Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:207

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-02-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
18/00143
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:366, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Verstekverlening in cassatie. Toelaatbaarheid van kantoorbetekening van rechtsmiddelexploot (art. 63 lid 1 Rv) bestemd voor een persoon die woonplaats heeft buiten Nederland, in dit geval Curaçao, zowel bij toepasselijkheid als bij niet-toepasselijkheid van regelgeving inzake digitaal procederen (KEI).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

18/00143

mr. G.R.B. van Peursem

23 februari 2018

Conclusie in de zaak van:

[eiseres] ,

(hierna: [eiseres]),

eiser tot cassatie,

adv. mrs. D.A. van der Kooij en A.E.H. van der Voort Maarschalk,

tegen

Carigna Investments N.V.,

(hierna: Carigna),

verweerster in cassatie,

niet verschenen.

1 Procesverloop

1.1

Met een op 10 januari 2018 bij de Hoge Raad ingediende procesinleiding heeft [eiseres] cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam van 10 oktober 2017, uitgesproken in de procedure tussen Carigna en [eiseres].

1.2

Blijkens de procesinleiding is Carigna gevestigd en kantoorhoudende te Curaçao. Verder wordt daarin omtrent het verschijnen in cassatie door Carigna vermeld dat zij ten laatste kan verschijnen op 9 februari 2018, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad.

1.3

De procesinleiding en het door de Hoge Raad verstrekte oproepingsbericht zijn op 12 januari 2018 bij deurwaardersexploot op de voet van art. 63 Rv betekend ten kantore van advocaat mr. R.M.T. van den Bosch (Conway & Partners), kantoorhoudende te Rotterdam, de gekozen woonplaats van Carigna in hoger beroep.

1.4

De zaak heeft voor het eerst bij de Hoge Raad gediend ter rolzitting van vrijdag 16 februari 2018. Op dat moment had zich nog geen advocaat bij de Hoge Raad voor Carigna gesteld en dat is ook tot op de datum waarop deze conclusie wordt genomen niet gebeurd. Daarmee doet zich de vraag voor of tegen Carigna verstek kan worden verleend.

2 Verstekbeoordeling

2.1

In de onderhavige zaak is de bekende woonplaats van Carigna gelegen in Curaçao. De betekening van stukken in het verkeer tussen Nederland en Curaçao is geen internationale, maar een “interregionale” betekening, die in beginsel plaatsvindt overeenkomstig art. 55 Rv1. Het Haags Betekeningsverdrag2 is voor Curacao niet in werking getreden3 en beheerst bovendien niet het onderlinge verkeer tussen Nederland en Curaçao4. Ook het Haags Rechtsvorderingsverdrag beheerst niet de betekening van stukken in het onderlinge verkeer tussen Nederland en Curaçao5. De Betekeningsverordening II6 is evenmin van toepassing op Curaçao, dat geen deel uitmaakt van de Europese Unie7. Er zijn voor zover ik heb kunnen nagaan geen andere (supranationale) regelingen die het onderlinge verkeer tussen Nederland en Curaçao beheersen.

2.2

Dat roept de vraag op of kantoorbetekening op grond van art. 63 Rv mogelijk is in gevallen waarin sprake is van een verwerende partij die is gevestigd in een land ten aanzien waarvan geen supranationale regelingen op het gebied van betekening gelden.

2.3

Ik meen dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord om de volgende redenen.

2.4

In het arrest TSM/Geisseler8 oordeelde de Hoge Raad dat, indien de verwerende partij woonplaats of werkelijk verblijf heeft in een land dat enkel partij is bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, welk verdrag niet beoogt wijziging te brengen in de wettelijke bepalingen van verdragsstaten die gelden met betrekking tot de wijze waarop processtukken ter kennis van in het buitenland wonende partijen worden gebracht, het exploot op grond van art. 63 Rv kan worden gedaan aan de laatstelijk gekozen woonplaats. Ter motivering heeft de Hoge Raad daartoe verwezen naar de parlementaire geschiedenis bij de invoering van de voorlopers van art. 63 Rv9, waarin is opgenomen10:

“Allereerst biedt deze wijze van dagvaarding het voordeel van tijdwinst wanneer degene, voor wie de dagvaarding bestemd is, geen bekende woon- of verblijfplaats meer heeft of in het buitenland woont. (…) In de tweede plaats wordt op deze wijze een grotere waarborg geschapen dat de dagvaarding ook werkelijk tijdig degene bereikt, voor wie zij is bestemd, in het geval van onbekende woonplaats of woonplaats in het buitenland. Men mag immers aannemen dat de betreffende procureur wel over een adres van de betrokkene beschikt of dit gemakkelijk zal kunnen achterhalen.”

2.5

In de literatuur is uit dit arrest afgeleid dat betekening op grond van art. 63 Rv ook mogelijk is in gevallen waarin de verwerende partij woonplaats heeft in een land dat geen partij is bij een betekeningsverdrag11. Dat lijkt mij juist, nu het geval waarin een verdrag van toepassing is dat niet beoogt wijziging aan te brengen in het nationale betekeningsregime niet wezenlijk afwijkt van het geval waarin er geen verdrag van toepassing is. In beide gevallen gelden immers de nationale regels voor betekening.

2.6

Verder blijkt uit het hiervoor geciteerde uit de parlementaire geschiedenis dat de wetgever kantoorbetekening ziet als een verbetering ten opzichte van de betekening ten parkette. Naar mag worden aangenomen geldt ditzelfde voor betekening aan het Kabinet van de Gevolmachtigd Minister van Curaçao op de voet van art. 55 lid 1 Rv.

2.7

Bij arrest van 7 juli 2017 in de zaak HRC/RKA12 heeft de Hoge Raad de vraag beantwoord of zijn rechtspraak over de verhouding tussen enerzijds de Betekeningsverordening II en het Haags Betekeningsverdrag en anderzijds art. 63 lid 1 Rv en art. 115 (oud) Rv bij de invoering van digitaal procederen haar werking heeft behouden (rov. 2.1.3). Geoordeeld is dat ook onder het sinds 1 maart 2017 geldende (digitale proces)recht (bij de Hoge Raad) een exploot op de voet van art. 63 lid 1 Rv kan worden uitgebracht door middel van een kantoorbetekening in gevallen waarin degene voor wie het stuk is bestemd een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een lidstaat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is, dan wel in een (al dan niet in Europa gelegen) staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag (rov. 2.2.6).

Waar op grond van dit arrest de mogelijkheid van kantoorbetekening op grond van art. 63 Rv (ook na invoering van digitaal procederen) onverkort geldt in gevallen die worden beheerst door het Haags Betekeningsverdrag of de Betekeningsverordening II, biedt dit steun voor de gedachte dat dit ook – en misschien zelfs des te meer – zou moeten gelden voor gevallen waarin de regeling van art. 63 Rv níet interfereert met supranationale regelingen.

2.8

Ik wijs er daarbij op dat bij de invoering van het huidige art. 115 Rv dit in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt13:

“Voor zowel het eerste als het tweede lid geldt vanzelfsprekend dat als de verweerder in Nederland (tijdelijk) verblijft of in Nederland zijn woonplaats/vestiging heeft gekozen (bijvoorbeeld bij zijn advocaat), dat hij in Nederland kan worden opgeroepen op grond van de regels die in Nederland gelden. Dit artikel ziet (net als het huidige artikel 115) alleen op die situatie waarin het oproepingsbericht niet in Nederland aan de verweerder in persoon of aan de door hem gekozen woonplaats is bezorgd of betekend.”

2.9

Uit dit citaat blijkt de duidelijke bedoeling van de wetgever om art. 63 Rv ook te laten gelden in een geval als het onderhavige, waarop art. 115 lid 2 Rv (nieuw)14 van toepassing is.

2.10

Ook in de literatuur is aangenomen dat betekening in afwijking van art. 55 Rv kan plaatsvinden op grond van art. 63 Rv15.

2.11

Bij het voorgaande teken ik aan dat steeds bij kantoorbetekening op grond van art. 63 Rv in het geval van een digitale procedure geldt dat de rechter de door de Hoge Raad geformuleerde aandachtspunten bij verstekverlening in acht zal dienen te nemen16.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verstekverlening tegen verweerster in cassatie.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 M. Freudenthal, Grensoverschrijdende betekening in burgerlijk en handelszaken, 2011, p. 18 (voetnoot 17). Vgl. HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1059, NJ 2017/255, rov. 3.4.4.

2 Verdrag van 15 november 1965, Trb. 1966, 91, en 1969, 55.

3 Zie https://verdragenbank.overheid.nl/nl/Treaty/Details/004235.html.

4 HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1059, NJ 2017/255, rov. 3.4.2.

5 Idem, rov. 3.4.3.

6 Verordening EG nr. 1393/2007 van het Europese Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken.

7 De verdragen van de Europese Unie zijn alleen geratificeerd voor het Europese deel van het Koninkrijk: https://verdragenbank.overheid.nl/nl/Verdrag/Details/008490 (VWEU); https://verdragenbank.overheid.nl/nl/Verdrag/Details/004918 (VEU); vgl. voor de constitutionele details ook deze brochure van het Ministerie van Buitenlandse Zaken: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2015/06/05/het-koninkrijk-der-nederlanden-een-koninkrijk-vier-landen-europees-en-caribisch (p. 3 onder het kopje “Europese Unie” met een uiteenzetting van de precieze nuances).

8 HR 12 mei 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC2496, NJ 1989/678.

9 De artikelen 343 lid 1 Rv (voor het hoger beroep) en art. 307 lid 5 Rv (voor cassatie). Bij de herziening van het Burgerlijk Procesrecht in 2002 zijn deze bepalingen samengevoegd tot het huidige art. 63 Rv, zie Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 214.

10 Kamerstukken II 1982/83, 18052, nr. 3, p. 11-12.

11 A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 63 Rv, aant. 4.

12 HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1278, NJ 2017/283 m.nt. A.I.M. van Mierlo (HRC/RKA).

13 Kamerstukken II 2015/16, 34212, nr. 6 (nota van wijziging), p. 9.

14 Voor zover van belang luidt dit artikel: “Indien (…) de verweerder noch in Nederland, noch in een Staat als bedoeld in het eerste lid of in een Staat als bedoeld in voormeld Verdrag, maar in een andere staat een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft, is de termijn om te verschijnen in afwijking van artikel 30a, derde lid, onder c, minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden. Deze termijn vangt aan na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter (…)”.

15 M. Freudenthal, Grensoverschrijdende betekening in burgerlijk en handelszaken, 2011, p. 21.

16 HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1278, NJ 2017/283 m.nt. A.I.M. van Mierlo (HRC/RKA), rov. 2.2.7.