Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:229

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
16/03904
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:702
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over afwijzing getuigenverzoek. Invulling noodzakelijkheidscriterium aan de hand van het verdedigingscriterium. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03904

Zitting: 20 maart 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 25 juli 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens "eenvoudige beledeging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening", veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R. Pothast, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof een (herhaald) verzoek tot het horen als getuigen van zes verbalisanten ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 25 september 2013 in Amsterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten de brigadier van politie [verbalisant 1], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening belast met assistentiedienst, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Neem die kankerscooter en stop die kankerscooter maar in je kankerreet."

3.2. De appelschriftuur van 11 maart 2015 houdt – voor zover van belang – het volgende in:

"De verdediging verzoekt u alle getuigen op te roepen welke in eerste aanleg zijn gebruikt voor de bewezenverklaring. De verdediging behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om op een nader moment, in ieder geval tot het moment dat het onderliggende dossier, het uitgewerkte vonnis en het p-v terechtzitting eerste aanleg in haar bezit is, aanvullende onderzoekswensen kenbaar te maken."

3.3. De op 15 juli 2015 bij het hof ingekomen brief met onderzoekswensen houdt met betrekking tot het horen als getuige van zes verbalisanten in:

"De verdediging wenst deze getuigen te horen omdat cliënt zich niet kan verenigen met de inhoud van het proces-verbaal welke deze verbalisanten hebben opgesteld. Cliënt ontkent namelijk de belediging te hebben geuit zoals ten laste is gelegd. De verdediging wenst deze getuigen te confronteren met de ontkennende verklaring van cliënt. Daarnaast wenst de verdediging deze getuigen te confronteren met de verklaringen van de overige op te roepen getuigen. Dit betreffen getuigen welke aanwezig zijn geweest bij het incident en mogelijk de lezing van cliënt kunnen bevestigen. Op deze wijze wenst de verdediging de betrouwbaarheid van de deze getuigen te toetsen. Ten slotte wenst de verdediging deze getuigen vragen te stellen over de totstandkoming van de processen-verbaal waarin belastend wordt verklaard over cliënt. De processen-verbaal zijn opgesteld in ‘wij-vorm’. De verdediging wenst op dit punt te achterhalen wat iedere getuige zelf heeft waargenomen en met name de wijze waarop de waarnemingen op papier terecht zijn gekomen. Gezien het voorgaande bestaat er in het kader van de waarheidsvinding voldoende aanleiding om de verbalisanten te horen."

Voorts houdt deze brief met betrekking tot het horen als getuige van vier omstanders in:

"Deze getuigen zijn aanwezig geweest op het moment dat cliënt de belediging zou hebben geuit. De verdediging wenst ze dan ook vragen te stellen omtrent de feitelijke gang van zaken. Dit is nog niet eerder gebeurd. Deze getuigen kunnen mogelijk de lezing van cliënt bevestigen en op die wijze een bijdrage leveren aan het toetsen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten."

3.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 juli 2015 heeft het hof melding gemaakt van de ingekomen stukken waaronder voornoemde appelschriftuur en de brief met onderzoekswensen en een email van de advocaat-generaal aan de raadsman van 20 juli 2015 waarin het verzoek tot het oproepen van de getuigen wordt afgewezen. Voorts heeft de raadsman op deze terechtzitting het verzoek tot het horen van de getuigen als volgt toegelicht:

"Desgevraagd deelt de raadsman mede te persisteren bij de verzoeken zoals opgenomen in genoemde brief: Hij voert daartoe het volgende aan.

De verdachte heeft weliswaar niet uitvoerig verklaard, maar wel ontkend de tenlastegelegde woorden te hebben geuit. De verbalisanten dienen te worden gehoord om hun in de processen-verbaal opgenomen verklaringen te kunnen toetsen. De broer van de verdachte en de andere met naam genoemde getuigen kunnen mogelijk het standpunt van de verdachte bevestigen. Zij dienen als eerste te worden gehoord waarna de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten aan de hand van de door hen afgelegde verklaringen wil toetsen."

Het hof heeft op diezelfde terechtzitting het verzoek tot het horen als getuige van de vier omstanders toegewezen. Het verzoek tot het horen als getuige van de zes verbalisanten is door het hof als volgt afgewezen:

"Nu in de appelschriftuur geen opgave is gedaan van de verzochte getuigen, is het noodzaakcriterium van toepassing. De voorzitter is echter met de verdediging van oordeel dat het feit dat de raadsman ten tijde van het indienen van de appelschriftuur nog niet over het dossier beschikte, met zich meebrengt dat de invulling van het noodzaakcriterium het criterium van verdedigingsbelang benadert.

De voorzitter wijst het verzoek tot het horen van de zes verbalisanten af, nu hetgeen ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd, geen aanleiding geeft voor (een begin van) twijfel aan de juistheid van de door de verbalisanten opgemaakte processen-verbaal."

3.5. Vervolgens is het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst en vanwege de andere samenstelling van het hof opnieuw aangevangen op 11 juli 2016. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting en de aldaar door de raadsman van de verdachte overgelegde pleitnota is het verzoek de zes verbalisanten als getuige te horen door de raadsman aldaar herhaald. De pleitnota houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

"Verzoek horen getuigen

Op 15 juli 2015 heeft de verdediging haar onderzoekswensen kenbaar gemaakt en verzocht om 10 getuigen te doen horen. Vier getuigen zijn toegewezen en inmiddels gehoord. Het horen van een zestal getuigen, de verbalisanten, is afgewezen. Het verzoek is niet bij appèlschriftuur kenbaar gemaakt. Maar omdat cliënt in eerste aanleg niet van rechtsbijstand is voorzien, bij verstek is veroordeeld en ik op het moment van indienen van de appèlschriftuur niet beschikte over de onderliggende stukken, dient invulling te worden aan het noodzaakscriterium dat niet wezenlijk verschilt van het criterium van het verdedigingsbelang.2 Hier is het hof op de zitting d.d. 22 juli 2015 in meegegaan.

Het verzoek tot het horen van de 6 verbalisanten is afgewezen omdat de onderbouwing van het verzoek geen aanleiding heeft gegeven voor (een begin van) twijfel aan de juistheid van de door de verbalisanten opgemaakte processen verbaal.

De verdediging kan zich niet verenigen met deze motivering ter afwijzing van deze getuigen. Reden waarom zij uitdrukkelijk kenbaar maakt dat zij persisteert bij het verzoek om deze zes getuigen te horen. De verdediging verzoekt u dan ook om de zitting aan te houden en de zaak in handen te stellen van de RHC om deze zes getuigen te horen.

Wat de verdediging betreft geven de getuigenverhoren welke hebben plaatsgehad voldoende aanleiding voor (een begin van) twijfel aan de juistheid van de processen verbaal. Dit is het geval omdat uit de getuigenverklaringen blijkt dat er meerdere getuigen aangeven dat zij niet hebben gehoord dat cliënt de uitlatingen heeft gehoord zoals tenlastegelegd ([betrokkene 1]/[betrokkene 2]/[betrokkene 3] en [betrokkene 4]). Verder blijkt uit de getuigenverklaringen dat er veel omstanders aanwezig zijn geweest, dat de situatie onrustig was en dat er vanuit de groep/omstanders is geroepen naar de verbalisanten. Daarbij zijn ook woorden gebezigd zoals in de tenlastelegging zijn opgenomen.

Uit het voorgaande volgt dat het mogelijk is geweest dat niet cliënt, maar iemand anders welke aanwezig is geweest de termen zoals tenlastegelegd of vergelijkbare woorden heeft geuit. Naar de smaak van de verdediging is dit voldoende om te spreken van (een begin van) twijfel omtrent de juistheid van de processen verbaal. De verdediging wil de verbalisanten graag vragen stellen omtrent de omstanders, hoe deze zicht hebben gedragen, of er vanuit de groep omstanders ook is geroepen naar de politie en of de woorden zoals tenlastegelegd mogelijk door iemand anders zijn geuit.

Derhalve persisteert de verdediging om deze 6 getuigen te horen."

3.6. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 juli 2016 houdt onder meer in:

"(…)

De raadsman merkt het volgende op:

Bij het indienen van mijn onderzoekswensen heb ik het verzoek gedaan om tien getuigen te horen. Het hof heeft mijn verzoek deels toegewezen en vier getuigen laten horen door de raadsheer-commissaris. Ik persisteer bij mij verzoek tot het horen van de tien getuigen. Ik verzoek het hof om de zes verbalisanten als getuigen te laten horen door de raadsheer- commissaris naar aanleiding van de afgelegde verklaringen door de vier getuigen.

De advocaat-generaal deelt mede:

De advocaat-generaal verzet zich tegen inwilliging van dit verzoek. Het verzoek tot het horen van de zes verbalisanten als getuigen is eerder afgewezen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de situatie erg onrustig was. De verbalisanten hebben verklaard dat zij op 10 meter afstand van de verdachte stonden. Er is geen enkele reden te om twijfelen dat de juiste verdachte is aangehouden. De getuigen die zijn gehoord bij de raadsheer-commissaris zijn vrienden van de verdachte. Zij verklaren dat zij de belediging niet hebben gehoord. Ik hecht hier geen waarde aan, wel aan de processen-verbaal van de zes verbalisanten.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissingen en overwegingen van het hof het volgende mede:

Het hof wijst af het verzoek tot het horen van de zes verbalisanten. Ter onderbouwing van het herhaalde verzoek is door de verdediging gesteld dat de processen-verbaal van de getuigenverhoren door de raadsheer-commissaris aanleiding vormen voor het horen van de zes verbalisanten. Het hof ziet echter geen reden om naar aanleiding van de getuigenverhoren bij de raadsheer-commissaris te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal van de verbalisanten.

(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging. De raadsman doet dit aan de hand van zijn pleitnotities, die door hem aan het hof worden overgelegd en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt. In aanvulling op zijn pleitnotitie voert de raadsman het volgende aan:

Ik persisteer bij mijn verzoek om de zes verbalisanten als getuigen te horen. Er is aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal van de verbalisanten.

De getuigen die zijn verhoord door de raadsheer-commissaris zijn niet allemaal vrienden van mijn cliënt."

3.7. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. De Hoge Raad heeft in 2014 een overzichtsarrest gewezen ten behoeve van de beoordeling van verzoeken tot het oproepen van getuigen. Hieruit volgt – voor zover relevant – het volgende:

"Aan te leggen maatstaven

Verdedigingsbelang

2.4.

In beginsel heeft de verdachte het recht om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht. Volgens het tegenwoordige Nederlandse stelsel van strafvordering kan de verdachte dat recht effectueren door zelf getuigen mee te brengen naar de terechtzitting. Voor het overige is hij aangewezen op het openbaar ministerie tot wiens taak het behoort getuigen op te roepen. Het openbaar ministerie kan weigeren te voldoen aan een door of namens de verdachte gedaan verzoek tot oproeping van getuigen. Door of namens de verdachte kan vervolgens ter terechtzitting het oordeel van de rechter over die weigering worden ingeroepen. Het openbaar ministerie - en in geval van diens weigering of verzuim de opgegeven getuigen op te roepen: de rechter - kan die oproeping weigeren op onder meer de grond dat de verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad (hierna ook aan te duiden als "verdedigingsbelang").

2.5.

In de rechtspraak en de doctrine wordt aangenomen dat die maatstaf het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.

2.6.

Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.

2.7.

Daaraan kan met het oog op het in de praktijk vaak voorkomende geval dat wordt verzocht om het horen van getuigen ter onderbouwing van een beroep op een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, nog het volgende worden toegevoegd. Bij zo een verweer wordt van de verdediging verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in die bepaling genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden, want alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. In lijn hiermee mag van de verdediging die met het oog op de onderbouwing van zo een verweer getuigen wenst te doen horen aan de hand van wier verklaringen de verdediging de vraag naar de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, worden gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom daartoe getuigen dienen te worden gehoord. Daarbij kan worden aangetekend dat in de regel het verdedigingsbelang zal ontbreken en afwijzing van het verzoek dus voor de hand ligt, indien het vormverzuim waarover de opgegeven getuigen zouden kunnen verklaren, niet kan leiden tot een in art. 359a Sv genoemd rechtsgevolg, bijvoorbeeld omdat het gaat om een vormverzuim dat niet onherstelbaar is of dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit.

Noodzakelijkheidscriterium

2.8.

Het noodzakelijkheidscriterium, dat oorspronkelijk alleen in art. 315 Sv voorkwam, houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Met het oog daarop is hem de bevoegdheid toegekend om ambtshalve onder meer de oproeping van getuigen te bevelen voor het geval hem de noodzakelijkheid blijkt van dat verhoor, ongeacht wat de procespartijen daarvan vinden. Vanuit deze gezichtshoek bezien is bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Van een aldus gemotiveerde afwijzing kan niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren.

2.9.

Omtrent de gevallen en de mate waarin een afwijzing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven, ook niet omtrent de vraag of onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld bij onvoorziene ontwikkelingen, eisen van een eerlijke procesvoering zich verzetten tegen een afwijzing. Wel zijn daarbij de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren van belang alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen.

(…)

2.59.

Wat betreft de beoordeling van verzoeken van de verdediging tot het oproepen van getuigen maakt de wet een strikt onderscheid naar gelang het verzoek wel of niet bij appelschriftuur is gedaan en is het noodzakelijkheidscriterium toepasselijk indien het verzoek niet bij appelschriftuur is gedaan. In HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 is geoordeeld dat naar de bewoordingen van de wettelijke maatstaven en volgens de invulling die daaraan in de jurisprudentie is gegeven, het noodzakelijkheidscriterium de rechter, in ieder geval in abstracto, een ruimere marge biedt om een verzoek niet te honoreren dan het criterium van het verdedigingsbelang. In dat arrest is dit onderscheid echter gerelativeerd in die zin dat ingeval de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken, zoals de aanvulling op het verkorte vonnis, de eis van een eerlijke procesvoering – tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist – meebrengt dat het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter die omstandigheid in hun afweging dienen te betrekken bij gebruikmaking van de wettelijk voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium. Dat kan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.

2.60.

In lijn met de relativering van dit onderscheid moet worden aangenomen dat onder omstandigheden van de verdachte ook niet kan worden gevergd dat hij voorafgaand aan de eerste terechtzitting in hoger beroep op de voet van art. 263-264 Sv getuigen aan de advocaat-generaal opgeeft, bijvoorbeeld indien in eerste aanleg een verkort vonnis is gewezen en de aanvulling daarop niet tijdig voor de verdachte beschikbaar is."1

In 2017 heeft de Hoge Raad nog nadere beschouwingen gewijd aan de invulling van de beide criteria in het licht van de rechtspraak van het EHRM.2 Of het is aangewezen dat het noodzakelijkheidscriterium zodanig wordt ingevuld dat het niet wezenlijk verschilt van de toepassing van het verdedigingsbelang, hangt af van de omstandigheden van het geval, daaronder begrepen of de verdediging de appelrechter in hoger beroep daarop heeft gewezen.3 Voorts speelt de motivering van het verzoek een rol. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.4

3.8. Blijkens het proces-verbaal van 22 juli 2015 heeft het hof (terecht) het noodzaakcriterium toepasselijk verklaard nu in de appelschriftuur geen opgave is gedaan van de verzochte getuigen. Voorts heeft het hof – nadat de verdediging een beroep heeft gedaan op de uitzonderingssituatie als hiervoor onder 3.7 weergegeven – geoordeeld dat nu de raadsman ten tijde van het indienen van de appelschriftuur nog niet over het dossier beschikte, de invulling van het noodzaakcriterium het criterium van het verdedigingsbelang benadert.

3.9. De redenen die de verdediging voor het (herhaalde) verzoek heeft aangevoerd komen erop neer dat de verdediging zich niet kan verenigen met de (voor de verdachte belastende) inhoud van de processen-verbaal die door de verbalisanten zijn opgesteld en waarvan de verdediging de betrouwbaarheid in twijfel trekt. Hieraan wordt enkel ten grondslag gelegd dat uit de getuigenverklaringen van vier omstanders zou volgen dat zij níet hebben gehoord dat de verdachte de uitlatingen heeft gedaan zoals tenlastegelegd. Het hof heeft het eerste verzoek tot het horen als getuige van de zes verbalisanten afgewezen omdat naar het oordeel van het hof “hetgeen ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd, geen aanleiding geeft voor (een begin van) twijfel aan de juistheid van de door de verbalisanten opgemaakte processen-verbaal.” Waar het hof, ook bij de beoordeling van verzoeken tot het horen van belastende getuigen (à charge), daarbij wel degelijk de motivering van het verzoek mag betrekken5 lijkt mij deze overweging niet onbegrijpelijk - ook niet indien daarbij een invulling aan het noodzaakcriterium wordt verlangd die het criterium van het verdedigingsbelang benadert. Het enkele feit bijvoorbeeld dat, zoals de verdediging aanvoert, de verbalisanten ‘geconfronteerd’ zouden kunnen worden met de ontkennende verklaring van de verdachte levert dat verdedigingsbelang niet op, zou ik zeggen, omdat nog steeds niet inzichtelijk is welke vragen aan de op te roepen getuigen gesteld zouden moeten worden. Ook het overigens ter onderbouwing aangevoerde kon het hof opvatten als ‘onvoldoende’ om te kunnen zeggen dat bij afwijzing van het verzoek de verdediging in zijn belangen wordt geschaad.

3.10. Het tweede - dus herhaalde – verzoek, door de verdediging gedaan op de terechtzitting van 11 juli 2016, is in zekere zin voorzien van een nieuwe grondslag – inmiddels waren de vier eerder verzochte getuigen à décharge gehoord. Dat levert als reden voor afwijzing van het verzoek op dat het hof naar aanleiding van de getuigenverhoren bij de raadsheer-commissaris geen reden ziet te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal van de verbalisanten.6 In het midden kan dunkt mij blijven aan de hand van welk criterium het hof dit tweede verzoek heeft beoordeeld c.q. heeft moeten beoordelen, aangezien in beide varianten – het noodzakelijkheids- en het verdedigingscriterium - ‘s hofs motivering van de afwijzende beslissing op het herhaalde verzoek geenszins onbegrijpelijk is, mede gelet op hetgeen het hof naar aanleiding van het eerste verzoek heeft overwogen.7 Derhalve is de afwijzing van beide verzoeken toereikend gemotiveerd.

4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers.

2 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/440, m.nt. T. Kooijmans.

3 Vlg. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3188 en de bijbehorende conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (PHR:2017:1364).

4 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/440, m.nt. T. Kooijmans.

5 Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/440, m.nt. T. Kooijmans, rov. 2.6.

6 Vgl. HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:155, NJ 2018/96.

7 Vgl. ECLI:NL:PHR:2018:195 en voorts HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1763.