Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:211

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
16/03856
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:780
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplichtigheid bij of na het plegen van het feit? Oordeel hof dat het verder vervoeren van een oplegger met gestolen goederen (kobalt) strafbare medeplichtigheid oplevert geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De AG stelt zich op het standpunt dat het beroep in cassatie dient te worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03856

Zitting: 20 maart 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 14 juli 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens “medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft de benadeelde partij voorts niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde medeplichtigheid aan diefstal ontoereikend is gemotiveerd. Het middel klaagt allereerst dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte opzet had op de diefstal. Het middel klaagt voorts dat de bijdrage van de verdachte pas is geleverd nadat de diefstal werd gepleegd, zodat de bewezenverklaring ook om die reden onvoldoende met redenen is omkleed.

3.2. Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:

1 primair:

hij op of omstreeks 14 december 2012 te Antwerpen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Autoriteiten betrokken bij de MSC Home Terminal te Antwerpen heeft bewogen tot de afgifte van de container [001] (met inhoud kobalt ter waarde van 1.500.000 euro), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als zijnde degene die gerechtigd was voornoemde container op te halen, gebruik makend van een frauduleus verkregen pincode, waardoor Autoriteiten betrokken bij de MSC Home Terminal te Antwerpen werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

1 subsidiair:

hij op of omstreeks 14 december 2012 te Antwerpen (België) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de container [001] (met inhoud kobalt ter waarde van 1.500.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan MSC Home Terminal en/of [A] en/of [B] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader( s) de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

1 meer subsidiair:

Een onbekend gebleven persoon op of omstreeks 14 december 2012 te Antwerpen (België) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de autoriteiten betrokken bij de MSC Home Terminal heeft bewogen tot de afgifte van de container [001] (met inhoud kobalt ter waarde van 1.500.000 euro), in elk geval van enig goed, hebbende die onbekend gebleven persoon en /of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zakelijk weergegeven — zich voorgedaan als degene die gerechtigd was voornoemde container op te halen en/of te vervoeren, gebruik makend van een frauduleus verkregen pincode en/of frauduleus opgemaakte document(en), waardoor de autoriteiten betrokken bij de MSC Home Terminal werden bewogen tot bovenomschreven afgifte, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 14 december 2012 te Wouwse Plantage en/of, Spijkenisse, althans in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door die container op te halen in de Wouwse Plantage en/of (vervolgens) te vervoeren naar een daartoe afgesproken plaats;

1 meest subsidiair:

een onbekend gebleven persoon op of omstreeks 14 december 2012 te Antwerpen (België) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de container [001] (met inhoud kobalt ter waarde van 1.500.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan MSC Home Terminal en/of [A] en/of [B] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven persoon en/of zijn /haar mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die onbekend gebleven persoon en/of zijn/haar mededader(s) de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 14 december 2012 te Wouwse Plantage en/of Spijkenisse, althans in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door die container op te halen in de Wouwse Plantage en/of (vervolgens) te vervoeren naar een daartoe afgesproken plaats”

3.3. Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:

“een onbekend gebleven persoon op of omstreeks 14 december 2012 te Antwerpen (België) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de container [001] (met inhoud kobalt ter waarde van 1.500.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan MSC Home Terminal en/of [A] en/of [B] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven persoon en/of zijn /haar mededader(s) en/of aan verdachte, waarbij die onbekend gebleven persoon en/of zijn/haar mededader(s) de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 14 december 2012 te Wouwse Plantage en/of Spijkenisse, althans in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door die container op te halen in de Wouwse Plantage en/of (vervolgens) te vervoeren naar een daartoe afgesproken plaats”

3.4. Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen:

“1. Een geschrift, een aanvankelijk proces-verbaal van de Federale gerechtelijke politie Antwerpen, d.d. 16 december 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1 t/m 3):

Op 14 december 2012 krijgen opstellers kennis van het gegeven dat er heden op de Containerterminal MSC Home Terminal te Antwerpen een container frauduleus werd afgehaald door een vrachtwagenchauffeur die in bezit is van de (frauduleus verkregen) correcte pincode nodig om deze af te kunnen halen (diefstal met gebruik van valse sleutels).

Een vrachtwagenchauffeur, gebruikmakend van een vrachtwagen met opschrift " [C] " en voorzien van de Nederlandse nummerplaat [AA-00-BB] zich heden heeft aangeboden op de Containerterminal van MSC en met bedoelde vrachtwagen werd een container met nummer [001] afgehaald.

Opstellers nemen contact op met de [A] en vernemen dat de container [001] behoort tot een zending van 2 containers waarvan de lading het metaalerts Cobalt betreft. Hun klant betreffende deze zending betreft [B] N.V. De containers op de Containerterminal enkel kunnen worden afgehaald indien de vrachtwagenchauffeur in het bezit is van een correcte pincode, gegenereerd door CSAV.

2. Een proces-verbaal observeren vrijdag 14 december 2012 d.d. 14 december 2012 van de politie Rotterdam- Rijnmond met nr. 38012141212 . se3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 59 t/m 65):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

12:49

[betrokkene 1] rijdt als bestuurder met de Daf, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] en de oplegger, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] , het terrein op van het containerbedrijf, genaamd "MSC Home Terminal", gevestigd Antwerpsebaan 702-738 te Stabroek. Kort hierop loopt [betrokkene 1] het kantoor van het voornoemde containerbedrijf binnen.

13:10

[betrokkene 1] verlaat het kantoor van het containerbedrijf, genaamd “MSC Home Terminal”, gevestigd Antwerpsebaan 702-738 te Stabroek en stapt als bestuurder in de Daf, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] en de oplegger, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] en rijdt verder het terrein van het bovengenoemde bedrijf op.

13:56

[betrokkene 1] rijdt als bestuurder met de Daf, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] en de oplegger, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] , en verlaat het terrein van het containerbedrijf, genaamd “MSC Home Terminal”, gevestigd Antwerpsebaan 702-738 te Stabroek. Op de oplegger staat een rode container, voorzien van het registratienummer [001] .

14:07

[betrokkene 1] rijdt als bestuurder met de Daf, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] en de oplegger, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] , met daar bovenop de container, voorzien van het registratienummer [001] , de Belgische/Nederlandse grensovergang bij Putte over.

14:08-14:32

[betrokkene 1] rijdt als bestuurder met de Daf, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] en de oplegger, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] , met daar bovenop de container, voorzien van het registratienummer [001] , via de provinciale weg N289 en de snelwegen A4 en A58 naar de gemeente Wouwse Plantage.

14:33

[betrokkene 1] parkeert de Daf, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] en de oplegger, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] , met daar bovenop de container, voorzien van het registratienummer [001] , op de Akkerstraat te Wouwse Plantage en koppelt daar de oplegger met de container af. [betrokkene 1] laat de oplegger in combinatie met de container op de Akkerstraat staan en rijdt met de Daf weg. De observatie op [betrokkene 1] , alsmede de Daf wordt beëindigd.

14:59,

Een trekker, merk Daf, kleur wit en voorzien van het kenteken [EE-00-FF] , rijdt de Akkerstraat te Wouwse Plantage op. Op de Daf staat de bedrijfsnaam “ [D] ”. De onbekende bestuurder van de Daf, nader in dit proces-verbaal NN6 te noemen, stapt uit de Daf en koppelt de oplegger, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] , met daarboven op de container voorzien van het registratienummer [001] , aan de Daf en rijdt weg.

15:05-15:55

NN6 rijdt met de Daf, voorzien van het kenteken [EE-00-FF] en de oplegger, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] , met daarboven op de container voorzien van het registratienummer [001] via de autosnelwegen A17, A29 en de A15 naar de gemeente Spijkenisse.

15:57

NN6 wordt in de Daf, voorzien van het kenteken [EE-00-FF] en de oplegger, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] , met daarboven op de container voorzien van het registratienummer [001] , op de Hartelweg te Spijkenisse aangehouden door personeel van het “Harc-team” van de Regiopolitie Rotterdam- Rijnmond.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2012 (het hof begrijpt: 2013) van de politie eenheid Rotterdam met nr. 2012559097. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 39 t/m 42):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 14 december 2012 om 15.55 uur werd de bestuurder van de vrachtauto, aangehouden. De bestuurder bleek te zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] .

In de vrachtauto werd een mobiele telefoon aangetroffen van merk Samsung en in beslaggenomen. [verdachte] verklaarde deze mobiele telefoon te hebben ontvangen van een man genaamd [betrokkene 2], waarvan hij verder geen gegevens wist. Verder verklaarde [verdachte] dat er in deze mobiele telefoon, slechts één contact met de naam “A” stond opgeslagen. [verdachte] verklaarde met deze mobiele telefoon te hebben gecommuniceerd met [betrokkene 2].

Onderzoek mobiele telefoon Samsung

Gegevens imei-nummer [002]/06-[003]

Hieruit bleek dat in de eerder genoemde mobiele telefoon met het unieke imei-nummer [002] alleen gebruik is gemaakt van een simkaart met het telefoonnummer 06-[003] (in gebruik bij de verdachte [verdachte]). Uit deze gegevens komt verder naar voren dat er alleen contacten werden geregistreerd op 13 en 14 december 2012.

4. Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 14 december 2012 van de politie Rotterdam - Rijnmond met nr. PL17L0 2012570968-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 8 t/m 10):

als de op 14 december 2012 afgelegde verklaring van [verdachte] :

Een man die ik een paar keer in de kroeg heb gezien vroeg mij om een container van Bergen op Zoom naar Spijkenisse te brengen. Ik ken hem als [betrokkene 2]. Ik weet niet hoe hij nog meer heet. Ik weet zijn telefoonnummer niet. De trekker is van [betrokkene 2].

Vraag verbalisant: hoe kom je aan die trekker?

Antwoord verdachte : Van [betrokkene 2]. Ik heb de trekker met mijn auto opgehaald in Rotterdam-Zuid.

Ik heb geen papieren gekregen voor het vervoer.

5. Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 december 2012 van de politie Rotterdam - Rijnmond met nr. PL17LO 2012570968-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 11 t/m 14):

als de op 15 december 2012 afgelegde verklaring van [verdachte] :

[betrokkene 2] zei dat ik er vijfhonderd euro voor zou krijgen. We hebben niet afgesproken wanneer of hoe ik dat zou krijgen. Aan de overkant van de IJsselmondse Randweg stond de vrachtwagen.

6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2012 van de politie eenheid Rotterdam - Rijnmond met nr. PL17LO 2012575317-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 51):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 18 december 2012 heb ik een onderzoek ingesteld bij de Douane. Aldaar stond een oplegger welke gebruikt was voor het stelen van een container uit de haven van Antwerpen op 14 december 2012. Ik zag dat de trekker was voorzien van de kentekenplaten [CC-00-DD]. Uit onderzoek bleek de oplegger het chassisnummer [004] te hebben. Uit het bedrijfsprocessensysteem bleek echter dat bij dit chassisnummer het kenteken [GG-00-HH] behoort.

7. Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 2 januari 2013 van de politie Rotterdam - Rijnmond met nr. PL17LO 2012570968-29. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 49 t/m 52 ):

als de op 2 januari 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

V: Uit onderzoek is gebleken dat je op dinsdag 11 december 2012 een vrachtwagen, een DAF met kenteken [II-00-JJ], hebt gehuurd bij [E] in Barendrecht.

A: Ja dat kan. Dat is dan via [F] gebeurd.

V: Met welk doel heb je die vrachtwagen gehuurd?

A: Die heb ik gehuurd voor een jongen voor wie ik werk, [verdachte] .

V: Hoe is dat precies gegaan die 11e december?

A: [verdachte] belde me op of ik een trekker voor hem wilde huren.

V: Wie heeft de vrachtwagen opgehaald bij het verhuurbedrijf op 11 december?

A: Ik.

V: Waar heeft u de vrachtwagen toen heengebracht?

A: Die heb ik geparkeerd tegenover het bedrijf [G] in Barendrecht. Daar heeft [verdachte] mij opgehaald en heb ik hem de sleutel gegeven van de vrachtwagen.

V: Wat voor vrachtwagen was het?

A: Een DAF-trekker, een nieuw type.

V: Hoe ziet zo'n vrachtwagen van dat verhuurbedrijf eruit?

A: Wit met stickers op de zijkant van [F] truckverhuur.

V: Zegt de naam [D] je iets?

A: Nee.

8. Een proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, d.d. 19 december 2012 van de politie Rotterdam - Rijnmond met nr. PL17L0 2012570968-20. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 16 t/m 23):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 18 december heb ik onderzoek ingesteld bij [E] in Barendrecht.

Aldaar heb ik gesproken met [betrokkene 4]. Hij verklaarde mij het volgende:

“Ik ben werkzaam bij [F] gevestigd in Breda. [betrokkene 3] heeft op 11 december 2012 de trekker met kenteken [II-00-JJ] bij ons gehuurd. Onze vrachtwagens hebben op alle kanten logo's van ons bedrijf staan. Dit zijn logo's van [F]. Over deze logo's zaten stickers van “[D]”. Deze zaten er niet op toen de wagen verhuurd werd aan [betrokkene 3]. Er zitten ook andere kentekenplaten op de trekker.

Foto's van de trekker zijn aan dit proces-verbaal toegevoegd. Deze foto's hebben de documentcodes 1212191500.D01, 1212191500.D02 en 1212191500.D03.”

3.5.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

“De rechtbank oordeelde: Nu er geen aanwijzingen zijn voor de wetenschap aangaande de oplichting van MSC Home Terminal, kan immers niet worden aangenomen dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op medeplichtigheid aan het gronddelict.

Ook vandaag is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is.

Overigens is wel degelijk bekend wie de container heeft opgehaald, namelijk [betrokkene 1]. Wanneer [betrokkene 1] niet wordt bedoeld in de tenlastelegging dan geldt dezelfde conclusie.

Vrijspraak

Feit 1 subsidiair nieuw en meest subsidiair (indien toegestaan door Uw Hof) Het betreft diefstal cq medeplichtigheid aan diefstal in vereniging althans alleen:

Subsidiair (nieuw):

Terzake de verdenking van diefstal in vereniging geldt feitelijk hetzelfde als bij feit 1 primair De rechtbank heeft terecht terzake het primaire feit geoordeeld : dat zich in het dossier geen stukken bevinden waaruit blijkt dat [verdachte] en [betrokkene 1], die de container ophaalde uit de Antwerpse haven, met elkaar hebben samengewerkt en/of direct of indirect met elkaar in contact hebben gestaan. Ook verder bevinden zich in het dossier geen concrete aanwijzingen dat [verdachte] wetenschap had van, laat staan in georganiseerd verband betrokken is geweest bij (het plannen van) het eerder die dag met behulp van frauduleus verkregen pincodes ophalen van een container uit de haven van Antwerpen, dan wel dat hij bijvoorbeeld betrokken is geweest bij het verkrijgen van valse pincodes. [verdachte] heeft alleen een rit gedaan zoals reeds uitgelegd.

Dit geldt ook voor de diefstal

Dit betekent dat niet bewezenverklaard kan worden dat [verdachte] zich samen met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt aan de diefstal zoals ten laste gelegd zodat [verdachte] vrijgesproken moet worden.

Meest subsidiair (nieuw):

Hier wordt de medeplichtigheid op de diefstal van de container ten laste gelegd Feitelijk geldt hier bijna hetzelfde als bij de medeplichtigheid op de oplichting.

Nu er geen aanwijzingen zijn voor de wetenschap aangaande de diefstal van de container, kan immers niet worden aangenomen dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op medeplichtigheid aan het gronddelict.

Ook hier geldt overigens dat wel degelijk bekend is wie de container heeft opgehaald, namelijk [betrokkene 1]. Wanneer [betrokkene 1] niet wordt bedoeld in de tenlastelegging dan geldt dezelfde conclusie.

[verdachte] heeft alleen een rit gedaan zoals reeds uitgelegd.

Vrijspraak”

3.6.

Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 ten laste gelegde, zoals nader verwoord in de door hem ter terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 14 december 2012 heeft de medeverdachte [betrokkene 1] een container met daarin kobalt ter waarde van € 1.500.000,- opgehaald bij MSC Home Terminal in de haven van Antwerpen. Uit informatie afkomstig van de Antwerpse politie leidt het hof af dat daarbij gebruik is gemaakt van een valse/frauduleus verkregen pincode. De medeverdachte [betrokkene 1] is vervolgens terug gereden naar Nederland en heeft de oplegger met daarop de container met kobalt afgekoppeld en achtergelaten op de Akkersstraat te Wouwse Plantage. De verdachte heeft een half uur later de oplegger met kobalt aangekoppeld aan zijn trekker en is vervolgens weggereden.

De verdachte heeft verklaard dat hij de container in opdracht van ene [betrokkene 2] - over wie hij geen nadere gegevens heeft - heeft opgehaald en dat deze [betrokkene 2] hem ook, de dag tevoren derhalve op 13 december 2012, de vrachtwagen/trekker ter beschikking heeft gesteld.

[betrokkene 3] heeft echter verklaard dat hij op 11 december 2012 een vrachtwagen met kenteken [II-00-JJ] bij [F] heeft gehuurd voor de verdachte. [betrokkene 3] heeft deze vrachtwagen, direct na het ophalen, geparkeerd in Barendrecht, alwaar hij toen - derhalve al op 11 december 2012 - is opgehaald door de verdachte. [betrokkene 3] heeft de sleutel van de vrachtwagen gegeven aan de verdachte.

[betrokkene 4], werkzaam bij [F], heeft bevestigd dat [betrokkene 3] op 11 december 2012 de trekker met kenteken [II-00-JJ] bij hem heeft gehuurd. Hij heeft voorts verklaard dat op door hem verhuurde vrachtwagens aan alle kanten logo’s van het bedrijf, dus van [F] staan. Over deze logo's heen waren, op het moment dat verdachte werd aangehouden, echter stickers met het opschrift “[D]” aangebracht. [betrokkene 4] heeft verklaard dat deze laatst genoemde stickers er niet op zaten toen de wagen door hem werd verhuurd aan [betrokkene 3]. Voorts zaten er - op het moment dat de verdachte is aangehouden - kennelijk valse kentekenplaten op de trekker.

Het hof beschouwt de verklaring van de verdachte met betrekking tot de verkrijging van de trekker, gelet op vorenstaande andersluidende verklaringen, die bovendien steun vinden in objectieve bewijsmiddelen, als leugenachtig, bedoeld om de waarheid te bemantelen.

Het hof gaat dan ook voorbij aan de verklaring van de verdachte en het hof gaat er van uit dat de verdachte de vrachtwagen/trekker heeft verkregen op 11 december 2012, terwijl zich daarop op dat moment originele kentekenplaten bevonden en geen stickers "[D]". Gedurende de periode dat de verdachte de vrachtwagen onder zich had, derhalve tussen de ontvangst [betrokkene 3] op 11 december 2012 en het moment van aanhouding op 14 december 2012 zijn de vervangende stickers opgebracht en zijn de originele kentekenplaten verwisseld voor valse. Het kan naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte hiervan op de hoogte was.

Het hof acht voorts - evenals de rechtbank - de verklaring van de verdachte over het verkrijgen van de opdracht tot het ophalen van die container weinig geloofwaardig. Ook komt het op het hof ongebruikelijk over dat ten aanzien van de vervoersopdracht die de verdachte voor de verder onbekend gebleven [betrokkene 2] stelt te hebben uitgevoerd, helemaal niets op schrift is gesteld. Voorts moest de verdachte de container ophalen op een niet gebruikelijke locatie en werd hij contant betaald. Verder blijkt uit de historische telefoniegegevens van de bij de verdachte aangetroffen telefoon en telefoonnummer dat deze slechts op 13 en 14 december 2012 in gebruik zijn geweest.

Gelet op de bovenstaande feiten en omstandigheden en gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tenminste welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij behulpzaam zou zijn bij de diefstal van de container met inhoud en daarmee opzettelijk medeplichtig is geweest aan die diefstal en dat de verdachte zich dus schuldig heeft gemaakt aan het aan hem onder 1 meest subsidiair ten laste gelegde feit.”

3.7.

Art. 48 Sr luidt:

“Als medeplichtigen van een misdrijf worden gestraft:

1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf;

2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf.”

3.8.

Bij de variant van medeplichtigheid die in het onderhavige geval aan de orde is moet ik eerst enkele opmerkingen maken. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte tot het plegen van de diefstal (het gronddelict) opzettelijk gelegenheid heeft verschaft. Blijkens zijn nadere bewijsoverweging heeft het hof echter geoordeeld dat is bewezen dat de verdachte tenminste welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard “dat hij behulpzaam zou zijn” bij de diefstal, waaruit het hof afleidt dat de verdachte het onder 1 meest subsidiair tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Blijkens de bewezenverklaring heeft het hof derhalve het oog op de in art. 48 onder 1o Sr bedoelde vorm van medeplichtigheid bestaande uit het “opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf”, blijkens zijn bewijsoverweging lijkt het hof het oog te hebben op de in art. 48 onder 2o bedoelde vorm van medeplichtigheid bestaande uit het “opzettelijk gelegenheid verschaffen tot het plegen van het misdrijf”. In de klassieke opvatting over medeplichtigheid zijn dit echter twee in de tijd te onderscheiden varianten van medeplichtigheid, aangezien het verschaffen van gelegenheid, net als het verschaffen van middelen of inlichtingen aan het plegen van het grondfeit voorafgaat; het betreft de medeplichtigheid ‘tot’ het plegen van een misdrijf. De medeplichtigheid ‘bij’ het feit betreft de tijdens het plegen van het grondfeit verrichte hulp. 1 Uit de kwalificatie van de bewezenverklaring “medeplichtigheid aan diefstal (…)” is - uiteraard - niet af te leiden voor welke vorm van medeplichtigheid het hof heeft willen veroordelen. De steller van het middel klaagt echter niet over innerlijke tegenstrijdigheid van het bewezenverklaarde arrest. Ik merk daarom slechts ten overvloede op dat ik meen dat het hof kennelijk de in de tenlastelegging en bewezenverklaring gebruikte bewoordingen “tot het plegen van welk misdrijf verdachte (…) opzettelijk gelegenheid (….) heeft verschaft”- overeenkomstig het normale spraakgebruik - in ruime zin heeft uitgelegd en dat het hof daarbij niet heeft gedoeld op het in art. 48 onder 2o Sr “opzettelijk gelegenheid verschaffen tot” de diefstal, welk gelegenheidverschaffen krachtens wetsduiding voorafgaat aan het gepleegde feit, maar daaronder juist (ook) het verschaffen van gelegenheid, gepaard gaande met het feit heeft willen begrijpen. Dat een dergelijke uitleg kán worden gegeven aan de tenlastelegging hangt samen met de door de Hoge Raad al in een ver verleden in gang gezette relativering van het onderscheid tussen de beide medeplichtigheidsvarianten.2 De Hoge Raad heeft dan ook in zijn arrest over medeplichtigheid van 22 maart 20113 de vraag of deze beide vormen van medeplichtigheid strikt kunnen of moeten worden afgebakend ten opzichte van elkaar ontkennend beantwoord. Daartoe heeft hij – kort samengevat - geoordeeld dat een strikte afbakening van de beide medeplichtigheidsvormen niet strookt met de strekking van art. 48 Sr, te weten het strafbaar stellen van het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf. Zowel in dit arrest als ook in eerdere en latere arresten van de Hoge Raad ging het om het tenlastegelegde “behulpzaam zijn bij het plegen van een misdrijf” dat ruimer mocht worden uitgelegd in die zin dat zij ook omvatten hulpverlening voorafgaande aan het misdrijf.4 Ik meen echter dat dezelfde redenering geldt voor het in de onderhavige zaak toepasselijke “gelegenheid verschaffen” tot de diefstal – hetgeen behalve voorafgaande aan, ook gelijktijdig met het gronddelict kan en mag plaatsvinden. Van een innerlijke tegenstrijdigheid is in het arrest dus geen sprake.

3.9.

Het middel klaagt allereerst dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte opzet had op de diefstal.

3.10.

Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van een misdrijf, te weten diefstal. Daartoe is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op de medeplichtigheidshandelingen (i.c. het verschaffen van gelegenheid), maar tevens dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het gronddelict, de diefstal.5 Verder dient vooropgesteld te worden dat uit de art. 47, 48 en 49 Sr, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat enerzijds ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond. Het gaat bij de ‘handelingen’ van de dader in het bijzonder om het desbetreffende gronddelict, met inbegrip van de bestanddelen daarvan. Daarbij sluit aan dat dat opzet van de medeplichtige niet gericht behoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.6 Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.7 Ik merk verder op dat de wet niet eist dat de hulp, bij of voor het plegen van het misdrijf verleend, voor de dader onontbeerlijk was: ook als het misdrijf zonder die hulp voltooid had kunnen worden, zal hij die ze verleende strafbaar zijn.8 Voldoende is, dat de door de medeplichtige verrichte handeling het misdrijf van de ander daadwerkelijk heeft bevorderd9, of, met andere woorden dat de medeplichtige het misdrijf mogelijk of gemakkelijker heeft gemaakt.10

3.11.

Blijkens zijn bewijsvoering heeft het hof, voor zover van belang, vastgesteld dat de verdachte aan [betrokkene 3] heeft gevraagd een vrachtwagen te huren, dat [betrokkene 3] op 11 december 2012 een vrachtwagen met kenteken [II-00-JJ] heeft gehuurd voor de verdachte, dat [betrokkene 3] deze vrachtwagen heeft geparkeerd in Barendrecht, dat de verdachte deze vrachtwagen op 11 december 2012 daar heeft opgehaald, dat [betrokkene 1] op 14 februari 2018 in de haven van Antwerpen een container met daarin een lading kobalt heeft gestolen, dat hij deze container op een oplegger aan een vrachtwagen met kenteken [AA-00-BB] heeft vervoerd naar Nederland en deze oplegger met de betreffende container heeft geparkeerd op de Akkerstraat te Wouwse Plantage, dat de verdachte een half uur later met zijn vrachtwagen met kenteken [EE-00-FF] (waarvan de kentekenplaten zijn verwisseld en waarop andere stickers zijn geplakt dan die van de verhuurder [F]) de Akkerstraat inrijdt, de oplegger aan zijn vrachtwagen koppelt en naar Spijkenisse rijdt en dat de bij de verdachte aangetroffen telefoon slechts op 13 en 14 december 2012 in gebruik is geweest. Het hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ervan op de hoogte was dat gedurende de periode dat hij de vrachtwagen onder zich had, daarop vervangende stickers zijn aangebracht en dat de originele kentekenplaten zijn verwisseld voor valse. Het hof heeft voorts geoordeeld dat er geen op schrift gestelde vervoersopdracht was, dat de verdachte de container moest ophalen op een niet gebruikelijke locatie en dat hij contant werd betaald. Het hof heeft ten slotte geoordeeld dat de verklaringen van de verdachte met betrekking tot de verkrijging van de vrachtwagen en de opdracht tot het ophalen van de container leugenachtig respectievelijk weinig geloofwaardig zijn. Over al deze oordelen wordt in cassatie niet geklaagd, waardoor uitgegaan dient te worden van deze op feitelijke vaststellingen gebaseerde oordelen.

3.12.

Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte gelet op het voorgaande tenminste welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij behulpzaam zou zijn bij de diefstal van de container met inhoud. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.11 Het middel faalt in zoverre.

3.13.

Het middel klaagt voorts dat de bijdrage van de verdachte pas is geleverd nadat de diefstal werd gepleegd, zodat de bewezenverklaring ook om die reden onvoldoende met redenen is omkleed.

3.14.

Als uitgangspunt in het Nederlandse strafrecht wordt wel aangenomen12 dat het misdrijf eenmaal is voltooid, geen strafbare medeplichtigheid meer kan plaatsvinden, omdat handelingen die na afloop van het voltooide delict zijn verricht niet de strekking kunnen hebben dat misdrijf te bevorderen of gemakkelijk te maken.13 Ondersteunende gedragingen die na afloop van het misdrijf worden verricht, zoals het vervoeren van de overvaller met zijn buit, vallen derhalve als zodanig buiten het bereik van art. 48 Sr. Zij kunnen echter wel op voorafgaande of gelijktijdige betrokkenheid duiden en zodoende toch onder de strafbare deelneming komen te ressorteren.14 Een in dit opzicht richtinggevende uitspraak van de Hoge Raad is zijn arrest van 15 december 1987, NJ 1988/835 m.nt. Mulder. Dat betrof een OM-cassatie tegen de vrijspraak van de verdachte, aan wie was tenlastegelegd – kort gezegd - “medeplichtigheid aan moord door opzettelijk behulpzaam te zijn bij het plegen van de moord dan wel opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen tot het plegen van de moord, door het plan voor het plegen van de moord mee op te stellen dan wel daarbij behulpzaam te zijn en/of overeenkomstig een tevoren met de pleger van de moord gemaakte afspraak met een auto in de nabijheid van de plaats van het misdrijf te wachten, teneinde de pleger te helpen vluchten, althans de vlucht mogelijk en/of gemakkelijk te maken”. De Hoge Raad oordeelde dat het hof, “door te oordelen dat het overeenkomstig een tevoren met de pleger van een moord gemaakte afspraak met een auto in de nabijheid van de plaats des misdrijfs wachten ten einde deze te helpen vluchten, althans hem de vlucht mogelijk en/of gemakkelijk te maken, niet oplevert het opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf als bedoeld in art. 48 aanhef en onder 1 Sr, heeft blijk gegeven van een opvatting omtrent dit behulpzaam zijn welke niet met een juiste uitlegging van genoemd wetsartikel valt overeen te brengen”. Uit dit arrest blijkt dat onder omstandigheden iemand medeplichtig kan zijn aan een misdrijf door de eerdere toezegging aan de pleger om hem, nadat het feit is gepleegd, te helpen bij de vlucht.15 In de woorden van De Hullu: “De moordenaar handelde dan immers in het besef dat hij zou kunnen ontkomen, de afspraak met de medeplichtige en het effect daarvan behoeven dan zeker niet alleen in de periode na de moord te worden gesitueerd.”16 Het uitgangspunt dat als het misdrijf eenmaal is voltooid, geen strafbare medeplichtigheid meer kan plaatsvinden blijft in deze uitspraak op zichzelf wel overeind. De strafbare medeplichtigheid ziet immers niet alleen op de daadwerkelijke hulp na afloop van het feit, maar vindt zijn oorsprong in de reeds vóórdat het feit gepleegd is gemaakte afspraak met de pleger over die hulp. Deze uitspraak past naar ik meen in de meer algemene lijn die geldt bij deelneming aan feiten waarbij de aansprakelijkheid van de deelnemer met name wordt gegrond op een bepaalde rolverdeling en een zekere mate van overkoepelend opzet bij een “criminele onderneming”. Dat laatste impliceert een wat ruimer begrip dan voortvloeit uit de technisch-juridische definitie van het ‘gronddelict’. Doorslaggevend is dan ook niet de vraag wanneer precies de handelingen van de (hoofd)dader hebben geleid tot realisatie van de delictsbestanddelen. Die gedachtegang komt meen ik ook naar voren in de arresten van de Hoge Raad in de zogenaamde Nijmeegse scooterzaak, waarin het ging om de vraag of de verdachten die van plan waren samen een hotel te beroven, veroordeeld konden worden voor het medeplegen van het aanrijden van een persoon, welke aanrijding was plaatsvond tijdens de vlucht op een scooter die volgde nadat de verdachten bij het hotel dat ze wilden beroven geconfronteerd werden met de politie.17 In de eerste cassatiezaak in 2013 oordeelde de Hoge Raad dat wanneer “het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, geenszins is uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds vóórdien (in het onderhavige geval: in het kader van het medeplegen van de voorbereiding van de overval) is ontstaan”. De Hoge Raad vernietigde het de verdachte vrijsprekende arrest. Onlangs oordeelde de Hoge Raad opnieuw in cassatie over dezelfde zaken.18 De Hoge Raad oordeelde het volgende:

“Het Hof heeft geoordeeld dat de wijze waarop de verdachte en zijn mededader met de motorscooter zijn gevlucht als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in hun eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de door hen voorbereide gewapende overval, dat zij ook wat betreft het met die vlucht en het daaruit voortvloeiende gevaarlijke rijgedrag verband houdende misdrijf van art. 6 WVW 1994, zo bewust en nauw hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van dat misdrijf. Gelet op alle door het Hof vastgestelde omstandigheden met betrekking tot de voorgenomen overval, waartoe de verdachte en zijn mededader zich gezamenlijk op de motorscooter naar het te overvallen hotel begaven, en hun direct op de waarneming van politieambtenaren volgende vlucht, geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ook niet omtrent de voor medeplegen van het onderhavige misdrijf vereiste bewuste samenwerking. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.”

3.15.

Nog eens kijkend naar de in de vorige paragraaf genoemde noot van G.E. Mulder bij de uitspraak van de Hoge Raad uit 1987 blijkt daarin een toepasselijke brug naar de onderhavige zaak verscholen te liggen. Met instemming haalt Mulder namelijk een passage uit Van Hamel-Van Dijck aan: “het toezeggen van begunstiging kan morele hulp opleveren.” Daarmee zijn, zo voeg ik toe, handelingen, die op zichzelf beschouwd onder de delictsomschrijving van heling zouden vallen, tevens ‘geschikt’ om als deelnemingshandelingen te zien, meer in het bijzonder ook als vormen van medeplichtigheid, quasi-na het feit.19 In het onderhavige geval betreft het handelingen die neerkomen op het voorhanden hebben, in de vorm van het vervoeren van een door misdrijf verkregen voorwerp. Uit de eerder weergegeven bewijsvoering van het hof blijkt kort gezegd dat de verdachte op 11 december 2012 een vrachtwagen heeft laten huren in Nederland, dat de pleger op 14 februari 2012 in Antwerpen een container heeft gestolen en deze heeft vervoerd naar Wouwse Plantage in Nederland en dat de verdachte deze container vervolgens, een half uur na het parkeren van de oplegger met de container door de pleger, met behulp van de eerder gehuurde vrachtwagen heeft doorgevoerd in Nederland, waarna hij is aangehouden. Het hof heeft gelet op die vaststellingen kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte overeenkomstig een tevoren met de pleger van de diefstal gemaakte afspraak op 14 december 2012 de gestolen container te Wouwse Plantage heeft opgehaald en verder vervoerd naar een daartoe afgesproken plaats en geoordeeld dat de verdachte aldus opzettelijk behulpzaam is geweest bij, dan wel gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van een misdrijf (diefstal) zoals bedoeld in art. 48 Sr. Dat oordeel berust niet op een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is evenmin ontoereikend gemotiveerd.

3.16.

Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie onder meer Machielse in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 1 bij art. 48 Sr, bijgewerkt tot 17 juli 2017.

2 Aldus oordeelde de Hoge Raad ook ten aanzien van de in de tenlastelegging gebruikte bewoordingen “behulpzaam zijn bij” in HR 14 oktober 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4802, NJ 1976/149.

3 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629.

4 Zie bijvoorbeeld het reeds eerder genoemde HR 14 oktober 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4802, NJ 1976/149.

5 HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4372, NJ 2002/245.

6 Vgl. HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0780, NJ 2008/156 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471, NJ 2011/342.

7 Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:67 en HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:248.

8 Aldus Machielse in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 1 bij art. 48 Sr, bijgewerkt tot 17 juli 2017 onder verwijzing naar onder meer HR 15 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0099, NJ 1988/835 m.nt. Mulder.

9 HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3618.

10 Machielse in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 1 bij art. 48 Sr, bijgewerkt tot 17 juli 2017 en HR 10 juni 1996, NJ 1997/585.

11 Vgl. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3196.

12 Zie hierover nader De Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 413, met aanhaling van minister Modderman.

13 HR 17 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0975, NJ 1998/515 m.nt. De Hullu. Zie ook Machielse in Noyon, Langemeijer, Remmelink, aant. 11 bij art. 48 Sr, bijgewerkt tot 17 juli 2017.

14 Vgl. HR 15 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0099, NJ 1988/835 m.nt. Mulder, HR 8 januari 1985, NJ 1988/6 en HR 10 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7380.

15 Zie ook Mulder in zijn noot bij dit arrest: “Degene die met een auto in de nabijheid wacht biedt inderdaad de hoofddader de gelegenheid om het misdrijf ongestoord te volvoeren. Dat is althans de bedoeling. Hij bevordert zodoende het misdrijf. Met andere woorden: de afspraak met de hoofddader dient om te voorkomen dat hem de moed in de schoenen zou zinken. Zo impliceert de toegezegde hulp na het feit hulp bij het feit.”

16 De Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 434.

17 HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964, NJ 2014/514 m.nt. Mevis en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1966.

18 HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:241 en HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:240.

19 Vgl. ook De Hullu, Materieel strafrecht, p. 434, voetnoot 12.