Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:195

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-01-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
16/01927
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:332
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitvoer cocaïne en hasj naar Groot-Brittannië. Afwijzing getuigenverzoek. Verzoek is gedaan na ontvangst uitgewerkt vonnis, dat pas beschikbaar is gekomen na verstrijken termijn voor indienen appelschriftuur. Toepasselijke maatstaf? HR: art. 81.1 RO. CAG: Hof heeft kennelijk o.g.v. art. 418.3 Sv noodzaakcriterium toepasselijk verklaard en afwijzing van het verzoek gebaseerd op de grond dat verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Samenhang met 16/01928.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/01927

Zitting: 23 januari 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 18 maart 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, met aftrek.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/01928. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld. Hiertoe heeft mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4 Het eerste middel

4.1.

Het eerste middel klaagt dat het hof bewezenverklaring van – kort gezegd - het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied brengen van cocaïne niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed althans onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.

4.2.

Het hof heeft ten laste van de verdachte het volgende bewezenverklaard:

“hij op 30 juni 2011, Stiens, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland, te weten naar Groot-Brittannië, heeft gebracht en vervoerd (ongeveer) 6,76 kilogram cocaïne en 350 kilogram van een materiaal bevattende hasjiesj/hennephars, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1 en zijnde hasjiesj/hennephars een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

4.3.

Het hof heeft de bewezenverklaring – voor zover relevant – als volgt (nader) gemotiveerd:

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

(…)

Betrouwbaarheid verklaringen van [betrokkene 1]

Verklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid.

Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd. Het hof stelt vast dat de bij verschillende instanties — in Engeland en Nederland bij politie, rechter-commissaris en raadsheer- commissaris - afgelegde verklaringen van [betrokkene 1] onderling verschillen vertonen. Daarin en ook het gegeven dat [betrokkene 1] de positie van medeverdachte inneemt, vindt het hof aanleiding de verklaringen met behoedzaamheid te beschouwen zoals hierna wordt weergegeven.

Het hof stelt ook vast dat [betrokkene 1] verklaringen op punten gedetailleerder worden naar mate de tijd vordert. Daarvoor kan evenwel verklaring worden gevonden in de omstandigheid dat [betrokkene 1] - die in hoger beroep als getuige tot tweemaal toe werd gehoord - in de loop van de verschillende procedures telkens op details wordt doorgevraagd naar aanleiding van hetgeen anderen inmiddels hebben verklaard en het onderzoek in Nederland zich, anders dan het onderzoek in Engeland, zich met name heeft gericht op de rol die verdachte heeft gehad bij het transport van drugs naar Engeland.

In reactie op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd merkt het hof op dat niet alle door hem aangehaalde verschillen in de verklaringen zonder meer betrekking hebben op het onderhavige transport, nu deze verschillen geplaatst kunnen worden in het kader van eerder uitgevoerde transporten. Daarnaast kan de opmerking van [betrokkene 1] , dat hij nooit op verdachtes bedrijf is geweest, zeer wel betrekking hebben op andere bedrijven van verdachte, nu uit het dossier niet blijkt van een te Stiens gevestigd bedrijf, doch uit het dossier wel volgt dat verdachte toentertijd bemoeienis heeft gehad met de in Leeuwarden gevestigde bedrijven ‘ [A] B.V.’ en ‘ [B] B.V.’. Voorts laten de verschillen zich verklaren door het tijdsverloop in die zin dat dit van invloed is op de exactheid van een herinnering

[betrokkene 1] heeft na aanvankelijk te hebben ontkend, belastend over zichzelf verklaard. Over de wijze waarop zijn verklaringen tot stand zijn gekomen heeft [betrokkene 1] uitleg gegeven. [betrokkene 1] lijkt zijn eigen aandeel in het verdachte ten laste gelegde drugstransport, in die zin af te zwakken dat hij daarvoor niet alleen verantwoordelijk is. Zijn verklaringen omtrent het drugstransport en de voorbereiding daarvan zijn in de kern evenwel consistent.

De verklaringen worden op essentiële onderdelen ondersteund door andere, onafhankelijk van [betrokkene 1] bestaande, bewijsmiddelen. Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder als volgt.

Uit het dossier volgt dat [betrokkene 1] herhaaldelijk heeft verklaard dat hij met verdachte in contact is gekomen via [betrokkene 2] . Blijkens de verklaringen van [betrokkene 1] heeft verdachte de loods in Stiens gehuurd, alsmede de in Engeland onderschepte oplegger bij [C] gekocht en opgehaald. [betrokkene 1] verklaart dat aan deze oplegger in de loods van verdachte aanpassingen verricht. Reeds in de eerste verklaring heeft [betrokkene 1] aangegeven dat de drugs in de oplegger zijn gestopt door verdachte, in - zo begrijpt het hof uit zijn verklaring - het bijzijn van [betrokkene 1] , hetgeen [betrokkene 1] zowel bij de rechtercommissaris als bij de raadsheer-commissaris telkens heeft herhaald. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij samen met verdachte de lading voor in de vrachtwagen heeft uitgezocht. Voorts heeft [betrokkene 1] meermalen verklaard dat hij een extra telefoontoestel heeft meegekregen van verdachte, waarmee hij contact heeft gehad met verdachte, alsook met [betrokkene 2] . Deze telefoon heeft [betrokkene 1] weggegooid nadat hij is aangehouden. Blijkens de verklaringen van [betrokkene 1] is voorafgaand aan het transport afgesproken dat verdachte, al dan niet samen met [betrokkene 2] , zijn vrouw financieel zou blijven ondersteunen en voor een goede advocaat zou zorgen als hij aangehouden zou worden. Omdat verdachte zijn afspraken op dit punt niet is nagekomen, heeft [betrokkene 1] verdachte niet langer de hand boven het hoofd willen houden, aldus de verklaringen van [betrokkene 1] .

Het hof is van oordeel dat met betrekking tot de aanschaf van de oplegger voornoemde verklaringen ondersteund worden door de verklaring van [betrokkene 3] en verdachtes eigen verklaring. [betrokkene 3] was in- en verkoper bij [C] BV in IJsselmuiden. Uit de verklaring van die getuige volgt dat verdachte twee maal een oplegger bij hem heeft gekocht en dat zulks is gebeurd ten behoeve van [D] . De koop van de tweede oplegger was op 8 april 2011. Die oplegger was voorzien van kenteken [AA-00-BB] . Op 6 mei 2011 is deze oplegger, aldus [betrokkene 3] , opgehaald en contant betaald. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij twee opleggers bij [C] heeft opgehaald en dat hij ze heeft betaald. Uit het dossier volgt dat de bovengenoemde oplegger een daarvan was en ook dat verdachte voor het ophalen van die opleggers telkens vrachtauto’s/trekkers huurde. Zijn verklaring ter zitting van het hof dat hij ze niet zelf maar door een ander liet besturen komt overeen met hetgeen de verhuurder van die trekkers daarover verklaart. Verdachte bevestigt dat hij de huurder was van de loods in Stiens waarin aan de oplegger met het kenteken [AA-00-BB] werkzaamheden werden verricht. Verdachte verklaart zelf werkzaamheden aan de oplegger te hebben verricht en bij werkzaamheden van anderen hieraan aanwezig te zijn geweest. Dat in het bijzijn van en door - onder meer - verdachte in zijn loods aan de oplegger is gewerkt, zoals [betrokkene 1] heeft verklaard, volgt ook uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .

[getuige 1] heeft verklaard dat verdachte vanaf 1 februari 2011 de loods heeft gehuurd, waarbij het opmerkelijk is dat de eerste twee maanden, tot april 2011, amper activiteiten waren rondom de loods en verdachte vlak voor — zo begrijpt het hof — de zomer van 2011 gestopt is met het betalen van de huur. In de door verdachte gehuurde loods werden vlak voor de inzet van voornoemde oplegger aan deze oplegger ingrijpende aanpassingen gedaan, nu de koelbak — aldus de verklaring van [getuige 1] — los is gehaald van het onderstel van de oplegger met het kenteken [AA-00-BB] (het hof begrijpt: [AA-00-BB] ). [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte hem vertelde dat ze de trailer aan het ombouwen waren en dat [getuige 1] verdachte gedurende deze periode, gekleed in overall, bij de loods heeft gesproken waarbij verdachte heeft gezegd dat de trailer constructief aangepast werd. In dit kader hebben zowel getuige [getuige 1] als getuige [getuige 3] verklaard dat zij lasapparatuur en ijzerslijpsel in de loods hebben zien liggen. [getuige 3] heeft voorts bij de politie aangegeven dat er aan de trailer was gelast en er flexwerkzaamheden aan de trailer waren verricht. Hij heeft verse lasnaden tussen het chassis en de koelbak van de oplegger waargenomen. Dit komt overeen met de verklaringen van [betrokkene 1] en de daadwerkelijk door de Engelse agenten aangetroffen palletlocker, waarin de drugs verstopt zaten. Dat er werkzaamheden werden uitgevoerd waarbij enige bemoeienis of inmenging niet op prijs werd gesteld, blijkt ook uit [getuige 2] ’s verklaring, inhoudende dat de roldeur van de loods nooit volledig openging, de ramen geblindeerd waren en dat hij van de mensen niet in de loods mocht komen. Dat de ramen geblindeerd waren, wordt ondersteund door verdachtes ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring dat de luxaflex van zijn loods dicht waren.

Voorts blijkt uit de verklaring van [betrokkene 4] in samenhang met het nader door de politie gedane onderzoek dat verdachte op of rond 20 juni 2011 samen met [betrokkene 1] , bij [betrokkene 1] thuis op internet naar ladingen voor in de vrachtwagen heeft gekeken. De verklaring van [betrokkene 1] wordt ook op dit punt ondersteund.

Ten slotte wordt het door [betrokkene 1] gestelde niet nakomen van afspraken door verdachte, ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 5] , [betrokkene 4] en haar moeder [betrokkene 6] , tevens de toenmalige echtgenote van [betrokkene 1] . [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben in dit verband verklaard dat zij verdachte hebben opgezocht omdat [betrokkene 6] geld van verdachte zou moeten krijgen teneinde te kunnen voorzien in haar levensonderhoud. Zij verklaren ook dat daadwerkelijk door verdachte geld is gegeven. Dat [betrokkene 6] en [betrokkene 5] diverse keren bij verdachte zijn geweest wordt ondersteund door objectief bewijs in de vorm van de door de politie gedane observaties. Verdachte heeft ook ter zitting van het hof verklaard betalingen aan [betrokkene 6] te hebben gedaan. Het hof stelt vast dat verdachte over de achtergrond van de betalingen wisselend heeft verklaard. Het hof is van oordeel dat de door verdachte gegeven wisselende verklaringen over deze betalingen in strijd zijn met hetgeen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] daarover verklaren, dat deze geen steun vinden in het dossier en bovendien oncontroleerbaar zijn: mitsdien worden deze verklaringen van verdachte als ongeloofwaardig terzijde gesteld.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 1] ondersteund worden door onafhankelijke en uit eigen waarnemingen bestaande verklaringen van andere getuigen, zodat geen sprake is van een zogenoemde ‘unus testis’-situatie. Het hof acht de verklaringen van [betrokkene 1] in het verlengde hiervan en het hiervoor overwogene in aanmerking genomen zodanig betrouwbaar en geloofwaardig dat zij bijdragen in het bewijs. De hiertegenover gestelde verklaring van verdachte, dat hij slechts als eenvoudige reparateur van de koeloplegger opgetreden is, acht het hof op grond van de reeds aangehaalde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, niet aannemelijk. Het hof verwerpt derhalve de verweren van de verdediging.

Medeplegen

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden aangemerkt, indien vast is komen te staan dat bij het begaan van het feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Het hof stelt vast dat verdachte op grond van de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen aangemerkt kan worden als degene die voorafgaand aan het drugstransport voor de oplegger heeft gezorgd door hem te kopen en later op te halen, en aanwezig is geweest bij de laswerkzaamheden die in de door hem gehuurde loods aan deze oplegger zijn verricht. Daarnaast is verdachte betrokken geweest bij het uitzoeken van de legale lading voor het drugstransport, alsmede bij het plaatsen van de drugs in de oplegger in de dagen voordat de oplegger door [betrokkene 1] naar Engeland werd gebracht. Tijdens het transport heeft verdachte de rol van contactpersoon voor de chauffeur vervuld. Verdachte heeft door zijn betrokkenheid een essentiële rol vervuld die heeft bijgedragen aan de gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit, in het bijzonder de uitvoer van 350 kilogram hennephars en 6,76 kilogram cocaïne. De materiële bijdrage waar deze rol binnen het geheel uit heeft bestaan, is naar het oordeel van het hof aanzienlijk en intensief en daarmee van voldoende gewicht geweest om te spreken van medeplegen. Dat deze rol zich met name voorafgaand aan het daadwerkelijke overbrengen naar Engeland heeft afgespeeld, doet aan het voorgaande niet af.”

4.4.

Uit de toelichting op het middel blijkt dat in het bijzonder wordt geklaagd dat niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat verdachte opzettelijk cocaïne buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (art. 2 onder A jo. 10 lid 5 jo. 13 lid 2 Opiumwet). Over het opzettelijk buiten het grondgebied brengen van de hasjiesj en hennephars wordt niet geklaagd. Kortheidshalve verwijs ik naar de door het hof in de aanvulling van het arrest van 3 november 2016 opgenomen bewijsmiddelen. Het hof heeft, hoewel het arrest een uitvoerige bewijsmotivering inhoudt, geen (nadere) bewijsoverweging gewijd aan het bewezenverklaarde opzet. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de verdachte de wetenschap en derhalve het vereiste (voorwaardelijk) opzet ontbrak op het in vereniging buiten Nederland brengen van cocaïne. Ik kan dit niet volgen. Immers, uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt onder meer dat in de palletlocker van de oplegger door de Britse opsporingsautoriteiten cocaïne is aangetroffen (bewijsmiddel 8). Getuige [betrokkene 1] verklaart daarover dat de verdachte hem heeft gevraagd om naar Engeland te rijden met een oplegger welke verdachte had aangeschaft. Voorts verklaart [betrokkene 1] dat de verdachte samen met een ander degene is geweest die de partij verdovende middelen in de oplegger heeft gestopt daags voordat [betrokkene 1] naar Engeland zou vertrekken (bewijsmiddel 9). In de bewijsmiddelen ligt derhalve besloten de verdachte wetenschap had van de in de oplegger verstopte verdovende middelen, omdat hij die, al dan niet met een ander, zelf in de oplegger heeft verstopt. Uit deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat de verdachte zich minstens willens en wetens aan de aanmerkelijke kans heeft blootgesteld dat de verdovende middelen, waaronder de cocaïne, buiten het grondgebied van Nederland werden gebracht. Voor de bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet in het kader van de Opiumwet is niet noodzakelijk, zoals de steller van het middel meent, dat onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende aangetroffen verdovende middelen.1 Het in casu aanwezige voorwaardelijk opzet omvat alle drugs, zou men samengevat kunnen wegen. Dat getuige [betrokkene 1] niet wist – in de vorm van zekerheidsbewustzijn - dat er naast de hasjiesj en hennephars ook cocaïne in de lading zat verstopt, doet daaraan niet af, ook niet voor het bewezenverklaarde medeplegen. Gezien het voorgaande is het oordeel van het hof met voldoende redenen omkleed.

4.5.

Het middel faalt.

5 Het tweede middel

5.1.

Het tweede middel klaagt dat het hof het verzoek tot het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] op grond van een onjuiste maatstaf, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen.

5.2.

Het hof heeft naar aanleiding van de getuigenverzoeken van de verdediging in zijn tussenarrest van 11 september 2014 als volgt overwogen en beslist:

De door de verdediging ingediende verzoeken

Verdachte is op 28 maart 2014 veroordeeld door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. Tegen dit vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld op 1 april 2014. Door de voormalige raadsman, mr. J.H. van Dijk is op 15 april 2014 appelschriftuur ingediend met onderzoekswensen. De huidige raadsman, mr. W.R. Jonk heeft middels een faxbericht d.d. 15 augustus 2014 deze onderzoekswensen aangevuld. De navolgende onderzoekswensen zijn thans aan de orde.

Het horen van de getuigen:

(…)

(aanvulling gedaan bij faxbericht)

10. [betrokkene 1]

11. [getuige 2] ;

(…)

Ter toelichting wordt opgemerkt dat de verdediging deze getuigen wenst te horen om - kort gezegd - de volgende reden:

(…)

(Getuigen gedaan bij aanvullend faxbericht van opvolgend raadsman)

[getuige 1] omdat de verdediging hem wenst te ondervragen over wanneer deze getuige heeft gehoord dat er mogelijk iets gaande was in de loods van verdachte, wat hij destijds in de loods heeft aangetroffen en op welke manier de werkzaamheden aan de trailer werden uitgevoerd.

[getuige 2] omdat hij de overbuurman was van de loods en de verdediging hem wil ondervragen omtrent hetgeen hij heeft waargenomen bij die loods.

(…)

Tijdens de zitting heeft de raadsman voornoemde onderzoekswensen gehandhaafd en heeft hij deze verzoeken nader toegelicht.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof ten aanzien van de verdedigingswensen gevorderd dat het hof de verzoeken tot het oproepen van de onder 4, 5, 8 en 9 genoemde getuigen zal toewijzen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verzoeken tot het oproepen van de onder 1, 2, 3, 6, 7, 10, 11, 12 en 13 genoemde getuigen zal afwijzen, omdat het horen van die personen niet in het belang van de verdediging kan worden geacht en voor wat betreft de bij aanvullende fax verzochte getuigen, het horen niet noodzakelijk is.

(…)

Maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken: verdedigingsbelang of noodzaak.

Met inachtneming van recente jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496), laat de door het hof gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken tot het horen van (niet verschenen) getuigen of deskundigen in hoger beroep zich in het kort als volgt weergeven.

1. Bij tijdig (bij appelschriftuur) ingediende verzoeken (in de zin van artikel 410 lid 3 jo. lid 1 van het Wetboek van Strafvordering) gaat het criterium van het 'verdedigingsbelang' op, doordat artikel 264 van het Wetboek van Strafvordering uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

2. Oproeping van getuigen of deskundigen kan in een dergelijk geval - door van toepassing verklaring van artikel 288 van het Wetboek van Strafvordering (zie artikel 418 lid 1 van Wetboek van Strafvordering) - worden geweigerd indien:

2.1.

onaannemelijk is dat de getuige/deskundige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen;

2.2.

het - kort gezegd - gegronde vermoeden bestaat van het gevaar van schade aan de gezondheid/veiligheid van de getuige/deskundige;

2.3.

redelijkerwijs valt aan te nemen dat het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad.

3. Bij niet bij appelschriftuur ingediende verzoeken vormt het 'noodzakelijkheidscriterium' (in de zin van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering) het beoordelingskader waarbinnen verzoeken dienen te worden beoordeeld (artikel 418 lid 3 jo. artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering).

4. In het geval de appelschriftuur met verzoeken later wordt ingediend dan in de artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn, maar wel binnen 14 dagen nadat het uitgewerkte vonnis door de verdediging is ontvangen, is het 'noodzakelijkheidscriterium' van toepassing. Maar - afhankelijk van de omstandigheden van het geval - kan aan het 'noodzakelijkheidscriterium' een zodanige invulling worden gegeven dat er geen wezenlijk verschil is met het resultaat dat bij de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt (HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626).

5. Het 'noodzakelijkheidscriterium' fungeert eveneens als maatstaf indien de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden en de getuige/de deskundige om wiens verhoor wordt verzocht ten overstaan van een rechter (rechter-commissaris of een rechter ter zitting) is gehoord (artikel 418 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).

6. Voor wat betreft gevraagd (nader) deskundigenonderzoek toetst het hof of het belang van de verdediging - voorzover daarvan sprake is - tegen de achtergrond van een eerlijke procesvoering en het belang van het onderzoek, (nader) deskundigenonderzoek noodzakelijk doen zijn. Bij die afweging dienen bij ieder gevraagd deskundigenonderzoek de relevante specifieke omstandigheden te worden betrokken (HR 19 juni 2007, NJ 2008, 169).

Beoordeling van de verzoeken

(…)

Aanvullende verzoeken:

Het hof stelt vast dat het door de raadsman per faxbericht van 15 augustus 2014 gedane verzoek tot het horen van getuigen, te weten de getuigen onder 10, 11, 12 en 13, gelet op de datum van ontvangst van het verzoek, beoordeeld dient te worden aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.

Het verzoek onder 10 en 11.

Het hof wijst af het verzoek tot het horen van de getuigen genoemd onder 10 en 11, te weten [getuige 1] en [getuige 2]. De raadsman heeft -onvoldoende feitelijk en concreet onderbouwd waarom het horen van genoemde getuigen noodzakelijk is voor een beoordeling van het verdachte tenlaste gelegde. De door hem omschreven van de getuigen te verkrijgen informatie is naar het oordeel van het hof niet meer dan algemeen van aard en onvoldoende toegesneden op het verdachte verweten feit. Van de noodzaak tot het horen van deze getuigen is het hof evenmin gebleken.

Blijkens de aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 augustus 2014 gehechte pleitnotitie is - voor zover relevant - het volgende aangevoerd:

“8. Bij appelschriftuur van 15 april jl. heeft de raadsman in eerste aanleg grieven geuit tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, alsmede een aantal onderzoekswensen geuit. De verdediging handhaaft die geuite onderzoekswensen en heeft deze tevens bij fax van 15 augustus jl., welke in afschrift aan de voorzitter van uw hof is gezonden, aangevuld. Zoals in eerder genoemde fax aangegeven zullen de aanvullende onderzoekswensen beoordeeld dienen te worden volgens het noodzakelijkheidscriterium, echter gelet op de daar genoemde jurisprudentie, meent de verdediging dat toepassing daarvan niet wezenlijk kan verschillen van toepassing van het verdedigingsbelang als criterium.”

De in de pleitnotitie bedoelde fax van 15 augustus 2014 houdt – voor zover relevant – nog het volgende in:

“1. [betrokkene 1] , geboren [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] , wonende aan de [b-straat 1] te [woonplaats]

Motivering:

Deze getuige betreft de verhuurder van de loods in Stiens. Hij heeft op 10 december 2012 een verklaring afgelegd over zijn contacten met cliënt, de verhuur van de loods en de keren dat hij in de loods is wezen kijken. De getuige heeft onder meer verklaard dat hij van de overbuurman van de loods, [getuige 2] , hoorde dat er mogelijk iets gaande was in de loods van cliënt. De verdediging wenst hem te bevragen wanneer dit was, wat [getuige 2] hem vertelde, of hij cliënt daarmee heeft geconfronteerd en wat zijn reactie was. Vervolgens zou de getuige zijn gaan kijken. De verdediging wenst hem te vragen wat hij aantrof of hij daarover nog met [getuige 2] heeft gesproken, of hij in de trailer heeft gekeken. Vervolgens zou de getuige een tweede keer zijn gaan kijken, waarbij hij [verdachte] heeft gesproken. De verdediging wenst de getuige te vragen hoe [verdachte] reageerde op zijn komst en de mededeling dat er geruchten waren over illegale activiteiten. Voorts wenst de verdediging te vragen waar aan de trailer de werkzaamheden plaatsvonden, of hij zeker is van de periode van 4 weken waarin aan de trailer werd gewerkt, wanneer deze 4 weken waren, of hij [verdachte] zelf aan de trailer heeft zien werken en alle overige vragen die de verdediging relevant en/of noodzakelijk acht.

2. [getuige 2] , geboren [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] , wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats]

Motivering:

Deze getuige heeft op 20 maart 2013 een verklaring afgelegd aan de politie en betreft de overbuurman van de loods in Stiens welke door cliënt werd gehuurd. De getuige heeft aan de politie een verklaring afgelegd welke gemakkelijk belastend kan worden uitgelegd. Hij verklaart immers over het blinderen van ramen, het maar gedeeltelijk openen van de roldeur, en het feit dat hij het niet vertrouwde. De verdediging wenst hem daarom vragen te stellen over hetgeen hij daadwerkelijk heeft waargenomen en waarop zijn gevoel nu precies gebaseerd was. Bovendien verklaart de getuige over meerdere trailers die in de loods werden gereden en een trailer die ’s nachts uit de loods werd gereden. De verdediging wenst hem hierover meer specifieke vragen te stellen. Met name wenst de verdediging te vragen hoe veel verschillende trailers hij heeft gezien, in welke periode dit was, met welke frequentie de trailers kwamen en gingen, of hij kon vaststellen dat er werkzaamheden aan de trailers plaatsvonden, of hij kon vaststellen welke werkzaamheden er plaatsvonden, in welke periode hij [getuige 1] inlichtte over zijn vermoeden dat er iets niet in de haak was, of hij weet wat [getuige 1] met die informatie heeft gedaan, in welke periode het een hele tijd stil was bij de loods en alle overige vragen die de verdediging relevant en/of noodzakelijk acht.

(…)

De bovenstaande verzoeken zijn niet gedaan bij appelschriftuur en zullen daarom volgens het noodzakelijkheidscriterium beoordeeld kunnen worden. Gelet echter op het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2007, NJ 2007/626, welke lijn is bevestigd in HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 dient de toepassing van het noodzaakcriterium hier niet wezenlijk te verschillen van het verdedigingsbelang als criterium, nu de verdediging nog altijd niet beschikt over de aanvulling op het verkort vonnis en cliënt bovendien na indien van de appelschriftuur van raadsman is gewisseld en er derhalve geen mogelijkheid was deze verzoeken eerder te doen, althans die beoordeeld te krijgen door het hof. ”

5.3.

Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. De Hoge Raad heeft in 2014 een overzichtsarrest gewezen ten behoeve van de beoordeling van verzoeken tot het oproepen van getuigen. Hieruit volgt – voor zover relevant – het volgende:

Aan te leggen maatstaven

Verdedigingsbelang

2.4.

In beginsel heeft de verdachte het recht om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht. Volgens het tegenwoordige Nederlandse stelsel van strafvordering kan de verdachte dat recht effectueren door zelf getuigen mee te brengen naar de terechtzitting. Voor het overige is hij aangewezen op het openbaar ministerie tot wiens taak het behoort getuigen op te roepen. Het openbaar ministerie kan weigeren te voldoen aan een door of namens de verdachte gedaan verzoek tot oproeping van getuigen. Door of namens de verdachte kan vervolgens ter terechtzitting het oordeel van de rechter over die weigering worden ingeroepen. Het openbaar ministerie - en in geval van diens weigering of verzuim de opgegeven getuigen op te roepen: de rechter - kan die oproeping weigeren op onder meer de grond dat de verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad (hierna ook aan te duiden als "verdedigingsbelang").

2.5.

In de rechtspraak en de doctrine wordt aangenomen dat die maatstaf het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.

2.6.

Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.

2.7.

Daaraan kan met het oog op het in de praktijk vaak voorkomende geval dat wordt verzocht om het horen van getuigen ter onderbouwing van een beroep op een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, nog het volgende worden toegevoegd. Bij zo een verweer wordt van de verdediging verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in die bepaling genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden, want alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. In lijn hiermee mag van de verdediging die met het oog op de onderbouwing van zo een verweer getuigen wenst te doen horen aan de hand van wier verklaringen de verdediging de vraag naar de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, worden gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom daartoe getuigen dienen te worden gehoord. Daarbij kan worden aangetekend dat in de regel het verdedigingsbelang zal ontbreken en afwijzing van het verzoek dus voor de hand ligt, indien het vormverzuim waarover de opgegeven getuigen zouden kunnen verklaren, niet kan leiden tot een in art. 359a Sv genoemd rechtsgevolg, bijvoorbeeld omdat het gaat om een vormverzuim dat niet onherstelbaar is of dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit.

2.9.

Omtrent de gevallen en de mate waarin een afwijzing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven, ook niet omtrent de vraag of onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld bij onvoorziene ontwikkelingen, eisen van een eerlijke procesvoering zich verzetten tegen een afwijzing. Wel zijn daarbij de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren van belang alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen.

(…)

2.59.

Wat betreft de beoordeling van verzoeken van de verdediging tot het oproepen van getuigen maakt de wet een strikt onderscheid naar gelang het verzoek wel of niet bij appelschriftuur is gedaan en is het noodzakelijkheidscriterium toepasselijk indien het verzoek niet bij appelschriftuur is gedaan. In HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 is geoordeeld dat naar de bewoordingen van de wettelijke maatstaven en volgens de invulling die daaraan in de jurisprudentie is gegeven, het noodzakelijkheidscriterium de rechter, in ieder geval in abstracto, een ruimere marge biedt om een verzoek niet te honoreren dan het criterium van het verdedigingsbelang. In dat arrest is dit onderscheid echter gerelativeerd in die zin dat ingeval de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken, zoals de aanvulling op het verkorte vonnis, de eis van een eerlijke procesvoering – tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist – meebrengt dat het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter die omstandigheid in hun afweging dienen te betrekken bij gebruikmaking van de wettelijk voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium. Dat kan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.

2.60.

In lijn met de relativering van dit onderscheid moet worden aangenomen dat onder omstandigheden van de verdachte ook niet kan worden gevergd dat hij voorafgaand aan de eerste terechtzitting in hoger beroep op de voet van art. 263-264 Sv getuigen aan de advocaat-generaal opgeeft, bijvoorbeeld indien in eerste aanleg een verkort vonnis is gewezen en de aanvulling daarop niet tijdig voor de verdachte beschikbaar is.”2

In 2017 heeft de Hoge Raad nog nadere beschouwingen gewijd aan de invulling van de beide criteria in het licht van de rechtspraak van het EHRM.3 Of het is aangewezen dat het noodzakelijkheidscriterium zodanig wordt ingevuld dat het niet wezenlijk verschilt van de toepassing van het verdedigingsbelang, hangt af van de omstandigheden van het geval, daaronder begrepen of de verdediging de appelrechter in hoger beroep daarop heeft gewezen.4 Voorts speelt de motivering van het verzoek een rol. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.5

5.4.

In de onderhavige zaak kan in cassatie het volgende worden vastgesteld:

(i) Op 1 april 2014 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het verkort vonnis van 28 maart 2014;

(ii) De verdediging heeft bij appelschriftuur van 16 april 20146 onderzoekswensen heeft opgegeven. Daarin zijn de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet opgegeven.

(iii) Op 13 augustus 2014 is het verkort vonnis aangevuld.7

(iv) Op 15 augustus 2014 heeft de verdediging per fax de advocaat-generaal (in CC aan de voorzitter van het hof) verzocht tot het oproepen van (onder meer) de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . In diezelfde fax wijst de verdediging op HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702;

(v) Blijkens het proces-verbaal van 28 augustus 2014 van de terechtzitting in hoger beroep en de daaraan gehechte pleitnotitie heeft de verdediging aldaar gepersisteerd in de getuigenverzoeken en wordt wederom op HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702 gewezen.

5.5.

In de onderhavige zaak is de aanvulling op het verkort arrest pas na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de appelschriftuur voor de verdachte beschikbaar gekomen. Derhalve is de uitzondering op de invulling van het noodzaakcriterium zoals hiervoor onder 5.3 uiteengezet van toepassing. Het hof heeft kennelijk op grond van art. 418 lid 3 Sv het noodzaakcriterium (terecht) toepasselijk verklaard.8 Zoals gezegd hangt het van de omstandigheden van het geval af of de invulling van dat noodzaakcriterium in wezen zal dienen neer te komen op de invulling door middel van verdedigingsbelang. Die omstandigheden zijn naar mijn mening in de onderhavige zaak aanwezig, mede omdat de verdediging - onder meer tijdens het onderzoek ter terechtzitting – het hof op de bedoelde uitzonderingssituatie heeft gewezen. Het hof heeft vervolgens de verzoeken tot het horen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (onder meer) afgewezen omdat “[d]e raadsman onvoldoende feitelijk en concreet [heeft] onderbouwd waarom het horen van genoemde getuigen noodzakelijk is voor een beoordeling van het verdachte ten laste gelegde. De door hem omschreven van de getuigen te verkrijgen informatie is naar het oordeel van het hof niet meer dan algemeen van aard en onvoldoende toegesneden op het verdachte verweten feit. Van de noodzaak tot het horen van deze getuigen is het hof evenmin gebleken.” Hierin ligt naar mijn mening besloten dat het hof, met inachtneming van de door de verdediging aan de verzoeken ten grondslag gelegde motivering, zijn afwijzing (mede) heeft gebaseerd op de grond dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad.9 En dat oordeel is naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Derhalve is de afwijzing van het verzoek toereikend gemotiveerd.

5.6.

Het middel faalt.

6. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vlg. HR 19 april 1988, NJ 1989/206. Zie tevens de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt (PHR:2015:2561) bij HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:107.

2 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496.

3 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219.

4 Vlg. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3188 en de bijbehorende conclusie van mijn ambtgenoot Machielse (PHR:2017:1364).

5 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219.

6 Ik laat in het midden of de appelschriftuur tijdig is ingediend. In de stukken van cassatie bevindt zich een appelschriftuur met een datumstempel van 16 april 2014. Blijkens het onder 5.2 weergegeven tussenarrest van het hof heeft het – kennelijk – wel de beschikking gehad over een op 15 april 2014 ingediend appelschriftuur. E.e.a. is echter, zoals hierna moge blijken, niet relevant voor de beoordeling van het middel.

7 De verdediging heeft blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 augustus 2014 gehechte pleitnotitie bepleit dat die aanvulling haar eerst op 25 augustus 2014 heeft bereikt.

8 Art. 418 lid 2 Sv is overigens niet van toepassing, omdat hoewel de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, de beide getuigen niet ter terechtzitting in eerste aanleg of door de rechter-commissaris zijn gehoord.

9 Vgl. HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1763.