57 uur de woning heeft verlaten, dan wel dat andere personen dan de verdachte de woning hebben betreden en/of verlaten in de middag van 12 maart 2011. Nu vast staat dat de verdachte de woning op enig moment vóór 17.00 uur heeft verlaten, kan – bij gebrek aan ander of aanvullend bewijsmateriaal – naar het oordeel van het hof niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte aanwezig is geweest in haar woning op het moment dat aldaar aan [slachtoffer] het fatale letsel is toegebracht. Daarmee kan haar betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] niet wettig en overtuigend worden bewezen. Alles overwegende is het hof – met de advocaat-generaal en de raadsman – van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Gelet op het sporenbeeld acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan de meest subsidiair ten laste gelegde begunstiging. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

In bemonsteringen van verschillende delen van de kleding van [slachtoffer], te weten de binnenzijden van de steekzakken van de broek, (de onderzijde van) de broekspijpen en de sokken, is celmateriaal van de verdachte en van anderen aangetroffen. Het NFI concludeert dat de bevindingen van het DNA onderzoek aan genoemde bemonsteringen (zeer) (veel) waarschijnlijker zijn wanneer de verdachte de kledingstukken heeft aangeraakt (direct contact), dan wanneer het celmateriaal van de verdachte via indirect contact op de kledingstukken terecht is gekomen. De verdachte heeft verklaard dat zij geen lijk (van [slachtoffer]) heeft gezien en dat de DNA sporen zijn aangetroffen doordat zij wel eens broeken van [slachtoffer] heeft gestreken.

Deze ogenschijnlijk adequate verklaring voor een verdachte die vergeetachtig en in de war zegt te zijn acht het hof niet aannemelijk geworden. Familieleden van [slachtoffer] hebben verklaard dat [slachtoffer] zijn kleding naar de wasserette bracht en voor strijkwerkzaamheden door verdachte biedt het dossier geen enkele steun. Bovendien zou dit slechts een verklaring zijn voor een deel van de aangetroffen DNA sporen van de verdachte, te weten de sporen op de broek van [slachtoffer]. De DNA sporen van de verdachte op de sokken van [slachtoffer] zijn daarmee niet verklaard.

Daarnaast is op de onderzijde van het tapijt waarin het lichaam van [slachtoffer] was gewikkeld, welke zijde op het moment van aantreffen van het lichaam naar boven lag gekeerd, een fragment van een met bloed gezette schoenzoolafdruk aangetroffen. Het DNA-profiel in de bemonstering van deze afdruk matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer]. Onderzoek heeft uitgewezen dat genoemde schoenzoolafdruk is veroorzaakt door schoeisel, voorzien van een soortgelijk profiel als het profiel van de slippers die na de aanhouding van verdachte bij haar in beslag zijn genomen, waarbij de linker slipper als meest mogelijke veroorzaker kan worden aangemerkt. Geen van het overige tijdens het onderzoek aangetroffen schoeisel kwam overeen met de afdruk. Op de onderzijde van genoemde linker slipper van de verdachte is bloed aangetroffen. In de bemonstering daarvan is celmateriaal van [slachtoffer] aangetroffen.

Gelet op het vorenstaande, en dan in het bijzonder gelet op de plaats van de aangetroffen sporen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft versleept en het lichaam van [slachtoffer] in een tapijt heeft gewikkeld, althans daarbij heeft geholpen, waarbij zij haar slipper op de omgeslagen onderzijde van dat tapijt heeft gezet. De verdachte heeft ter terechtzitting van 24 augustus 2016 nog gesuggereerd dat [betrokkene] verdachtes slipper in het bloed van [slachtoffer] heeft gedoopt en vervolgens een afdruk op het omgeslagen tapijt heeft gezet, waarbij hij handschoenen moet hebben gedragen om geen DNA daarop achter te laten. Hiervoor biedt het dossier geen steun. Bovendien is het schoenzoolafdruk niet het enige spoor dat wijst op een actieve rol van de verdachte bij de ten laste gelegde begunstiging. Ook op dit punt moet worden geconstateerd dat verdachte haar fantasie adequater heeft gebruikt dan verwacht mag worden van een verdachte die iedere betrokkenheid ontkent, vergeetachtig is geworden en in de war is geraakt van alle gebeurtenissen. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat de schoenzoolafdruk door iemand anders dan de verdachte is gezet.

Omdat de aangetroffen sporen zijn te herleiden tot zowel de verdachte als anderen, gaat het hof er van uit dat verdachte voornoemde handelingen heeft verricht met een ander. De verdachte heeft door aldus te handelen (dader)sporen weggemaakt, met het oogmerk om de nasporing of vervolging van het misdrijf, ten gevolge waarvan [slachtoffer] om het leven is gekomen, te bemoeilijken. Het moet voor de verdachte volstrekt duidelijk zijn geweest dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven is gebracht. Zij moet hebben beseft dat haar handelen, als noodzakelijk en dus door haar gewild gevolg meebracht dat sporen van dat misdrijf zouden verdwijnen.

Naar het oordeel van het hof kan voorts worden vastgesteld dat de verdachte bloedsporen op de zool van haar linker slipper heeft weggemaakt, en aldus een handeling heeft verricht als omschreven in het vijfde gedachtestreepje van het meest subsidiair ten laste gelegde. Immers, de schoenzoolafdruk op de onderzijde van het tapijt moet met een behoorlijke hoeveelheid bloed zijn gezet, terwijl er op de slipper van de verdachte slechts een zeer geringe hoeveelheid bloed is aangetroffen (die pas bij Lumiscene-onderzoek zichtbaar werd). Gelet op het feit dat de verdachte wordt vrijgesproken van de primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde misdrijven, acht het hof echter niet wettig en overtuigend bewezen dat het bloed op de zool van de slipper een spoor betreft van het misdrijf ten gevolge waarvan [slachtoffer] om het leven is gekomen, en evenmin acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit heeft weggemaakt met het oogmerk om de nasporing of vervolging van dat misdrijf te bemoeilijken. Het ligt eerder voor de hand dat de verdachte daarmee haar eigen rol bij de begunstiging heeft willen verdoezelen. Om deze reden zal het hof de verdachte van het vijfde gedachtestreepje vrijspreken.”

3.5. Zoals de steller van het middel zelf al aangeeft ligt het niet voor de hand de tenlastelegging en bewezenverklaring aldus uit te leggen dat het stoffelijk overschot van het slachtoffer een spoor is dat is weggemaakt. Onder 'wegmaken' van een lijk zullen immers handelingen begrepen dienen te worden die de strekking hebben het lijk aan elke nasporing te onttrekken, zijn bestaan onzeker te maken.2 In de Memorie van toelichting op artikel 189 Sr wordt als algemene kenschets van dit artikel geschreven dat degene die de justitie tegenwerkt, door buiten haar bereik te stellen hetzij verdachte personen, hetzij iets wat tot aanwijzing van schuld of van een gepleegd misdrijf kan strekken, een misdrijf tegen het openbaar gezag pleegt.3 Het hof heeft de tenlastelegging niet aldus uitgelegd dat verdachte het stoffelijk overschot heeft weggemaakt. Die uitleg is niet onbegrijpelijk.

De steller van het middel gaat vervolgens over tot het bespreken van de mogelijkheid dat het hof heeft bedoeld dat andere sporen zijn weggemaakt. Maar onduidelijk blijft volgens het middel welke sporen op welke wijze dan zijn weggemaakt.

3.6. Maar dit lijkt mij een eis te zijn die in redelijkheid niet gesteld kan worden, omdat nu eenmaal moeilijk zal zijn aan te tonen welke niet-gevonden sporen nog wel zouden kunnen zijn gevonden als deze niet waren weggemaakt. Dat lijkt ook in de rechtspraak te zijn erkend.

In HR 22 augustus 2006, NJ 2006, 563 m.nt. Reijntjes, waaraan ook de steller refereert, had in een woning een schietpartij plaatsgevonden. Voordat de politie ter plekke kwam is de bewoner begonnen met opruimen. Hij heeft onder meer het kapotte glas opgeruimd, bloedspatten opgeveegd en hulzen in de container gegooid. Maar deze handelingen waren tenlastegelegd als het misdrijf van artikel 200 Sr. Het hof had gemeend dat ook het zodanig wijzigen van een aangetroffen situatie op de plaats van het misdrijf dat daardoor sporenonderzoek onmogelijk of bemoeilijkt wordt onder artikel 200 Sr is te begrijpen. De Hoge Raad was het daarmee niet eens. Artikel 200 Sr heeft betrekking op voorwerpen die aan het openbaar gezag zijn toevertrouwd dan wel al van overheidswege zijn veiliggesteld. Als daarvan nog geen sprake is zullen gedragingen als die welke de verdachte had verricht nog niet onder artikel 200 Sr vallen. Zulk gedrag kan wel strafbaar zijn op grond van artikel 189, eerste lid onder 2 Sr indien het is begaan met het daar vereiste oogmerk.

De laatste jaren zijn de mogelijkheden van forensisch onderzoek met sprongen vooruitgegaan. Moderne technieken maken het mogelijk sporen te identificeren en te individualiseren op een wijze die voorheen niet mogelijk was. Hoe verfijnder de technieken zijn, hoe groter de kans dat onoordeelkundig ingrijpen op de plaats van het delict ertoe zal leiden dat sporen verdwijnen of gecorrumpeerd worden. Onder "sporen van het misdrijf" dienen sporen te worden verstaan die relevant kunnen zijn voor de opheldering van het misdrijf, waaronder ook sporen die kunnen dienen tot bevestiging of tot uitsluiting van een hypothese. Artikel 189 Sr stelt niet als eis dat door het wegmaken van de sporen het gepleegde misdrijf niet opgelost is kunnen worden of dat het langer heeft geduurd of moeilijker is gemaakt om tot een oplossing te komen.4

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake was van (voorwaardelijk) opzet op het wegmaken van sporen van het misdrijf. Verdachte heeft het lijk niet buiten het huis gebracht en ook niet iets anders gedaan om het lijk te verbergen. Haar handelen was ook niet gericht op het wegmaken van sporen. Dat het hof impliciet het (voorwaardelijk) opzet op het wegmaken heeft aangenomen is onbegrijpelijk.

4.2. Het is mijns inziens een feit van algemene bekendheid dat het verplaatsen en verpakken van een stoffelijk overschot van iemand die zojuist door misdrijf om het leven is gekomen een handeling is die de kans op reconstructie van wat zich heeft afgespeeld in diskrediet kan brengen. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte met het lijk moet hebben gesleept en dat in het vloerkleed moet hebben gewikkeld. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk. Daarmee is ook het opzet op het wegmaken van sporen toereikend gemotiveerd. In dat verband wijs ik er nog op dat het hof heeft vastgesteld dat verdachte bloedsporen op de zool van haar linker slipper heeft weggemaakt en in de aanvulling op het verkort arrest de bewijsmiddelen heeft opgenomen betreffende het aantreffen en nader onderzoek van een schoenzoolafdruk op de achterkant van het tapijt waarin het stoffelijk overschot was gerold. Dit is weliswaar geen spoor van het misdrijf in de zin van artikel 189 lid 1 onder 2 Sr, maar de vaststellingen van het hof wijzen er wel op dat verdachte haar eigen betrokkenheid bij haar aandeel in het bedekken en verplaatsen van het stoffelijk overschot óók heeft willen verbergen.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake was van het oogmerk om de nasporing of vervolging te bemoeilijken. Dezelfde bezwaren die zijn aangevoerd tegen het bewijs van het opzettelijk wegmaken dragen ook de klacht dat dit oogmerk niet kan worden bewezen.

5.2. Het wijzigen van omstandigheden op de plaats waar een stoffelijk overschot van een persoon die vermoedelijk door een misdrijf om het leven is gekomen op zodanige wijze dat daardoor sporenonderzoek onmogelijk of bemoeilijkt wordt levert op het wegmaken van sporen in de zin van artikel 189 Sr. Dat geldt zeker wanneer dat stoffelijk overschot wordt versleept en in een tapijt gerold. Verdachte moet dit ook hebben geweten. Aldus heeft het hof kunnen oordelen dat verdachte moet hebben beseft dat als noodzakelijk gevolg aan haar handelen verbonden zou zijn dat sporen van het misdrijf zouden verdwijnen.5

Ook dit middel faalt.

6. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:HR:2016:239.

2 NLR 2/151.

3 Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Tweede Deel, 1881, p. 187.

4 Anders dan § 258 StGB, Strafvereitelung, dat wel als eis stelt dat de delictshandeling met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid oorzaak is geweest van het straffeloos blijven van de dader of het ernstig bemoeilijkt of vertraagd zijn van de opsporing en vervolging. Sch/Sch, Strafgesetzbuch Kommentar, 28e druk, § 257, RN 14, 18. Als voorbeelden van dit delict worden genoemd "Trübung einer Beweisquelle" en "Verwischen von Tatspuren" (RN 15).

5 HR 21 april 1998, NJ 1998/610, waarnaar ook de schriftuur verwijst.