Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:230

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
16/05261
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:711
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van opzetheling scooter. Geen belang bij klacht dat medeplegen niet uit bewijsmiddelen kan volgen; klacht over opzet gegrond. De AG stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het arrest van het hof dient te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05261

Zitting: 20 maart 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 22 juli 2016, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2015, de verdachte ter zake van “medeplegen van opzetheling” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijftien dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. W.J. Vroegindeweij, advocaat te Katwijk, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Beide middelen zijn gericht tegen de motivering van de bewezenverklaring.

  4. Bewezenverklaring, bewijsmotivering en gevoerde verweren

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 10 maart 2014 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, tezamen en in vereniging met een ander, een scooter/bromfiets (merk Piaggio) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die scooter/bromfiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

4.2. De bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 11 maart 2014 van de politie Haaglanden met nr. PL15KO-20.14048.483. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 33 t/m 34):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op zondag 9 maart 2014 is door mij de middels internet gedane aangifte, verwerkt tot een proces-verbaal.

De aangever gaf op te zijn:

Achternaam: [betrokkene 1]

Voornamen: [voornamen betrokkene 1]

Plaats: Pijnacker

Hij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident, wat plaats vond op de locatie genoemd bij plaats delict, tussen vrijdag 7 maart 2014 te 20:00 uur en zaterdag 8 maart 2014 te 05:00 uur.

"Scooter is omstreeks 16.30u voor mijn deur neergezet. 18.30u ben ik naar de buurvrouw vertrokken en omstreeks. 20.00u is er door enkele buren geconstateerd dat de scooter nog aanwezig was. Toen ik circa 5.00u de volgende ochtend thuis kwam bleek de scooter gestolen te zijn. Hierbij werd het goed, zoals genoemd op de bijlage goederen, weggenomen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit."

2. Een proces-verbaal van bijlage goederen d.d. 11 maart 2014 van de politie Haaglanden met nr. PL15KO-2014048483. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 35):

Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Voertuig: Bromfiets

Merk/type: Piaggio C25

Kleur: Zwart

Kenteken: [AA-00-BB]

Chassisnummer: [001]

3. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 11 maart 2014; van de politie Haaglanden met nr. PL15PO-2014048483-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 38.. t/m 39) :

als de op 11 maart 2014 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

"Ik heb aangifte gedaan van diefstal van mijn snorfiets. Ik werd vandaag door de politie Pijnacker/Nootdorp gebeld dat mijn gestolen snorfiets was aangetroffen.

Ik ben meteen naar het politiebureau Pijnacker/Nootdorp.

Ik heb hier op dinsdag 11 maart omstreeks 15:30 uur van de politie een snorfiets gezien. Ik vertel u; dat is mijn weggenomen snorfiets.

Ik herken deze snorfiets als mijn eigendom. Hiervan heb ik op 9 maart 2014 via het internet aangifte gedaan bij de politie."

4. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 11 maart 2014 van de politie Haaglanden met nr. PL1573-2014049401-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 22 t/m 24):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op maandag 10 maart 2014 omstreeks 23:55 uur, hield ik op de locatie Rommesingel, Pijnacker, binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp, als verdachte aan:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] .

Op maandag 10 maart 2014 omstreeks 23.45 uur bevond ik mij in burger en in vrije tijd op de [a-straat 1] te Pijnacker.

(...)

Hierop ben ik richting het raam gelopen en zag dat er tegenover mijn woning een voor mij onbekende zwarte scooter stond. Ik ben om ongeveer 23.00 uur thuis gekomen van mijn werk waarbij ik mijn motorfiets naast mijn woning heb geparkeerd. De scooter stond er toen nog niet.

Ik zag plotseling twee jongens geheel in het donker gekleed te voorschijn komen. Ik kreeg de indruk dat zij vanaf de brandgangen van de woningen tegenover mij kwamen. Kennelijk bij het zien aangaan van de verlichting in mijn woning zag ik dat deze twee jongens in de richting keken van mijn woning en op de zwarte scooter stapte.

Ik ben via de achtertuin welke uitkomt op het pad direct naast mijn woning gelopen. Op het moment dat ik het pad naast mijn woning opstapte kwam de zwarte scooter mij tegemoet rijden. Ik zag dat de voor mij ambtshalve bekende [betrokkene 2] als bestuurder reed en dat achter op voor mij de ambtshalve bekende [verdachte] zat.

Ik heb met luide stem geroepen dat zij moesten stoppen en ben voor de scooter gaan staan. Ik heb vervolgens gezegd dat ik van de politie was.

(...)

Ik zag dat de zwarte scooter voorzien was van een blauwe kentekenplaat voorzien van de combinatie [AA-00-BB] . Bij navraag middels de telefoon met de wachtcommandant van politiebureau Leidschendam/Voorburg bleek dat de scooter als gestolen stond gesignaleerd. Ik zag dat de kappen ter hoogte van het stuur niet meer aanwezig waren en dat er diverse draden loshingen.

De scooter is door de collega's veiliggesteld en overgebracht naar het politiebureau Pijnacker/Nootdorp.

5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2014 van de politie Haaglanden met nr. PL15PO-2014049401-16. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (blz. 49):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 11 maart 2014 onderzocht ik de inbeslaggenomen snorfiets .

Uiterlijke schouw:

Ik zag dat het een snorfiets betrof van het merk Paiggio Zip, kleur zwart en voorzien van het kenteken [AA-00-BB] . Ik zag dat het contactslot van de Piaggio verwijderd/verbroken was. Ik zag dat de kap onder de kilometerteller verwijderd was en dat er diverse draden los hingen en verbonden waren met elkaar. Ik zag dat de snorfiets voorzien was van het voertuigenidentificatienummer * [001] *. Ik zag dat de kilometerstand 8008,2 kilometer aangaf. Ik zag dat het voertuigenidentificatienummer origineel was.

Deze snorfiets staat op naam van [betrokkene 1] .

In de aanhoudingsprocessen-verbaal van beide aangehouden verdachten staat abusievelijk het verkeerde kenteken vermeld. In de aanhoudingsprocessen-verbaal staat het kenteken [AA-00-BB] vermeld. Dit moet zijn [AA-00-BB] .

6. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 11 maart 2014 van de politie Rotterdam met nr. PL15PO-2014049401—18. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 73 t/m 79):

als de op 11 maart 2014 afgelegde verklaring van de verdachte:

V: Wat zag je zelf aan de bromfiets.

A: Ik zag dat het voorkapje eraf was.

V: Wij hebben de bromfiets onderzocht waarop jij zat. Wij zagen dat er een contactslot eruit lag en dat er draden waren verbonden. Wat weet jij daarvan?

A: Ik heb alleen de. losse bedrading gezien.

Deze bijlage is ondertekend door mr. D.M. Thierry op 5” oktober 2016.”

4.3. Het hof heeft als nadere overweging opgenomen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem is ten laste gelegd, omdat uit de stukken in het dossier niet kan volgen dat de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat de scooter gestolen was.

Het hof overweegt - overeenkomstig het oordeel van de rechtbank - dienaangaande als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte achterop de scooter heeft gezeten. Op dat moment was duidelijk zichtbaar dat de kappen ter hoogte van het stuur waren verwijderd en dat de bedrading los was. De verdachte heeft dit toentertijd ook waargenomen. De verdachte heeft derhalve bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de scooter gestolen was. Door achterop de scooter te gaan zitten heeft hij vervolgens de scooter voorhanden gehad.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.”

4.4. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2016 aangehechte pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Onderdeel van de tenlastelegging en bewezenverklaring is medeplegen. Hiervoor ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs. Er is geen bewijs voor een gezamenlijk plan, een bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Voor het delictsbestanddeel tezamen en vereniging ontbreekt dan ook het bewijs. Uit het dossier blijkt ook niet dat [verdachte] een scooter of bromsfiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad of overgedragen. Kortom er is geen dan onvoldoende bewijs voor wettig en overtuigend bewijs voor de tenlastegelegde en bewezenverklaarde heling. De vraag van de politie dat hij het moest weten dat het niet klopt, heeft hij beantwoord dat hij daarop niet heeft gelet (p. 77). Uit de verklaringen bij de politie blijkt ook dat de politie met name vragen stelde of er geen sprake was van inbraak of een poging. De verklaring van [betrokkene 2] kan ook niet voor het bewijs van [verdachte] worden gebruikt. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft hij verklaard dat hij niets bijzonders heeft gezien en dat hij niet achterop zat, maar wel achterop zou willen stappen. Kortom ook geen bewijs, dat hij wist of had moeten of vermoeden dat er sprake was van een gestolen scooter. Geen bewijs voor opzetheling en schuldheling. Ik verzoek u dit kader ook rekening te houden met het IQ van 74 van [verdachte] , hetgeen op pagina 74 staat vermeld en dat het donker was.

(…)

Primair wordt verzocht om vrijspraak.”

4.5. Het eerste middel klaagt over het niet responderen door het hof op het verweer dat voor medeplegen het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Kort gezegd is daartoe aangevoerd dat er geen bewijs was voor een gezamenlijk plan, een bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering, noch dat de verdachte een scooter/bromfiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad of overgedragen. Dit verweer kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht.

4.6. Voor medeplegen is inderdaad vereist dat bewezen wordt dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking.1 Niet vereist is dat door alle medeplegers uitvoeringshandelingen worden verricht, wel dat de samenwerking intensief is, teneinde medeplegen te kunnen onderscheiden van medeplichtigheid.2 De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.3 Het hof heeft ondanks het door de verdediging gevoerde verweer nagelaten een nadere (bewijs)overweging te wijden aan de mate waarin de bijdrage van de verdachte aan het betreffende delict van voldoende gewicht is geweest, terwijl het medeplegen zonder nadere motivering niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Het hof is aldus afgeweken van het door de verdediging aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Daardoor lijkt de klacht in het middel terecht te zijn geuit. Opmerking verdient echter dat het middel – op zichzelf beschouwd - niet tot cassatie kan leiden, indien de verdachte zélf kan worden aangemerkt als degene die de bromfiets voorhanden heeft gehad, hetgeen hier het geval is. Aan het voorhanden hebben van de scooter door de verdachte zelf heeft het hof in een nadere bewijsoverweging ook nog expliciet aandacht besteed, door op niet onbegrijpelijke wijze te overwegen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte achterop de scooter heeft gezeten, hetgeen volgens de Hoge Raad als “voorhanden hebben” kan worden aangemerkt.4 Het – ten onrechte - bewezenverklaarde medeplegen heeft op dit punt dus geen toegevoegde waarde – er is (ook) geen sprake van strafverzwaring indien er sprake is van het ‘tezamen en in vereniging’ begaan van het misdrijf. Enig wezenlijk belang bij cassatie op dit punt is dus niet aanwezig.5 Echter, voor de ‘eigenstandige’ rol als pleger van het delict is ook opzet vereist. Daarover handelt het volgende middel.

5. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat voor opzetheling het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Kort gezegd stelt het verweer dat de verdachte geen weet had van het feit dat het een gestolen scooter betrof. De delictsomschrijving van opzetheling vereist inderdaad opzet in de vorm van wetenschap, in die zin dat de verdachte ten tijde van het verwerven, voorhanden krijgen of het overdragen van het goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Voorwaardelijk opzet is daartoe toereikend.6 De nadere bewijsoverweging van het hof besteedt weliswaar aandacht aan de waarneming van verdachte dat de kappen ter hoogte van het stuur van de scooter waren verwijderd en dat de bedrading los was. Dat lijkt mij echter niet toereikend om de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat het een gestolen scooter betrof op te baseren. De verdachte kan immers ook gedacht hebben dat de medeverdachte de scooter aan het repareren was o.i.d. Dat tendeert dan meer naar schuldheling, maar de voor opzetheling vereiste bewustheid volgt daaruit niet zonder meer.

5.1. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, rov. 2.3.

2 HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, rov. 3.4.

3 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, rov. 3.2.1; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, rov. 3.2.2.

4 HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1754, rov. 4.4.

5 Vgl. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3259, ook genoemd in het tweede overzichtsarrest inzake art. 80a RO, HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005.

6 HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812, NJ 1993/491 m.nt. Th.W. van Veen.