Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:183

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-02-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
17/00910
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:643, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Huwelijksgoederenrecht. Huwelijkse voorwaarden. Uitleg verrekenbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/00910

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 23 februari 2018

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

[verweerder] q.q.

Deze zaak heeft betrekking op de devolutieve werking van het appel en op de uitleg van een finaal verrekenbeding bij ontbinding van het huwelijk door overlijden.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het hof heeft vastgesteld in overweging 4.1.2. Deze houden, enigszins verkort weergegeven, het volgende in:

1.1.1.

Eiser tot cassatie (hierna: de man) is op 4 mei 2006 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [de vrouw] (hierna: de vrouw).

1.1.2.

De huwelijkse voorwaarden hielden onder meer in:

“(...)

Geen gemeenschap van goederen

Artikel 1.

Tussen de echtgenoten wordt iedere vermogensrechtelijke gemeenschap uitgesloten.

(...)

Kosten van de huishouding/inkomensbegrip

Artikel 4.

1. De kosten van de huishouding komen jaarlijks ten laste van de eigen inkomens van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan. (...)

4. De echtgenoot die in enig jaar meer aan de kosten van de huishouding heeft bijgedragen dan hij op grond van het hiervoor bepaalde verschuldigd is, heeft voor dat meerdere recht op vergoeding van de andere echtgenoot. Het recht op vergoeding vervalt wanneer de vergoeding niet binnen twee jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar is betaald of schriftelijk is gevorderd.

(...)

Verrekening bij ontbinding huwelijk door overlijden

Artikel 7.

1. Indien het huwelijk wordt ontbonden door het overlijden van één van de echtgenoten, zal er worden afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd.

(...)

3. Het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van de goederen en schulden die bij het bestaan van een algehele gemeenschap van goederen daartoe zouden hebben behoord of waarvan de waarde daarbij in aanmerking zou worden genomen.”

1.1.3.

In juni 2009 is bij de vrouw kanker gediagnosticeerd.

1.1.4.

De vrouw heeft laatstelijk bij testament, op 19 mei 2010 verleden voor notaris [de notaris] te Tilburg, over haar nalatenschap beschikt. In dit testament heeft zij haar dochter [betrokkene 1] , geboren uit een eerder huwelijk, benoemd tot haar enig erfgename.

1.1.5.

Op 11 juni 2012 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend. Daarna, eveneens in juni 2012, heeft de man de echtelijke woning verlaten.

1.1.6.

Op 11 september 2012 heeft de man een verweerschrift ingediend, tevens houdende een zelfstandig verzoek tot echtscheiding.

1.1.7.

Bij brief van 2 oktober 2012 heeft de advocaat van de vrouw de rechtbank verzocht de echtscheiding vervroegd uit te spreken, vanwege het feit dat de vrouw op dat moment ernstig ziek en mogelijk terminaal was. Op 22 oktober 2012 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken.

1.1.8.

Bij brief van 19 november 2012 is namens de vrouw aan de advocaat van de man verzocht te bevorderen dat deze de akte van berusting en het verzoek inschrijving zou invullen en ondertekenen, zodat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand kon plaatsvinden. In de brief was vermeld dat de vrouw de indicatie ‘terminaal’ had en nog slechts zeer kort te leven had. De man heeft geen medewerking verleend.

1.1.9.

Op 10 december 2012 is de vrouw overleden. Haar enige erfgename, haar dochter [betrokkene 1] , heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. De vrouw heeft bij het hiervóór onder 1.1.4 genoemde testament [verweerder] – thans verweerder in cassatie − tot executeur benoemd, welke benoeming door hem is aanvaard.

1.1.10.

Bij beschikking van 11 april 2013 heeft de rechtbank geconstateerd dat, gelet op het overlijden van erflaatster op 10 december 2012 en het niet ingeschreven staan van de beschikking van 22 oktober 2012 in de daartoe bestemde registers, het huwelijk tussen de man en de vrouw niet door echtscheiding, maar door het overlijden van de vrouw is geëindigd.1

1.2

Bij inleidende dagvaarding van 1 oktober 2013 heeft de executeur van de nalatenschap de man in rechte betrokken en onder meer, voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd:

(i) voor recht te verklaren dat aan de man geen beroep toekomt op zijn aanspraken uit hoofde van het finaal verrekenbeding zoals opgenomen in de huwelijksvoorwaarden;

(ii) subsidiair: voor recht te verklaren dat de vordering van de man uit hoofde van het verrekenbeding nihil bedraagt.

1.3

Aan deze vorderingen heeft de executeur kort gezegd2 ten grondslag gelegd dat de man willens en wetens heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het inschrijven van de echtscheidingsbeschikking d.d. 22 oktober 2012. De man heeft misbruik van recht gemaakt door, tegen de wil van de vrouw, niet in de echtscheiding te berusten, zulks met geen ander doel dan het toebrengen van schade aan de vrouw en/of het zich verrijken ten koste van de dochter van de vrouw. Voor de man was er geen enkele andere reden om niet in de echtscheiding te berusten: hij had zich gerefereerd ten aanzien van het echtscheidingsverzoek van de vrouw en had een zelfstandig verzoek tot echtscheiding ingediend. Daarbij komt dat de man in de laatste periode van haar leven de vrouw het leven zuur heeft gemaakt en haar en haar dochter heeft mishandeld. Volgens de executeur is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat onder deze omstandigheden aan de man een beroep op het verrekenbeding zou toekomen. In par. 23 van de inleidende dagvaarding heeft de executeur aangevoerd dat het bij de uitleg van de huwelijkse voorwaarden aankomt op de zin die partijen in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Met het verrekenbeding bij overlijden hebben partijen bedoeld dat zou moeten worden verrekend in de situatie waarin partijen nog een affectieve relatie hebben, een gemeenschappelijke huishouding voeren en niet van plan zijn om uit elkaar te gaan. Die situatie deed zich hier niet voor: de echtscheiding was al uitgesproken.

1.4

De man heeft daartegenover aangevoerd dat het echtscheidingsverzoek hem volkomen heeft verrast, dat hij de gemeenschappelijke woning heeft verlaten om de vrouw zoveel mogelijk rust te gunnen en dat hij de beweegredenen van de vrouw bij het indienen van het echtscheidingsverzoek heeft betwijfeld op de grond dat bij haar sprake was van een gedragswijziging die de man verklaart door de bij haar geconstateerde hersentumoren. De toestand komt feitelijk overeen met het finaal verrekenbeding in art. 7 van de huwelijkse voorwaarden: het huwelijk is ontbonden door het overlijden van de vrouw. De man benadrukt dat zij echtscheiding heeft verzocht toen haar overlijden aanstaande was, enkel om hem buiten de nalatenschap te houden3 .

1.5

In reconventie heeft de man onder meer, voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd4:

(i) voor recht te verklaren dat de executeur zijn medewerking dient te verlenen aan het uitvoeren van het verrekenbeding,

(ii) de executeur te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag uit hoofde van het verrekenbeding, bestaande uit de waarde van de door de man in zijn conclusie van eis in reconventie genoemde componenten, althans zodanige componenten en een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.

1.6

De rechtbank heeft een comparitie van partijen gelast, die op 27 februari 2014 is gehouden. Bij die gelegenheid heeft elk van partijen zijn eis op onderdelen gewijzigd. Bij eindvonnis van 16 juli 2014 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant in conventie voor recht verklaard dat aan de man geen beroep toekomt op het finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank heeft de vorderingen van de man in reconventie afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank samengevat overwogen dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man een beroep op het verrekenbeding doet (rov. 3.6 en 3.7 Rb).

1.7

De man is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Zijn eerste grief was gericht tegen rov. 3.6 en 3.7 van het eindvonnis en tegen de daarop gebaseerde beslissingen. De beide andere grieven zijn in cassatie niet van belang.

1.8

Het gerechtshof heeft bij tussenarrest van 25 oktober 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:4755) de eerste grief uitdrukkelijk verworpen en de behandeling van de overige grieven aangehouden.

1.9

Het hof heeft (in rov. 4.9.2 – 4.9.3) in de eerste grief twee onderdelen gelezen, namelijk:

(i) het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hem een beroep op het finale verrekenbeding toekomt;

(ii) het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de vorderingen van de man onder 1 en 2 in reconventie heeft afgewezen, welk standpunt het hof noopt tot beantwoording van de vraag of artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden zo moet worden begrepen dat de man recht heeft op finale verrekening.

1.10

Het hof is niet toegekomen aan een beoordeling van eerstgenoemd standpunt, hetgeen blijkt uit rov. 4.9.3. Het eventuele slagen van dit gedeelte van de grief zou leiden tot een wijziging van het dictum in het nadeel van de executeur. In dat geval dient het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep alsnog de in eerste aanleg verworpen of niet behandelde grondslagen van de vordering te bespreken. Daarom heeft het hof eerst het onder (ii) bedoelde gedeelte van de eerste grief behandeld.

1.11

Na een uiteenzetting van de wederzijdse standpunten en de nadere toelichting van partijen bij gelegenheid van de pleidooien (rov. 4.9.7), heeft het hof overwogen dat het standpunt van de man voorbijgaat aan de Haviltex-maatstaf. Het hof vervolgt in rov. 4.9.8:

“Zijn betoog dat er finaal verrekend moet worden, steunt op een zuiver taalkundige betekenis van (één bepaling van) de huwelijkse voorwaarden, namelijk artikel 7.

De vraag wat de bedoeling van partijen bij de huwelijkse voorwaarden is geweest om uitsluitend bij “overlijden” te verrekenen (artikel 7), maar niet ingeval het huwelijk eindigt op andere wijze dan de dood, in het bijzonder door echtscheiding, laat hij onbeantwoord (evenals de vraag overigens waarom partijen hebben afgesproken dat bij “overlijden” verrekening dient plaats te vinden). Dit had wel op zijn weg gelegen, nu [de executeur] op deze twee verschillende situaties (…) heeft gewezen, maar verder ook omdat hier sprake is van een echtscheidingssituatie (en de echtscheiding zelfs is uitgesproken) en voorts mede gelet op een van de uitgangspunten waarop het Nederlandse huwelijksvermogensrecht berust. Het hof verwijst voor dit laatste kortheidshalve naar de memorie van toelichting bij de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen, Stb. 2011, 205 en 335:

“In artikel 99 wordt op gelijke wijze als in artikel 142 (...) van het [toen nog, hof] wetsvoorstel verrekenbedingen voorgesteld dat de gemeenschap van goederen op een eerder tijdstip wordt ontbonden dan het huwelijk eindigt. De gedachte achter deze wijziging is dat doorgaans vanaf het moment van indiening van een verzoekschrift tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed, de door het hoofdstelsel veronderstelde solidariteit niet meer aanwezig is en dat het daarom voor de hand ligt op dat moment de gemeenschap van goederen te laten eindigen " (Kamerstukken II 2002/03, 28 867, nr. 3, p. 27.)

Op deze veronderstelde solidariteit, sluit het betoog van [de executeur] ook aan: die situatie (waarin van solidariteit nog sprake was) hebben de echtgenoten op het oog gehad bij het maken van de huwelijkse voorwaarden; bij overlijden mag er volgens de hoofdregel van worden uitgegaan dat de solidariteit er nog is (…) en dat is de situatie waarin finaal verrekend zou moeten worden.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de echtgenoten ervan zijn uitgegaan dat bij “overlijden” nog sprake was van “solidariteit” of het bestaan van een affectieve relatie (het hoofdstelsel, in de woorden van de wetgever). [De man] heeft geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld die zijn ruimere, letterlijke uitleg van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden rechtvaardigen.”

1.12

Vervolgens zag het hof zich gesteld voor de vraag of inderdaad nog sprake is van het bestaan van solidariteit of een affectieve relatie. Die vraag heeft het hof – na bespreking van een elftal met gedachtestreepjes aangegeven omstandigheden – ontkennend beantwoord. Vervolgens heeft het hof de gevolgtrekking gemaakt dat de man geen recht heeft op finale verrekening als bedoeld in art. 7 van de akte van huwelijkse voorwaarden.

1.13

Op 8 november 2016 heeft het hof verlof verleend tot tussentijds cassatieberoep tegen het arrest van 25 oktober 2016. De man heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen dat tussenarrest. De executeur heeft in cassatie verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel omvat drie onderdelen, die samengevat inhouden dat het hof:

- blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, door in rov. 4.9.3 en 4.9.8 te overwegen dat het hof niet toekomt aan een beoordeling van het eerste onderdeel van grief 1, onderscheidenlijk dat grief 1 faalt (onderdeel 1);

- ten onrechte op grond van de devolutieve werking van het appel de kwestie van de uitleg van de huwelijkse voorwaarden heeft beoordeeld (onderdeel 2);

- blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, omdat het hof drie in cassatie vaststaande feiten niet kenbaar in zijn oordeelsvorming heeft betrokken (subonderdeel 3.1);

- blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door niet te onderzoeken wat de notaris destijds ter voorlichting van partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de huwelijkse voorwaarden (subonderdeel 3.2).

2.2

De middelonderdelen 1 en 2 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. De devolutieve werking van een hoger beroep houdt in dat de appelrechter die een grief gegrond bevindt, opnieuw een beslissing moet nemen over het aan de eerste rechter voorgelegde geschil: wat de appellant betreft binnen de door zijn grieven getrokken grenzen van dat geschil en verder voor zover een stelling of verweer niet is prijsgegeven in de loop van het geding5.

2.3

Zoals hiervoor uiteengezet heeft de man in eerste aanleg (in reconventie) twee vorderingen ingesteld, beide gegrond op het finaal verrekenbeding in de akte van huwelijkse voorwaarden. De executeur heeft in eerste aanleg (in conventie) vorderingen ingesteld die ertoe strekken dat aan dit verrekenbeding geen rechtsgevolg wordt verbonden. De vorderingen van de executeur berustten op twee grondslagen: enerzijds een bepaalde uitleg van het verrekenbeding, anderzijds de stelling dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man een beroep op het verrekenbeding zou kunnen doen (art. 6:248 BW). De rechtbank heeft deze tweede stelling van de executeur gevolgd. Daartegen was de eerste grief van de man gericht. Het hof heeft de juistheid van deze tweede stelling van de executeur in het midden gelaten en de (eerste) stelling van de executeur omtrent de uitleg van het verrekenbeding gevolgd. Vervolgens heeft het hof geconstateerd dat grief 1 van de man niet tot een andere beslissing leidt dan die, welke de rechtbank had genomen.

2.4

Om proceseconomische redenen kan een appelrechter de behandeling van een ander verweer onderscheidenlijk een andere grondslag van de vordering naar voren halen en voorbij gaan aan het verweer of de grondslag waarop de aangevoerde grief betrekking heeft6. Dat is wat hier is gebeurd. De uitleg die het hof aan grief 1 heeft gegeven (en waarin het hof, zoals gezegd, twee onderdelen heeft ontwaard) is niet onbegrijpelijk in het licht van de wijze waarop de man zijn grief had geformuleerd. Ik werk dit laatste hieronder nader uit.

2.5

Het hof heeft (in rov. 4.9.3) gesignaleerd dat de executeur aan zijn vorderingen niet alleen de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten grondslag heeft gelegd, maar óók dat een juiste uitleg van het verrekenbeding meebrengt dat de man geen recht heeft op finale verrekening: een grondslag die de rechtbank volgens het hof heeft verworpen, althans niet heeft behandeld, en die in de loop van het geding niet door de executeur is prijsgegeven. Volgens het hof noopte het tweede deel van grief 1 tot beantwoording van de vraag of de vordering van de executeur op deze grondslag toewijsbaar is. Een blik op hetgeen de executeur aan zijn vorderingen in conventie ten grondslag had gelegd, leert dat de executeur inderdaad zijn vorderingen mede heeft gebaseerd op een bepaalde uitleg van het beding die meebrengt dat, bij aanvaarding van die uitleg, de man geen recht heeft op de door hem verlangde nakoming van het verrekenbeding. Hierop voortbouwend, heeft het hof de vordering van de executeur op deze grondslag gegrond geacht en om die reden onderdeel (i) van grief 1 onbesproken gelaten en kunnen laten. Deze werkwijze is niet onbegrijpelijk en geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de devolutieve werking van het appel. De middelonderdelen 1 en 2 stuiten op het voorgaande af.

2.6

Onderdeel 3 keert zich tegen de uitleg welke het hof aan het verrekenbeding heeft gegeven. Subonderdeel 3.1 klaagt over een onjuiste rechtsopvatting althans een onbegrijpelijk oordeel omdat het hof zou hebben nagelaten de volgende, in cassatie vaststaande feiten kenbaar in zijn oordeelsvorming te betrekken:

(a) de vrouw was bereid de woning met de volledige hypotheekschuld op zich te nemen;

(b) de verkoop van de woning leidt tot een restschuld van meer dan € 300.000,-, waarvoor de man naast de enige erfgenaam voor 100% aansprakelijk is en voor 50% draagplichtig is;

(c) de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen van de huwelijkse voorwaarden weegt zwaarder omdat de enige erfgename partij is geworden, terwijl zij niet betrokken was bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden.

2.7

Stelling (a) is bij het hof door de executeur aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat de vrouw de echtscheiding wel degelijk wilde bespoedigen en bereid was daartoe met de man te overleggen7. Stelling (ii) betreft één van de geschilpunten ten aanzien waarvan volgens de man partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten8. Ik zie niet in hoe deze aangevoerde stellingen de begrijpelijkheid van de door het subonderdeel bestreden uitleg van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden kunnen aantasten.

2.8

Voor wat betreft het onder (c) genoemde argument, verwijst het middelonderdeel niet naar een plaats in de gedingstukken waar de desbetreffende stelling zou zijn aangevoerd. Voorts wordt in het middelonderdeel niet aangeduid waarom het oordeel van het hof in het licht van deze stelling onbegrijpelijk zou zijn: in zoverre voldoet het middelonderdeel niet aan de daaraan te stellen eisen. De verwijzing naar de ‘taalkundige betekenis’ doelt wellicht op de discussie in de vakliteratuur over gevallen waarin een ‘geobjectiveerde’ Haviltex-maatstaf van toepassing zou zijn9. Zoals in het verweerschrift in cassatie is aangevoerd, miskent de klacht dat het hier niet gaat om bescherming van het vertrouwen van een derde die is afgegaan op de tekst van de huwelijkse voorwaarden, maar om de onderlinge rechtsverhouding tussen de man en anderzijds de vrouw of haar rechtsopvolger(s) onder algemene titel. Weliswaar kan de dochter van de vrouw als enig erfgename (zij het met beneficiaire aanvaarding) feitelijk belang hebben bij de uitkomst van het geding, maar dat maakt haar nog geen ‘partij’ bij de overeenkomst.

2.9

Subonderdeel 3.2 klaagt dat in rov. 4.9.8 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door niet te onderzoeken wat de notaris destijds tot voorlichting aan de man en de vrouw aan hen heeft medegedeeld over inhoud en strekking van deze huwelijkse voorwaarden.

2.10

Deze klacht berust op de veronderstelling dat een andere uitleg evenzeer mogelijk zou zijn geweest op grond van feiten of omstandigheden die het hof boven water had kunnen krijgen. Naar vaste rechtspraak is een dergelijke klacht op zichzelf niet voldoende om de begrijpelijkheid van de door het hof gekozen uitleg aan te tasten10. Voor een verder gaande toetsing van deze toepassing van de Haviltex-maatstaf is hier geen ruimte, omdat dergelijke oordelen aan de feitenrechter zijn voorbehouden en in cassatie daarom slechts zeer beperkt toetsbaar zijn11. Dat bij de toepassing van deze maatstaf mede gewicht toekomt aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld over de inhoud en de strekking van de huwelijkse voorwaarden12, betekent niet dat de feitenrechter verplicht is dergelijke omstandigheden aan zijn oordeel ten grondslag te leggen, laat staan dat de feitenrechter verplicht zou zijn (ambtshalve) naar die omstandigheden op zoek te gaan. Bovendien heeft het hof de hier bestreden uitleg van het beding gegrond op een elftal in rov. 4.9.8 genoemde en in onderlinge samenhang beschouwde omstandigheden. Hetgeen de man in dit subonderdeel aanvoert, laat deze grondslag van de beslissing onverlet.

2.11

Aangezien de subonderdelen 3.1 en 3.2 evenmin tot cassatie leiden, ligt het cassatieberoep voor verwerping gereed.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv

1 De beschikking van 11 april 2013 verklaarde het (na het overlijden nog aanhangige) verzoek tot het treffen van nevenvoorzieningen niet-ontvankelijk; prod. 10 bij inleidende dagvaarding.

2 Zie de inleidende dagvaarding onder 21 t/m 23.

3 Conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, par. 5 t/m 9; 29 t/m 32.

4 Conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, p. 18 en 19.

5 Uitgebreider hierover: Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein en Wesseling-van Gent 4 2012/125 e.v. met verdere verwijzingen aldaar.

6 Zie HR 13 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1840, NJ 1996/430 m.nt. H.E. Ras en M. Scheltema; HR 19 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2435, NJ 1998/6 (rov. 3.3).

7 Memorie van antwoord, onder 60.

8 Memorie van grieven, onder 30.

9 Voor een overzicht: H.Schelhaas en L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, preadviezen Vereniging voor Burgerlijk recht, 2016, en voorts, toegespitst op huwelijkse voorwaarden: de ‘wenk’ onder de publicatie van het bestreden tussenarrest in RFR 2017/21; Asser/de Boer, Kolkman en Salomons 1-II 2016/410; M. Strutz en E.M.J.M.C. Verhagen, Uitleg van huwelijkse voorwaarden; een verkenning, WPNR 2013/6980; J. van Duyvendijk-Brand, Uitleg van huwelijkse voorwaarden; Haviltex, standaarduitleg of beide?, WPNR 2007/6709; T.H. Tanja-van den Broek, Uitleg van overeenkomsten in het familierecht, WPNR 2005/6642.

10 Zie onder meer: HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8198, NJ 2005/169 m.nt. Spoor.

11 Zie Groene Serie, Vermogensrecht, art. 3:35 BW, aant. 7.1 (F.M. van Cassel-van Zeeland), met vindplaatsen van rechtspraak.

12 Vgl. de door het hof aangehaalde conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 28 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7277, NJ 2011/99.