Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:184

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-02-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
17/01275
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:877
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. WAM. Reikwijdte verplichte verzekeringsdekking art. 3 lid 1 WAM. Art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn (2009/103/EG). Ongeval door vorkheftruck in loods. Deelneming aan verkeer? HvJEU van 4 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk); HvJEU 28 november 2017, ECLI:EU:C:2017:908 (Rodrigues de Andrade); HvJEU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:1007 (Torreiro).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/01275

mr. P. Vlas

Zitting: 23 februari 2018

Aanvullende conclusie inzake:

Achmea Schadeverzekeringen N.V. h.o.d.n. Interpolis,

(hierna: Achmea)

tegen

1. [verweerster 1],

2. [verweerder 2],

3. [verweerster 3],

(hierna gezamenlijk: [verweerder])

1 Inleiding

1.1

Op 26 januari 2018 heb ik in deze zaak conclusie genomen, waarin ik heb geadviseerd tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU over de uitleg van het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ als bedoeld in art. 3, eerste alinea, van Richtlijn 2009/103/EG (hierna: de WAM-richtlijn). Na het nemen van mijn conclusie is mij gebleken dat het HvJEU op 28 november 2017 een prejudiciële beslissing over de uitleg van art. 3 WAM-richtlijn heeft gewezen op grond waarvan het stellen van de door mij voorgestelde vraag overbodig is geworden (zaak C-514/16, ECLI:EU:C:2017:908 (Rodrigues de Andrade), PbEU nr. C 32 van 29 januari 2018). Door deze prejudiciële beslissing is voor de onderhavige procedure in cassatie thans sprake van een ‘acte éclairé. Naar aanleiding van deze ontwikkeling heb ik op 5 februari 2018 verzocht een aanvullende conclusie te mogen nemen, welk verzoek door de Hoge Raad is ingewilligd.

1.2

Voor de feiten en het procesverloop van de onderhavige zaak, alsmede voor het juridisch kader verwijs ik naar mijn eerdere conclusie.

2 Aanvullende bespreking van het cassatiemiddel

2.1

In onderdeel 1.1 betoogt het middel dat het hof in rov.3.4.3 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van de verplichte verzekeringsdekking op grond van art. 3 lid 1 WAM.

2.2

Het hof heeft in rov. 3.4.3 geoordeeld dat sprake is van schade die ‘in het verkeer’ is ontstaan door een daarvoor verzekerd voertuig. Het hof heeft dit oordeel onderbouwd door te verwijzen naar het Vnuk-arrest van het HvJEU, waarin het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ aldus wordt uitgelegd dat het mede omvat ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’. Hierbij heeft het hof overwogen dat dit oordeel geldt zowel in het geval de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval als in het geval de vorkheftruck niet aan het rijden was. Zoals ik in 2.14 van mijn eerdere conclusie heb opgemerkt neemt het hof klaarblijkelijk tot uitgangspunt dat met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig niet langer behoeft te worden onderzocht of schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. In mijn eerdere conclusie heb ik opgemerkt dat het hof niet op grond van het Vnuk-arrest tot dit oordeel kon komen en dat gerede twijfel bestaat over de vraag op welke wijze het Vnuk-arrest moet worden uitgelegd.

2.3

Het HvJEU heeft in zijn reeds genoemde arrest van 28 november 2017 (Rodrigues de Andrade) nadere uitleg gegeven aan art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn.1 In deze zaak ging het om het volgende. Op een wijngaard in Portugal werd op een aflopend terrein in terrasvorm bestrijdingsmiddel op de wijnstokken aangebracht. Het bestrijdingsmiddel bevond zich in een reservoir vastgemaakt aan de achterkant van een landbouwtractor. De tractor stond stil op een vlak landweggetje, maar de motor draaide om de pomp aan te drijven voor het sproeien van het bestrijdingsmiddel. Door een combinatie van verschillende factoren (te weten (i) het gewicht van de tractor, (ii) de trillingen die de motor en de sproeier teweegbrachten en (iii) zware regenval) ontstond een aardverschuiving waardoor de tractor werd meegesleept, over de terrassen viel en één van de werknemers die op een lager gelegen wijngaard werkzaam was, dodelijk raakte. De weduwnaar van de betrokken werkneemster heeft onder meer tegen de verzekeringsmaatschappij, waarbij de eigenaar van de tractor een verzekering had afgesloten, een geding aangespannen ter verkrijging van schadevergoeding. In eerste aanleg heeft de Portugese rechter de vordering ten aanzien van de verzekeringsmaatschappij afgewezen op de grond dat de tractor in deze zaak niet betrokken was bij een verkeersongeval dat viel onder de dekking van de verplichte WAM-aansprakelijkheidsverzekering, aangezien het ongeval zich niet had voorgedaan in het kader van het gebruik van de betrokken tractor als verkeersmiddel. In hoger beroep heeft de Portugese rechter aan het HvJEU een prejudiciële vraag gesteld over de uitleg van art. 3, eerste alinea, Eerste richtlijn. Het HvJEU heeft in punt 25 van zijn arrest overwogen dat de verwijzende rechter:

‘in wezen (wenst) te vernemen of artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat onder het in deze bepaling bedoelde begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ een situatie valt waarin een tractor die op een landweg op een landgoed stilstond terwijl de motor draaide om een aan deze tractor bevestigde pomp van een bestrijdingsmiddelensproeier aan te drijven, werd meegesleurd bij een grondverschuiving die was veroorzaakt door een combinatie van factoren – te weten het gewicht van de tractor, de trillingen die door de motor van de tractor ontstonden, alsmede zware regenval – met als gevolg dat een persoon die op dat landgoed werkzaam was, is overleden’.

2.4

Het HvJEU heeft in zijn beslissing herhaald dat een landbouwtractor valt onder het begrip ‘voertuig’ als bedoeld in art. 1, punt 1, van de Eerste richtlijn, omdat het gaat om een ‘rij- of voertuig [dat] bestemd [is] om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en [dat] door een mechanische kracht [kan] worden gedreven’ (punt 28) en dat, zoals reeds in het Vnuk-arrest is beslist, deze definitie losstaat van het gebruik dat wordt gemaakt of kan worden gemaakt van het betrokken voertuig (punt 29). Ook herhaalt het Hof onder verwijzing naar het Vnuk-arrest dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ een autonoom begrip van Unierecht vormt en dat gestreefd wordt naar bescherming van slachtoffers (punten 31-33). Onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ valt elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie van dit voertuig (punt 34). De draagwijdte van dit begrip hangt niet af van het soort terrein waarop het motorrijtuig wordt gebruikt (punt 35-36). Het Hof benadrukt dat de motorrijtuigen bedoeld in art. 1, punt 1, van de Eerste richtlijn onafhankelijk van hun kenmerken bestemd zijn om gewoonlijk als vervoermiddel te dienen (punt 37), zodat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ ieder gebruik van een voertuig als vervoermiddel omvat (punt 38). Volgens het Hof sluit de omstandigheid dat een voertuig stilstond toen hiermee een ongeval plaatsvond, niet uit dat het gebruik van dat voertuig op dat moment kan vallen onder de functie ervan als vervoermiddel en is daarbij de vraag of de motor op het moment van het ongeval al of niet draaide overigens niet doorslaggevend (punt 39). Het Hof overweegt vervolgens:

‘40. Vervolgens moet met betrekking tot voertuigen die, (…), bestemd zijn om niet alleen gewoonlijk als vervoermiddel te worden gebruikt, maar in bepaalde omstandigheden ook als machine, worden bepaald of een dergelijk voertuig op het moment waarop het bij een ongeval betrokken raakte voornamelijk als vervoermiddel werd gebruikt, in welk geval het onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn kan vallen, of als machine, in welk geval het gebruik niet onder datzelfde begrip valt.

41. In het onderhavige geval volgt uit de door verwijzende rechterlijke instantie verstrekte gegevens dat de betrokken tractor toen daarmee een ongeval plaatsvond, in gebruik was als generator die de motorkracht voor een op de tractor aangebrachte pomp opwekte en dat daarmee een bestrijdingsmiddelensproeier in werking werd gesteld waarmee dit bestrijdingsmiddel op de wijnstokken van een landgoed werd aangebracht. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechterlijke instantie te verrichten verificaties, houdt een dergelijk gebruik dan ook voornamelijk verband met de functie van de tractor als machine en niet als vervoermiddel en valt het bijgevolg niet onder het begrip “deelneming aan het verkeer” in de zin van art. 3, lid 1, van de Eerste richtlijn.

42. Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat onder het in deze bepaling bedoelde begrip “deelneming aan het verkeer van voertuigen” niet valt een situatie waarin een ongeval met een landbouwtractor plaatsvindt terwijl de voornaamste functie van die tractor er op het moment van het ongeval niet in bestond om als vervoermiddel te dienen, maar om als machine de motorkracht op te wekken die nodig was om de pomp van een bestrijdingsmiddelensproeier aan te drijven’.

2.6

Uit deze prejudiciële beslissing van het HvJEU volgt dat het hof in het thans in cassatie bestreden arrest ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig niet behoeft te worden onderzocht of de schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Zoals volgt uit het arrest Rodrigues de Antrade is het immers met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig, zoals een vorkheftruck in de onderhavige zaak, van belang te onderzoeken of een dergelijk voertuig op het moment waarop het bij een ongeval betrokken raakte voornamelijk als vervoermiddel werd gebruikt of als machine. Alleen in het eerste geval valt het gebruik van het voertuig onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van art. 3 lid 1 WAM en valt daarmee het ongeval waarbij het voertuig betrokken was onder de dekking van de verplichte WAM aansprakelijkheidsverzekering.2

2.7

Gelet op het voorafgaande geeft het oordeel van het hof in rov. 3.4.3 dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ mede omvat ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’ en dat hierbij niet relevant is of de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 1.1 slaagt derhalve. Na vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing dient alsnog te worden vastgesteld of de vorkheftruck op het moment waarop deze bij het ongeval betrokken raakte voornamelijk als vervoermiddel werd gebruikt of als machine.

2.10

Onderdeel 1.2 behoeft geen behandeling. Ik verwijs naar nr. 2.19 van mijn eerdere conclusie.

2.11

Onderdeel 2 bevat een klacht over een ontoelaatbare verrassingsbeslissing (zie onder 2.21 van mijn eerdere conclusie). Gelet op het slagen van onderdeel 1.1 behoeft onderdeel 2 geen behandeling. Bij deze stand van zaken behoeft de veegklacht van onderdeel 3 evenmin bespreking.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het hof en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Strikt genomen ging het net als in het Vnuk-arrest om de uitleg van art. 3, lid 1, Richtlijn 72/166/EEG (de eerste WAM-richtlijn). Dit artikellid stemt overeen met art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn. Krachtens art. 29 van laatstgenoemde richtlijn is Richtlijn 72/166/EEG ingetrokken.

2 Zie in dit verband ook punten 32 en 33 van de prejudiciële beslissing van het HvJEU van 20 december 2017, zaak C-334/16, ECLI:EU:C:2017:1007 (Núñez Torreiro). In deze zaak kwam de vraag aan de orde of een ongeval met een militair terreinvoertuig op een militair oefenterrein viel onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van art. 3 WAM-richtlijn.