Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:215

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
17/00572
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over vrijstelling a.b.i. art. 5.b Leerplichtwet. Holisme en bedenkingen tegen de richting van het onderwijs. Oordeel hof dat de bedenkingen uitsluitend betrekking hebben op de inrichting van het onderwijs is onbegrijpelijk. De A-G stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het arrest van het hof dient te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/00572

Zitting: 20 maart 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 29 juli 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen”, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. G.J. Dommerholt, advocaat te Zwolle, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.1. De wijze waarop het cassatieberoep door de verdachte is ingesteld verdient enige aandacht – het aanwenden van het rechtsmiddel is namelijk geschied door middel van een aangetekende brief van de verdachte, verzonden aan de griffie van het gerechtshof. Dat is een wijze van aanwenden van een rechtsmiddel die slechts onder een bepaalde, wel omschreven omstandigheid is toegelaten – namelijk blijkens art. 449 lid 2 Sv indien de verdachte ter uitvoering van een niet-onherroepelijk vonnis of arrest is aangehouden. Echter, nergens uit blijkt dat deze bijzondere omstandigheid zich in het onderhavige geval ook heeft voorgedaan. Dat die situatie zich voorgedaan heeft is gelet op de aan de verdachte opgelegde geldboete zacht gezegd ook niet zo waarschijnlijk. Het cassatieberoep is dus niet op de juiste wijze ingesteld. Niettemin acht ik het beroep wel ontvankelijk, aangezien het mij aannemelijk voorkomt dat de verdachte tot deze wijze van aanwenden van het rechtsmiddel is gebracht doordat hem door een medewerker van het gerechtshof is meegedeeld dat het zó zou kunnen. Dat volgt uit een zich in het dossier in afschrift bevindende e-mailwisseling tussen de verdachte en een medewerker van de administratie van het gerechtshof, waarin in antwoord op de vraag van de verdachte om aanwijzingen voor het indienen van cassatieberoep tegen het hem betreffende arrest door de bedoelde medewerker van het gerechtshof is meegedeeld dat hij op de volgende wijzen cassatie kan instellen: “door persoonlijk of een advocaat een akte te laten opmaken bij de infobalie alhier, een aangetekend schrijven waarin u duidelijk kenbaar maakt dat u in cassatie wenst te gaan, iemand te volmachten namens u cassatie in te stellen.” De restrictie die geldt bij het door middel van een aangetekende brief aanwenden van het rechtsmiddel is in deze opsomming niet opgenomen. Vervolgens is echter ook op de griffie de kennelijk als vervolg op deze mededeling door de verdachte verzonden aangetekende brief als een genoegzame uiting van de verdachte opgevat en is, op zich terecht volgens art. 453 Sv, ook geen akte van het ingestelde rechtsmiddel opgemaakt maar is volstaan met het voegen in het dossier van de brief met daarop de aantekening van de datum van ontvangst.1 Men kan dus vaststellen dat de verdachte door een ‘ambtelijk verzuim’ dat hem niet kan worden tegengeworpen tot zijn ‘foute’ handelswijze is gebracht, zodat hij toch ontvankelijk is in het cassatieberoep. Op een andere manier is echter ook ‘reparatie’ mogelijk: de griffiemedewerker had de aangetekende brief als een aan hem gerichte volmacht in de zin van art. 450 lid 1 sub b. Sv dienen op te vatten en vervolgens in die hoedanigheid een akte moeten opmaken. Dat zulk niet is geschied is dan ook weer een ambtelijk verzuim dat niet aan de verdachte kan worden tegengeworpen.2 Kortom, de verdachte treft – links- of rechtsom - geen blaam dat het zo gelopen is en daarom is hij ontvankelijk in zijn beroep.

3 Het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verdachte overwegende bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs op alle binnen een redelijke afstand van zijn woning gelegen scholen/instellingen waarop zijn zoon geplaatst zou kunnen worden. Het middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de verdachte geen voldoende geconcretiseerde en herkenbare bedenkingen tegen de richting van de bestaande onderwijsinstellingen zou hebben en dat het onvoldoende duidelijk zou zijn geworden welke wezenlijke bedenkingen tegen de richting van het onderwijs de verdachte koestert. Het hof heeft volgens de steller van het middel het beroep op de vrijstelling als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) op onjuiste gronden verworpen en de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.

3.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 21 oktober 2014 te Amersfoort als degene die het gezag uitoefende over de jongere [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1998, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school, stond ingeschreven.”

3.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2016 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

Ik heb op voorhand mijn verweerschrift per e-mail aan het hof doen toekomen, evenals een brief van de gemeente Amersfoort van 17 december 2015. Wat ik in mijn verweerschrift heb geschreven wil ik graag ter zitting herhalen.

U, voorzitter, houdt mij voor dat het hof heeft kennisgenomen van mijn verweerschrift en dat ik dat niet hoef te herhalen thans.

Ik heb vijf kinderen. Ik heb geen bezwaar tegen de leerplicht. Ik heb ook geen bezwaar tegen het soort onderwijs of de organisatie van het onderwijs. Ik heb bezwaar vanwege de denominatie van de scholen. Onze kinderen moeten onderwijs krijgen in overeenstemming met onze holistische levensovertuiging. Wij willen onze eigen levensovertuiging voorleven en uitdragen. Dat is belangrijk en onmisbaar voor de geestelijke ontwikkeling van onze kinderen. De spirituele en seculiere kant van het leven moet één geheel zijn. Dit draagt een openbare school ook niet uit. Zij beschikken ook niet over de deskundigheid om dat te doen. Zij kunnen onze levensovertuiging niet uitdragen laat staan bevorderen. U vraagt mij naar de betekenis van uitdragen. Wij zien het leven en onderwijs als één geheel. In onze levensovertuiging zijn wij heel verbonden met de natuur, muziek en kunst. Kinderen moeten zo veel mogelijk buiten kunnen leren en studeren. Daar zien wij heil in. En een school moet dat kunnen faciliteren. Voor zover ik weet verblijven de kinderen op de Aventurijnschool in Loenen veel buiten. In onze levensovertuiging vieren wij de seizoenen en houden wij rekening met ons bioritme. Dat kan ook met thuisonderwijs. Wij zien dat niet op andere scholen gebeuren.

Het klopt dat mijn andere zoon, [betrokkene 2], naar een christelijke school, [A] College in [plaats] gaat. Dat is met bezwaar. Volgens de wet moet je als ouders zorgdragen voor de persoonlijkheidsontwikkeling van je kind. [betrokkene 2] maakt een bepaalde ontwikkeling door. Hij wil graag iets met groen doen. Hij wil bloemstukken maken en dieren fokken. Dat kunnen wij hem thuis niet bieden. Daarom hebben wij hem ondanks ons bezwaar naar een christelijke school laten gaan. Onze levensovertuiging staat bovenaan. Als dit niet de goede weg is voor [betrokkene 2] dan zullen wij en daar vanaf halen. De jongste raadsheer merkt op dat éénmaal gekozen is gekozen. Dan riskeren wij maar een boete. Onze levensovertuiging prevaleert dan. In het kader van de rechten van het kind hebben wij voor [betrokkene 2] passend onderwijs gevonden. Als [betrokkene 1] naar een school moet waar hij niet naartoe wil, dan voel ik mij schuldig ten aanzien van zijn rechten als kind. Het klopt dat ik een afweging maak tussen enerzijds dat onze levensovertuiging alles is en anderzijds de belangen van onze kinderen. Ik vraag mij af waarom ik niet per kind deze belangenafweging mag maken.

Een onderdeel van onze levensovertuiging is dat wij één met het universum zijn.

Wij moeten studeren met onze blote voeten in het gras of bos. Als het regent genieten wij. Het klopt dat [betrokkene 1] via de LOI vakken volgt die gelijk zijn aan de vakken die op school worden aangeboden. Wij hebben ook geen bezwaar tegen de vakken op zich. [betrokkene 1] werkt zo veel mogelijk buiten. Hij krijgt veel hulp van ons. Ook van mensen uit de familie- en vriendenkring. Er zijn mensen die [betrokkene 1] bijstaan bij Engels en ik heb een schoonzoon die ICT-er is. De oudste raadsheer vraagt mij of het niet voldoende is dat [betrokkene 1] na schooltijd zijn huiswerk buiten kan maken.

Het gaat niet alleen om het maken van huiswerk. Tegen kinderen van gereformeerde ouders zeg je ook niet dat zij hun geloof maar na schooltijd moeten praktiseren.

Het vieren van de seizoenen maakt deel uit van de hele dag. Het is één geheel. De viering van de zonnewende is een hele dag. Daar spelen wij in het onderwijs ook op in. De oudste raadsheer merkt op dat een school daarin niet in de weg staat. De school is een heel ander aspect van het geheel. Ik vind dat lastig om uit te leggen. Het gaat goed met [betrokkene 2]. Hij gaat over naar de 4e klas en heeft geen onvoldoendes. Dat is voor ons het bewijs dat we goed bezig zijn geweest. De oudste raadsheer merkt op dat derhalve school te verenigen is met onze levensovertuiging. Nee, het is de saus, de omhulling van onze levensovertuiging. Dat druist in tegen onze wens.

De voorzitter merkt op dat wij onze levensovertuiging wel aan [betrokkene 2] overdragen en dat zijn school kennelijk geen bezwaar is om zo te leven. Voor [betrokkene 2] niet. De voorzitter merkt op dat het kennelijk niet aan de school maar aan het kind ligt. Dat klopt. Wij willen onze levensovertuiging aan de kinderen overdragen tot het moment dat zij het huis verlaten.

De advocaat-generaal merkt op dat het dus eigenlijk niet gaat om de richting van de school. Nee, dat bedoel ik niet. Ik heb geen bezwaar tegen school. Maar wij willen onze kinderen graag naar een school laten gaan die onze levensovertuiging uitdraagt. En dat doen de scholen niet. Je maakt een afzonderlijke afweging. Ik heb principiële bezwaren tegen de school van [betrokkene 2], maar die wegen minder zwaar.

Het gaat erom dat een school een levensovertuiging uitdraagt. Het ligt niet zo zwartwit.

Ik was werkzaam in de technisch commerciële kant. Op dit moment ben ik werkzoekend. Ik verdien geld met het geven van workshops en activiteiten op het gebied van natuur.

(…)

Na hervatting van de behandeling voert de verdachte het woord tot verdediging aan de hand van het door hem op schrift gestelde verweerschrift.”

3.4.

Aan het aan de aan de Hoge Raad toegezonden proces-verbaal van de zitting van 15 juli 2016 is geen verweerschrift gehecht. Ook overigens bevatten de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding geen verweerschrift dat is gedateerd op 15 juli 2016. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter wel een op 14 juli 2016 door het hof ontvangen e-mailbericht van de verdachte. In deze e-mail heeft de verdachte als bijlage een “verweerbrief” gehecht. Het e-mail bericht houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Via het mailadres van mijn vrouw heb ik de stukken van het procesdossier ontvangen. Ik mis daarin een aantal belangrijke stukken, namelijk:

- alle stukken die ik met onderstaande mail op 7 december 2015 naar strafgriffie Hof Arnhem heb opgestuurd, waaronder ook mijn verweerbrief (zie bijlagen). Voor de zitting van morgen 15 juli om 14.10u hanteer ik hetzelfde verweer. Het is dus handig als deze verweerbrief in bezit komt van het college anders zou ik de hele brief tijdens de zitting moeten voorlezen.

(…)

Ik wil u verzoeken deze documenten aan het procesdossier toe te voegen.”

Gelet op het voorgaande ga ik ervan uit dat voor zover het proces-verbaal van de zitting van 15 juli 2016 inhoudt dat de verdachte “het woord voert tot verdediging aan de hand van het door hem op schrift gestelde verweerschrift”, de verdachte de aan zijn e-mail gehechte verweerbrief heeft voorgedragen.

3.5.

Het hiervoor bedoelde verweerschrift houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Mijn subsidiaire verweer

Dit verweer is toegelicht in de resterende delen van de pleitnota van [betrokkene 3] en van de punten waarmee ik mijn hoger beroep nader heb gemotiveerd.

Mijn levensovertuiging, waarop het richtingbezwaar is gebaseerd, is het Holisme. Wij verklaren, conform artikel 5.b en artikel 8 lid 1 Leerplichtwet 1969 overwegende bedenkingen te hebben tegen de richting van alle scholen op redelijke afstand, en wel omdat geen van deze scholen deze levensovertuiging uitdragen of voldoende bevorderen, maar daarmee juist strijdig zijn.

Wij hebben onze richtingbezwaren toegelicht met een uitleg van de levensovertuiging, een overzicht van alle schoolrichtingen die door ten minste één bij [betrokkene 1] passende school op redelijke afstand van onze woning wordt uitgedragen en van enkele openbare scholen, en een toelichting van onze bezwaren tegen die schoolrichtingen en het Openbaar onderwijs, zoals die uit onze levensovertuiging volgen.

Ik geef van onze richtingbezwaren voor alle duidelijkheid hier nog een nadere toelichting.

Tegen de (protestants-)christelijke, rooms-katholieke, gereformeerde en reformatorische schoolrichtingen met één of meer scholen op redelijke afstand van onze woning betreffen onze bezwaren het vastgelegd, geschreven fundament van die richtingen, het Oude en het Nieuwe Testament (het Evangelie) en de bijbehorende normen en waarden. Die christelijke levensovertuigingen zijn allemaal primair op dogma's gebaseerd, ontleend aan overgeleverde teksten in de Bijbel waaraan men gezag toekent.

Onze eigen levensovertuiging betreft daarentegen een denkfundament dat dynamisch is en zeker niet vastomlijnd. Dit weerspreekt elkaar. Het Holisme is een bewustzijn dat de eenheid erkent en herkent achter de pluraliteit van het universum waarin wij leven. Onze levensovertuiging is dus georiënteerd op de persoonlijke ervaring van de mens, en juist niet primair op schriftelijke bronnen. Plaatsing van [betrokkene 1] aan zulk een school zou zijn geestelijke ontwikkeling naar onze mening daarom te zeer schaden.

Het onderwijs en de daarbij behorende normen en waarden van Openbare en Algemeen- bijzondere scholen zijn ontleend aan de visie van de meerderheid van de Nederlandse bevolking. Deze sluit niet aan bij het Holisme. Hoewel Openbare Scholen het Holisme officieel zouden moeten respecteren, is het percentage Holisten in Nederland zo klein, dat er onmogelijk een redelijke tijd binnen het onderwijs te besteden valt aan het Holisme als zodanig. Ook valt van docenten en het bevoegd gezag van die scholen geen inzicht in Holisme te verwachten, zodat zij niet weten wat zij nu precies zouden moeten eerbiedigen. Bovendien dragen deze scholen het Holisme per definitie niet uit, daar zij neutraal zijn. Daartegen hebben wij bezwaren. Doordat neutrale scholen elke levensovertuiging respecteert, hebben zij geen eigen visie.

Wij zijn er uit principe van overtuigd dat het vóór-leven (uitdragen) van een eigen visie (in ons geval het Holisme) onmisbaar is voor de geestelijke ontwikkeling van een jongere. Vanuit onze levensovertuiging vinden wij dat de spirituele en seculiere (wereldse) kanten van het leven één geheel zijn, en dat we daar geen (meer dan oppervlakkig) onderscheid tussen kunnen maken Daarom vinden we het bezwaarlijk dat de geestelijke ontwikkeling van onze kinderen en hun cognitieve en sociale ontwikkeling door bezoek aan een Openbare of Algemeen-bijzondere school van elkaar zouden worden gescheiden. Een school van onze eigen levensbeschouwelijke richting zou er immers voor kunnen zorgen dat die levensaspecten in het onderwijs wel één eenduidig geheel vormen. Een school die onze levensovertuiging niet uit ervaring kent en toepast, kan de waarde en werking van de dynamische ontwikkeling van onze levensovertuiging in kinderen niet begrijpen, laat staan bevorderen.

Tegen de Openbare school met humanistische cultuur het Stedelijk Gymnasium Johan van Oldenbarnevelt hebben daarnaast het bezwaar dat het Humanisme van de mens uitgaat terwijl het Holisme een bewustzijn is dat de eenheid erkent en herkent achter de pluraliteit van het gehele universum waarin wij leven. Wij vinden het humanisme als levensvisie te beperkt. En ook op deze school is geen plaats voor het Holisme.

Bij de Antroposofische richting vinden wij de visie op reïncarnatie zeer bezwaarlijk. Hoe meer weerstand in deze visie een kind in zijn leven tegenkomt, hoe meer profijt het daaruit zou verkrijgen voor een volgende incarnatie. Ook hebben wij bezwaar tegen hun algemeen christelijk perspectief.

Afweging van richtingbedenkingen

Ouders maken per kind een afweging tussen het belang van schoolonderwijs en de noodzaak die zij zien om hun levensovertuiging te laten prevaleren in de ontwikkeling van hun kinderen. Omdat kinderen in karakter en ontwikkeling van elkaar verschillen kan deze afweging per kind verschillend uitvallen. Sommige kinderen zijn beter bestand tegen een kloof in levensopvattingen tussen thuis en school dan andere.

Een weegfactor is dat ouders bij uitoefening van een richting bezwaar en dus bij het ontbreken van fysiek schoolonderwijs zelf meer zorg moeten leveren om de persoonlijkheidsontwikkeling van hun kind te bevorderen. Deze zorgplicht volgt uit artikel 1:247 BW.

Als de kinderen van richtingbezwaarde ouders niet allemaal aan het richtingbezwaar worden onderworpen (en sommigen dus wel naar school gaan), dan kan ook niet daaruit worden geconcludeerd dat het die ouders gaat om de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs. Deze ouders maken per kind een afweging tussen het belang van schoolonderwijs en het belang van het impregneren van de ontwikkeling van hun kind met hun levensovertuiging. Omdat kinderen in karakter en ontwikkeling van elkaar verschillen kan deze afweging per kind verschillen. Sommige kinderen zijn goed bestand tegen de kloof in opvattingen tussen thuis en school, terwijl anderen daar kwetsbaar voor blijken.

Als ouders naar hun kinderen luisteren en hun opvattingen meewegen, alvorens op basis van hun ouderlijk gezag (art. 1:247 BW) een beslissing over hun onderwijs te nemen, dan doen zij dat in overeenstemming met het recht, en volgen zij daarin artikelen 12 lid 1 van het IVRK. Dit is dan ook geen grond om een richtingbezwaar te verwerpen.

Ook de reisafstand naar de dichtstbijzijnde school van een gewenste of aanvaardbare richting kan een weegfactor zijn.

Het afwegen van het richtingbezwaar is voorbehouden aan de ouders. Het is niet aan de leerplichtambtenaar, de gemeente of de rechter om het gewicht van iemands richtingbedenkingen te bepalen, aldus de Hoge Raad op 30-10-2001 (UN: AB2946, Hoge Raad, 01770/00).

Hoe dan ook, de Hoge Raad heeft strafrechters opdracht gegeven om de schoolbezwaren van verdachten die zich beroepen op artikel 5.b Lpw te onderzoeken, om te beoordelen of die bezwaren de richting van het onderwijs betreffen. Met de informatie die we de kantonrechter en nu nog eens aan u hebben verstrekt kunt u die beoordeling maken. U kunt zelf zien dat het ons om de richtingen van het onderwijs van scholen te doen is.

Het is daarbij volstrekt ondoenlijk en onredelijk om wat ik hierover verklaar nog eens aan te houden tegen objectieve feiten. Die kunnen onze opvattingen noch onderbouwen noch ontkrachten. Zulks te proberen is eveneens een vorm van afwegen van richtingbezwaren en de wetgever heeft zulke vormen van afweging, zover zij niet uitdrukkelijk in de tekst van de Leerplichtwet staan, wijselijk willen tegengaan.

Ik wijs hierbij op artikel 8 lid 2 Lpw. Dat verklaart een kennisgeving van een 5.b-beroep voor een individueel kind ongeldig als dat zelfde kind in de voorgaande jaarperiode aan een school geplaatst was van een richting waartegen bezwaar gemaakt wordt. Artikel 8 lid 2 Lpw zwijgt daarentegen over andere kinderen in het gezin en laat uit de schoolplaatsing van die andere kinderen geen enkele consequentie volgen. Als de wetgever aan zulk een omstandigheid wel een fatale consequentie had willen verbinden, dan zou deze dat in artikel 8 Lpw hebben gedaan.”

3.6.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof gaat uit van de volgende vaststaande - door de verdachte in hoger beroep niet bestreden - vaststaande feiten en omstandigheden.

De twee minderjarige zonen van verdachte, [betrokkene 1] (geboren in 1998) en [betrokkene 2] (geboren in 2000) en beiden nog leerplichtig, gaan vanaf januari 2008 niet naar school. Vanaf 1 augustus 2009 stonden zij niet ingeschreven als leerling van een school.

Verdachte heeft, zowel voor [betrokkene 1] als voor [betrokkene 2], voor de schooljaren 2009/2010 en 2010/2011, telkens aanspraak gemaakt op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van beide kinderen op een school. Daarbij heeft verdachte een beroep gedaan op de grond dat er ‘overwegende bezwaren tegen de richting van het onderwijs zijn’, welke bezwaren voorkomen uit zijn holistische levensovertuiging. Die vrijstelling is van rechtswege ontstaan voor het schooljaar 2009/2010 en het schooljaar 2010/2011.

De daarop volgende jaren is door verdachte ten aanzien van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], telkens op dezelfde grond als de jaren daarvoor, een beroep gedaan op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving op een school. Voor de schooljaren 2011/2012, 2012/2013 en 2013/2014 ontstond voor verdachte ten aanzien van zijn zonen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] telkens van rechtswege een vrijstelling van inschrijving.

In het schooljaar 2013/2014 is [betrokkene 2] per 6 mei 2014 ingeschreven bij een school, te weten [A] College, locatie [plaats]. [A] College betreft een ‘groen vmbo’ dat vanuit een Christelijke levensvisie algemeen vormend onderwijs aanbiedt.

Op 26 juni 2014 heeft de leerplichtambtenaar van de gemeente Amersfoort een kennisgeving van verdachte ontvangen van de grond waarop hij meent dat hij voor zijn zoon [betrokkene 1] aanspraak op vrijstelling van de inschrijvingsplicht voor het schooljaar 2014/2015 kan maken. Verdachte heeft aangevoerd dat hij vanwege zijn holistische levensovertuiging overwegende bezwaren heeft tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen of instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden.

Omdat één van de twee zonen nu wel ingeschreven stond op een school heeft de leerplichtambtenaar geconcludeerd dat er kennelijk geen overwegende bezwaren bestaan tegen alle scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van de woning bevinden en geconcludeerd dat het beroep op vrijstelling niet voldoen aan de wettelijke vereisten. Er is derhalve geen vrijstelling van rechtswege ontstaan van de verplichting om [betrokkene 1] in te schrijven voor het schooljaar 2014/2015.

Uit een controle van de leerlingenadministratie van de gemeente Amersfoort op 21 oktober 2014 bleek dat [betrokkene 1] van 1 september 2014 tot en met 21 oktober 2014 niet ingeschreven heeft gestaan bij een school. De leerplichtambtenaar heeft tegen één van de ouders bij wie het wettig gezag berust proces-verbaal opgemaakt en dat is de vader.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat door het handelen van verdachte de regels van de Leerplichtwet 1969 zijn overtreden.

Verdachte heeft zijn bedenkingen tegen de richting van het onderwijs aangegeven op een lijst per schoolrichting. Hij geeft bezwaren aan tegen Christelijk onderwijs, openbaar onderwijs, openbaar humanistisch onderwijs en antroposofisch onderwijs. Hoewel verdachte stelt bezwaar te hebben tegen Christelijk onderwijs, heeft hij zijn andere zoon per mei 2014 ingeschreven op een Christelijke school. De advocaat-generaal is van oordeel dat verdachte onvoldoende heeft aangegeven waarom de ene zoon wel Christelijk onderwijs kan volgen en de andere niet, waar verdachte stelt dat zijn levensovertuiging sinds 2012 niet is veranderd en geldt voor alle kinderen. De door verdachte gegeven onderbouwing van het beroep op vrijstelling is daarmee niet langer voldoende aannemelijk gemaakt. De leerplichtambtenaar heeft dan ook terecht geoordeeld dat verdachte geen recht toekwam op vrijstelling van de verplichting om [betrokkene 1] in te schrijven voor het schooljaar 2014/2015.

Het verweer

Door de verdachte is vrijspraak bepleit van de hem tenlastegelegde overtreding van de Leerplichtwet 1969. In dit verband is onder meer aangevoerd dat verdachte een beroep heeft gedaan op vrijstelling van zijn verplichting om zijn zoon [betrokkene 1] op een school in te schrijven op grond van artikel 5, aanhef en sub b Leerplichtwet 1996 vanwege zijn holistische levensovertuiging. Verdachte heeft overwegende bedenkingen tegen de richting van alle scholen op redelijke afstand van zijn woning, omdat geen van deze scholen de holistische levensovertuiging uitdragen of voldoende bevorderen, maar daarmee juist strijdig zijn.

Verdachte stelt dat hij het recht heeft om per kind de afweging tussen zijn levensovertuiging en de belangen van het kind te maken en dat hij zich ten aanzien van [betrokkene 1] terecht heeft beroepen op de vrijstelling van artikel 5, aanhef en onder b Leerplichtwet 1996.

Wettelijk kader

(…)

De beoordeling van het verweer

Het hof stelt, onder verwijzing naar HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, voorop dat

i) indien een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b Lpw de rechter moet onderzoeken of de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen (vgl. HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190 en HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001 :AB2946, NJ 2002,98); blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van de bedenkingen beoordeelt (vgl. HR 19 februari 1980, NJ 1989, 190);

ii) onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b Lpw zijn niet begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs (vgl. HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1985, NJ 2000, 703);

iii) degene die zich op een vrijstelling beroept, dient -gelet op het voorgaande- duidelijk aan te geven welke zijn bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, opdat de rechter kan beoordelen of die bedenkingen de richting van het op die scholen of instellingen gegeven onderwijs betreffen (vgl. HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453).

In het kader van deze strafzaak moet onderzocht worden of verdachte van de verplichting om het in de tenlastelegging genoemde kind naar school te sturen was vrijgesteld omdat hij tegen de richting van de redelijkerwijs bereikbare scholen overwegende bedenkingen had.

Daarbij zal het hof niet treden in de vraag of deze bedenkingen al dan niet overwegend waren en slechts oordelen over de vraag of de bedenkingen de richting van het onderwijs in de zin van artikel 5 van de Leerplichtwet betreffen.

Verdachte heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de leerplicht, het soort onderwijs of de organisatie van het onderwijs. Hij heeft bezwaren vanwege de denominatie van de scholen. Verdachte heeft naar voren gebracht dat zijn kinderen onderwijs moeten krijgen in overeenstemming met hun holistische levensovertuiging. Daarbij moet de spirituele en seculiere kant van het leven één geheel zijn. Het leven en onderwijs is één geheel en verbonden met natuur, muziek en kunst. Volgens de holistische levensovertuiging moeten kinderen zoveel mogelijk buiten leren. Tijdens het buiten leren kunnen kinderen met hun blote voeten in het gras zitten. Van belang is verder dat er ruimte is om de seizoenen en de jaargetijden te vieren. Het is belangrijk en onmisbaar voor de ontwikkeling van zijn kinderen dat de holistische levensovertuiging wordt uitgedragen op een school. Openbare scholen dragen die levensovertuiging niet uit en kunnen die ook, bij gebrek aan deskundigheid, niet bevorderen. De scholen zijn ook niet in staat om het buiten leren te faciliteren.

Verdachte stelt dat ouders ingevolge de wet zorg moeten dragen voor de persoonlijkheidsontwikkeling van hun kinderen. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn verschillende kinderen en tonen een andere persoonlijkheidsontwikkeling. [betrokkene 2] is een doener en zijn interesses liggen met name bij planten en dieren. Hij wil bloemstukken maken en dieren fokken. Verdachte heeft geconstateerd dat zij [betrokkene 2] thuis niet langer voldoende konden bieden om hem daarin te ondersteunen en daarom hebben zij hem ingeschreven op [A] College in [plaats]. Dit ondanks de bezwaren die verdachte tegen die school heeft. Verdachte kan [betrokkene 1] thuis en met activiteiten buitenshuis nog steeds bieden wat hij nodig heeft voor zijn ontwikkeling. Hij leert zoveel mogelijk buiten. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard geen bezwaar de hebben tegen de inhoud van de lesstof die op openbare scholen wordt aangeboden. [betrokkene 1] volgt onderwijs via de LOI en wordt bijgestaan door familie en kennissen. De vakken die hij volgt zijn qua inhoud gelijk aan de lesstof op school. Met [betrokkene 2], die nog steeds op [A] College zit, gaat het prima.

De stukken en de verklaring van verdachte op de terechtzitting geven naar het oordeel van het hof geen voldoende geconcretiseerde en herkenbare bedenkingen tegen de richting van de bestaande onderwijsinstellingen. Het is het hof onvoldoende duidelijk geworden welke wezenlijke bedenkingen tegen de richting van het onderwijs verdachte koestert. De opgegeven bezwaren hebben veeleer betrekking op de manier waarop op reguliere scholen het geven van onderwijs is georganiseerd en in de praktijk tot uiting komt. Het hof is van oordeel dat deze bezwaren niet vallen onder de in de Leerplichtwet 1969 bedoelde bedenkingen tegen de richting, maar meer de inrichting van het onderwijs betreffen.

Het hof verwerpt het verweer.”

3.7.

Blijkens haar vonnis heeft de rechtbank het ook in eerste aanleg gevoerde verweer dat de verdachte op grond van art. 5, aanhef en onder b Lpw vrijstelling toekomt verworpen op de grond dat “de gewijzigde omstandigheid dat één van de twee zonen thans op een christelijke school staat ingeschreven, echter maakt dat op basis van de gegeven onderbouwing niet langer voldoende aannemelijk is gemaakt dat verdachte bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen waarop [betrokkene 1] geplaatst zou kunnen worden”. Op dezelfde grond had de leerplichtambtenaar reeds eerder proces-verbaal opgemaakt tegen de verdachte. Ook de advocaat-generaal bij het hof heeft op deze grond geoordeeld dat de verdachte geen recht toekomt op vrijstelling van de verplichting om [betrokkene 1] in te schrijven voor het schooljaar 2014/2015.

3.8.

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van de Lpw, zoals deze golden ten tijde van het tenlastegelegde, van belang:

Art. 2 lid 1:

“Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt (...).”

Art. 5, aanhef en onder b:

“De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling is ingeschreven, zolang (...)

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben.”

3.9.

Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De steller van het middel klaagt allereerst dat de verdachte weliswaar (ook) bezwaren heeft tegen de inrichting van het onderwijs op scholen binnen redelijke afstand van hun woning, maar dat dat niet wegneemt dat het de taak van de feitenrechter is om te onderzoeken of de geuite bedenkingen als geheel (ook) de richting van het onderwijs van de scholen op redelijke afstand betreffen. Het hof heeft dit verzuimd, nu het de toelichting van de verdachte op zijn bedenkingen zoals neergelegd in zijn ter zitting voorgedragen verweerschrift niet in zijn oordeel heeft betrokken en deze evenmin voor het bewijs heeft gebezigd. Dit verweerschrift gaf wel degelijk bedenkingen tegen de richting van het onderwijs van de omliggende scholen weer, aldus de steller van het middel.

3.10.

Het hof heeft in zijn arrest met juistheid het volgende vooropgesteld ten aanzien van de in art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) bedoelde vrijstellingsgrond:

a) indien een beroep is gedaan op deze vrijstellingsgrond dient de rechter te onderzoeken of de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen; blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van de bedenkingen beoordeelt3;

b) onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw zijn niet begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs4 en

c) degene die zich op de vrijstelling beroept, dient duidelijk aan te geven welke zijn bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, opdat de rechter kan beoordelen of die bedenkingen de richting van het op die scholen of instellingen gegeven onderwijs betreffen5.

3.11.

Wat moet worden verstaan onder ‘de richting’ van het onderwijs? Kort samengevat6 kan daaronder worden verstaan "een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing." De enkele omstandigheid dat een ouder (verdachte) zijn eigen bedenkingen aanmerkt als stoelend op een levensovertuiging brengt echter nog niet mee dat die bezwaren hebben te gelden als bedenkingen tegen de richting van het onderwijs.7 Zoals hiervoor reeds aangegeven zijn onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs in ieder geval niet begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs. De Hoge Raad heeft twee arresten gewezen waarin hij het oordeel van de feitenrechter dat de bedenkingen van de verdachte niet de richting van het onderwijs betroffen, in stand liet. Allereerst HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1985, NJ 2000/703. De rechtbank had vastgesteld dat het bezwaar van de verdachte daarop was gericht dat voor zijn kind de nodige vrijheid ontbrak om zelfstandig te kiezen of en wanneer het naar school gaat en de rechtbank had op grond daarvan geoordeeld dat geen sprake was van bezwaren tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw. De Hoge Raad achtte dat oordeel juist. Verder HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453. De Hoge Raad oordeelde dat het ter terechtzitting naar vorengebrachte bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat het bezwaar in overwegende mate betreft het ontbreken van de vrijheid van het kind om al of niet naar school te gaan en om te kiezen wat het wil leren, terwijl de enkele omstandigheid dat de betrokken ouder het bezwaar zelf aanmerkt als stoelend op een levensovertuiging, niet meebrengt dat dit oplevert een overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b Lpw. De Hoge Raad liet ook in deze zaak het oordeel van de rechtbank dat de bezwaren van de verdachte niet de richting van het onderwijs betreffen, maar dat haar bezwaren betrekking hebben op de leerplicht als zodanig en de wettelijke inrichting van het onderwijs in stand. Het ging in deze zaak om een michaëlische levensovertuiging die zich tegen elke vorm van door de overheid georganiseerd onderwijs en dus tegen de strekking van de Leerplichtwet als zodanig verzette, zodat de bedenkingen zicht richtten tegen de leerplicht als zodanig.

3.12.

Blijkens het verweerschrift van de verdachte heeft hij ter zitting in hoger beroep – kort gezegd – aangevoerd dat het holisme de levensovertuiging is waarop het richtingbezwaar is gebaseerd en dat de verdachte en zijn partner overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van alle scholen op redelijke afstand omdat geen van deze scholen deze levensovertuiging uitdragen of voldoende bevorderen, maar daarmee juist strijdig zijn. Voorts is aangevoerd dat en waaruit blijkt dat de christelijke, rooms-katholieke, gereformeerde, reformatorische, openbare en algemeen-bijzondere en antroposofische scholen gebaseerd zijn op een levensovertuiging dan wel ‘neutraliteit’, die niet past bij de holistische levensvisie.

3.13.

Voor zover het hof bij zijn oordeel dat het “onvoldoende duidelijk is geworden welke wezenlijke bedenkingen tegen de richting van het onderwijs verdachte koestert” de voorgaande bedenkingen niet in aanmerking heeft genomen is dat onbegrijpelijk, nu de voorzitter van het hof ter zitting van 15 juli 2016 heeft aangegeven dat het hof heeft kennisgenomen van het verweerschrift van de verdachte.

3.14.

Voor zover het hof deze bedenkingen wel in zijn oordeel heeft betrokken maar in zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat (ook) ten aanzien van deze bedenkingen onvoldoende duidelijk is geworden welke wezenlijke bedenkingen de verdachte tegen de richting van onderwijs koestert nu deze bezwaren niet de richting, maar de inrichting van het onderwijs betreffen, is dat oordeel niet begrijpelijk dan wel getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting. De hiervoor onder 3.13 samengevatte bedenkingen kunnen bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat zij in overwegende mate betreffen de richting ofwel de “fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing”8 van de betreffende scholen op redelijke afstand van de woning van de verdachte. Deze bedenkingen hebben immers niet, of niet enkel, betrekking op de wijze waarop het onderwijs vorm krijgt op de betreffende scholen maar richten zich juist tegen de ‘denominatie’ van de scholen. Het hof lijkt in zijn overwegingen bovendien te miskennen dat wanneer iemand bedenkingen heeft tegen de inrichting van het onderwijs op bepaalde scholen, dat niet uitsluit dat hij tevens bedenkingen heeft tegen de richting van die scholen. Sterker nog, wanneer iemand bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs op een bepaalde school zal die persoon vaak ook bedenkingen hebben tegen de wijze waarop in het onderwijs op die school invulling wordt gegeven aan die richting.

3.15.

Voor zover het hof de in het verweerschrift aangevoerde bedenkingen wel in zijn oordeel heeft betrokken maar in zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat deze bedenkingen onvoldoende geconcretiseerd en herkenbaar zijn, lijkt het hof er aan voorbij te zien dat de rechter niet het gewicht van de bedenkingen dient te beoordelen, althans is dat oordeel onbegrijpelijk gelet op de uitgebreidheid waarmee de bedenkingen zijn uiteengezet en toegelicht. Daarbij merk ik op dat het in de (lagere) rechtspraak niet ongebruikelijk is om aan het holisme ontleende bezwaren aan te merken als overwegende bedenkingen in de zin van art. 5, onder b, Lpw tegen de richting van het onderwijs op alle binnen een redelijke afstand van de woning gelegen scholen.9

3.16.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

3.17.

De steller van het middel klaagt in de tweede plaats dat het hof kennelijk heeft verzuimd de schriftelijke en mondeling geuite bedenkingen van de verdachte en zijn echtgenote tegen de neutraliteit van het op redelijke reisafstand beschikbare voortgezette openbare en algemeen-bijzondere schoolonderwijs aan te merken als bedenkingen tegen de richtingen van dit onderwijs.

3.18.

Blijkens de toelichting op het middel heeft de steller van het middel hier het oog op de ondervraging van de verdachte door (de oudste raadsheer van) het hof ter zitting in hoger beroep en de in die ondervraging gehanteerde uitgangspunten. Ik wijs erop dat in cassatie slechts geklaagd kan worden over een rechterlijke of daarmee op één lijn te stellen handeling of beslissing als bedoeld in art. 78 RO.10 Het middel kan derhalve in zoverre niet worden aangemerkt als een middel van cassatie.

3.19.

Geheel ten overvloede merk ik dan ook op dat de steller van het middel mijns inziens terecht opmerkt dat bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw ook hierin kunnen bestaan dat bedenkingen bestaan tegen het ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs. Vorenbedoelde bedenkingen kunnen derhalve ook gericht zijn tegen de richting van het openbaar onderwijs.11

3.20.

Ik concludeer dat het oordeel van het hof dat aan de verdachte geen beroep toekomt op vrijstelling op grond van artikel 5, aanhef en onder b Lpw van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en ontoereikend is gemotiveerd. Het middel is terecht voorgesteld.

4 Het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat het hof in de beoordeling van het verweer zoals bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw heeft miskend dat de echtgenote van de verdachte eveneens naar de eisen der wet kennis heeft gegeven van haar bedenkingen tegen de richting van dat onderwijs en de strafrechtelijke procedure tegen de verdachte haar geen gelegenheid heeft geboden deze bedenkingen op persoonlijke titel toe te lichten. Het middel klaagt voorts dat het hof heeft nagelaten het onderdeel van het uitdrukkelijke verweer van de verdachte dat over deze kwestie ging te behandelen, waardoor de verdachte schuldig is bevonden aan overtreding van art. 2 Lpw terwijl niet wettig en overtuigend is vast komen te staan dat de echtgenote zich onterecht zou hebben beroepen op deze vrijstellingsbepaling, waardoor niet vast is komen te staan dat de vrijstelling niet kon bestaan en dat de inschrijfplicht niet was opgeheven. In de toelichting op het middel geeft de steller van het middel aan dat het hof verzuimd heeft te toetsen of het openbaar ministerie alle, voor de inschrijving van de betrokken jongere verantwoordelijke personen die zich op art. 5, aanhef en onder b Lpw hebben beroepen, heeft gedagvaard, opdat hij al dezen kan horen en de motieven en bedenkingen van elk van hen afzonderlijk kan beoordelen.

4.2.

Ik merk allereerst op dat, anders dan de steller van het middel kennelijk meent, door of namens de verdachte ter zitting niet een “uitdrukkelijk verweer” aangaande de in het middel genoemde kwestie is gevoerd. Het verweerschrift dat in hoger beroep is voorgedragen bevat weliswaar de zinsnede “Dit verweer is toegelicht in de resterende delen van de pleitnota [in eerste aanleg, AEH] van [betrokkene 3]”, maar daarmee zijn deze delen van de pleitnota – waarvan overigens ook uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg niet blijkt dat die aldaar is voorgedragen – nog niet voorgedragen in hoger beroep. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat het bedoelde verweer is voorgedragen.

4.3.

Ik merk voorts op dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat door of namens de verdachte is verzocht om de echtgenote van de verdachte omtrent haar bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als getuige te horen. Voor zover het middel op de opvatting berust dat de feitenrechter een echtgenote van een verdachte in een leerplichtwet-zaak ambtshalve dient te horen faalt het, omdat die opvatting geen steun vindt in het recht.

4.4.

Voor zover het middel ten slotte zo uitgelegd moet worden dat het hof ambtshalve had dienen te toetsen of het openbaar ministerie alle, voor de inschrijving van de betrokken jongere verantwoordelijke personen die zich op art. 5, aanhef en onder b Lpw hebben beroepen, heeft gedagvaard, opdat het hof al deze personen kan horen en de motieven en bedenkingen van elk van hen afzonderlijk kan beoordelen, merk ik op dat er geen grondslag in het recht is te vinden voor de opvatting dat het hof deze toets ambtshalve had moeten uitvoeren. Ik zie bovendien niet in welk belang een verdachte heeft bij de omstandigheid dat niet alleen hij, maar ook een ander wordt vervolgd. Het middel faalt derhalve ook in zoverre.

4.5.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5. Het eerste middel is terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het uur van ontvangst had blijkens art. 453 lid 3 Sv ook nog op de brief aangetekend moeten worden, maar dat is, welllicht bij gebrek aan een daarvoor de ruimte biedend stempel achterwege gebleven.

2 Zie hierover iets uitgebreider Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, p. 945/6.

3 Vgl. HR 19 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6812, NJ 1980/190 m.nt. Van Veen en HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2946, NJ 2002/98.

4 Vgl. HR 3 oktober 2000,ECLI:NL:HR:2000:ZD1985, NJ 2000/703.

5 Vgl. HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453.

6 HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, NJ 2010/422.

7 HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453, rov. 6.6.

8 Vgl. HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, NJ 2010/422.

9 Vgl. bijvoorbeeld HR 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2577, NJ 2015/444 en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1491, NJ 2015/358. In cassatie werden de oordelen van het hof dienaangaande niet betwist.

10 Vgl. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3382. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 13-16.

11 Vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9201, NJ 2012/270.