Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:219

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
17/03695
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:716
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over redelijke termijn in WOTS-zaken. Uitgangspunt van de rechtbank dat het aanvangsmoment voor de redelijke termijn moet worden bepaald op de betekening van de vordering van de officier van justitie ex art. 18 WOTS en dat het beroep op, overschrijding van de termijn daarom faalt i.c. niet juist. Omdat de rechtbank wel in vergaande mate rekening houdt met het tijdsverloop kan vernietiging van de beslissing van de rechtbank volgens de AG achterwege blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03695 W

Zitting: 20 maart 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[veroordeelde]

  1. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 1 augustus 2017 verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van het vonnis van 11 juni 2010 van het Landgericht Paderborn (Bondsrepubliek Duitsland), waarbij de veroordeelde door de Duitse rechter een gevangenisstraf voor de duur van 39 maanden was opgelegd. De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die hij in Nederland in overleveringsdetentie en in Duitsland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de veroordeelde en mrs. Th.O.M. Dieben en G.A. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat in de zaak van verzoeker de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM niet is overschreden blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

3.1. De procesgang in deze zaak is als volgt geweest:

- verzoeker is op 9 maart 2014 aangehouden in Nederland in het kader van een overleveringsverzoek (EAB) van de Duitse autoriteiten in verband met - kort gezegd - een verdenking van drugssmokkel;

- bij schrijven van 4 april 2014 hebben de Duitse autoriteiten de volgende garantie gegeven: "Ik kan u bij dezen garanderen, dat de beschuldigde van [veroordeelde] in het geval, dat hij na overlevering naar Duitsland hier per gewijsde onvoorwaardelijk wordt veroordeeld tot een celstraf, deze straf in Nederland uit kan zitten. Verder kan ik u toe zekeren, dat in geval van de executie van de door Duitsland opgelegde celstraf de procedure van omzetting volgens artikel 11 van de overeenkomst betreffende de overlevering van veroordeelde personen dd. 21-03-1983 (overleveringsovereenkomst) toepassing zal vinden."

- op 6 mei 2014 heeft de Rechtbank Amsterdam deze garanties voldoende geoordeeld en de overlevering van verzoeker aan Duitsland toelaatbaar geacht
vanaf 9 mei 2014 was verzoeker gedetineerd in verband met de tenuitvoerlegging van een andere door Duitsland aan Nederland overgedragen gevangenisstraf;

- de tenuitvoerlegging van deze eerste Duitse gevangenisstraf is begin september tijdelijk onderbroken teneinde feitelijke overlevering aan Duitsland mogelijk te maken voor de feiten vermeld in het EAB. Meteen daaropvolgend, op 3 september 2014, is verzoeker onder voormelde garanties overgeleverd aan Duitsland;

- op 25 november 2014 is verzoeker door het Landgericht Paderborn (Duitsland) voor de in het EAB vermelde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en drie maanden;

- op 3 december 2014 is verzoeker door de Duitse autoriteiten weer teruggeleverd aan Nederland;

- bij aankomst in Nederland is verzoeker onmiddellijk weer in hechtenis genomen om het restant van de eerste Duitse gevangenisstraf uit te zitten;

- bij schrijven van 6 mei 2015 hebben de Duitse autoriteiten de overdracht en tenuitvoerlegging verzocht van de tweede Duitse gevangenisstraf;

- op 28 augustus 2015 is verzoeker voorwaardelijk in vrijheid gesteld nadat hij tweederde deel van de eerste Duitse gevangenisstraf heeft uitgezeten;

- op 27 september 2016 heeft de officier van justitie op grond van art. 18 WOTS gevorderd dat de Rechtbank Amsterdam verlof tot tenuitvoerlegging zal verlenen van de tweede Duitse gevangenisstraf;

- Op 10 november 2016 is deze vordering behandeld door de Rechtbank Amsterdam. De verdere behandeling van de vordering is door de rechtbank vervolgens op verzoek van de raadsman van verzoeker aangehouden voor het doen opmaken van een recent reclasseringsrapport. Voorts heeft de rechtbank het OM verzocht om bij de Duitse autoriteiten navraag te doen naar de Duitse VI-datum waarvoor de gevonniste persoon zeker of met grote mate van waarschijnlijkheid in aanmerking zou zijn gekomen, als de straf in Duitsland ten uitvoer zou zijn gelegd;

- op 22 juni 2017 wordt de behandeling door de rechtbank andermaal aangehouden aangezien de veroordeelde niet is opgeroepen voor de zitting;

- op 18 juli 2017 vindt de uiteindelijke behandeling door de rechtbank plaats;

- op 1 augustus 2017 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan en een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd.

3.2. De rechtbank heeft in haar vonnis met betrekking tot de strafoplegging het volgende overwogen:

“5. Motivering van de strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat een gevangenisstraf gelijk aan de buitenlandse sanctie dient te worden opgelegd, te weten 39 maanden, met aftrek van de tijd die de veroordeelde in Nederland in overleveringsdetentie en in Duitsland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie gaat hierbij uit van een periode van overleveringsdetentie van 15 dagen en voorlopige hechtenis in Duitsland van 92 dagen. De officier van justitie heeft ter zitting van 18 juli 2017 opgemerkt dat ten gunste van de veroordeelde nog moet worden meegewogen dat er sprake is geweest van enige vertraging aan de kant van de Nederlandse autoriteiten bij de afhandeling van het WOTS-verzoek. Van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is geen sprake. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU2064)

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat rekening moet worden gehouden met de Duitse regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling en met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde zoals onder andere omschreven in de recente, positieve reclasseringsadviezen van juni 2015 en april 2017. De raadsman heeft ook gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) waarin is overwogen dat de termijn gaat lopen “vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld . Die handeling is in onderhavige zaak het moment dat de veroordeelde weet dat er een WOTS-procedure zal volgen, te weten het moment van terugkeer in Nederland: 3 december 2014. Sindsdien zijn er ruim 2 jaar en 7 maanden verstreken.

Bovendien dient ten gunste van de veroordeelde te worden meegewogen dat door de vertraging bij de afhandeling van onderhavig WOTS-verzoek, de veroordeelde niet de mogelijkheid heeft gehad om de straf die voortvloeit uit onderhavig verzoek te laten aansluiten op de detentieperiode van de eerste Duitse gevangenisstraf.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de bepaling van de duur daarvan, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur, nu het, gezien de bewezenverklaring gaat om de handel in grote hoeveelheden amfetamine, marihuana en hasjiesj.

Daarbij houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan - zoals uitgebreid omschreven in het Duitse vonnis, waarvan een Nederlandse vertaling in het dossier is gevoegd. Een van die omstandigheden is dat de veroordeelde de feiten sinds december 2011 in een hoog tempo achter elkaar heeft gepleegd, hoewel hij pas een halfjaar eerder was vrijgekomen uit de voorlopige hechtenis in de andere soortgelijke Duitse strafzaak. De rechtbank houdt ook rekening met de persoon van de veroordeelde zoals onder andere volgt uit de reclasseringsadviezen van 23 juni 2015 en 20 april 2017.

Mede gelet op de straffen die in Nederland voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de oriëntatiepunten die het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor straftoemeting ter zake van overtreding van de Opiumwet heeft vastgesteld, acht de rechtbank de in Duitsland opgelegde straf in beginsel passend.

Gebleken is dat de Duitse justitiële autoriteit geen uitspraak heeft kunnen doen over de eventuele datum van voorwaardelijke invrijheidsstelling in Duitsland. Uit de stukken volgt wel dat de veroordeelde in het meest gunstige geval na de helft van de aan hem opgelegde gevangenisstraf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn-gesteld. De rechtbank is van oordeel dat deze fictieve Duitse voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden meegewogen bij de omzetting van de straf, aldus dat de helft van de in Duitsland opgelegde straf gelijk wordt gesteld aan twee-derde van de in Nederland op te leggen straf. In Nederland kan de veroordeelde immers in het gunstigste geval na twee-derde van de straf voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM, niet is overschreden nu als startmoment van die termijn wordt uitgegaan van de datum van de betekening van de vordering van de officier van justitie ex artikel 18 WOTS (vergelijk Hoge Raad 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2064 en Hoge Raad 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5530). De rechtbank is echter - met de raadsman en de officier van justitie - van oordeel dat de niet voortvarende afhandeling van het WOTS-verzoek ten gunste van de veroordeelde moet worden meegewogen. Hierbij doelt de rechtbank met name op het tijdsverloop tussen het Duitse verzoek tot overname en tenuitvoerlegging van de straf van 6 mei 2015 en de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde in Nederland naar aanleiding van de eerste Duitse gevangenisstraf op 28 augustus 2015 enerzijds en de vordering van de officier van justitie ex artikel 18 WOTS van 27 september 2016 en de inhoudelijke behandeling van die vordering op 18 juli 2017 anderzijds. De veroordeelde heeft ter zitting verklaard erg te lijden onder de wetenschap dat deze WOTS-procedure hem nog boven het hoofd hangt; een periode die al bijna twee jaar duurt. Omdat de straf van onderhavige WOTS-procedure niet kon worden aangesloten op de vorige detentieperiode zal de veroordeelde straks voor een tweede keer na een lange detentieperiode zijn leven opnieuw moeten oppakken. De positieve manier waarop de veroordeelde dat na zijn vorige detentieperiode heeft gedaan - de veroordeelde werkt, heeft een woning, lost zijn schulden af, is met meer in aanraking gekomen met politie en justitie - wordt nu bovendien doorkruist door een nieuwe periode van detentie.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die in Nederland in overleveringsdetentie en in Duitsland in voorlopige hechtenis is doorgebracht, passend.”

3.3. Dat ook in WOTS-zaken de in art. 6 EVRM uitgedrukte eis geldt dat de berechting binnen een redelijke termijn wordt afgerond kon uit HR 18 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5530 met een kleine slag om de arm al worden afgeleid, maar inmiddels staat buiten twijfel1 dat dit volgens de Hoge Raad inderdaad het geval is. Zie HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2064, waarin de Hoge Raad zich ook uitsprak over het beginpunt van die in WOTS-zaken geldende redelijke termijn:

“Het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is aangevangen met de betekening van de vordering van de Officier van Justitie als bedoeld in art. 18, eerste lid, Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) tot het verlenen van verlof tot de tenuitvoerlegging van de door de Duitse rechter aan de veroordeelde opgelegde sanctie, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.”

3.4. Dat art. 6 EVRM ook toepassing kan hebben op procedures die voortvloeien uit het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen2 - waaronder de Nederlandse WOTS-procedure - strookt met de uitspraak van het EHRM van 1 april 2010 inz. Buijen tegen Duitsland.3 In die zaak grijpt het EHRM terug naar een eerder al geformuleerd algemeen uitgangspunt met betrekking tot het eindpunt van de door art. 6 EVRM bestreken procedure:

“40. The Court reiterates that in criminal matters the period governed by Article 6 § 1 covers the whole of the proceedings in issue, including appeal proceedings. It is true that the Court has generally held that Article 6 § 1 under its criminal head does not apply to proceedings relating to the execution of a final criminal sentence (see Enea v. Italy [GC], no. 74912/01, § 97, 17 September 2009). However, the Court has also held that in the event of conviction, there is no “determination ... of any criminal charge”, within the meaning of Article 6 § 1, as long as the sentence is not definitively fixed (see Eckle v. Germany, 15 July 1982, § 77, Series A no. 51).”

Volgens het EHRM was in de zaak Buijen diens veroordeling door de Duitse strafrechter, ondanks het feit dat daar geen rechtsmiddel meer tegen openstond nog niet ‘definitivily fixed’:

“Although the Lübeck Regional Court imposed a criminal sentence based on the applicant's conviction, this was not to be considered as final having regard to the possibility of converting the sentence following a transfer to the applicant's home country.”

Gelet op de bijzonderheden van het geval – de eerder door de Duitse vertegenwoordiger van het OM aan Buijen gedane toezegging dat hij de in Duitsland op te leggen straf in Nederland zou mogen ondergaan was niet gestand gedaan – achtte het EHRM art. 6 EVRM op de gehele procedure van toepassing.

3.5. Waar art. 6 EVRM dus ook voor de WOTS-procedure ‘in beeld is’ en dus ook de eis van berechting binnen een redelijke termijn geldt, is nog niet gezegd in welke omvang dat het geval is. Met name speelt de vraag een rol in hoeverre de Nederlandse autoriteiten voor het verloop van de procedure verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Dat bij de berechting in het buitenland te veel tijd is verstreken kan Nederland niet verweten worden – dat regardeert het andere land. Voor de daarop volgende procedure in Nederland is ligt dat anders, dat hebben de Nederlandse autoriteiten in eigen hand en aan het onredelijk lang duren van die procedure valt wel een aanspraak met een beroep op art. 6 EVRM te ontlenen. Zo valt te begrijpen dat de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest uit 2012 ‘akkoord’ ging met het als beginpunt bepalen van de redelijke termijn akkoord ging met het door het hof gekozen moment van de betekening van de vordering ex art. 18 lid 1 WOTS. Die betekening kan worden gezien als het moment waarop door de Nederlandse autoriteiten een ‘charge’ is uitgevaardigd – de welbekende vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.4 Ik schrijf hier kán worden gezien en niet móet worden gezien omdat ik me in het onderhavige geval afvraag of dat inderdaad niet anders kan liggen en vervolgens ook of een andere keuze in het onderhavige geval niet tot een rechtvaardiger resultaat zou leiden.

3.6. Wat dat laatste betreft is er in dit geval een punt dat eruit springt in het hierboven geschetste procesverloop. Dat is de tijd die is verstreken tussen het verzoek van 6 mei 2015 van de Duitse autoriteiten tot overdracht en tenuitvoerlegging van de in Duitsland opgelegde gevangenisstraf en de betekening op van de daarop gebaseerde vordering van de officier van justitie ex art. 18 lid 1 WOTS. Uitgangspunt van de WOTS is, lijkt mij, dat dit niet zo lang hoeft te duren. In art. 17 niet voorzien in een zo lang durend verloop.

In art. 15 lid 1 WOTS is het volgende bepaald:

“Artikel 15

1 Tenzij Onze Minister reeds aanstonds van oordeel is dat het verzoek om tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, stelt hij het met de daarbij behorende stukken in handen van de officier van justitie in wiens rechtsgebied de veroordeelde zijn woonplaats heeft of zich bevindt.”

Art. 18 lid 1 WOTS schetst het vervolgt daarop:

“1 De officier van justitie vordert binnen twee weken na de dag waarop hij de in artikel 15 of 17 bedoelde stukken heeft ontvangen, schriftelijk, dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging. Bij zijn vordering legt de officier van justitie de stukken aan de rechtbank over. Een afschrift van de vordering wordt aan de veroordeelde betekend. Bij zijn vordering legt de officier van justitie tevens een lijst van voorwerpen of vorderingen over, die ingevolge afdeling B van Hoofdstuk II zijn in beslag genomen.”

3.7. Als gezegd wijst dit op een spoedig vervolg van de in Nederland te volgen procedure, nadat een verzoek tot overname van de buitenlandse autoriteit is ontvangen. De termijn van twee weken in art. 18 lid 1 lijkt zelfs tot onverwijld handelen aan te sporen. Nu is wel bekend dat de Hoge Raad, niet onbegrijpelijk, deze termijn niet als een ‘harde’ termijn ziet – de wet verbindt aan overschrijding daarvan immers geen rechtsgevolg en de Hoge Raad wilde in navolging van de wetsgeschiedenis ook niet weten van een sanctie, in de vorm van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Zie HR 7 juli 2007, ECLI:NL:HR:2009:BI0548, NJ 2009, 406.

3.8. In het onderhavige geval heeft het echter wel heel lang geduurd, namelijk van 6 mei 2015 tot 27 september 2016 voordat de vordering ex art. 18 lid 1 WOTS door de officier is gedaan – ruim zestien maanden dus na ontvangst van het Duitse verzoek.

3.9. Bij het doen aanvangen van de redelijke termijn op het moment van de betekening van de vordering blijft deze, in de WOTS geenszins voorziene vertraging geheel buiten beschouwing, terwijl de Nederlandse autoriteiten daarvoor wel geheel en al verantwoordelijk zijn.

3.10. Dat maakt dat ik meen dat ik de bepaling door het hof van het aanvangsmoment van de redelijke termijn niet erg gelukkig vind. Misschien kan, en moet het ook anders.

3.11. Ik wil daartoe wijzen op een niet onbelangrijk onderscheid dat gemaakt kan worden tussen ‘gewone’ strafzaken en de procedure die de WOTS kenmerkt. Dat is dat de WOTS-procedure niet een zelfstandige strafvervolging betreft, maar in termen van art. 6 EVRM juist voortbouwt op een eerdere ‘determination of a criminal charge’. Het als het ware los zien van de WOTS-procedure van die eerdere procedure leidt ertoe dat in ieder geval een belangrijk uitgangspunt van art. 6 EVRM, te weten dat altijd gekeken moet worden naar ‘the procedure as a whole’, uit het beeld raakt. Vanuit het blikveld van art. 6 EVRM heeft de eigenlijke ‘charge’ waarvan de gegrondheid wordt beoordeeld in de procedure die gebaseerd is op het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen al veel eerder plaatsgevonden. Zoals het in de hierboven aangehaalde zaak Buijen door het EHRM werd overwogen – met verwijzing naar o.m. de zaak Eckle – betreft de Nederlandse (WOTS) procedure het laatste onderdeel daarvan, de fase waarin de determination ‘final’ wordt op het punt van de strafoplegging. En naar Nederlands recht kan alleen die laatste fase daarvan, de uiteindelijke bepaling binnen het kader van de WOTS van de te executeren gevangenisstraf, beoordeeld worden op overeenstemming met art. 6 EVRM.

3.12. Een naar nationaal Nederlands recht vergelijkbare fasering van het strafproces doet zich voor in de procedure waarin beslist wordt over de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In dat systeem kan de beslissing over de uiteindelijke sanctie volgen nadat de ‘eigenlijke’ strafzaak al is afgerond. Zo’n afgesplitste, latere procedure houdt evenmin een afzonderlijke charge in: het betreft een vervolging in twee fasen, die aan elkaar zijn gekoppeld doordat uiterlijk bij de behandeling in de hoofdzaak, tijdens het requisitoir, de officier van justitie kenbaar moet maken dat hij voornemens is een procedure strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te starten (art. 311 lid 1 Sv). Hoe is het dan gesteld met de bepaling van het startpunt van de redelijke termijn? Valt op dat punt niet een meer bevredigende parallel te trekken met de onderhavige zaak? Zover gekomen zijnde raadpleegde ik nog eens het overzichtsarrest over de redelijke termijn van de Hoge Raad.5

3.13. Omtrent het aanvangsmoment van de redelijke termijn in ontnemingszaken overwoog de Hoge Raad, in aanvulling op hetgeen over ‘standaard’ strafzaken werd overwogen het volgende:

“3.12.2. Ook in ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. Het is aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen.

Hoewel een meer specifieke regel daaromtrent niet valt te geven, zal in het algemeen als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden:

a. het in art. 311, eerste lid, Sv bedoelde moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, of

b. het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv is ingesteld, of

c. het moment waarop de in art. 511b Sv bedoelde vordering aan de betrokkene is betekend.

Onder omstandigheden zijn ook andere aanvangsmomenten aan te wijzen, bijvoorbeeld in het geval dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifiek op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van art. 94a Sv.”

3.14. Deze overwegingen afzettende tegen de eerder genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 20126 – waarin werd overwogen dat het bepalen van het aanvangsmoment van de redelijke termijn in WOTS-zaken op het moment van de betekening van de vordering ex art. 18 lid 1 WOTS niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, lijkt het mij aannemelijk dat daarmee nog niet alles is gezegd. Ik denk dat ook in WOTS-zaken een genuanceerd stelsel, zoals in ontnemingszaken kan gelden. Uitgesloten is dat gelet ’s Hogen Raads overwegingen in zijn arrest van 2012 ook niet.

3.15. Welk ‘alternatief’ moment zou dan in WOTS-zaken gekozen kunnen worden als aanknopingspunt voor de bepaling van de redelijke termijn? Het bepalen daarvan op het moment waarop, in de zin van art. 6 EVRM, een ‘charge’ is uitgegaan is vanuit het EVRM-perspectief het meest voor de hand liggend – maar dan zou de consequentie, denkend vanuit de garanties die art. 6 EVRM beoogt te bieden, moeten zijn dat in de onderhavige zaak die ‘charge’ al is verricht op het moment waarop de Nederlandse autoriteiten kenbaar maakten akkoord te gaan met de berechting in Duitsland. Maar voor die eerste, buitenlandse fase van de berechting kan Nederland niet verantwoordelijk worden gehouden. Die verantwoordelijkheid voor het afwikkelen van de ‘charge’ wordt weer relevant zodra de Duitse autoriteiten de zaak daadwerkelijk in handen van de Nederlandse justitie hebben gelegd. Ik zou menen dat voor het bepalen van dat ‘in handen leggen’ van de Nederlandse rechterlijke autoriteiten in ieder geval sprake was toen het officiële verzoek door de Duitse autoriteiten werd gedaan tot verdere tenuitvoerlegging van de straf – dat is ook gelijk het startpunt van de Nederlandse WOTS-procedure, zoals hierboven al bleek bij de bespreking van de art. 15 en 18 WOTS. Dat verzoek kan ook, aanknopend bij hetgeen de Hoge Raad overwoog met betrekking tot de redelijke termijn in ontnemingszaken, worden gezien als een handeling waardoor de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed. De aldus bepaalde aanvangsdatum voor de redelijke termijn is dan 6 mei 2015. Het tijdsverloop daarna, dus inclusief het tijdsverloop dat lijkt te zijn veroorzaakt door talmen van het OM om de WOTS-vordering te doen uitgaan, diende dus door de rechtbank op zijn redelijkheid te moeten worden beoordeeld.

3.16. Mijn slotsom is derhalve dat de rechtbank is uitgegaan van de onjuiste rechtsopvatting dat als beginpunt voor de bepaling van de redelijke termijn in WOTS-zaken in alle gevallen moet worden uitgegaan van de betekening van de vordering van de officier van justitie ex art. 18 WOTS. Subsidiair meen ik dat uitgaande van een juiste rechtsopvatting het oordeel van de rechtbank ontoereikend is gemotiveerd. Het middel klaagt daarover mijns inziens terecht.

3.17. Het is echter nog wel de vraag of de slagende klacht ook tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank moet leiden. De rechtbank heeft, het beroep op overschrijding van de redelijke termijn afwijzende, wel in hoge mate ten voordele van de veroordeelde rekening gehouden met het tijdverloop, hetgeen er uiteindelijk (mede) toe heeft geleid dat de door de Duitse rechter opgelegde 39 maanden gevangenisstraf zijn omgezet in 24 maanden gevangenisstraf. Onder deze omstandigheden meen ik dat de veroordeelde onvoldoende belang heeft bij cassatie.

4. Redenen voor ambtshalve cassatie heb ik in de bestreden beslissing niet aangetroffen

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Welke twijfel nog geuit werd door mijn ambtgenoot Aben in zijn conclusie voor HR 24 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU2064

2 Straatsburg 1983, Trb. 1983,74

3 Application no. 27804/05.

4 Vgl. het overzichtsarrest inzake de redelijke termijn, HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.12.1.

5 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.12.2.

6 HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2064.