Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:216

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
17/01822
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:661
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. A-G. Schending van aanwezigheidsrecht. De verdachte was ten tijde van de terechtzitting ingesloten op het politiebureau. Achteraf bezien heeft het hof ten onrechte tegen de verdachte verstek verleend en het onderzoek voortgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01822

Zitting: 20 maart 2018

Mr. D.J.M.W Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 10 april 2017 door het gerechtshof Den Haag onder toepassing van art. 416 , tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

  2. Het cassatieberoep is op 10 april 2017 namens de verdachte ingesteld en mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel beoogt te klagen dat het hof tegen de verdachte verstek heeft verleend en het onderzoek heeft voortgezet zonder deugdelijk onderzoek te hebben ingesteld of de verdachte mogelijk gedetineerd zat, waardoor het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden en in strijd is gehandeld met art. 6 EVRM.

  4. Uit de stukken van het geding blijkt dat aan de verdachte een dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 10 april 2017 om 10:15 uur in persoon is uitgereikt. De verdachte is op deze terechtzitting niet verschenen. Wel is verschenen mr. Mantz, die heeft verklaard niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Het hof heeft verstek verleend, het onderzoek voortgezet en na de sluiting van het onderzoek op dezelfde zitting de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

  5. Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding aan een verdachte in persoon is betekend en de verdachte noch zijn (gemachtigd) raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. 1 Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak rechtens van zijn vrijheid was beroofd zonder dat dit de rechter bekend was.2

6. Aan de cassatieschriftuur is een kopie gehecht van de eerste twee pagina’s van een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2017098035-12, opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Den Haag, waaruit – voor zover hier van belang – het volgende naar voren komt:

- de verdachte is op 10 april 2017 om 04:05 uur in Den Haag aangehouden wegens verdenking van heling dan wel diefstal van een fiets en is overgebracht naar het politiebureau Hoefkade te Den Haag;

- de verdachte is op 10 april 2017 om 05:36 uur geleid voor de hulpofficier van justitie;

- op 10 april 2017 om 05:39 uur is door de hulpofficier van justitie het bevel gegeven om de verdachte op te houden voor onderzoek;

- op 10 april 2017 om 05:44 uur is de piketcentrale voor de rechtsbijstand in kennis gesteld dat de verdachte heeft aangegeven dat voorafgaande aan zijn eerste verhoor overleg wil voeren met een raadsman/raadsvrouw;

- op 10 april 2017 om 10:26 uur heeft de verdachte een onderhoud gehad met de aan hem toegewezen advocaat Koerselman, kantoorhoudende te Zoetermeer, die aangaf dat zij niet de advocaat was die de verdachte wenste en dat zij contact op zou nemen met de voorkeursadvocaat van de verdachte, mr. Mantz. Tevens gaf zij, na het consult, namens de verdachte te kennen dat de verdachte die ochtend ter terechtzitting moest verschijnen bij de politierechter in Den Haag;

- op 10 april 2017 om 13:15 uur is in het politiebureau Hoefkade te Den Haag de verdachte gehoord. Hij werd daarbij bijgestaan door mr. Mantz. Tijdens dit verhoor werd aangegeven dat de verdachte deze ochtend bij het hof diende te verschijnen.

7. Uit het hiervoor onder 6. vermelde proces-verbaal – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte slechts enkele uren vóór de aanvang van de terechtzitting in hoger beroep door de politie is aangehouden en vervolgens is ingesloten op het politiebureau, welke insluiting voortduurde ten tijde van de behandeling van de zaak door het hof. Dit brengt met zich dat achteraf moet worden vastgesteld dat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek voort te zetten onjuist waren en dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan.

8. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt het voorgaande mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.

9. Het middel slaagt.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317, rov. 3.33.

2 Vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042; HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98; HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388; HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1128 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3224.