Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:173

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
17/01364
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:620
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG onder andere over de vraag of medewerker van een justitiële jeugdinrichting bij het toepassen van een houdgreep in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was. Art. 304 Sr. De AG stelt zich op het standpunt dat het cassatieberoep kan worden verworpen (art. 81 RO) met uitzondering van het beroep op de schending van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01364 J

Zitting: 6 maart 2018

(bij vervroeging)

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 8 december 2016 door het gerechtshof Amsterdam in de zaak met parketnummer 13-680181-15 wegens:

- 2. “diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”;

- 4. primair “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”;

- en in de zaak met parketnummer 13-689064-16 wegens “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”;

veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, waarvan 128 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met algemene en bijzondere voorwaarden zoals nader in het arrest omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sv. De bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard.1

Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen inzake de in beslag genomen voorwerpen en de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/03647. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het hof bij de verwerping van het verweer inzake de rechtmatigheid van de bediening van de groepsleider bij de Justitiële Jeugd Inrichting in de zaak met parketnummer 13-689064-16 heeft miskend dat de strekking van het verweer was dat het uitgeoefende geweld in de gegeven omstandigheden disproportioneel was, zodat de verwerping van het verweer, althans de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

4.1. Ten laste van de verdachte is in de zaak met voormeld parketnummer bewezenverklaard dat:

“hij op 16 september 2015 te Zeist een ambtenaar, [betrokkene 1] , werkzaam als groepsleider de Justitiële Jeugd Inrichting te Zeist, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het meermalen stompen op het achterhoofd van voornoemde [betrokkene 1] en krabben in het gezicht en de nek van voornoemde [betrokkene 1] ”

4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“ 1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL0900-2015286359-1 van 25 september 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pag. 8-11.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 1] , zakelijk weergegeven:

Ik ben groepsleider bij de Justitiële Jeugdinrichting te Zeist, van groep 5. In deze groep zit onder andere [verdachte] [geboortedatum] -1999. Op woensdag 16 september 2015 bevond ik mij op de groep. Terwijl drie jongeren naar hun kamer liepen zijn [betrokkene 2] en ik met hen meegelopen. De jongeren werden verbaal heel opstandig en agressief. Ik heb [verdachte] naar de grond gebracht door hem vast te pakken en in een houdgreep te nemen. Op het moment dat wij op de grond lagen en ik op [verdachte] aan het inpraten was, voelde ik pijn op mijn achterhoofd. Ik zag en voelde dat [verdachte] met zijn linker gebalde vuist mij op mijn achterhoofd sloeg. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij zeker 20 maal met gebalde vuist hard op mijn achterhoofd sloeg. Ook heeft hij mij hard op mijn linkerslaap geslagen met zijn vuist. Ik voelde dat [verdachte] mij ook telkens begon te krabben in mijn nek en gezicht. Ik voelde dat ik pijn had op de plekken waar [verdachte] mij gekrabd had. Ik zag tijdens het vasthouden op de grond dat daar allemaal bloed lag. Dit bleek mijn bloed te zijn.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL0900-2015286359-4 van 23 november 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pag. 17-19.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [betrokkene 3] , zakelijk weergegeven:

Ik werk in het gebouw van justitie, Eikenstein, te Zeist. In groep 5 zat op 16 september 2015 [verdachte] , geboren [geboortedatum] -1999. Ik heb gezien dat mijn collega [betrokkene 1] probeerde [verdachte] in een houdgreep te krijgen. Ik zag dat [verdachte] met een arm en vuist van zich af kon slaan in de richting van het hoofd van [betrokkene 1] . Ik denk dat [betrokkene 1] wel tussen 5 en 10 keer met kracht en gebalde vuist op zijn hoofd is geslagen. Ook heb ik gezien dat [betrokkene 1] tijdens de vechtpartij door [verdachte] is gekrabd met zijn nagels in zijn nek en gezicht, tot bloedens toe.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 november 2016.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 16 september 2015 moest ik naar mijn cel. Een groepsleider liep mee naar mijn cel. Toen gingen we bekvechten. Dat is geëscaleerd, net voor mijn cel.”

4.3. Volgens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van haar pleitnotities, waarvan de volgende passages voor de beoordeling van het middel van belang zijn:

“39. Cliënt erkent geweld te hebben gebruikt, maar stelt dat hij zich diende te verdedigen. Daarbij is van belang dat m.i. uit het dossier kan worden afgeleid dat de groepsleider niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was. Uit diens eigen verklaring volgt dat de groepsleider - voordat cliënt enige geweldshandeling verricht heeft - besluit een nekklem aan te leggen. Cliënt welke een verstandelijke beperking heeft, die dag jarig was en wellicht recalcitrant was maar nog niet gewelddadig, is hier kennelijk zo van geschrokken dat hij van zich af heeft geslagen.

40. Het gebruik van een nekklem is zeer omstreden. Eerder dit jaar heeft het toepassen van een nekklem geleid tot de dood van een arubaanse toerist. Daar ging het om een agent welke een nekklem toepaste bij een persoon waarvan vermoed werd dat deze een wapen ging gebruiken. Hier gaat het om een jongen, net 16 geworden, die zich recalcitrant gedroeg. Dergelijk gedrag rechtvaardigt een passende reactie, maar absoluut geen nekklem. De groepsleider was dan ook niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zodat cliënt te dien aanzien dient te worden vrijgesproken”

4.4. In aanvulling hierop heeft de raadsvrouw naar voren gebracht:

“Met betrekking tot de mishandeling van de groepsleider vind ik zelf dat als iemand recalcitrant is, dat niet meteen een reden is om een houdgreep toe te passen.”

4.5. Het bestreden arrest houdt omtrent het voormelde verweer het volgende in:

Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren

(…)

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het in de zaak B ten laste gelegde bepleit dat de aangever niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was, nu hij een nekklem heeft aangelegd.

(…)

Het hof overweegt met betrekking tot het in de zaak B ten laste gelegde dat uit het dossier niet blijkt dat een nekklem is toegepast. Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld dat de toepassing van een houdgreep de rechtmatigheid van de uitoefening van de bediening zou aantasten, is die stelling onvoldoende onderbouwd.”

4.6. De tenlastelegging is wat betreft de zaak met parketnummer 13-689064-16 toegesneden op art. 304 Sr (in verbinding met art. 300, eerste lid Sr). Daarom moeten de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden "een ambtenaar (…) gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening" geacht worden daar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 304, aanhef en onder 2° Sr.

4.7. Art. 304 Sr luidt:

“De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:

(…)

2°. indien het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;”

4.8. Het bestanddeel “in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” van art. 304 Sr vereist dat de betrokken ambtenaar, waartegen verzet wordt gepleegd, rechtmatig heeft gehandeld bij de uitvoering van een aan hem bij de wet toebedeelde bevoegdheid, dat de hierop betrekking hebbende regeling door hem is nageleefd2 en dat het handelen voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Wordt er bijvoorbeeld buitensporig geweld gebruikt, dan kan dat aan de bewezenverklaring van de rechtmatige uitoefening van de bediening in de weg staan.3

4.9. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat de aangever op 16 september 2015 als groepsleider van ‘groep 5’ bij de Justitiële Jeugdinrichting in Zeist werkte. In deze groep bevond zich ook de verdachte, die samen met twee andere jongeren door de aangever naar zijn kamer werd begeleid. Toen zij verbaal opstandig en agressief werden, heeft de aangever de verdachte naar de grond gebracht door hem vast te pakken en hem in een houdgreep te nemen. Terwijl de aangever op de verdachte insprak, heeft de verdachte vele malen met een gebalde vuist tegen het achterhoofd van de aangever geslagen en daarbij de aangever ook gekrabd in de nek en het gezicht (bewijsmiddel 1 en 2). De verdachte heeft verklaard dat hij op de bewuste dag door de groepsleider naar zijn cel werden begeleid, zij daarbij gingen “bekvechten”, hetgeen vervolgens geëscaleerd is (bewijsmiddel 3).

4.10. Op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw, zoals hiervoor onder 4.3. en 4.4. is weergegeven, gesteld dat de groepsleider niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was omdat hij voordat de verdachte enige geweldshandeling had verricht, een nekklem had aangelegd. Het verweer komt er in feite op neer dat de aangever disproportioneel geweld heeft toegepast.

4.11. Het hof heeft dit verweer verworpen omdat uit het dossier niet blijkt dat er een nekklem is toegepast en voor zover de raadsvrouw bedoeld zou hebben dat de toepassing van een houdgreep de rechtmatigheid van de uitoefening van de bediening aantast, die stelling onvoldoende is onderbouwd. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat door de verdediging in wezen is aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin de groepsleider jegens de verdachte mocht handelen zoals hij heeft gedaan en dat dit verweer onvoldoende wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Ik acht het oordeel van het hof, gelet op het gevoerde verweer echter niet onbegrijpelijk, nu het hof heeft vastgesteld dat er geen nekklem is toegepast en het verweer met name hierop was toegespitst.

4.12. In de cassatieschriftuur wordt verder gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de voor de aangever toepasselijke wettelijke voorschriften zijn nageleefd, die onder meer voorschrijven dat de jeugdigen in beginsel een waarschuwing dienen te krijgen voordat geweld wordt toegepast, tenzij het noodzakelijk is om onmiddellijk in te grijpen.4 Hierover kan echter niet voor het eerst in cassatie worden geklaagd en ik kan ook met de beste wil van de wereld het verweer dat door de raadsvrouw ten overstaan van het hof is gevoerd zo lezen dat zij gerefereerd heeft aan deze wettelijke voorschriften en feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat deze niet zijn nageleefd. De beantwoording van de vraag of de toepasselijke wet- en regelgeving is overtreden vergt vaststellingen van feitelijke aard, zoals in casu of er al dan niet een waarschuwing is gegeven voordat de houdgreep door de aangever is toegepast. Daarvoor is in cassatie geen ruimte. Zoals ook de steller van het middel erkent, schrijft de in de schriftuur genoemde wet- en regelgeving bovendien niet dwingend voor dat er altijd een waarschuwing vooraf dient te worden gegeven, voordat geweld wordt toegepast. Ook dit vergt een nadere vaststelling van de feiten, namelijk of er een noodzaak bestond om onmiddellijk in te grijpen. Nu de wettelijke grondslag voor de gedragingen van de groepsleider ook niet als bestanddeel in de tenlastelegging is opgenomen, is de bewezenverklaring voldoende met redenen omkleed. 5

5. Het middel faalt.

6. Het tweede middel komt op tegen de strafmotivering. Het bevat de klacht dat het hof de opgelegde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard terwijl uit het arrest en evenmin uit het verhandelde terechtzitting blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

6.1. Het hof heeft op grond van art. 77za, eerste lid, Sr de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard. Deze bepaling luidt als volgt:

‘’1. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden, en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

6.1. Artikel 77za Sr vormt een uitzondering op de regel dat een rechterlijke uitspraak in beginsel pas ten uitvoer mag worden gelegd nadat zij onherroepelijk is geworden. Gelet op de verstrekkende gevolgen hiervan, heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk zal dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in artikel 77za Sr gestelde voorwaarden is voldaan.6

6.2. Het bestreden arrest bevat de volgende strafmotivering:

‘’Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A7 onder 2 en 4 en in zaak B8 bewezen verklaarde veroordeeld tot 50 uur leerstraf (So Cool-Verlengd) en 200 dagen jeugddetentie waarvan 128 dagen voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding van de Intensieve Forensische Aanpak (hierna: IFA) en aan de hulpverlening van MultiDimensionele FamilieTherapie (hierna: MDFT), en dat de verdachte deelneemt aan een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 2 en 4 primair en in zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 200 dagen waarvan 128 dagen voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding van de IFA en aan de hulpverlening van MDFT, voor zover dat nog nodig is, en dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding van de Intensieve Psychiatrische Gezinsbehandeling (hierna: IPG) en zich onder toezicht stelt van de jeugdreclassering.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewelddadige woningoverval. In die woning bevonden zich op dat moment de hoofdbewoonster met haar twee zoons en daarnaast de zus van de hoofdbewoonster met haar dochtertje, die op dat moment op bezoek waren. De daders hebben alle aanwezigen bedreigd met hamers. De aangeefsters zijn door de daders met die hamers onder meer op het hoofd geslagen. De twee zeer jonge kinderen die daarbij aanwezig waren, zijn getuige geweest van de gewelddadige woningoverval, waarbij hun moeders met hamers zijn geslagen. De verdachte en zijn mededaders hebben een televisie en twee mobiele telefoons buit gemaakt. De televisie is uiteindelijk buiten de woning achtergelaten. De verdachte en zijn mededaders hebben zich bij hun handelen enkel laten leiden door eigen geldelijk gewin. Het gemak waarmee zij, op hun jonge leeftijd, spreken over en plannen maken voor het overvallen van een woning is stuitend en verwerpelijk. De verdachte en zijn mededaders hebben de woning van aangevers op listige wijze en in georganiseerd verband overvallen.

Zij hebben met hun handelen blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de woning, de lichamelijke integriteit en de eigendommen van anderen.

De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Dat de aangeefsters en hun kinderen zich niet langer veilig voelen in hun woning, rekent het hof de verdachte zwaar aan. Uit de slachtofferverklaringen is gebleken hoe diep het misdrijf nog steeds ingrijpt op hun leven. Daarnaast heeft het misdrijf bijgedragen aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De verdachte heeft zich tevens, samen met mededaders, als gevolg van een futiliteit in de metro, schuldig gemaakt aan ernstig openlijk geweld tegen aangever [betrokkene 4] . Dit feit heeft een buitengewoon laf karakter, namelijk het als groep insluiten van en geweld plegen tegen één persoon van bovendien aanzienlijk oudere leeftijd dan de verdachte en zijn mededaders. Uit het handelen van de verdachte en zijn mededaders blijkt van geen enkel respect voor anderen en hun lichamelijke integriteit. Dat het hof, anders dan de rechtbank, niet heeft vastgesteld dat de aangever ook tegen het hoofd is geschopt, doet niet af aan de ernst van het misdrijf. Verdachte heeft immers samen met een (grote) groep jongens tegen het hoofd van één persoon gestompt, en hield pas op toen een passant ertussen sprong om de aangever te beschermen. Hoe beangstigend dit is geweest voor de aangever, is uit zijn slachtofferverklaring gebleken.

Daarnaast heeft de verdachte de aangever [betrokkene 1] gedurende zijn werkzaamheden in de JJI te Zeist mishandeld. Uit het handelen van de verdachte blijkt niet alleen wederom geen respect voor de lichamelijke integriteit van anderen, ook blijkt dat de verdachte geen respect heeft voor gezag en autoriteit. Dat de verdachte zijn woede kennelijk zo slecht kan beteugelen dat hij zich keer op keer schuldig maakt aan zeer ernstige gewelddadige feiten, acht het hof zeer zorgelijk.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 november 2015 is hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld. Het hof merkt de verdachte dan ook aan als een first offender.

Bij de strafoplegging is acht geslagen op het rapport van R.M.C. Hoogstraten, GZ-psycholoog, en het rapport van F.T. Gossink, psychiater in opleiding, onder supervisie van I. Maksimovic, psychiater. Uit deze rapporten maakt het hof op dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een (matige) verstandelijke beperking en van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens in de zin van een (ernstige) gedragsstoornis. De verdachte is daarom verminderd toerekeningsvatbaar met betrekking tot het onder A4 ten laste gelegde feit.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de begeleider van de verdachte van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS) verklaard dat het momenteel erg goed gaat met de verdachte. Hij zet zich goed in op school en er zijn geen signalen meer dat de verdachte overlast veroorzaakt in de buurt. Ook werkt hij goed mee aan de door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden, waaronder de behandeling bij De Waag. Omdat vanwege het ingestelde hoger beroep de leerstraf (So Cooltraining) niet direct ten uitvoer kon worden gelegd, is de verdachte alvast begonnen met de behandeling bij De Waag. De WSS acht het opleggen van die leerstraf niet meer van belang, nu deze met name zinvol is wanneer deze voorafgaand aan een behandeling bij De Waag wordt gevolgd. De begeleiding van de IFA wordt door de WSS wel geadviseerd.

De Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) heeft ter terechtzitting in hoger beroep eveneens geadviseerd de leerstraf So Cooltraining niet op te leggen. Daarnaast heeft de Raad geadviseerd om het vonnis van de rechtbank te bevestigen, maar in plaats van de MDFT de begeleiding van de IPG op te leggen.

Gelet op de ernst van de feiten enerzijds en de verminderde toerekeningsvatbaarheid anderzijds acht het hof de door de rechtbank opgelegde deels voorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden. Het hof zal, anders dan de rechtbank, geen leerstraf opleggen, nu dit niet langer zinvol wordt geacht door de WSS en de Raad. Als bijzondere voorwaarden worden opgelegd het meewerken aan de begeleiding van de MDFT en de IFA. Het hof heeft begrepen dat die trajecten inmiddels al wat verder zijn gevorderd, en met name de MDFT zich in de afrondende fase bevindt. Die bijzondere voorwaarden zijn dan ook uitdrukkelijk slechts van toepassing zolang de WSS die begeleiding nog zinvol acht. Daarnaast wordt als bijzondere voorwaarden opgelegd dat de verdachte meewerkt aan de behandeling bij De Waag en bij de IPG.

Het hof zal de bijzondere voorwaarden daadwerkelijk uitvoerbaar verklaren, aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Bovendien is het essentieel dat de verdachte ondersteund wordt bij de door hem ingezette positieve lijn en dat de verdachte, ook na het eventuele instellen van een rechtsmiddel, niet van behandeling en begeleiding verstoken blijft.’’

6.3. De steller van het middel voert aan dat uit het arrest van het hof niet (zonder meer) volgt dat aan de in art. 77za Sr gestelde voorwaarde is voldaan. Dat klemt te meer omdat ter terechtzitting meerdere personen zich positief hebben uitgelaten over de verdachte. In de toelichting wordt verwezen naar de in het proces-verbaal van de zitting opgenomen verklaring van de begeleider van de verdachte van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering en de verklaring van de vader die kortgezegd inhouden dat het gedrag van de verdachte sterk veranderd is in positieve zin en hij geen overlast meer veroorzaakt.

6.4. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. De verdachte is blijkens de bewezenverklaringen veroordeeld voor meerdere gewelddadige feiten. Daarbij gaat het om misdrijven die evident gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat heeft het hof in zijn strafmotivering uitvoerig tot uitdrukking gebracht. Het hof heeft daarbij ook de in het middel genoemde positieve ontwikkeling van de verdachte onder ogen gezien. Mede om die ontwikkeling te ondersteunen, is het hof van oordeel dat de verdachte, ook na het eventuele instellen van een rechtsmiddel, niet van behandeling en begeleiding verstoken mag blijven. Gelet hierop acht ik het oordeel van het hof dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat, zonder voortzetting van de behandeling en ondersteuning, de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen niet onbegrijpelijk. De strafoplegging is voldoende met redenen omkleed.

6.5. Het middel faalt.

7. Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

8. Namens de verdachte, op wie het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, is cassatie ingesteld op 22 december 2016. De stukken van het geding zijn op 20 juli 2017 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden en het middel slaagt. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf.

9. Het middel slaagt.

10. De eerste twee middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof heeft in het dictum aangegeven dat “voormelde voorwaarde [enkelvoud, AG] en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn”. Nu het hof in zijn strafmotivering heeft aangegeven de bijzondere voorwaarden daadwerkelijk uitvoerbaar te verklaren, meen ik dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat alle bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard.

2 Zie bijv. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:709, NJ 2014/198; HR 3 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:577 en HR 18 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6235, NJ 1978/364 m.nt. Van Veen.

3 HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5513, NJ 2013/53 m.nt. Mevis, rov. 2.3 en HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919, NJ 2014/529 m.nt. Schalken, rov. 3.6. Zie ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:828.

4 Genoemd worden art. 10.7 model huisregels justitiële jeugdinrichtingen en art. 40 Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen.

5 Vgl. in de context van art. 180 Sr HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:828, waar het ging om een het niet opvolgen van een aanwijzing door een controleur openbaar vervoer, hetgeen een overtreding is van art. 73 van de Wet Personenvervoer 2000. Dit was in de tenlastelegging als grondslag voor de rechtmatige uitoefening van de bediening van de controleur opgenomen, terwijl uit de bewijsmiddelen niet kon worden opgemaakt dat een dergelijke aanwijzing aan de verdachte was gegeven.

6 Vgl. HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:531, NJ 2015/237; HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:867, NJ 2016/259 en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2396.

7 Dit betreft de zaak met parketnummer 13-680181-15.

8 Dit betreft de zaak met parketnummer 13-689064-16.