Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:178

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
16/04676
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:612
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de vraag of weigeren mee te werken aan het nemen van vingerafdrukken op de voet van het bepaalde in art. 55c lid 2 Sv betekent dat de verdachte niet heeft voldaan aan “de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het Wetboek van Strafvordering" als bedoeld in art. 447e Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/04676

Zitting: 6 maart 2018

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 5 augustus 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, vrijgesproken van het hem onder 2 tenlastegelegde.

  2. Mr. M. van der Horst, Advocaat-Generaal bij het Ressortsparket, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het cassatieberoep is namens de verdachte tegengesproken door mr. L. Koers, advocaat te Arnhem.

  3. Het middel houdt in dat het Hof de door hem gegeven vrijspraak heeft gebaseerd op zijn van een verkeerde rechtsopvatting getuigend oordeel dat artikel 55c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering expliciet noch impliciet een verplichting bevat voor een verdachte om mee te werken aan het nemen van vingerafdrukken.

  4. Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 5 juni 2015 te Utrecht, niet heeft voldaan aan de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het Wetboek van Strafvordering (artikel 55c lid 2 Sv).”

5. Volgens het vonnis van de politierechter, dat door het hof is vernietigd, ligt aan dit tenlastegelegde feit de volgende gang van zaken ten grondslag:

“Naar aanleiding van een per e-mail toegezonden ontbieding is verdachte op het politiebureau verschenen. Daar is hem door een hoofdagent meegedeeld dat hij verplicht is mee te werken aan het laten afnemen van vingerafdrukken en een gelaatfoto. Hierop heeft verdachte verklaard hieraan niet te willen meewerken. Vervolgens heeft de hoofdagent hem gevorderd mee te werken aan het laten afnemen van vingerafdrukken en een foto van zijn gezicht. Daarbij is hem meegedeeld dat als hij hieraan niet meewerkt er dan een proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van het niet voldoen aan bevel of vordering. Verdachte heeft daarop geweigerd mee te werken.”

De verdenking had betrekking op het vernielen van een buitenspiegel van een auto.

6. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken op de volgende gronden:

“Aan verdachte is tenlastegelegd niet te hebben voldaan aan de verplichting om medewerking te verlenen aan het afnemen van vingerafdrukken hem opgelegd krachtens artikel 55c, tweede lid, Sv.

De tenlastelegging is gebaseerd op artikel 447e Sr welk artikel luidt:

‘Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden of medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht, de Overleveringswet, de Uitleveringswet, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.’

Artikel 55c Sv lid 2 luidt:

‘De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, nemen met het oog op het vaststellen van de identiteit van een verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, of die wordt verhoord wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, zonder dat hij is aangehouden, een of meer foto’s en vingerafdrukken. De vingerafdrukken worden vergeleken met de van verdachten overeenkomstig dit wetboek verwerkte vingerafdrukken en, indien vermoed wordt dat de verdachte een vreemdeling is, met de overeenkomstig de Vreemdelingenwet 2000 verwerkte vingerafdrukken.’

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 55c lid 2 Sv de verdachte een verplichting oplegt tot het verlenen van medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken. Het openbaar ministerie heeft voor de onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de Memorie van Toelichting bij het Wetsvoorstel verbetering van de regeling van de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden (kamerstukken II 2011/12, 33 352, nr. 3, p. 29).

Het hof deelt de conclusie van het openbaar ministerie niet. Het lex certa beginsel brengt met zich dat het voor de burger in voldoende mate voorzienbaar moet zijn in welke omstandigheden zijn gedraging volgens de wet strafbaar is. Van belang daarbij is dat de wet de burger, eventueel in samenhang [met] de daarop van toepassing zijnde jurisprudentie voldoende houvast biedt. Artikel 447e Sr stelt strafbaar het niet voldoen aan de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van vingerafdrukken krachtens (onder meer) het Wetboek van Strafvordering. Artikel 55c lid 2 Sv wordt daarin niet expliciet genoemd. Artikel 55c lid 2 Sv geeft de ambtenaar in de daar omschreven gevallen de bevoegdheid om vingerafdrukken van een verdachte te nemen, maar daarin staat niet dat de verdachte verplicht is om zijn medewerking te verlenen. Voor zover het hof bekend is er geen jurisprudentie (van de Hoge Raad) waaruit volgt dat die verplichting er ondanks de wettekst, toch ingelezen moet worden.

Bij de interpretatie van wetgeving hoeft weliswaar niet alleen naar de wettekst (en de daarop van toepassing zijnde jurisprudentie) gekeken te worden, maar kan ook gekeken worden naar de wetsgeschiedenis en het systeem van de wet, echter daar waar het gaat om een strafbaarstelling dient vooral gewicht te worden toegekend aan de tekst van de wet omdat de tekst van de wet (eventueel in combinatie met de daarbij behorende jurisprudentie) voor burgers veel toegankelijker (beter te vinden en/of te begrijpen) is dan de wetsgeschiedenis en het systeem van de wet.

Ten aanzien van het systeem van de wet is bovendien van belang dat het nemen van vingerafdrukken niet alleen geschiedt in het belang van identificatiedoeleinden, maar ook een rol kan spelen bij de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten (artikel 55c lid 4 Sv), dus ook voor de opsporing, vervolging en berechting van het feit waarvoor de verdachte wordt verhoord. Uitgangspunt is dat verdachte niet verplicht kan worden mee te werken aan zijn eigen veroordeling. De wet kent daarop uitzonderingen (zoals bijvoorbeeld artikel 163 leden 2, 6, 8 en 9 WVW), maar voor die uitzonderingen geldt dat de verplichting om mede te werken expliciet is geformuleerd.

Ofschoon het hof het met de advocaat-generaal eens is dat in de wetsgeschiedenis ten aanzien van artikel 447e Sr aanwijzingen te vinden zijn dat de wetgever in artikel 55c lid 2 Sv een verplichting voor de verdachte leest om medewerking te verlenen aan het afnemen van vingerafdrukken, leest het hof die verplichting er niet in, waarbij het hof heeft gelet op het lex certa beginsel, de tekst van artikel 55c lid 2 Sv (waarin die verplichting niet staat), de jurisprudentie (waaruit niet volgt dat die verplichting er niettemin in moet worden gelezen) en het systeem van de wet (waaruit volgt dat als de verdachte verplicht wordt zijn medewerking te verlenen, die verplichting expliciet is geformuleerd).

Aldus spreekt het hof de verdachte vrij van hetgeen hem is tenlastegelegd.”

7. De tenlastelegging is toegespitst op overtreding van art. 447e Sr. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de in de tenlastelegging voorkomende zinsnede “de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het Wetboek van Strafvordering" daarin is gebruikt in dezelfde betekenis waarin deze voorkomt in art. 447e Sr.

8. Het middel stelt de rechtsvraag aan de orde of art. 55c lid 2 Sv de verplichting behelst medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken als bedoeld in art. 447e Sr. Daartoe is het volgende van belang.

9. Bij Wet van 18 juli 2009, Stb. 2009, nr. 317 (Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen), in werking getreden 1 oktober 2010 (Stb. 2010, nr. 152), is art. 29a Sv ingevoerd. Deze bepaling luidde:

“1. In alle gevallen waarin de verdachte wordt gehoord of een verhoor bijwoont, stelt de rechterlijk ambtenaar de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin. De rechterlijk ambtenaar is tevens bevoegd de identiteit van de verdachte vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, indien over zijn identiteit twijfel bestaat.

2. De verdachte is verplicht op bevel van een rechterlijk ambtenaar een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en zijn medewerking te verlenen aan het nemen van zijn vingerafdrukken.”

Doordat bij deze wet in art. 28 lid 3 Penitentiaire beginselenwet, art. 22 lid 2 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, art. 33 lid 3 Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en art. 51a lid 2 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen art. 29a lid 2 Sv van overeenkomstige toepassing werd verklaard, kwam de verplichting tot medewerking aan het laten nemen van vingerafdrukken ook te gelden voor het nemen van vingerafdrukken op basis van die wetten.

10. Bij Wet van 28 februari 2013, Stb. 2013, nr. 85, in werking getreden 1 oktober 2013 (Stb. 2013, nr. 268), is art. 29a Sv vernummerd tot art. 29b Sv, bij Wet van 17 november 2016, Stb. 2016, nr. 476, in werking getreden 1 maart 2017 (Stb. 2017, nr. 66), is art. 29b Sv vernummerd tot art. 29c Sv.

11. De memorie van toelichting op de wet waarbij het oorspronkelijke art. 29a Sv is ingevoerd, houdt onder meer in:

“6.3. Introductie van een identificatieplicht van verdachten, veroordeelden en getuigen ten opzichte van de functionarissen in de strafrechtsketen

Zoals in paragraaf 5.1.1 is aangegeven, is op grond van artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, verplicht een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van dat artikel ter inzage aan te bieden indien een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a Politiewet 1993 daar om vraagt. Deze verplichting geldt ook voor iemand die verdacht wordt van een strafbaar feit. Met behulp van het identiteitsbewijs kan een politieambtenaar, een opsporingsambtenaar van een van de bijzondere opsporingsdiensten, een buitengewoon opsporingsambtenaar of een militair van de Koninklijke marechaussee de administratieve identiteit van een verdachte vaststellen. Ten opzichte van de andere functionarissen in de strafrechtsketen geldt geen identificatieplicht. Als een rechter de identiteit van een voor hem verschenen persoon wil controleren, kan hij hem op dit moment niet verplichten een legitimatiebewijs te tonen, ook niet als er twijfels over zijn identiteit bestaan. Een goede strafrechtspleging vraagt, zoals in deze memorie van toelichting meermalen is uiteengezet, echter om een correcte vaststelling van de identiteit van een justitiabele, niet alleen aan de voorkant van de keten, maar ook in de rest van de keten. Alleen op die manier kan worden bewerkstelligd dat een rechter of een andere functionaris voor wie dat van belang is, zijn taken op een effectieve en efficiënte wijze kan uitvoeren en dat de juiste persoon wordt vervolgd en berecht en de opgelegde straf of maatregel ondergaat. Dat is niet alleen in het belang van de overheid, maar ook van de burger. Immers, indien iemand zich voor een ander uitgeeft, bestaat het risico dat die ander wordt vervolgd in plaats van degene die het strafbare feit heeft begaan en dat is niet aanvaardbaar. Om deze redenen introduceert het voorgestelde artikel 29a, tweede lid, Sv een identificatieplicht van de verdachte ten opzichte van een rechterlijk ambtenaar. Deze verplichting geldt ook ten aanzien van de verdachte of veroordeelde indien de vordering tot inzage van een identiteitsbewijs wordt gedaan door de directeur of hoofd van een inrichting of psychiatrisch ziekenhuis (zie het bij artikel VI, onder B, voorgestelde artikel 28, derde lid, laatste volzin, van de Penitentiaire beginselenwet, het bij artikel VII, onder A, voorgestelde artikel 22, tweede lid, laatste volzin, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, het bij artikel VIII voorgestelde artikel 33, derde lid, laatste volzin, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en het bij artikel X voorgestelde artikel 51a, tweede lid, laatste volzin, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen). Voortaan zijn deze functionarissen niet meer afhankelijk van de vrijblijvende medewerking van een justitiabele, maar hebben zij een instrument in handen om zich van de identiteit van de justitiabele te kunnen vergewissen.1

(...)

6.5.1. Verificatie van de identiteit tijdens verhoor door een rechterlijk ambtenaar

Zoals uiteengezet is in paragraaf 5.1.1, hebben ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, buitengewoon opsporingsambtenaren en militairen van de Koninklijke marechaussee, ingevolge artikel 8a van de Politiewet 19932 de bevoegdheid, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taak, naar een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht te vragen. Het past in de uitoefening van hun taak dat zij voordat zij met het verhoren van de verdachte beginnen, hem vragen zich te legitimeren. Verder hebben opsporingsambtenaren ingevolge dit wetsvoorstel de plicht om bij verdachten wegens een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, altijd een of meer foto’s en vingerafdrukken te nemen.

Een officier van justitie, een rechter-commissaris en een zittingsrechter beschikken nog niet over de wettelijke bevoegdheid om verdachten te verzoeken hun identiteitsbewijs te tonen. Wel is de voorzitter van de kamer die de strafzaak behandelt, ingevolge artikel 273, eerste lid, Sv verplicht de personalia van de aanwezige verdachte te controleren door hem te vragen naar zijn naam, voornamen, geboortedatum en geboorteplaats, het adres waarop hij als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven en zijn verblijfplaats. Het doel daarvan is vast te stellen of degene die als verdachte is verschenen, de verdachte is die in de dagvaarding of oproeping wordt vermeld. De verdachte is niet verplicht op de vragen naar de personalia te antwoorden. Indien de aanwezige persoon aangeeft niet de verdachte te zijn of indien er twijfels bestaan over de door hem opgegeven personalia, heeft de voorzitter thans geen wettelijke bevoegdheid zelf de identiteit van de verdachte te verifiëren. Een rechter moet echter uit een oogpunt van effectiviteit en de efficiëntie van de rechtsgang en het gezag van de rechterlijke macht kunnen nagaan of de voor hem verschenen persoon inderdaad de verdachte in de aanhangige strafzaak is. Mede om die reden is het de bedoeling dat de foto van de verdachte van wie in het kader van dit wetsvoorstel een foto is genomen, in het strafdossier wordt opgenomen. Dat biedt de rechter in de raadkamer of op de terechtzitting een middel om na te gaan of de voor hem verschenen persoon gelijkt op de foto van de verdachte in het strafdossier. Echter, een enkele foto biedt soms onvoldoende houvast om de identiteit van de verdachte te verifiëren. Dat geldt in het bijzonder wanneer de verdachte behoort tot een andere etniciteit dan de rechter of in de gevallen waarin de verdachte een op hem gelijkend familielid heeft weten te bewegen zijn plaats in te nemen. Voor iemand die geconfronteerd wordt met een persoon van een andere etniciteit, is het immers dikwijls lastig de ene persoon van de andere te onderscheiden. Verder zal van personen op wie een verdenking rust van een misdrijf waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, geen foto in het dossier worden opgenomen, omdat van hen bij de aanhouding geen foto is genomen.

Daarom is bezien welke aanvullende instrumenten nodig zijn. Daarbij is mede gelet op de adviezen die zijn ontvangen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Raad voor de rechtspraak. In die adviezen wordt terughoudendheid bepleit ten aanzien van het introduceren van door de rechter uit te voeren onderzoekshandelingen in geval van een verhoor van de verdachte door een rechter. Met name de Raad is, kort samengevat, van oordeel dat het uitvoeren van onderzoekshandelingen, zoals het nemen van vingerafdrukken, niet past bij de taak van de rechter, en dat een verplichte routinematige verificatie van vingerafdrukken bij een verhoor door een rechter geen belangrijke toegevoegde waarde heeft maar wel leidt tot lastige complicaties. Aannemelijk is dat in beginsel diegene veroordeeld wordt die als verdachte respectievelijk veroordeelde in het vonnis vermeld is. Als de aanduiding van de veroordeelde in het vonnis dezelfde is als de aanduiding van de verdachte in de dagvaarding, terwijl op de zitting in werkelijkheid een ander is verschenen zonder dat dit is opgemerkt, richt de tenuitvoerlegging zich dus op degene die in de dagvaarding en het vonnis als verdachte is aangemerkt. Ervan uitgaande dat dat ook degene is die oorspronkelijk als verdachte is aangemerkt en aangehouden, treft de tenuitvoerlegging dan dus uiteindelijk toch de juiste persoon. Wel kunnen er complicaties optreden rond het instellen van en de behandeling in hoger beroep (en cassatie), indien daar alsnog vragen rijzen over de identiteit van degene die in eerste aanleg als (vermeende) verdachte aanwezig was. Deze stand van zaken onderstreept uiteraard het belang van een goede identiteitsvaststelling in het vooronderzoek, maar relativeert tegelijk het belang van mogelijke persoonsverwisselingen op de terechtzitting. Bovendien biedt een terechtzitting naar haar aard geen gelegenheid om veel aandacht te besteden aan de identiteit van de verschenen persoon. Een rechter die twijfelt aan de identiteit van de voor hem verschenen persoon zal ten slotte niet veel anders kunnen doen dan de zaak in handen stellen van de parketpolitie voor nader onderzoek. In het wetsvoorstel is daarom gekozen voor de volgende systematiek. Aan de verplichting van de rechter, zoals neergelegd in artikel 273, eerste lid, Sv, om de verschenen verdachte te vragen naar diens personalia wordt niets veranderd. Toegevoegd wordt de bevoegdheid van de rechter om bij twijfel over de identiteit van de voor hem verschenen persoon zijn identiteit primair te laten verifiëren met behulp van vingerafdrukken en secundair met behulp van een identiteitsbewijs, indien van hem in de desbetreffende strafzaak of in een eerdere strafzaak niet eerder vingerafdrukken zijn genomen. Deze laatste activiteit zal worden uitgevoerd buiten de zittingzaal. Voor verdachten die vanuit detentie worden aangevoerd, zal het probleem zich nauwelijks voordoen: zij worden door de Dienst Justitiële Inrichtingen aangevoerd vanuit een penitentiaire inrichting (waar hun identiteit overeenkomstig dit wetsvoorstel gedegen is bepaald) en komen vanaf binnenkomst in het gerechtsgebouw naar de zittingszaal via een gesloten circuit. In de praktijk zullen zich dus naar verwachting alleen bij verdachten die niet in detentie zitten, complicaties kunnen voordoen met betrekking tot de identiteit. Het is dan aan de parketpolitie om, indien de rechter twijfelt aan de identiteit van de voor hem verschenen persoon, op verzoek van de rechter het nadere identiteitsonderzoek uit te voeren. Complicaties op de zitting (tijdverlies, aanhouding of schorsing van de zitting en ordeverstorende incidenten) worden aldus vermeden, de rechter wordt niet belast met het uitvoeren van onderzoekshandelingen en de werklastconsequenties en investeringen blijven beperkt.

Overigens kan de twijfel over de identiteit van de verschenen persoon voor de rechtbank wellicht ook aanleiding zijn om verstek te verlenen en de zaak op die voet te behandelen. De rechtbank zou kunnen overwegen dat zij niet heeft kunnen vaststellen of de verschenen persoon de verdachte is die in de tenlastelegging is vermeld, en derhalve niet heeft kunnen bepalen of de verdachte op de terechtzitting is verschenen. Bij haar beslissing zal de rechtbank uiteraard het belang bij een voortvarende afhandeling van de zaak (dienen) af (te) wegen tegen andere belangen, zoals de complicaties die zich kunnen voordoen bij de tenuitvoerlegging van een bij verstek gewezen vonnis.

De nieuwe bevoegdheden zullen ook van toepassing zijn in vergelijkbare situaties als de behandeling van een strafzaak door de rechtbank. Voor een aantal van die situaties is geen wetswijziging nodig omdat artikel 273, eerste lid, juncto het voorgestelde artikel 27a Sv automatisch van overeenkomstige toepassing zijn. Het betreft hier: verzet tegen een strafbeschikking (artikel 257f, derde lid, Sv), een rechtsgeding voor de politierechter (artikel 367 Sv), een rechtsgeding voor de kantonrechter (artikel 398 Sv), een rechtsgeding voor het gerechtshof (artikel 415 Sv), een rechtsgeding voor de kinderrechter (artikel 499, eerste lid, Sv), de behandeling van een vordering tot toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i of 38k Sr (artikel 509m, eerste lid, Sv), de behandeling van een vordering tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (artikel 509dd, tweede lid, Sv), een ontnemingsprocedure (artikel 511d, eerste lid, Sv), een rechtsgeding tot herkenning van een veroordeelde of een andere gevonniste persoon (artikel 581, eerste lid, Sv) en behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging vonnis of arrest bij niet-naleving voorwaarden (artikel 14i, vierde lid, Sr). In een aantal andere situaties waarin het van belang is dat de rechter weet of de juiste persoon op de zitting is verschenen, is wel wetswijziging vereist. Het gaat hier om uiteenlopende verhoorsituaties, zoals het verhoor van een persoon wiens vervolging wordt verlangd (artikel 12, tweede lid, Sv), van het verhoor van een verdachte in een raadkamerprocedure (artikel 23, tweede lid, Sv), van een verdachte tegen wie de officier van justitie een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257c, eerste lid, Sv wenst uit te vaardigen, van een ter beschikking gestelde tegen wie uitvaardiging van een last tot overbrenging ter observatie in een psychiatrisch ziekenhuis wordt overwogen (artikel 509o, vijfde lid) of van degene op wie een verzoek tot strafvervolging van een buitenlandse autoriteit betrekking heeft (552aa, tweede lid, Sv). Om het vaststellen van de identiteit in deze verhoorsituaties mogelijk te maken wordt voorgesteld in het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht twee typen wijzigingen aan te brengen. Allereerst wordt een artikel 29a in het Wetboek van Strafvordering (zie artikel I, onder E, van het wetsvoorstel) ingevoegd. Deze algemene bepaling ziet op alle situaties waarin een verdachte wordt gehoord en verschaft de bevoegde verhorende autoriteit in combinatie met het voorgestelde artikel 27a Sv instrumenten om de identiteit van de verdachte te achterhalen die gelijk zijn aan de instrumenten die zijn vastgelegd in artikel 273, eerste lid, Sv. Verder wordt in artikel I, onder A en X, in die bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering die betrekking hebben op verhoorsituaties die verwantschap vertonen met die waarin een verdachte wordt gehoord, artikel 273, eerste lid, Sv van overeenkomstige toepassing verklaard als gevolg waarvan de instrumenten ter identiteitsvaststelling uit het voorgestelde artikel 27a Sv eveneens van toepassing zijn. Hierbij valt te denken aan het verhoor van een ter beschikking gestelde of degene op wie een verzoek tot strafvervolging van een buitenlandse autoriteit betrekking heeft.3

(...)

Artikel I, onder E

Artikel 29a, eerste lid

In overeenstemming met het advies van het College van procureurs-generaal is artikel 29a, eerste lid, Sv niet beperkt tot de situaties waarin de verdachte wordt gehoord, maar strekt dit artikel zich uit ook tot de gevallen waarin de verdachte een verhoor bijwoont (bijvoorbeeld bij een getuigen- of deskundigenverhoor op grond van artikel 187, eerste lid, Sv).

Artikel 257a, eerste lid, Sv kent de officier van justitie de bevoegdheid toe strafzaken zelf af te doen door het uitvaardigen van een strafbeschikking. De officier van justitie is ingevolge artikel 1, onder b, van de Wet op de rechterlijke organisatie een rechterlijk ambtenaar. Artikel 126, eerste lid, van die wet biedt de mogelijkheid een of meer van de bevoegdheden van de officier van justitie over te dragen aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar voor zover het hoofd van het parket daarmee heeft ingestemd, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. In dat geval verbiedt artikel 126, derde lid, van die wet de overdracht van bevoegdheden. Daarvan is in ieder geval sprake voor zover het gaat om de toepassing van de dwangmiddelen, genoemd in Titel IV van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering. Het bevel tot het verlenen van medewerking door de verdachte aan het nemen van vingerafdrukken en het verlenen van inzage in een identiteitsbewijs, valt niet onder deze dwangmiddelen. Voorts kan worden gesteld dat de aard van de bevoegdheid van artikel 29a, eerste lid, Sv zodanig is dat deze zich niet verzet tegen uitoefening daarvan in mandaat. Het Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket dat de grenzen aangeeft waarbinnen de bevoegdheden van de officier van justitie kunnen worden overgedragen, staat namelijk ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, toe dat een parketsecretaris namens de officier van justitie een strafbeschikking uitvaardigt, indien de op te leggen taakstraf de duur van honderdtwintig uur niet overstijgt, en daarmee ook dat hij voorafgaand aan het uitvaardigen van een strafbeschikking zonodig de identiteit van de verdachte verifieert. De verdachte is verplicht aan die verificatie mee te werken en zonodig op grond van artikel 29a, tweede lid, Sv zijn identiteitsbewijs aan de parketsecretaris te tonen. Weliswaar geldt de identificatieplicht blijkens dat artikellid uitsluitend ten opzichte van een rechterlijk ambtenaar en is een parketsecretaris formeel geen rechterlijk ambtenaar in de zin van artikel 1, onder b, van de Wet op de rechterlijke organisatie, maar, voor zover hij in mandaat strafbeschikkingen uitvaardigt, kan hij als een rechterlijk ambtenaar beschouwd worden.

Artikel 29a, tweede lid

In de situatie dat de vingerafdrukken van de verdachte niet in HAVANK zijn verwerkt – omdat hij niet verdacht is van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, omdat hij niet eerder veroordeeld is wegens een dergelijk misdrijf of zijn vingerafdrukken niet eerder zijn genomen aangezien geen twijfel bestond ten aanzien van zijn identiteit – is de verdachte, indien een rechterlijk ambtenaar twijfels heeft over zijn identiteit, op grond van artikel 29a, tweede lid, Sv verplicht op bevel van de rechterlijk ambtenaar een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden. Het identiteitsbewijs biedt de rechterlijk ambtenaar niet alleen de gelegenheid om de identiteit van de verdachte te verifiëren, maar tevens om na te gaan of de verdachte, degene is die op het bewijs staat afgebeeld. Indien iemand geen dan wel twijfelachtige of valse papieren toont, is hij verdachte van overtreding van artikel 447e Sr dan wel artikel 225 Sr of artikel 231 Sr en kan hij op die verdenking worden aangehouden. Vervolgens kunnen ten aanzien van hem de maatregelen ter identificatie op grond van het voorgestelde artikel 55c Sv worden toegepast.

Artikel 29a, tweede lid, Sv verplicht de verdachte op bevel van een rechterlijk ambtenaar een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en zijn medewerking te verlenen aan het nemen van zijn vingerafdrukken. Het is niet – in reactie op een opmerking van het College van procureurs-generaal in zijn advies – de bedoeling dat de rechterlijk ambtenaar op ieder moment dat het hem goeddunkt, een dergelijk bevel kan geven. Die verplichting voor de verdachte geldt alleen maar indien er twijfels over zijn identiteit zijn gerezen. In die gevallen dient de verdachte op bevel zijn vingerafdrukken af te staan en indien verificatie van zijn identiteit niet lukt met behulp van een vergelijking van zijn vingerafdrukken, een identiteitsbewijs te tonen.

Het niet verlenen van medewerking aan het nemen van vingerafdrukken door een verdachte kan worden opgevat als het opzettelijk niet nakomen van een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met de uitoefening van enig toezicht of het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten in de zin van artikel 184 Sr (vgl. HR 27-6-1927, NJ 1927, blz. 975). Het doen van een vordering om vingerafdrukken af te staan, vindt zijn grond in het voorgestelde artikel 29a Sv.

Op grond van artikel 141, onder a, Sv is een officier van justitie met de opsporing van strafbare feiten belast. In de – uitzonderlijke – situatie waarin hij als opsporingsambtenaar optreedt, dient hij evenals de opsporingsambtenaren, genoemd in artikel 8a van de Politiewet4, de bevoegdheid te hebben een verdachte naar een identiteitsbewijs te vragen. De officier van justitie valt echter buiten de reikwijdte van artikel 8a van de Politiewet 1993. Het voorgestelde artikel 29a, tweede lid, Sv zorgt ervoor dat hem die bevoegdheid ook toekomt, niet alleen in het uitzonderingsgeval dat hij zelf opsporingshandelingen verricht, maar ook in andere situaties waarin het redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak dat een verdachte hem een legitimatiebewijs toont.”5

12. De Nota naar aanleiding van het verslag houdt met betrekking tot de plicht tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken in:

“Met betrekking tot de verificatie van jeugdigen merken de leden van de VVD-fractie op dat de regels minder stringent ogen. In dat verband vragen de leden van de VVD-fractie of nogmaals kan worden aangegeven in welke gevallen er een identificatieplicht en een verificatiemoment is in de contacten met de reclassering en de raad voor de kinderbescherming. Verder vragen deze leden wat de gevolgen zijn wanneer deze medewerkers stuiten op een geval van persoonsverwisseling. Daarnaast vragen zij of de regering met hen van mening is dat voor een correcte vaststelling en verificatie van de identiteit van de jeugdige het wel van belang is dat dit door de reclassering, Halt of de raad voor kinderbescherming gecontroleerd wordt indien de ouders niet bij gesprekken aanwezig zijn en zo neen, waarom niet.

In antwoord op deze vragen merk ik het volgende op. In het wetsvoorstel is voorgeschreven dat de identiteit van de verdachte of veroordeelde op belangrijke momenten in het contact met de reclassering (zie de artikelen I, onder J, K, M, P en Q, II, onder B, D, F, H tot en met K en O, VI, onder A, en VII, onder B en C) en met de raad voor de kinderbescherming (artikel II, onder L) behoeft te worden geverifieerd en dat de verdachte of veroordeelde daaraan medewerking behoeft te verlenen. Het wetsvoorstel kent voor de verdachte of veroordeelde dus wel een verplichting tot medewerking aan de verificatie van zijn identiteit met behulp van zijn vingerafdrukken of een identiteitsbewijs. Indien het een jeugdige betreft, geldt die verplichting ongeacht of de ouders op enigerlei wijze betrokken zijn. De verplichting tot medewerking aan de verificatie van de identiteit van de verdachte of veroordeelde is in het wetsvoorstel veelal vorm gegeven als een voorwaarde waaronder een bepaalde sanctie dient te worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf is als voorwaarde gesteld dat betrokkene zijn medewerking verleent aan het verifiëren van zijn identiteit. Indien de tot een taakstraf veroordeelde geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit, meldt de reclassering of de raad voor de kinderbescherming dit aan de officier van justitie omdat hij niet aan de voorwaarde, hem opgelegd ter uitvoering van de taakstraf heeft voldaan. De officier van justitie kan in dat geval de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis (zie artikel II, onder G) of vervangende jeugddetentie bevelen (zie artikel II, onder M).6

(...)

5. Toetsing aan grondrechten en algemene rechtsbeginselen

Gezien het feit dat onder deskundigen het niet zo vanzelfsprekend is dat verdachten worden verplicht vingerafdrukken af te geven, lijkt het de leden van de PvdA-fractie goed dat de regering ingaat op de verplichting uit dit wetsvoorstel om vingerafdrukken af te geven en het nemo teneturbeginsel. De leden verzoeken de regering om tevens artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de interpretatie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van het nemo teneturbeginsel in relatie tot het verplicht afgeven van vingerafdrukken nader te belichten. In dat verband vragen zij of er Europese jurisprudentie bekend is dat het afnemen en bewaren van vingerafdrukken zou kunnen belemmeren. Het nemo teneturbeginsel wordt door de Hoge Raad omschreven als het beginsel dat een verdachte niet mag worden verplicht actief mee te werken aan hetgeen tot zijn veroordeling kan leiden. De verplichting tot het afstaan van vingerafdrukken vormt geen inbreuk op het nemo teneturbeginsel omdat er voor de verdachte geen sprake is van een verplichting tot actieve medewerking aan zijn veroordeling. Het arrest Saunders ondersteunt het standpunt dat het nemen van vingerafdrukken geen inbreuk maakt op het nemo teneturbeginsel voor zover dat in artikel 6 van het EVRM besloten ligt. In de zaak Saunders oordeelde het EHRM (EHRM NJ 1996, 225) namelijk dat het recht om zichzelf niet te hoeven belasten zich in eerste instantie richt op het recht om te zwijgen. Het recht strekt zich niet uit tot bewijsmateriaal dat onder dwang in een strafrechtelijke procedure is verkregen, maar onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat. Het EHRM noemt daarbij als voorbeelden: inbeslaggenomen documenten, ademlucht, bloed- en urinemonsters en lichaamsmateriaal voor DNA-onderzoek. Deze beperking van het recht om zichzelf niet te hoeven belasten valt goed te begrijpen in het licht van een belangrijke, door het Hof genoemde functie van dit recht: het voorkomen van rechterlijke dwalingen. Onder dwang verkregen mondelinge verklaringen kunnen tot rechterlijke dwalingen leiden; vingerafdrukken veranderen niet al naar gelang deze vrijwillig of onder dwang worden afgestaan. Het nemen van vingerafdrukken van een verdachte levert naar mijn mening dan ook geen schending van het nemo teneturbeginsel op.

Verder is er geen Europese jurisprudentie bekend op grond waarvan het bewaren van vingerafdrukken niet zou zijn toegestaan. Zoals in paragraaf 7.1 van de memorie van toelichting is aangegeven, levert het nemen en bewaren van vingerafdrukken geen strijd op met artikel 8 van het EVRM dat de verdachte bescherming biedt tegen een willekeurige inbreuk op de onaantastbaarheid van zijn lichaam en zijn persoonlijke levenssfeer.”7

13. Bij de Wet van 18 juli 2009, Stb. 2009, nr. 317 (Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen), waarbij art. 29a (inmiddels: oud) aan het Wetboek van Strafvordering werd toegevoegd, werd tevens art. 55c in dat Wetboek opgenomen. Na enkele voor de onderhavige rechtsvraag niet ter zake doende wijzigingen8 luidt art. 55c met ingang van 1 mei 2014 (Stb. 2014, 149):

“1. De ambtenaren, bedoeld in artikel 141 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-01-01/0/), en de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012 (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=2&g=2018-02-20&z=2018-02-20), die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-01-01/0/) zijn, stellen de identiteit van de aangehouden verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste en tweede volzin (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001903/2018-01-01/0/).

2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, nemen met het oog op het vaststellen van de identiteit van een verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, of die wordt verhoord wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, zonder dat hij is aangehouden, een of meer foto’s en vingerafdrukken. De vingerafdrukken worden vergeleken met de van verdachten overeenkomstig dit wetboek verwerkte vingerafdrukken en, indien vermoed wordt dat de verdachte een vreemdeling is, met de overeenkomstig de Vreemdelingenwet 2000 verwerkte vingerafdrukken.

3. De officier van justitie of de hulpofficier beveelt dat van iedere andere verdachte dan de verdachte, bedoeld in het tweede lid, over wiens identiteit twijfel bestaat, een of meer foto’s en vingerafdrukken worden genomen. Het tweede lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

4. De foto’s en vingerafdrukken, bedoeld in het tweede en derde lid, kunnen ook worden verwerkt voor het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een lijk.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van het nemen van de foto’s en vingerafdrukken, bedoeld in het tweede en derde lid, en voor het verwerken van de resultaten daarvan..”9

14. De memorie van toelichting op deze wet houdt over deze bepaling in:

“Dit wetsvoorstel beoogt de toepassingsmogelijkheden van het gebruik van foto’s en vingerafdrukken op twee manieren te reguleren. In de eerste plaats regelt het in artikel I, onder H, voorgestelde artikel 55c, tweede lid, Sv dat een opsporingsambtenaar van een ieder die verdacht wordt van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, bij aanhouding steeds foto’s en vingerafdrukken neemt. Bij verdachten van een misdrijf waarvoor geen voorlopige hechtenis mogelijk is of een overtreding, is ingevolge het derde lid van artikel 55c – om redenen van proportionaliteit en capaciteit – het nemen van foto’s en vingerafdrukken alleen toegestaan bij twijfel over de identiteit van betrokkene. Dit artikellid verplicht de officier van justitie of de hulpofficier van justitie in die situaties de afname van foto’s en vingerafdrukken te bevelen. Met de grens van voorlopige hechtenis wordt aangesloten bij het in het Wetboek van Strafvordering vastgelegde uitgangspunt dat dwangmiddelen die een inbreuk maken op de lichamelijke integriteit, alleen kunnen worden bevolen in geval van verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verder wordt met de grens van voorlopige hechtenis de huidige werkwijze van identiteitsvaststelling door tal van politiekorpsen wettelijk verankerd. Volgens deze werkwijze worden van verdachten die in verzekering zijn gesteld, altijd foto’s en vingerafdrukken genomen. Het bevel tot inverzekeringstelling kan slechts worden verleend in geval van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

De voorgestelde regeling om standaard bij een bepaalde categorie verdachten foto’s en vingerafdrukken te nemen sluit aan bij de regeling in de beginselenwetten op grond waarvan iedere veroordeelde die zijn straf of maatregel in een inrichting ondergaat en iedere verdachte die zijn inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis in een huis van bewaring ondergaat, verplicht is zijn beeltenis te laten vastleggen en zijn vingerafdrukken af te staan (zie paragraaf 5.1.2). Deze standaardafname sluit bovendien aan bij de Europese regelgeving op het terrein van de reisdocumenten op grond waarvan iedere Nederlander straks verplicht is bij aanvraag van een reisdocument zijn foto en vingerafdrukken ter beschikking te stellen die vervolgens in een chip in dat document worden verwerkt (zie paragraaf 4). Deze voorwaarde gaat ook gelden voor iedere vreemdeling in het kader van het verlenen van een vreemdelingendocument.

In de tweede plaats voorziet het wetsvoorstel erin dat op ieder ander relevant moment in het strafrechtelijk traject waarop contact is met een verdachte of veroordeelde zijn vingerafdrukken die ingevolge artikel 55c, tweede of derde lid, Sv zijn genomen en in HAVANK zijn verwerkt, on-line worden vergeleken met de reeds van hem verwerkte vingerafdrukken met als doel zijn identiteit te verifiëren. Zo voorziet het bij artikel I, onder S, aangepaste artikel 273, eerste lid, Sv in combinatie met het bij artikel I, onder D, voorgestelde artikel 27a, tweede lid, erin dat de vingerafdrukken die op verzoek van de rechter van de verdachte bij gerezen twijfel over zijn identiteit worden genomen, buiten de zittingzaal on-line worden vergeleken met de eerder van hem verwerkte vingerafdrukken (zie verder paragraaf 6.5.1). Het bij artikel VI, onder B, aangepaste artikel 28, derde en vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet, het bij artikel VII, onder A, gewijzigde artikel 22, tweede en derde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en het bij artikel VIII gewijzigde artikel 33, derde en vierde lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen regelen dat op de momenten waarop dat binnen de inrichting nodig is, de vingerafdrukken van de veroordeelde worden genomen en worden vergeleken.10

(...)

Met het onderhavige wetsvoorstel wordt voldaan aan de eis dat de inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam bij of krachtens de wet is voorzien. Het wetsvoorstel vormt de basis voor de inbreuk en omschrijft de grenzen van toepassing van de verplichting tot afname van foto’s en vingerafdrukken. Het voorgestelde artikel 55c, tweede lid, Sv voorziet erin dat van iedere verdachte wegens een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, bij aanhouding standaard foto’s en vingerafdrukken worden genomen met als doel zijn identiteit onomstotelijk vast te stellen. De huidige regeling staat een inbreuk op de lichamelijke integriteit al toe in geval van verdenking van ieder strafbaar feit mits daarvoor een onderzoeksbelang aanwezig is (artikel 61a, eerste lid, onder a en b, juncto tweede lid, Sv). Bij verdachten wegens een misdrijf waarvoor geen voorlopige hechtenis mogelijk is of een overtreding, worden onder meer om redenen van proportionaliteit, foto’s en vingerafdrukken alleen maar genomen bij twijfel over de identiteit van betrokkene (zie artikel 55c, derde lid, Sv). Op ieder ander moment in de strafrechtelijke procedure worden geen foto’s, alleen maar vingerafdrukken van de verdachte – en ook van de veroordeelde – genomen, teneinde zijn identiteit te kunnen verifiëren.

Met het onderhavige wetsvoorstel worden verder legitieme doelen als omschreven in artikel 8, tweede lid, van het EVRM nagestreefd. Met foto’s en vingerafdrukken wordt beoogd de identiteit van de justitiabele te kunnen vaststellen. Zoals in de paragrafen 1 en 3 uiteengezet is, is het van belang dat aan iedere strafrechtelijke interventie een betrouwbare en juiste identiteitsvaststelling van de justitiabele vooraf gaat. Indien dat niet gebeurt, bestaat het risico dat de interventie de verkeerde persoon treft. Indien politie en justitie weten met wie ze te maken hebben komt dit de effectiviteit en legitimiteit van de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten ten goede. In de jurisprudentie van het EHRM is aanvaard dat dit doel kan worden begrepen onder het in artikel 8 genoemde voorkomen van strafbare feiten (vgl. bijvoorbeeld EHRM 16 december 1992, NJ 1993, 400, de zaak Niemitz). Bovendien heeft het gebruik van foto’s en vingerafdrukken de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, zoals slachtoffers van ernstige misdrijven, tot doel.

Verder is het nemen van foto’s en vingerafdrukken, zoals voorzien in het wetsvoorstel, «noodzakelijk in een democratische samenleving». De inmenging in het recht op onaantastbaarheid van het lichaam van een verdachte of veroordeelde wordt gerechtvaardigd door het zwaarwegende algemeen belang van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De overheid dient ervoor te zorgen dat de daders van misdrijven zoveel mogelijk worden opgespoord, vervolgd en berecht en dat persoonsverwisseling bij de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen wordt voorkomen. Een goede en betrouwbare identiteitsvaststelling is in dat verband van fundamenteel belang, temeer nu er, zoals in paragraaf 3 is beschreven, algemene en specifieke aanwijzingen zijn dat identiteitsverwisseling in de strafrechtsketen voorkomt. Verder dient boven elke twijfel verheven te zijn wie de verdachte of veroordeelde is. Vingerafdrukken vormen op dit moment het meest effectieve en efficiënte instrument om de identiteitsvaststelling in de strafrechtsketen te ondersteunen. Vingerafdrukken zijn immers universeel, uniek identificerend en onveranderlijk en zijn daarom een trefzeker en betrouwbaar hulpmiddel om de identiteit van de justitiabele vast te stellen. Bovendien kan met vingerafdrukken niet gemakkelijk worden gefraudeerd. Indien daarmee wel is gefraudeerd, is de kans op een succesvol gebruik van die vingerafdrukken veel kleiner dan met documenten omdat het nemen van vingerafdrukken binnen de strafrechtsketen altijd onder toeziend oog van een functionaris plaatsvindt en omdat de functionaris aan de hand van de foto en de personalia die op het scherm voor hem verschijnen indien de justitiabele zijn vingers op de daarvoor bestemde apparatuur plaatst, kan verifiëren of de aanwezige persoon de juiste justitiabele is. Tot slot sluit het gebruik van vingerafdrukken in de strafrechtsketen aan bij de Europese ontwikkelingen op het terrein van identiteitsdocumenten waarbij de vingerafdrukken worden ingezet ter vaststelling van iemands identiteit. In dit wetsvoorstel wordt het daarom als gerechtvaardigd beschouwd om de identiteit van een verdachte of veroordeelde primair te verifiëren met behulp van vingerafdrukken en secundair aan de hand van een identiteitsdocument, alhoewel – in reactie op een opmerking daarover van de Nederlandse Orde van Advocaten – onderkend wordt dat het nemen van vingerafdrukken een zwaardere inbreuk op de lichamelijke integriteit vormt dan het overleggen van een identiteitsdocument.

Met het oog op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is gestreefd naar een zo beperkt mogelijke inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam. Daarom wordt voorgesteld alleen aan de voorkant van de strafrechtelijke procedure standaard foto’s en vingerafdrukken te nemen bij verdachten wegens ernstige misdrijven (zie het voorgestelde artikel 55c, tweede lid, Sv) teneinde hun identiteit te kunnen vaststellen. Deze taak is in het wetsvoorstel neergelegd bij de opsporingsambtenaren die bij of krachtens artikel 141 Sv zijn aangewezen. Bij verdachten wegens een misdrijf waarvoor geen voorlopige hechtenis mogelijk is of een overtreding is, onder meer om redenen van proportionaliteit, het nemen van foto’s en vingerafdrukken alleen toegestaan bij twijfel over de identiteit van betrokkene (zie artikel 55c, derde lid, Sv); afname geschiedt in zo’n geval slechts op bevel van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie. Controle op de naleving van de toepassing van deze identificerende maatregelen is door de rechter mogelijk. Ter terechtzitting kan de verdachte de rechtmatigheid van de afname van foto’s en vingerafdrukken aan de orde stellen.”11

15. Art. 447e Sr is in de wet opgenomen bij de Wet op de uitgebreide identificatieplicht (Wet van 24 juni 2004, Stb. 2004, nr. 300, in werking getreden 1 januari 2005, Stb. 2004, nr. 583). Deze bepaling kwam toen te luiden:

“Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.”

In de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden werd voorzien bij het tegelijkertijd ingevoerde art. 2 van de Wet op de identificatieplicht:

“Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a van de Politiewet 1993, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden. Deze verplichting geldt ook indien de vordering wordt gedaan door een toezichthouder.”

16. Bij de hiervoor reeds genoemde Wet van 18 juli 2009, Stb. 2009, nr. 317 (Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen), in werking getreden 1 oktober 2010 (Stb. 2010, nr. 152), werd art. 447e Sr aangevuld met het niet voldoen aan de verplichting een identiteitsbewijs ter inzage te geven krachtens enkele andere wetten. Art. 447e Sr luidde sindsdien:

“Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht, de Overleveringswet, de Uitleveringswet, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.”

In de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden was reeds voorzien in art. 2 Wet op de identificatieplicht. Die verplichting werd bij de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen ook opgenomen in toen art. 29a lid 2 Sv, thans art. 29c lid 2 Sv12, alsmede - door het toenmalige art. 29a lid 2 Sv van overeenkomstige toepassing te verklaren - in art. 28 lid 3 Penitentiaire beginselenwet, art. 22 lid 2 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, art. 33 lid 3 Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en art. 51a lid 2 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.

17. Het bij laatstgenoemde wet opgenomen art. 29a lid 2 (oud) Sv, thans art. 29c lid 2 Sv, repte ook van een verplichting medewerking te verlenen aan het nemen van vingerafdrukken. Art. 447e Sr sprak daarover nog niet.

18. Dat veranderde bij Wet van 12 maart 2014, Stb. 2014, nr. 125, in werking getreden 1 mei 2014 (Stb. 2014, nr. 149). Bij die wet werd in art. 447e Sr “de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden” vervangen door “de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden of medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken”. Daarmee kreeg art. 447e Sr zijn huidige tekst:

“Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden of medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht, de Overleveringswet, de Uitleveringswet, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.”

19. De memorie van toelichting op de wet waarbij het niet voldoen aan de verplichting medewerking te verlenen aan het nemen van vingerafdrukken aan art. 447e Sr is toegevoegd houdt hierover in:

“Tot slot bevat dit wetsvoorstel een uitbreiding van de delictsomschrijving van artikel 447e Sr. Strafbaar wordt het niet voldoen aan de verplichting om in de bij wet aangewezen gevallen vingerafdrukken af te staan. In paragraaf 4 wordt deze strafbaarstelling nader toegelicht.13

(...)

Bij artikel I, onder J, van dit wetsvoorstel is de strafbaarstelling van artikel 447e Sr ook van toepassing verklaard op de justitiabele die niet voldoet aan de wettelijke verplichting een of meer vingerafdrukken te laten nemen. Bij de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen is in het Wetboek van Strafvordering geregeld dat op basis van artikel 55c, tweede lid, Sv de opsporingsambtenaar bij iedere verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, of die wordt verhoord wegens zo’n misdrijf, maar niet voor dat misdrijf is aangehouden, vingerafdrukken neemt. Bij iedere andere verdachte moet hij op basis van artikel 55c, derde lid, Sv vingerafdrukken nemen indien hij twijfel heeft over zijn identiteit of indien zijn identiteit onbekend is en de officier of de hulpofficier van justitie daarvoor een bevel heeft gegeven. Bij artikel I, onder J, van dit wetsvoorstel is de strafbaarstelling van artikel 447e Sr ook van toepassing verklaard op de justitiabele die niet voldoet aan de wettelijke verplichting een of meer vingerafdrukken te laten nemen. Bij de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen is in het Wetboek van Strafvordering geregeld dat op basis van artikel 55c, tweede lid, Sv de opsporingsambtenaar bij iedere verdachte die is aangehouden wegens een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, of die wordt verhoord wegens zo’n misdrijf, maar niet voor dat misdrijf is aangehouden, vingerafdrukken neemt. Bij iedere andere verdachte moet hij op basis van artikel 55c, derde lid, Sv vingerafdrukken nemen indien hij twijfel heeft over zijn identiteit of indien zijn identiteit onbekend is en de officier of de hulpofficier van justitie daarvoor een bevel heeft gegeven.

In het Wetboek van Strafvordering en de andere wetten die bij artikel II, onder Q, van de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen aan artikel 447e Sr zijn toegevoegd, is verder geregeld dat de vingerafdrukken die de opsporingsambtenaar aan de voorkant van het strafrechtelijk traject heeft genomen, primair op ieder ander relevant moment in hetzelfde strafrechtelijk traject, bijvoorbeeld tijdens de tenuitvoerlegging van een taakstraf, worden gebruikt om de identiteit van de verdachte of veroordeelde te verifiëren, alsook, indien hij recidiveert, in een later strafrechtelijk traject. Alleen als er geen vingerafdrukken aan het begin van het strafrechtelijk traject zijn genomen, wordt zijn identiteit later in het traject met behulp van een papieren identiteitsbewijs gecontroleerd. In verband daarmee is er in de genoemde wetten tevens in voorzien dat op de daarvoor wettelijk voorgeschreven momenten bij de verdachte of veroordeelde de vingerafdrukken worden genomen om deze online te kunnen vergelijken met de aan voorkant van het strafrechtelijk traject genomen vingerafdrukken en dat hij wettelijk verplicht is zijn medewerking daaraan te verlenen. Alleen op die wijze kan worden vastgesteld of een persoon in de ene fase van een strafrechtelijk traject dezelfde persoon is als in een andere fase van het strafrechtelijk traject en kan de kans worden geminimaliseerd dat die persoon later een andere identiteit kan aannemen en onder die andere identiteit in de strafrechtelijke systemen wordt geregistreerd, of dat een ander zich voor hem uitgeeft.

Nu de vingerafdrukken in de strafrechtsketen bij de verificatie van de identiteit van een justitiabele als wettelijk voorgeschreven biometrisch identiteitsbewijs fungeren, en de identiteit primair met behulp van dit identiteitsbewijs wordt vastgesteld als het voorhanden is in plaats van met het papieren identiteitsbewijs, ligt het bij nader inzien in de rede, zoals in artikel I, onder J, wordt voorgesteld, dat het niet afstaan van zijn vingerafdrukken op dezelfde wijze strafbaar wordt gesteld als het nalaten van het tonen van een identiteitsbewijs. Indien iemand niet zijn vingerafdrukken afstaat wanneer dat wettelijk verplicht is, overtreedt hij artikel 447e Sr.” 14

20. Samengevat komt de wettelijke regeling voor het nemen van vingerafdrukken op het volgende neer.

21. In geval een verdachte wordt aangehouden wegens een misdrijf als omschreven in art. 67 , eerste lid, Sv of wegens een dergelijk misdrijf wordt verhoord zonder te zijn aangehouden nemen opsporingsambtenaren van de verdachte een of meer vingerafdrukken (art. 55c lid 2 Sv). De bepaling bevat niet alleen een opdracht15 aan de opsporingsambtenaar maar behelst - gelet op de uitdrukkelijke verwijzing in de memorie van toelichting naar art. 8 EVRM en hetgeen daarover wordt opgemerkt16 - ook de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar die vingerafdrukken daadwerkelijk af te nemen. Daarmee ligt in die bepaling tevens besloten dat de verdachte dat afnemen van vingerafdrukken moet dulden. Hij dient zich dus te laten welgevallen dat zijn vinger wordt vastgepakt, op een stempelkussen en vervolgens op een stuk papier wordt gedrukt om een afbeelding van de vinger te maken of hij moet dulden dat zijn vinger op een scanner voor vingerafdrukken wordt geplaatst. Verzet hij zich hiertegen met geweld of bedreiging met geweld, dan maakt hij zich schuldig aan wederspannigheid (art. 180 Sr).

22. Buiten de in art. 55c lid 2 Sv beschreven gevallen kan de (hulp)officier van justitie bevelen dat van een andere verdachte dan in het tweede lid bedoeld vingerafdrukken worden genomen, doch alleen wanneer omtrent zijn identiteit twijfel bestaat (art. 55c lid 3 Sv). Dit is een bevel, gericht aan een opsporingsambtenaar. Gelet op de samenhang tussen het tweede en het derde lid van art. 55c Sv en de parlementaire geschiedenis als hiervoor opgenomen, ligt in deze bepaling ook de bevoegdheid opgesloten om de vingerafdrukken te nemen en daarmee dat de verdachte dit nemen van vingerafdrukken moet dulden.

23. Art. 55c Sv behelst dus zoals zovele regelingen van dwangmiddelen in het Wetboek van Strafvordering - onderzoek aan lichaam en kleding, inbeslagneming, huiszoeking - de bevoegdheid tot het toepassen van een dwangmiddel. De toepassing daarvan zal de verdachte moeten ondergaan en kan - eventueel met gepast geweld - worden afgedwongen, medewerking daaraan wordt niet verlangd. Hiermee strookt hetgeen wordt opgemerkt in de concept-memorie van toelichting17 op het concept-Voorstel van wet tot vaststelling van Boek 1 inhoudende algemene bepalingen over de strafvordering in het algemeen in verband met de modernisering van het Wetboek van Strafvordering:

“Een nieuwe verplichting die in het wetboek aan de verdachte (en later ook veroordeelde) is opgelegd is de vaststelling van zijn identiteit, die inhoudt dat hij moet dulden dat van hem vingerafdrukken worden afgenomen, een foto wordt gemaakt, en dat hij een strafrechtketennummer krijgt in de strafrechtketendatabank.”

24. Van bedoelde verplichting tot medewerking is wel sprake in geval een verhorend rechterlijk ambtenaar over de vingerafdrukken van de verdachte wenst te beschikken. Art. 29c lid 2 Sv geeft hem de bevoegdheid de verdachte te bevelen diens medewerking te verlenen aan het nemen van diens vingerafdrukken. Bij deze bepaling is met name gedacht aan de rechter die bij de vaststelling van de identiteit van de verdachte overeenkomstig het bepaalde in art. 273 lid 1 Sv jo. 27a Sv ondanks de voorhanden gegevens - NAW-gegevens en identiteitsbewijs - twijfelt aan de identiteit van de verdachte. Geeft de rechter dit bevel, dan dient - aldus de memorie van toelichting18 - de parketpolitie de vingerafdrukken van de verdachte te nemen en deze eventueel te vergelijken met voorhanden vingerafdrukken van de gedagvaarde persoon. Negeert de verdachte het bevel tot medewerking, dan maakt hij zich - aldus de memorie van toelichting - schuldig aan overtreding van het bepaalde in art. 184 Sr. 19

25. Het bepaalde in art. 29c lid 2 Sv is ingegeven door de gedachte dat de verhorend rechterlijk ambtenaar niet zelf de vingerafdrukken zou moeten gaan afnemen. Anders dan in art. 55c lid 3 Sv heeft de wet de rechterlijk ambtenaar echter niet de bevoegdheid gegeven het nemen en vergelijken van vingerafdrukken te bevelen zoals hij ook ander onderzoek kan bevelen (vgl. art. 315-317 Sv), maar richt het bevel zich tot de verdachte. Niettemin wordt door de wetgever kennelijk geacht in het bepaalde in art. 29c lid 2 Sv de bevoegdheid tot het afnemen van vingerafdrukken besloten te liggen. Wie daartoe bevoegd is laat de wetgever in het midden. In de memorie van toelichting noemt de wetgever de parketpolitie die op verzoek van de rechter de door deze verlangde vingerafdrukken neemt.20

26. De vraag wie in geval van toepassing van art. 29c lid 2 Sv na een bevel tot medewerking aan de persoon van wie vingerafdrukken verlangd worden, bevoegd is tot het daadwerkelijk nemen van die vingerafdrukken wordt nog pregnanter in de gevallen waarin art. 29c lid 2 Sv in andere wetten dan het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing is verklaard: art. 28 lid 3 Penitentiaire beginselenwet, art. 22 lid 2 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelde, art. 33 lid 3 Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en art. 51a lid 2 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. De wetgever laat zich over de vraag wie bevoegd is tot het daadwerkelijk nemen van vingerafdrukken niet uit. In de regel zal dit naar kennelijk moet worden aangenomen een ondergeschikte zijn van degene die het bevel geeft.

27. Doordat de officier van justitie ook rechterlijk ambtenaar is (art. 1 onder b sub 70 Wet RO) kan de officier van justitie zowel een - tot een opsporingsambtenaar gericht - bevel geven tot het nemen van vingerafdrukken (art. 55c lid 3 Sv) als een - tot de verdachte gericht - bevel tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken (art. 29c lid 2 Sv).

28. Bij invoering van art. 29c (toen nog 29a) Sv werd niet alleen voorzien in een plicht tot medewerking aan een bevel van een verhorende rechterlijk ambtenaar tot het nemen van vingerafdrukken - de memorie van toelichting21 noemt als gevallen verzet tegen een strafbeschikking (artikel 257f, derde lid, Sv), een rechtsgeding voor de politierechter (artikel 367 Sv), een rechtsgeding voor de kantonrechter (artikel 398 Sv), een rechtsgeding voor het gerechtshof (artikel 415 Sv), een rechtsgeding voor de kinderrechter (artikel 499, eerste lid, Sv), de behandeling van een vordering tot toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i of 38k Sr (artikel 509m, eerste lid, Sv), de behandeling van een vordering tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (artikel 509dd, tweede lid, Sv), een ontnemingsprocedure (artikel 511d, eerste lid, Sv), een rechtsgeding tot herkenning van een veroordeelde of een andere gevonniste persoon (artikel 581, eerste lid, Sv) en behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging vonnis of arrest bij niet-naleving voorwaarden (artikel 14i, vierde lid, Sr) - maar ook in de plicht tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken in de vorm van een voorwaarde waaronder een bepaalde sanctie dient te worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf is als voorwaarde gesteld dat de betrokkene zijn medewerking verleent aan het verifiëren van zijn identiteit zoals bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf (art. 22g lid 1 Sr). Zie voorts art. 80 lid 2 onder 30, en 257a lid 4 Sv, alsmede art. 14c lid 1, aanhef en onder b sub 10, 15a lid 1, aanhef en onder b sub 10, 38 lid 1, 38p lid 3 onder b, 77f lid 3, 77p lid 1, 77w lid 3, en 77z lid 1, aanhef en onder b sub 10 Sr.

29. Art. 447e Sr, sprekend van “de verplichting om (...) medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht (...)”, omvat beide vormen waarin de verplichting tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken vorm is gegeven, zowel die voortvloeiend uit een bevel tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken gebaseerd op art. 29c lid 2 Sv als die plicht in de vorm van een voorwaarde waaronder een bepaalde sanctie dient te worden uitgevoerd. De vraag is nu of die in art. 447e Sr genoemde verplichting tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken ook omvat gevallen zoals art. 55c lid 2 Sv waarin een bevoegdheid tot het nemen van vingerafdrukken bestaat, maar in de wet niet van een verplichting tot medewerking wordt gesproken. Gelet op de vraag die het middel aan de orde stelt, zal ik mij hierna beperken tot het geval waarin het nemen van vingerafdrukken wordt gebaseerd op art. 55c lid 2 Sv.

30. Reeds dadelijk kan worden opgemerkt dat het ontbreken van een plicht tot medewerking in geval van het nemen van vingerafdrukken op de voet van art. 55c lid 2 Sv niet op een vergissing van de wetgever lijkt te berusten. Zoals de memorie van toelichting laat zien, is uitgebreid onderzocht in welke gevallen die plicht tot medewerking noodzakelijk zou zijn, resulterend in de hiervoor beschreven twee vormen waarin die plicht in het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten is opgenomen.

31. Voorts is van belang dat een bevel tot medewerking aan toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel niet gebruikelijk is. Een uitzondering daarop vormt het bepaalde in art. 163 lid 6 WVW 1994, luidende:

“De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. (...)”

32. De memorie van toelichting op de wet waarbij deze verplichting tot het verlenen van medewerking aan de bloedproef (art. 33a lid 3 WVW oud) werd ingevoerd22, werd opgemerkt:

“Lid 3. In sommige landen waar men de verplichte bloedproef kent, wordt deze zo nodig doorgezet door middel van fysieke dwang. De ondergetekenden geven de voorkeur aan een verplichting tot opvolging van een bevel tot het ondergaan van een bloedproef, met daarop een strafsanctie die gelijk is aan de sanctie gesteld op het delict dat door de bloedproef bewezen zou moeten worden. Op te merken is dat het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel al op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar is en dat de hierop gestelde maximumstraf (3 maanden gevangenisstraf) zelfs gelijk is aan het strafmaximum gesteld op overtreding van artikel 26 W.V.W. Een afzonderlijke bepaling is desondanks gewenst, niet alleen omdat de strafmaxima van artikel 36, derde lid, hoger zijn, maar vooral om de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te kunnen opleggen.“23

33. Hier wordt na afweging van voor- en nadelen gekozen voor een plicht tot medewerking aan een door de ter zake bevoegde ambtenaar gegeven bevel tot het ondergaan van een bloedonderzoek in plaats van het geven van de bevoegdheid van een ambtenaar tot bloedafname die de verdachte zich desnoods met geweld moet laten welgevallen. Een dergelijke afweging tussen bevel tot medewerking en uitvoering heeft de wetgever ook bij de formulering in art. 29c lid 2 Sv van de plicht tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken gemaakt. Het kwam de wetgever niet wenselijk voor de verhorende rechterlijk ambtenaar zelf met het nemen van vingerafdrukken te belasten. Daarom werd hem bij wege van aanvullend instrument24 de mogelijkheid gegeven een bevel tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken te geven terwijl het nemen van vingerafdrukken aan de parketpolitie werd overgelaten. Voor de opsporingsambtenaar als degene aan wie het nemen van vingerafdrukken is opgedragen zag de wetgever dat bezwaar uiteraard niet. Dat verklaart waarom de wet niet spreekt van een plicht tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken op de voet van het bepaalde in art. 55c lid 2 Sv.

34. Gezien de weloverwogen wijze waarop de wetgever te werk is gegaan bij het vaststellen van een plicht tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken verbaast het dan ook dat er in de memorie van toelichting op de wet waarbij de verplichting tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken aan art. 447e Sr werd toegevoegd kennelijk zonder meer van wordt uitgegaan25 dat in het bepaalde in art. 55c, tweede en derde lid, Sv die plicht ligt opgesloten. Hetgeen daar als vanzelfsprekend en zonder enige toelichting wordt opgemerkt valt, zoals volgt uit hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet, niet te rijmen met de parlementaire geschiedenis van de art. 29c en 55c Sv, in het bijzonder niet met de weloverwogen wijze waarop de wetgever al dan niet medewerkingsplichten heeft geschapen. Nog onbegrijpelijker is dat in het geheel niet wordt verwezen naar bepalingen waarin wel uitdrukkelijk van een plicht tot medewerking wordt gesproken. Daarom meen ik dat aan die opmerking voor de beantwoording van de vraag of in art. 55c lid 2 Sv een plicht tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken ligt opgesloten geen gewicht toekomt. Daaraan doet niet af dat de wetgever het niet meewerken aan het afstaan van vingerafdrukken op dezelfde wijze strafbaar wenste te stellen als het niet voldoen aan de verplichting tot medewerking aan het nemen van vingerafdrukken. Die wens neemt niet weg dat het ter realisering van die wens onontkoombaar is dat er een verplichting bestaat tot medewerken aan het afnemen van vingerafdrukken. Art. 447e Sr verbindt de strafbaarheid immers niet aan het niet meewerken aan het nemen van vingerafdrukken maar aan niet meewerken in geval een plicht tot meewerken bestaat. In die verplichting voorziet noch art. 55c lid 2 Sv, noch art. 447e Sr.

35. Het voorgaande brengt mij tot de volgende slotsom. Weigeren mee te werken aan het nemen van vingerafdrukken op de voet van het bepaalde in art. 55c lid 2 Sv betekent niet dat de verdachte niet heeft voldaan aan “de verplichting om medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, hem opgelegd krachtens het Wetboek van Strafvordering" als bedoeld in art. 447e Sr. Art. 55c lid 2 Sv biedt de mogelijkheid de niet tot medewerking geneigde verdachte met gepast geweld te dwingen tot het nemen van vingerafdrukken. Verzet hij zich met geweld of bedreiging met geweld, dan maakt hij zich schuldig aan wederspannigheid (art. 180 Sr). Werkt hij niet mee zonder zich met geweld of bedreiging met geweld te verzetten tegen de opsporingsambtenaar die - bijvoorbeeld - zijn vinger op de vingerscanner drukt, dan is dat lastig voor de opsporingsambtenaar maar maakt de verdachte zich niet schuldig aan overtreding van art. 447e Sr.

36. Het middel faalt.

37. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 22-23.

2 (WHV:) Thans art. 8 van de Politiewet 2012.

3 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 30-33.

4 (WHV:) Thans art. 8 van de Politiewet 2012.

5 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 68-69.

6 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 8, p. 21-22.

7 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 8, p. 27-28.

8 Wet van 24 november 2011, Stb. 2011, nr. 555, Wet van 12 juli 2012, Stb. 2012, nr. 316, Wet van 12 maart 2014, Stb. 2014, 125, alle betrekking hebbende op de omschrijving van de ambtenaren tot wie de in art. 55c Sv vervatte voorschriften zich richten.

9 Het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden, dat onder meer op art. 55c lid 5 Sv is gebaseerd, bevat een regeling voor een databank vingerafdrukken. Uitwerking van de wijze waarop vingerafdrukken worden afgenomen bevat dit besluit niet.

10 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 20-21.

11 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 53-54.

12 Zie hiervoor onder 10 over de latere vernummering van art. 29a Sv tot art. 29c Sv.

13 Kamerstukken II 2011–2012, 33 352, nr. 3, p. 7

14 Kamerstukken II 2011–2012, 33 352, nr. 3, p. 28-29

15 Zie o.m. Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 20 en 30.

16 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 53-54.

17 P. 60.

18 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 31-32.

19 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 68-69.

20 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 31-32.

21 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 32.

22 Wet van 23 mei 1973, Stb. 1973, 282, in werking getreden 1 november 1974.

23 Kamerstukken II 1968-1969, 10 038, nr. 3, p. 10.

24 Kamerstukken II 2007–2008, 31 436, nr. 3 (Herdruk), p. 31.

25 Kamerstukken II 2011–2012, 33 352, nr. 3, p. 28.