Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:162

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-03-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
17/05121
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:488, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Beëindiging ouderlijk gezag (art. 1:266 BW). Processuele positie van de niet met ouderlijk gezag beklede ouder. Begrip belanghebbende in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Begrip ‘ouder’ in art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv. Recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/05121

mr. R.H. de Bock

Zitting: 2 maart 2018

Conclusie inzake:

[de vader]

hierna: de vader

advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg

tegen

Raad voor de Kinderbescherming

hierna: de raad
niet verschenen

Het gaat in deze zaak om het belanghebbende-begrip in jeugdbeschermingszaken, in het bijzonder om de uitleg van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv. De vraag is of met ‘degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt’ uitsluitend wordt gedoeld op de pleegouder van de minderjarige, of dat daaronder ook andere ‘niet-ouders’ (zoals de biologische ouder zonder juridisch ouderschap) onder kunnen worden begrepen. Verder is aan de orde het recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv. Besproken wordt of dit recht toekomt aan iedere ouder, of dat vereist is dat de ouder door de rechter als belanghebbende in de procedure is aangemerkt.
De zaak heeft samenhang met de zaak waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over het belanghebbende-begrip in jeugdbeschermingszaken.1

1 Feiten en procesverloop

In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 20172 en de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 2 augustus 2017.3

1.1

[de moeder] (hierna: de moeder), geboren op [geboortedatum] 1982 te Curaçao, was belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , en [kind 2] (hierna: [kind 2] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

1.2

De vader is nooit met het ouderlijk gezag over de genoemde minderjarigen belast geweest. Hij is de juridische vader in de zin van art. 1:199 Burgerlijk Wetboek (BW) van [kind 2] , maar hij is niet de juridische vader van [kind 1] . De ouders hebben in gezinsverband met de minderjarigen samengeleefd tot in 2015. Toen is de relatie tussen de ouders verbroken en sindsdien wonen zij niet meer samen.

1.3

Op 7 oktober 2015 zijn de minderjarigen (opnieuw) uit huis geplaatst. Sinds 2 februari 2016 verblijven zij tezamen in het, perspectief biedende, pleeggezin van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: de pleegouders). Bij beschikking van de kinderrechter van 8 september 2016 is de (eerder uitgesproken) ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd tot 16 september 2017.

1.4

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de GI) heeft zich bij brief van 25 november 2016 bereid verklaard om de voogdij over de minderjarigen te aanvaarden.

1.5

Bij verzoekschrift met bijlagen van 20 januari 2017, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 24 januari 2017, heeft de raad verzocht het gezag van de moeder over [kind 1] en [kind 2] te beëindigen en de GI tot voogdes over de genoemde minderjarigen te benoemen.

1.6

Op 7 maart 2017 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. De rechtbank heeft de vader aangemerkt als informant in de zin van art. 800 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en hem ter zitting in die hoedanigheid gehoord.

1.7

Bij beschikking van 21 maart 2017 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [kind 1] en [kind 2] beëindigd en de GI benoemd tot voogdes over de genoemde minderjarigen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.8

De vader is op 21 juni 2017 van deze beschikking in hoger beroep gekomen.4 Hij heeft het hof verzocht een onderzoek te gelasten naar zijn zorgcapaciteiten voor de minderjarigen in zijn nieuwe gezinssituatie en te bepalen dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd zodat de moeder het ouderlijk gezag zal behouden.

1.9

De zaak is 17 juli 2017 mondeling behandeld ten overstaan van mr. E.A. Mink als raadsheer-commissaris, uitsluitend voor wat betreft de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting waren zowel de vader als de moeder, ieder bijgestaan door een advocaat, aanwezig. De raad, de GI en de pleegouders zijn niet verschenen. De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities en in aanvulling hierop een productie overgelegd.5

1.10

Bij beschikking van 2 augustus 2017 heeft het hof de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep omdat hij niet als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv kan worden beschouwd. Het hof overwoog daartoe het volgende (rov. 3-13):

“3. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de vader ontvankelijk is in zijn verzoek in hoger beroep. De vader heeft ter zitting bepleit dat hij als belanghebbende moet worden aangemerkt.

4. De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij de rol van de vader erkent, maar dat zij tegelijkertijd de belangen van de minderjarigen voorop wil stellen.

5. Voor de beoordeling is het volgende van belang. De vader is de juridische vader van de jongste minderjarige [kind 2] . De oudste minderjarige: [kind 1] , is niet door hem erkend. De moeder was, tot dat het gezag over de minderjarigen door de rechtbank in de bestreden beschikking is beëindigd, alleen met het gezag over de minderjarige(n) belast. De vader is nooit met het gezag over de minderjarige(n) belast geweest. De ouders hebben in gezinsverband met de minderjarigen samengeleefd tot in 2015. Toen is de relatie tussen de ouders verbroken en sedertdien wonen zij niet meer samen. De minderjarigen zijn sedert 7 oktober 2015 (opnieuw) uit huis geplaatst en verblijven sinds 2 februari 2016 tezamen in het huidige, perspectief biedende, pleeggezin.

6. Ingevolge artikel 798, eerste lid, eerste volzin, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet onder een belanghebbende worden verstaan, degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.

7. Het hof stelt op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de vader niet belast is met het gezag over de minderjarigen. De beëindiging van het gezag grijpt dan ook niet in in de rechtsbetrekking tussen de vader en de minderjarigen. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het uitgangspunt dat een ouder zonder gezag niet belanghebbende is in de procedure ter zake van de gezagsbeëindiging van de andere ouder, zijn niet gesteld.

8. De vader heeft aangevoerd dat hij op grond van artikel 1:253b Burgerlijk Wetboek (BW) aan de rechtbank kan verzoeken hem met het gezag te belasten, een grond om hem in deze procedure als belanghebbende aan te merken. Het hof gaat aan dit argument voorbij. Dat de vader deze mogelijkheid heeft, maar overigens tot heden niet heeft benut, maakt niet dat hij als ouder zonder gezag belanghebbende is. In deze procedure is de raad de verzoekende partij. Bovendien is de vader ten aanzien van [kind 1] niet aan te merken als de tot gezag bevoegde ouder, omdat hij niet de juridische vader is van [kind 1] .

9. De omstandigheid dat de pleegouders wel worden aangemerkt als belanghebbende maakt evenmin dat dan ook de vader als belanghebbende moet worden aangemerkt. De pleegouders hebben nadrukkelijk in de wet de positie van belanghebbende verkregen, onder voorwaarde dat zij ten minste een jaar de minderjarigen als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden. Hierin is hun rechtstreekse belang gelegen.

10. Het hof is, anders dan de vader, van oordeel dat het niet vooruit kan lopen op mogelijke wetswijzigingen ten aanzien van een koppeling van gezag aan een erkenning van een kind.

11. De vader doet een beroep op het EVRM waarmee het hem niet aanmerken als belanghebbende in zijn visie strijdig is. Het hof overweegt daarover als volgt. Een gezagsbeëindiging levert ten opzichte van de gezagsouder een rechtsreeks inmenging in diens ouderlijk gezag op. Ten opzichte van een ouder die niet met het gezag is belast, levert deze als zodanig nog geen beperking op van de uitoefening van diens recht op family life met het kind. Uit het EVRM volgt dat de nationale wet in beginsel de biologische ouder een mogelijkheid moet bieden om (mede) het gezag over een minderjarige te verkrijgen. In die mogelijkheid voorziet de Nederlandse wet. Nu de wet de vader die mogelijkheid biedt is het niet aanmerken van de vader in deze procedure als belanghebbende niet strijdig met verdragsbepalingen zoals het EVRM.

12. Voor zover de vader betoogt dat hij de mogelijkheid moet hebben een verzoek in te dienen tot het onderzoeken van de mogelijkheden tot plaatsing bij hem als perspectief biedend pleeggezin en hij daarom als belanghebbende moet worden aangemerkt, gaat hij er aan voorbij dat dit los staat van een beëindiging van het gezag van de moeder, temeer nu hij niet (meer) in gezinsverband met de moeder samenleeft. Hem staan, zoals al gezegd, daartoe wettelijke mogelijkheden ten dienste.

13. De slotsom is dat de vader niet als belanghebbende wordt beschouwd ten aanzien van de beëindiging van het gezag van de moeder en hij daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep. Het hof merkt op dat het hoger beroep van de moeder tegen de beëindiging van haar gezag zal worden behandeld ter zitting van 6 september aanstaande en dat de vader voor die zitting als informant is opgeroepen.”

1.11

Bij verzoekschrift van 1 november 2017 heeft de vader de Hoge Raad verzocht om de beschikking van het hof te vernietigen, met een zodanige afdoening als de Hoge Raad zal vermenen te behoren. De raad en de moeder (als belanghebbende in cassatie) hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een verweerschrift in te dienen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit één onderdeel en richt zich tegen het oordeel dat de vader niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De klachten komen, kort samengevat, erop neer dat ’s hofs oordeel dat de vader niet als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv kan worden aangemerkt, als gevolg waarvan voor hem op grond van art. 806 lid 1 onder b Rv geen hoger beroep openstaat tegen de beschikking van de rechtbank, onjuist dan wel onbegrijpelijk is.

2.2

Het onderdeel is verdeeld in twee subonderdelen. Subonderdeel A bevat de klacht dat het hof heeft miskend dat de vader in de procedure met betrekking tot de beëindiging van het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind 1] als belanghebbende dient te worden aangemerkt op grond van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv, nu hij [kind 1] als niet ouder meer dan één jaar als behorende tot zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed.

Subonderdeel B bevat de klacht dat het hof heeft miskend dat de vader in de procedure met betrekking tot de beëindiging van het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind 2] als belanghebbende dient te worden aangemerkt op grond van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv, nu de zaak rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten en verplichtingen. Uitsluitend voor het geval de klacht in subonderdeel A niet slaagt, klaagt subonderdeel B dat het hof heeft miskend dat de vader in de procedure met betrekking tot de beëindiging van het ouderlijk gezag over [kind 1] als belanghebbende dient te worden aangemerkt op grond van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv, nu deze zaak eveneens rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten en verplichtingen. In dat verband wordt aangevoerd dat het hof het belang van de vader in deze procedure en bij de uitkomst daarvan heeft miskend. Volgens het subonderdeel zou het hof ook hebben miskend dat art. 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de overheid de positieve verplichting oplegt te bevorderen dat ouders en kinderen worden verenigd respectievelijk verenigd blijven.

Juridisch kader

2.3

In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of het hof op juiste gronden en voldoende begrijpelijk heeft geoordeeld dat de vader niet als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv kan worden aangemerkt in de procedure(s) over de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] .

2.4

De zaak vertoont enige samenhang met de thans bij de Hoge Raad aanhangige prejudiciële zaak met rolnummer 17/04701. In die zaak heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch aan de Hoge Raad (onder meer) de vraag voorgelegd of in een procedure in hoger beroep tegen een beschikking waarbij op grond van art. 1:266 BW het gezag van beide ouders is beëindigd, maar waarbij de grieven van de principaal appellerende ouder slechts zijn of haar eigen gezag betreffen, de andere ouder als belanghebbende (in de zin van art. 798 lid 1 Rv) dient te worden aangemerkt. In mijn conclusie van 2 februari 2018 ben ik (onder 2) uitvoerig ingegaan op het op die zaak toepasselijke juridisch kader, waarna ik (onder 3) de genoemde prejudiciële vraag bevestigend heb beantwoord. 6

2.5

Voordat ik de cassatieklachten in de onderhavige zaak bespreek, maak ik enkele inleidende opmerkingen. Deze opmerkingen zijn grotendeels een herhaling van het juridisch kader dat ik in mijn conclusie van 2 februari 2018 heb geschetst.

De belanghebbende in verzoekschriftprocedures in het algemeen

2.6

In een dagvaardingsprocedure is altijd bekend wie de wederpartij is. Dit is anders in een verzoekschriftprocedure (onder KEI: verzoekprocedure), omdat het verzoek aan de rechter is gericht. Strikt genomen is er in verzoekschriftprocedures dan ook geen sprake van een wederpartij, zoals in de dagvaardingsprocedure. In verzoekschriftprocedures is het de taak van de rechter om te bepalen wie belanghebbenden – potentiële wederpartij – bij het verzoek zijn.7 Dat blijkt uit art. 279 lid 1, derde volzin, Rv, waarin staat dat de rechter te allen tijde bekende of onbekende belanghebbenden kan doen oproepen. Maar ook verzoeker kan in het verzoekschrift belanghebbenden noemen, die ‘voor zover nodig’ door de rechter worden opgeroepen (art. 279 lid 1, tweede volzin, Rv).

2.7

Het zijn van belanghebbende in een verzoekschriftprocedure heeft verschillende gevolgen:

- tenzij de rechter ‘zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst’,8 worden belanghebbenden opgeroepen voor de mondelinge behandeling (art. 279 lid 1 Rv);

- bij de oproeping wordt de belanghebbenden een afschrift van het verzoekschrift toegezonden (art. 279 lid 2 Rv);

- iedere belanghebbende kan tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop van de behandeling, een verweerschrift indienen, waarbij het niet uitmaakt of hij al dan niet is opgeroepen als belanghebbende (art. 282 lid 1 Rv);9

- belanghebbenden kunnen in het verweerschrift een zelfstandig verzoek indienen (art. 282 lid 4 Rv);

- belanghebbenden hebben recht op inzage en afschrift van processtukken (art. 290 Rv);

- aan de verschenen belanghebbende alsmede aan de belanghebbende die tot tenuitvoerlegging van de beschikking kan overgaan, wordt zo spoedig mogelijk een afschrift van de beschikking verstrekt (art. 290 lid 3 Rv).

2.8

Bovendien kunnen belanghebbenden, naast verzoeker, hoger beroep instellen tegen de eindbeschikking, voor zover geen appelverbod bestaat (art. 358 lid 2 Rv). Dit recht om hoger beroep in te stellen bestaat zowel voor belanghebbenden die in eerste aanleg zijn verschenen, als voor in eerste aanleg niet verschenen belanghebbenden. De appelrechter moet oproeping bevelen van de in eerste aanleg verschenen belanghebbenden. Bovendien kan de appelrechter te allen tijde bekende of onbekende belanghebbenden doen oproepen (art. 361 lid 1 Rv). Wie in hoger beroep als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, hoeft dus niet samen te vallen met wie in eerste aanleg belanghebbenden waren.

2.9

Het begrip ‘belanghebbende’ is – afgezien van de hierna te bespreken belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht – in de wet niet gedefinieerd of nader omschreven. De wetgever is er vanuit gegaan dat het aan de rechter is om te bepalen wie tot de ‘belanghebbenden’ zijn te rekenen.10 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt, afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen.11 Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.12

‘Rechtstreeks belanghebbende’ in verzoekschriftprocedures in zaken betreffende het personen- en familierecht (anders dan scheidingszaken)

2.10

Voor zaken betreffende het personen- en familierecht, in andere zaken dan scheidingszaken, geeft de wet voorschriften (art. 798-813 Rv) die afwijken van de algemene regels voor verzoekschriftprocedures (art. 261-291 Rv). Eén van die afwijkende voorschriften is art. 798 lid 1 Rv, dat bepaalt wie voor de toepassing van Boek III, Titel 6, Afdeling 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onder ‘belanghebbende’ wordt verstaan. Art. 798 lid 1 Rv bestond tot 1 januari 2015 alleen uit de eerste volzin van de huidige bepaling (mijn onderstreping):


“Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.”

2.11

Deze bepaling is ingevoerd bij Wet van 7 juli 1994 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht.13 In de consultatieronde van het wetsvoorstel bevatte lid 1 van art. 798 Rv nog niet het woord ‘rechtstreeks’. Dit is toegevoegd naar aanleiding van de door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) geuite zorg dat de omschrijving dat belanghebbende is ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak betrekking heeft’, een aanzienlijke uitbreiding van het aantal procespartijen tot gevolg zou hebben. In de memorie van toelichting is lid 1 van art. 798 Rv (met het toegevoegde woord ‘rechtstreeks’) als volgt toegelicht (mijn onderstreping):14

“Wat er zij van de betekenis van het begrip belanghebbende in de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure, voor de familieverzoekschriftprocedure wordt een nadere bepaling van dit begrip voorgesteld om zo de in beginsel ruime kring van belanghebbenden bij deze procedures enigszins in te perken. Belanghebbend is degene, op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Dit impliceert dat niet iedereen die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij (sympathie voor) de zaak te hebben ook in de procedure als belanghebbende zal worden erkend. Een oom of tante bij voorbeeld is, als het gaat om een voogdij- of adoptiezaak, in beginsel geen belanghebbende. De nieuwe partner van de alimentatieplichtige is in een alimentatieprocedure in beginsel geen belanghebbende.

Tegenover de alimentatiegerechtigde heeft de nieuwe partner geen rechtstreekse rechten of verplichtingen. Ik wijs ter vergelijking tevens op de omschrijving van het begrip belanghebbende in artikel 1.2, eerste lid, van het voorstel van een Algemene wet bestuursrecht (Awb) (kamerstukken II, 1988-1989, 21 211, nr. 3). Ook daarin komt het adjectief “rechtstreeks” voor.
De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak spreekt in haar advies de vrees uit dat het voorgestelde artikel 798 lid 1 een aanzienlijke uitbreiding van het aantal procespartijen ten gevolge zal hebben. Zij beveelt aan om per procedure te bepalen wie zoal als procespartij kunnen optreden. Als voorbeelden noemt zij de nieuwe partner als belanghebbende in alimentatie- en omgangszaken, de Gemeentelijke Sociale Dienst als belanghebbende in alimentatiezaken en “tehuizen” als belanghebbende in maatregelzaken. Het is nimmer de bedoeling geweest om in de genoemde gevallen de personen of instanties, van wie een zekere betrokkenheid bij de zaak niet kan worden ontkend, als belanghebbenden te beschouwen. Om dat nog beter tot uitdrukking te brengen is in de omschrijving het woord “rechtstreeks” opgenomen. De zaak moet rechtstreeks betrekking hebben op zijn rechten en verplichtingen, wil iemand als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Iemand die een indirect belang heeft, is geen belanghebbende in de zin van artikel 798 . Naar mijn mening kan op deze wijze worden voorkomen dat er allerlei prealabele procedures ontstaan waarin eerst moet worden beslist wie belanghebbende is. Het is dan ook niet nodig om, zoals de NVvR heeft aangeraden, per procedure te bepalen wie belanghebbende is. Dit zou te ver af staan van de door mij thans gekozen benadering om nu juist niet meer zonder noodzaak voor verschillende familierechtelijke procedures verschillende voorschriften in de wet op te nemen. Overigens zou een catalogus van belanghebbenden, gelet op het verdragsrecht, nooit volledig kunnen zijn. Dat erkent ook de NVvR. (…)

De door internationale verdragen , zoals het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Verdrag van New York inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BUPO-Verdrag), beschermde rechten , voorzover daarop door een burger rechtstreeks beroep kan worden gedaan, worden tot de in artikel 798 lid 1 bedoelde rechten en verplichtingen gerekend. Iemand die stelt in een relatie te staan die als “family life/vie familiale” in de zin van artikel 8 EVRM kan worden gekwalificeerd, en die daarom bij voorbeeld een omgangsregeling verzoekt, zal als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Wel is het zo dat bij voorbeeld een grootouder die omgang met het kleinkind wil, zich niet in de omgangszaak die tussen de ouders met betrekking tot hetzelfde kind speelt, kan opwerpen als belanghebbende tot omgang met het kind. In de omgangszaak tussen de ouders geldt de grootouder niet als iemand op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.

Het moge vanzelf spreken dat het recht of de verplichting waarop men een beroep doet, nog niet in concreto behoeft vast te staan . (…)”

2.12

Uit deze toelichting is het volgende af te leiden. In de eerste plaats blijkt dat het niet voldoende is dat betrokkenheid wordt ‘gepretendeerd’, dus dat die persoon of instantie zélf van mening is dat sprake is van betrokkenheid. Vastgesteld moet kunnen worden dat die betrokkenheid er inderdaad is. De betrokkenheid van een belang van de persoon of instantie moet kunnen worden geobjectiveerd. In de tweede plaats blijkt dat een indirect belang niet voldoende is; de zaak moet direct (rechtstreeks) het belang van betrokkene raken. In de derde plaats geldt dat het belang van betrokkene niet hoeft vast te staan; het gaat erom dat dat (rechtstreekse) belang er kan zijn.

2.13

Verder is te wijzen op de zinsnede in de toelichting, dat rechten en verplichtingen die voortvloeien uit internationale verdragen (als daarop door de burger rechtstreeks beroep kan worden gedaan) tot de in art. 798 lid 1 Rv bedoelde rechten en verplichtingen worden gerekend. Dit betekent dat als iemand zich kan beroepen op family life in de zin van art. 8 EVRM én de zaak rechtstreeks betrekking heeft op dat family life, diegene als belanghebbende wordt aangemerkt. Wanneer sprake is van family life in de zin van art. 8 EVRM, zal hierna nog nader worden besproken (zie onder 2.46-2.53).

2.14

Men kan zich afvragen wat de toevoeging ‘rechtstreeks’ nu precies toevoegt aan lid 1. Volgens de Adviescommissie burgerlijk procesrecht is dat ‘niet veel’; “de toevoeging lijkt bedoeld om nog duidelijker uit te drukken dat onder “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak betrekking heeft” niet ieder valt die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij een zaak te hebben”, zo schrijft de Adviescommissie in haar advies over art. 798 lid 1 Rv.15 Op dat advies zal hierna nog verder worden ingegaan (zie onder 2.67).

2.15

Tot slot blijkt uit de aangehaalde passage uit de memorie van toelichting bij art. 798 Rv dat het woord ‘rechtstreeks’ is ontleend aan art. 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).16

Toevoeging tweede volzin aan art. 798 lid 1 Rv

2.16

Per 1 januari 2015 is aan art. 798 lid 1 Rv een tweede volzin toegevoegd. Deze volzin luidt:

“degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt aangemerkt als belanghebbende.”

De toevoeging is het resultaat van een amendement bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming.17 Het voorgestelde amendement is als volgt toegelicht:18

Pleegouders worden in rechtszaken rondom hun pleegkind thans niet altijd als “belanghebbende” in de zin van artikel 798 Rv beschouwd. Hierdoor hebben zij bijvoorbeeld geen wettelijk vastgelegd spreekrecht in procedures voor de rechter. De gezinsvoogd kan dit nu wel aan de rechter verzoeken, maar een dergelijk verzoek wordt niet automatisch toegewezen.

Doordat de pleegouders niet altijd als belanghebbende worden beschouwd, worden zij dus niet altijd betrokken bij bijvoorbeeld de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing of van de ondertoezichtstelling van hun pleegkind.

Naar het oordeel van de indieners hebben kinderen die onder toezicht zijn gesteld en in een perspectiefbiedend pleeggezin verblijven er echter wel belang bij dat ook hun pleegouders bijvoorbeeld het woord mogen voeren en hun zienswijze mogen geven.

Dit amendement wijzigt artikel 798 Rv vanuit die achtergrond dusdanig dat direct uit dit artikel blijkt dat pleegouders die reeds een aanmerkelijke periode voor het kind zorgen, automatisch als “belanghebbende” dienen te worden beschouwd.

Hierbij geldt als voorwaarde dat de betrokken pleegouders reeds ten minste een jaar voor de minderjarige zorgen. Voor pleegouders die korter voor de minderjarige zorgen, kan de praktijk blijven bestaan waarbij de rechter op verzoek kan beslissen hen als belanghebbende aan te merken. Door de plaatsing van artikel 798 in het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering heeft het amendement geen gevolgen voor de kring van belanghebbenden bij scheidingszaken.

De in deze toelichting verwoorde bedoeling van het amendement is maar gedeeltelijk terug te zien in de toegevoegde wettekst. Zo wordt in de wettekst niet gesproken over ‘pleegouder’, maar over ‘degene die niet de ouder is’. Onder die laatste omschrijving vallen ook anderen dan pleegouders. Bovendien is in de wettekst geen beperking aangebracht tot procedures over jeugdbeschermingsmaatregelen. Daardoor geldt de tekst ook voor bijvoorbeeld alimentatiezaken, zoals ook Wortmann constateert.19

2.17

Voor de pleegouders waarop de toelichting betrekking heeft, geldt dat zij geen gezag hebben over de minderjarige. Voor het zijn van belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv is het dus kennelijk níet nodig om gezag over de minderjarige te hebben. Wel kan worden aangenomen dat de bedoelde pleegouders, als zij de minderjarige langer dan een jaar in hun gezin verzorgen en opvoeden, family life in de zin van art. 8 EVRM met de minderjarige hebben. Gelet op wat hiervoor (onder 2.13) is opgemerkt, kan geconstateerd worden dat de toevoeging van de tweede volzin aan art. 798 lid 1 Rv eigenlijk niet nodig was geweest: wie zich kan beroepen op family life én te maken heeft met een verzoek dat dit family life rechtstreeks treft, zal reeds op grond van de eerste volzin van art. 798 lid 1 Rv moeten worden aangemerkt als belanghebbende.

2.18

Ook de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht heeft in haar advies over het belanghebbende-begrip in art. 798 lid 1 Rv gewezen op de problematische verhouding tussen de eerste en tweede volzin van art. 798 lid 1 Rv. Daarbij wordt in de eerste plaats opgemerkt dat uit de wetsgeschiedenis (de aangehaalde toelichting op het amendement) niet duidelijk wordt waarom niet is volstaan met het als informant aanmerken van de pleegouders en stiefouders (zie over de informant onder 2.26-2.28).20 In de tweede plaats wordt geconstateerd dat het begrip ‘ouder’ in de tweede volzin niet duidelijk is omschreven, waardoor daar mogelijk ook anderen dan pleegouders, zoals een biologische ouder zonder juridisch ouderschap (zie daarover 2.29-2.30), onder zouden kunnen vallen. Die uitleg verdraagt zich echter niet zonder meer met de toelichting op het amendement. Ook de nieuwe partner van de juridische ouder zou volgens de Adviescommissie mogelijk onder de reikwijdte van de tweede volzin kunnen vallen. De Adviescommissie wijst erop dat door de toegevoegde tweede volzin, pleegouders méér zekerheid hebben verkregen over hun status in een verzoekschriftprocedure dan andere ouders van een minderjarige, die niet met het gezag zijn belast. De commissie acht dit een ongewenste situatie en heeft de minister daarom verschillende suggesties gedaan om door wetswijziging meer duidelijkheid te scheppen over de tweede volzin van art. 798 lid 1 Rv, óók met het oog op de uitleg van de eerste volzin van die bepaling. Deze suggesties zijn: (1) het schrappen van de tweede volzin; (2) verplaatsing van de tweede volzin naar de regeling van de informant in art. 800 lid 1 Rv, of (3) wijziging van de tweede volzin in de volgende tekst: ‘Degene die de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt aangemerkt als belanghebbende.21 Deze laatste suggestie zou neerkomen op een verruiming van de strekking van de tweede volzin. Er is nog niets gedaan met deze suggesties, zo bleek mij uit navraag bij het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Hoger beroep in verzoekschriftprocedures in zaken betreffende het personen- en familierecht (anders dan scheidingszaken)

2.19

De artikelen 358-362 Rv bevatten een algemene regeling van het hoger beroep in verzoekschriftprocedures. In art. 362 lid 1 Rv is bepaald dat de derde titel (van Boek 1) in hoger beroep van toepassing is, voor zover niet anders is bepaald. Het gaat dan met name om de artikelen uit de vierde afdeling van titel 3, dus de artikelen 278-291 Rv, die in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij daarvan is afgeweken.

2.20

Voor het hoger beroep in verzoekschriftprocedures betreffende het personen- en familierecht, anders dan scheidingszaken, geldt dat naast verzoeker alle belanghebbenden hoger beroep kunnen instellen. Dat zijn niet alleen de belanghebbenden die in eerste aanleg als zodanig waren aangemerkt, maar kunnen ook andere belanghebbenden zijn.22

Specifiek voor verzoekschriftprocedures betreffende het personen- en familierecht, anders dan scheidingszaken, bepaalt art. 806 Rv dat in afwijking van art. 358 lid 2 Rv, van een beschikking hoger beroep kan worden ingesteld door

  1. de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

De afwijking van art. 358 lid 2 Rv ziet alleen op de aanvang van de appeltermijn, zo is te lezen in de wetsgeschiedenis.23 De bepaling ziet dus niet op de vraag wie hoger beroep kunnen instellen, maar op de aanvang van de appeltermijn voor de verschillende appellanten. Met art. 806 lid 1 Rv is gewaarborgd dat in beginsel alle belanghebbenden in de zin van art. 798 Rv in hoger beroep kunnen gaan, ook als zij om welke reden dan ook geen afschrift van de beschikking hebben ontvangen.24 Deze extra waarborgen zijn nodig, enerzijds omdat iemand die in eerste aanleg geen belanghebbende was dat in hoger beroep wel kan zijn, en anderzijds omdat er voor de onderhavige verzoekschriftprocedures niet meer de mogelijkheid van verzet bestaat.25

2.21

Art. 806 lid 2 Rv verklaart op de appelprocedure in familiezaken de artikelen 799 tot en met 805 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing. Hoewel daarmee art. 798 Rv in hoger beroep níet van overeenkomstige toepassing is verklaard, moet worden aangenomen dat deze bepaling ook in hoger beroep geldt.26 Het vereiste dat sprake moet zijn van rechtstreekse betrokkenheid geldt voor de betreffende verzoekschriftprocedures daarmee ook in hoger beroep. Bovendien heeft te gelden dat het begrip ‘belanghebbende’ in de artikelen 798 lid 1 en 806 Rv dezelfde betekenis heeft, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis:27

De vraag van de leden van de SGP-fractie of het denkbaar is, en ook feitelijk zou kunnen voorkomen dat een belanghebbende in de zin van artikel 798 dat niet is in de zin van artikel 806, moet ontkennend worden beantwoord. Het begrip «belanghebbende» wordt in artikel 798, eerste lid, gedefinieerd. Het zou afbreuk doen aan de eenduidigheid van de nieuwe regeling, indien dit begrip in deze afdeling verschillende betekenissen zou hebben. In artikel 806 wordt slechts onderscheid gemaakt tussen bekende en onbekende belanghebbenden.”

2.22

Zoals gezegd is voor het instellen van hoger beroep géén voorwaarde dat de appellant in eerste aanleg als belanghebbende is aangemerkt (zie onder 2.8). In de parlementaire geschiedenis is te lezen dat de appelrechter zelfstandig – ongeacht wat de rechter in eerste aanleg heeft beslist – bepaalt of iemand ‘belanghebbende’ is in de zin van art. 798 lid 1 Rv:28

“Een belanghebbende die in eerste aanleg niet is verschenen en die geen afschrift van het verzoekschrift heeft ontvangen, bij voorbeeld omdat hij door de verzoeker niet als belanghebbende is genoemd en door de rechter in eerste aanleg niet als zodanig is aangemerkt, kan toch in hoger beroep gaan. De achtergrond hiervan is dat het denkbaar is dat de rechter in hoger beroep het begrip belanghebbende van artikel 798 anders uitlegt dan de rechter in eerste aanleg. Deze belangrijke bepaling kan aldus door de hogere rechter en uiteindelijk ook in cassatie worden getoetst.”

Nadere invulling ‘belanghebbende’ in verzoekschriftprocedures tot gezagsbeëindiging

2.23

Om de praktijk houvast te geven bij de invulling van het begrip ‘belanghebbende’, bij gebreke aan een wettelijke omschrijving, heeft ten tijde van de invoering van het nieuwe familieprocesrecht in 1995 een Implementatiecommissie per type familierechtelijke procedure geïnventariseerd wie kwalificeren als belanghebbende(n) en als ‘anderen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn’ (art. 799 lid 1 Rv; zie hierover nader onder 2.26).29 Het opgestelde overzicht van de Implementatiecommissie is opgenomen in een in 1995 door het Ministerie van Justitie uitgebrachte brochure over het nieuwe familieprocesrecht.30 Bij verzoekschriften tot ‘ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag’ zijn in deze brochure – in een ‘niet-limitatieve opsomming’ – als belanghebbenden vermeld:31
- minderjarige,

- ouders,

- ( toeziend) voogd ingeval van herstel,

- pleegouders.

Als ‘anderen’ zijn vermeld:

- bloed- en aanverwanten,

- ( gezins)voogdij-instelling.

Volgens deze brochure zijn in een zaak over gezagsbeëindiging de ouders derhalve zonder meer aan te merken als belanghebbende.

2.24

Thans regelt een aantal landelijke procesreglementen per zaak wie in elk geval als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Op het onderhavige verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag is van toepassing het Procesreglement Gezag en Omgang, zo volgt uit art. 1.1 van dit reglement.32 In dit reglement is anders dan in het Procesreglement Civiel Jeugdrecht (art. 2.3) niet aangegeven wie als belanghebbenden worden aangemerkt bij verzoeken die onder het toepassingsbereik van het reglement vallen.

2.25

In hoger beroep geldt het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven.33 Dit reglement bestaat uit een Algemeen deel en een Bijzonder deel. Op jeugdzaken, waaronder onder andere zaken betreffende gezag en jeugdbeschermingsmaatregelen worden verstaan (zie art. 2.4.2), zijn de bepalingen van het Algemeen deel van overeenkomstige toepassing, behoudens indien en voor zover daarvan in paragraaf 2.4 van het procesreglement wordt afgeweken. Noch paragraaf 2.4 noch het Algemeen deel bevatten een nadere bepaling van wie als belanghebbende kan worden aangemerkt in procedures waarin een verzoek tot gezagsbeëindiging wordt gedaan.

Informanten in verzoekschriftprocedures in zaken betreffende het personen- en familierecht

2.26

Zoals gezegd, geeft de wet afwijkende voorschriften voor zaken betreffende het personen- en familierecht, in andere zaken dan scheidingszaken (art. 798-813 Rv). Eén van die afwijkende voorschriften volgt uit art. 799 lid 1 Rv, dat bepaalt dat een verzoekschrift niet alleen de namen van belanghebbenden bevat, maar ook van ‘anderen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis zijn’. Deze ‘anderen’ zijn de zogeheten informanten. De omschrijving van deze ‘anderen’ is vrij algemeen, waardoor een ieder die een verklaring kan afleggen die mogelijk van belang kan zijn voor de beoordeling van het verzoek, tot de kring van informanten kan worden gerekend.34 Iemand die als informant is aangemerkt, kan niet tevens belanghebbende kan zijn.35 Zo zal de grootouder in het kader van een verzoek tot een omgangsregeling tussen ouder en kind wel kunnen kwalificeren als ‘informant,’ maar niet als belanghebbende in de zin van art. 798 Rv, omdat de zaak niet rechtstreeks betrekking heeft op zijn of haar rechten en verplichtingen.36

2.27

De rechter kan op grond van art. 800 lid 2 Rv bevelen dat de informant wordt opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen. Een informant kan, indien aan de daarvoor geldende eisen is voldaan, ook als getuige worden gehoord. De juridische positie van een informant is zwakker dan die van de belanghebbende. Zo hebben informanten, anders dan belanghebbenden, geen recht op een afschrift van het verzoek en de daarbij behorende bescheiden, kunnen zij geen verweerschrift (en een evenmin een zelfstandig verzoek) indienen en hebben zij geen recht op inzage en afschrift van processtukken. Informanten kunnen ook geen (incidenteel) hoger beroep tegen de beschikking instellen.

2.28

De regeling over de ‘informanten’ geldt op grond van art. 806 lid 2 Rv jo. de artikelen 799 lid 1 en 800 lid 2 Rv ook in hoger beroep.

Juridisch ouderschap

2.29

Ter onderscheiding van fysiologisch ouderschap (waaronder biologisch en genetisch ouderschap is te verstaan) en sociologisch ouderschap (wie heeft de verantwoordelijkheid en dagelijkse zorg voor het kind), is in het kader van het afstammingsrecht van belang het juridisch ouderschap.37 Hierbij gaat het om de vraag wie volgens de wet in een familierechtelijke betrekking tot het kind staat. Zie art. 1:197 BW: “Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar”. Juridisch ouderschap heeft verschillende rechtsgevolgen, onder meer op het terrein van het naamrecht, gezagsrecht, onderhoudsverplichtingen, erfrecht en nationaliteitsrecht. Daarnaast zijn er allerlei bijzondere regels die betrekking hebben op de rechtsverhouding van kind en zijn juridische ouders, zoals regels over kinderbijslag en onderwijs.38

2.30

Art. 1:198 lid 1 BW regelt wie de juridische moeder is van een kind.39 Hoe juridisch vaderschap kan ontstaan, is bepaald in art. 1:199 BW. De juridische vader van een kind is de man die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, tenzij onderdeel b of de slotzin van art. 198, lid 1, onder b geldt (sub a). Juridische vader is verder de man die de nieuwe echtgenoot of geregistreerd partner van de moeder is, na het overlijden van de eerste echtgenoot of geregistreerd partner en de moeder een ontkenning van vaderschap heeft afgelegd in de situatie dat zij sedert de 306e dag voor de geboorte van de vader gescheiden heeft geleefd (sub b). Verder is juridische vader de man die het kind heeft erkend (sub c) en de man die het kind heeft geadopteerd (sub e). Ten slotte is juridische vader de man wiens vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, nadat de moeder of het kind daar op de voet van art. 1:207 BW om heeft verzocht (sub d). Voor toewijzing is voldoende dat de man verwekker is.40

Pleegouderschap

2.31

De pleegouders zijn niet de juridische ouders van het kind. Evenmin zijn zij de fysiologische ouders.41 In het BW is niet omschreven wat een pleegouder is. In art. 1.1 Jeugdwet is bepaald dat een pleegouder de persoon is die een jeugdige, die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en daarover een pleegcontract met een pleegzorgaanbieder heeft gesloten. Maar ook zonder contract kan sprake zijn van pleegouderschap.42 Pleegouderschap kan dus in verschillende vormen voorkomen.

2.32

Voor het zijn van pleegouder is met name bepalend of betrokkene een kind ‘als behorend tot zijn gezin verzorgt’. Dat criterium is ook opgenomen in art. 1:253s BW, waarin het blokkaderecht van pleegouders ten opzichte van ouders die het ouderlijk gezag hebben is geregeld. Daarbij geldt tevens de eis dat deze verzorging gedurende ten minste een jaar plaatsvindt. Deze zelfde eis van verzorging gedurende tenminste een jaar geldt ook voor het blokkaderecht van pleegouders ten opzichte van de voogd van een kind (art. 1:336a BW) en voor een voogdijverzoek van pleegouders (art. 1:299a BW).

Gezag over minderjarigen

2.33

Art. 1:245 lid 1 BW bepaalt dat minderjarigen onder gezag staan. Het wettelijke uitgangspunt is daarmee dat iedere minderjarige onder gezag staat.43 Het gezag over minderjarigen heeft betrekking op drie aspecten: de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte (art. 1:245 lid 4 BW).44

2.34

In essentie zijn er twee soorten gezag: ouderlijk gezag en voogdij (art. 1:245 lid 1 BW).45Ouderlijk gezag bestaat in verschillende varianten. In de eerste plaats bestaat er ouderlijk gezag dat door beide ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend (gezamenlijk gezag).46 In de tweede plaats kan ouderlijk gezag door één ouder worden uitgeoefend (eenhoofdig gezag) (art. 1:245 lid 3 BW). In de derde plaats kan ouderlijk gezag worden uitgeoefend door een ouder tezamen met een niet-ouder (eveneens gezamenlijk gezag) (art. 1:245 lid 5 BW jo art. 1:253sa en art 1:253t BW). Voogdij is onder te verdelen in voogdij die wordt uitgeoefend door een of twee personen die niet de juridische ouder(s) van de minderjarige is of zijn, en voogdij die wordt uitgeoefend door een gecertificeerde instelling47 (doorgaans een Stichting jeugdbescherming) (art. 1:245 lid 2 BW).

2.35

Art. 1:247 lid 1 BW houdt in dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van een ouder omvat om zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Het ouderlijk gezag dient ertoe om het belang van het kind te dienen en kan dan ook niet worden losgezien van de verplichting van de ouders om dat belang te dienen.48 Lid 2 van art. 1:247 BW bepaalt dat onder verzorging en opvoeding mede worden verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind mogen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toepassen (art. 1:247 lid 2, tweede volzin, BW).49 Lid 2 van art. 1:247 BW is van overeenkomstige toepassing op de voogd en op degene die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die minderjarige toekomt, zoals de pleegouders (art. 1:248 BW). Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (art. 1:247 lid 3 BW).

Beëindiging van ouderlijk gezag bij wege van jeugdbeschermingsmaatregel

2.36

In de onderhavige procedure gaat het om de beëindiging van het eenhoofdig ouderlijk gezag bij wege van een jeugdbeschermingsmaatregel. In Afdeling 5 van Titel 14 van Boek I BW zijn hiervoor regels opgenomen. Met de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen per 1 januari 2015 zijn de voorheen geldende maatregelen van ontheffing van en ontzetting uit het gezag50 samengevoegd tot één nieuwe gezagsbeëindigende maatregel: de beëindiging van het ouderlijk gezag.51 Hiermee is beoogd de jeugdbeschermingsmaatregelen te vereenvoudigen. Aangezien met de maatregel van gezagsbeëindiging de ouder(s) het gezag geheel wordt ontnomen, is het de meest verstrekkende maatregel van jeugdbescherming. Minder verstrekkende maatregelen zijn ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing; zij behelzen slechts een beperking van het ouderlijk gezag.52

2.37

Vanwege het ingrijpende karakter van de maatregel tot beëindiging van het gezag gelden daarvoor strenge vereisten. Art. 1:266 lid 1 BW bepaalt dat de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

Onderscheidend ten opzichte van de maatregel tot ondertoezichtstelling (art. 1:255 lid 1 BW) is dat voor gezagsbeëindiging niet alleen vereist is dat sprake is van ernstige bedreiging van de minderjarige in zijn ontwikkeling, maar ook dat de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid te dragen binnen een aanvaardbare termijn. Als dat laatste wel het geval is, dient geen gezagsbeëindiging maar ondertoezichtstelling plaats te vinden. In dit opzicht kunnen gezagsbeëindiging en ondertoezichtstelling als ‘spiegelbeeldig’ worden aangemerkt.53

2.38

Ook ouders wiens gezag is beëindigd, hebben recht op en de verplichting tot omgang met hun kind, voor zover het belang van het kind zich hiertegen niet verzet (art. 1:377a BW). Ook hebben zij recht op informatie over de ontwikkeling van hun kind (vgl. art. 1:377b en 1:377c BW). De ouders behouden ook hun onderhoudsplicht jegens hun kind.54

2.39

Beëindiging van het gezag kan worden uitgesproken op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. Indien de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, wordt na de beëindiging van het gezag van één van hen, het gezag voortaan door de andere ouder alleen uitgeoefend (art. 1:274 lid 1 BW). In geval van beëindiging van het gezag van een ouder die het gezag alleen uitoefent, kan de andere ouder de rechtbank te allen tijde verzoeken met de uitoefening van het gezag te worden belast. Dit verzoek wordt ingewilligd indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt (art. 1:274 lid 2 BW). Indien de andere ouder het gezag niet voortaan uitoefent, benoemt de rechtbank een voogd over de minderjarige (art. 1:275 lid 1 BW).

2.40

De maatregel eindigt doorgaans op het tijdstip dat het kind meerderjarig wordt.55 De rechtbank kan echter ook voor die tijd de ouder(s) in het gezag herstellen (art. 1:277 BW). Een verzoek daartoe zal alleen kunnen worden toegewezen indien (a) herstel van het gezag in het belang van de minderjarige is, en (b) de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat is te dragen (art. 1:277 lid 1 BW). Indien ter gelegenheid van de beëindiging van het gezag het gezag aan de andere ouder is opgedragen, belast de rechtbank de ouder wiens gezag was beëindigd en deze alleen het in het eerste lid bedoelde verzoek doet, niet met het gezag, tenzij de omstandigheden na het nemen van de beschikking waarbij het gezag aan de andere ouder wordt opgedragen, zijn gewijzigd of bij het nemen van de beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (art. 1:277 lid 2 BW). Wordt de ouder wiens gezag was beëindigd wel met het gezag belast, dan verliest de andere ouder het gezag (art. 1:277 lid 2 jo. art. 1:253e BW). Een verzoek tot herstel van gezag als bedoeld in art. 1:277 BW kan ook worden gedaan door de raad voor de kinderbescherming (art. 1:278 lid 1 BW).

Beëindiging van ouderlijk gezag en het recht op family life in art. 8 EVRM

2.41

De beëindiging van het ouderlijk gezag als bedoeld in art. 1:266 BW vormt een inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven (family life) in de zin van art. 8 EVRM van zowel ouder(s) als kind. In de zaak N.P./Moldavië56 vatte het EHRM zijn rechtspraak hierover als volgt samen:

“64. The Court’s case-law regarding care proceedings and measures taken in respect of children clearly establishes that, in assessing whether an interference was “necessary in a democratic society”, two aspects of the proceedings require consideration. Firstly, the Court must examine whether, in the light of the case as a whole, the reasons adduced to justify the measures were “relevant and sufficient”; secondly it must be examined whether the decision-making process was fair and afforded due respect to the applicant’s rights under Article 8 of the Convention […]..

65. The Court reiterates that in these types of cases, consideration of what is in the best interests of the child is of crucial importance. The deprivation of parental rights is a particularly far-reaching measure which deprives a parent of his or her family life with the child and is inconsistent with the aim of reuniting them. Such measures should be applied only in exceptional circumstances and can only be justified if they are motivated by an overriding requirement pertaining to the child’s best interests [...].

66. In identifying the child’s best interests in a particular case, two considerations must be borne in mind: firstly, it is in the child’s best interests that his ties with his family be maintained except in cases where the family has proved particularly unfit; and secondly, it is in the child’s best interests to ensure his development in a safe and secure environment [...]. It is clear from the foregoing that family ties may only be severed in very exceptional circumstances and that everything must be done to preserve personal relations and, where appropriate, to ‘rebuild’ the family [...]. It is not enough to show that a child could be placed in a more beneficial environment for his upbringing [...]. However, where the maintenance of family ties would harm the child’s health and development, a parent is not entitled under Article 8 to insist that such ties be maintained.”

67. The Court recognises that, in reaching decisions in so sensitive an area, local authorities and courts are faced with a task that is extremely difficult. Moreover, national authorities will have had the benefit of direct contact with all the persons concerned, often at the very stage when care measures are being envisaged or immediately after their implementation. There is therefore a need to allow them a certain margin of appreciation in deciding how best to deal with the cases before them and it is accordingly not the Court’s task to substitute itself for the domestic authorities but to review, in the light of the Convention, the decisions taken and assessments made by those authorities in the exercise of their margin of appreciation […]. This is accordingly a domain in which there is an even greater call than usual for protection against arbitrary interferences […].

68. Stricter scrutiny is called for in respect of any further limitations – such as restrictions placed by the authorities on parental rights of access, as such additional limitations entail the danger that the family relations between the parents and a young child might be effectively curtailed. The minimum to be expected of the authorities is to examine the situation anew from time to time to see whether there has been any improvement in the family’s situation. The possibilities of reunification will be progressively diminished and eventually destroyed if the biological parents and the child are not allowed to meet each other at all, or only so rarely that no natural bonding between them is likely to occur […].

69. As to the decision-making process, what has to be determined is whether, having regard to the particular circumstances of the case and the serious nature of the decisions to be taken, the parents have been sufficiently closely involved in the decision-making process, seen as a whole, to have been provided with the requisite protection of their interests and to be able fully to present their case […]. Moreover, in assessing the quality of the decision-making process leading to the splitting-up of a family, the Court will see, in particular, whether the conclusions of the domestic authorities were based on adequate evidence (including, as appropriate, statements by witnesses, reports by competent authorities, psychological and other expert assessments and medical notes) and whether the interested parties, in particular the parents, had sufficient opportunity to participate in the procedure in question […].

70. In any event, taking a child into care should normally be regarded as a temporary measure, to be discontinued as soon as circumstances permit. It cannot, therefore, be justified without prior consideration of the possible alternatives […] and should be viewed in the context of the State’s positive obligation to make serious and sustained efforts to facilitate the reuniting of children with their natural parents and until then to enable regular contact between them […].”

2.42

Uit deze uitspraak blijkt het volgende. Bij de beoordeling of een kinderbeschermingsmaatregel verenigbaar is met art. 8 lid 2 EVRM (voorzien bij wet, noodzakelijk in een democratische samenleving en evenredig) verdienen twee aspecten in het bijzonder de aandacht. Het eerste aspect is of, in het licht van de zaak als geheel, de redenen voor het opleggen van de beschermingsmaatregel “relevant and sufficient” waren. Het tweede aspect is of het besluitvormingsproces eerlijk (‘fair’) is geweest en of daarin voldoende rekening is gehouden met door art. 8 EVRM beschermde belangen van betrokkenen (§ 64).57

2.43

Het hof stelt hierbij voorop dat in dit soort zaken het belang van het kind van cruciale betekenis is (§ 65). Gelet op het ingrijpende karakter van een gezagsbeëindigende maatregel kan zo’n maatregel alleen worden genomen bij uitzonderlijke omstandigheden en als zij gerechtvaardigd wordt door het dwingende belang van het kind (§ 65). Aangezien nationale instanties het voordeel hebben van direct contact met alle betrokkenen, komt hen bij het opleggen van een jeugdbeschermingsmaatregel in beginsel een ruime beoordelingsvrijheid toe (‘margin of appreciation’). Die beoordelingsvrijheid is echter minder groot (‘stricter scrutinity’) wanneer het gaat om verdere beperkingen, zoals beperkingen van omgangsrechten. Op zijn minst mag van de bevoegde autoriteiten worden verwacht dat op gezette tijden een herbeoordeling plaatsvindt, zodat bekeken kan worden of er een verbetering van de situatie heeft plaatsgevonden (§ 68).

2.44

Voor wat betreft het tweede aspect, het eerlijk verloop van het besluitvormingsproces, overweegt het hof dat het besluitvormingsproces, in het licht van de zaak als geheel, zodanig moet zijn ingericht dat de door art. 8 EVRM beschermde belangen voldoende worden gewaarborgd. Art. 8 EVRM biedt hier dus procedurele waarborgen.58 Voor jeugdbeschermingszaken betekent dit dat de ouders, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval en de ernst van de maatregelen, in voldoende mate in het besluitvormingsproces moeten zijn betrokken, zodat voldoende met hun door art. 8 EVRM beschermde belangen rekening wordt gehouden. Het gaat hierbij om het besluitvormingsproces in zijn geheel bezien, dat wil zeggen zowel de rechterlijke procedure als de daaraan voorafgaande besluitvormingsfase. Is dat niet het geval, dan is er sprake van een inbreuk op het recht op eerbiediging van het gezinsleven (family life) die niet als noodzakelijk in de zin van art. 8 lid 2 EVRM kan worden beschouwd.59

2.45

Het EHRM legt de nationale autoriteiten en rechtelijke instanties dus een positieve verplichting op om voldoende procedurele waarborgen te scheppen. De eis dat ouders in voldoende mate in het besluitvormingsproces moeten worden betrokken, is door Bruning, aan de hand van de rechtspraak van het EHRM, in een aantal sub-verplichtingen onderverdeeld:60

- De ouders dienen op de hoogte te worden gebracht van de motivering van de beslissingen.

- Wanneer de kinderbeschermingsautoriteiten beslissingen nemen die gericht zijn op kinderbescherming, moeten zij rekening houden met de meningen en belangen van de ouders. De procedure moet daarom in de mogelijkheid voorzien dat de ouders hun mening en belangen aan de autoriteiten kenbaar maken en dat de autoriteiten hiermee rekening houden.61

- De ouders hebben het recht op inzage in het bewijs waarop de kinderbeschermingsautoriteiten hun interventies hebben gebaseerd62, tenzij de rechter heeft beslist dat er bijzondere redenen zijn om hun deze informatie te onthouden.63

- De ouders hebben recht op een mondelinge hoorzitting bij de rechter.64

- De ouders hebben recht op een toevoeging in moeilijke zaken en dus ook recht op bijstand van een advocaat gedurende de hele procedure en niet uitsluitend bij de rechtszitting.65

- Voor de duur van de interventie (maatregelen) moeten de ouders toegang tot de rechter hebben, opdat zij de aan hen opgelegde beperkingen aan de toets van art. 6 en 8 EVRM kunnen laten onderwerpen.66

Vanzelfsprekend rust op de rechterlijke instanties ook de verplichting om de procedurele waarborgen te bieden die uit art. 6 EVRM voortvloeien.67 De duur van de procedure als geheel kan niet alleen een schending van art. 6 EVRM, maar mede van art. 8 EVRM opleveren.68

Family life in de zin van art. 8 EVRM

2.46

Het vereiste dat de ouders in voldoende mate in het besluitvormingsproces worden betrokken geldt (uiteraard) alleen als sprake is van family life als bedoeld in art. 8 EVRM en indien deze relatie (het gezinsleven) door de procedure wordt geraakt.69 Daarmee rijst de vraag wanneer sprake is van family life in de zin van art. 8 EVRM.70 Het antwoord daarop vergt een feitelijke beoordeling en is afhankelijk van het bestaan van nauwe persoonlijke betrekkingen. Het EHRM heeft dit als volgt verwoord: 71

“(…) The question of the existence or non-existence of “family life” is essentially a question of fact depending upon the existence of close personal ties (…).”

Deze feitelijke benadering brengt mee dat voor het hebben van family life niet van doorslaggevend belang is of een ouder al dan niet het gezag heeft over een kind of anderszins als ‘juridische ouder’ moet worden aangemerkt. In de woorden van Bruning: “Het EHRM gaat heel anders te werk dan de Hoge Raad. De feiten die het EHRM in deze zaak aanstipt als relevant voor het aannemen van familie- en gezinsleven zijn feiten. Het EHRM kijkt niet naar juridische concepten als 'belanghebbende', 'juridisch ouder' of 'gezag', maar naar de vraag of feitelijk invulling wordt gegeven aan family life met het kind.” 72

2.47

De relaties die het EHRM als family life heeft aangemerkt, kunnen ruwweg in drie categorieën worden onderverdeeld: (1) partnerrelaties, (2) relaties tussen volwassenen en kinderen en (3) bredere familie- en andere relaties.73 Wat betreft de relaties tussen volwassenen en kinderen, zoals in deze zaak aan de orde, geldt het volgende.74

2.48

Tussen ouders en het uit hun huwelijk geboren minderjarige kind bestaat vanaf het moment van de geboorte en reeds door dat enkele feit, een familie- en gezinsleven, ook als de ouders op het moment van de geboorte van het kind niet (meer) samenwonen.75 Ook tussen ouders en hun uit een buitenhuwelijkse samenlevingsrelatie of een LAT-relatie geboren kind wordt veelal het bestaan van family life aangenomen.76 Verder wordt uit het Marckx-arrest afgeleid dat tussen een (alleenstaande) moeder en haar kind, vanaf het moment van de geboorte en reeds door dat enkele feit, een familie- en gezinsleven bestaat.77

2.49

Enkel biologisch vaderschap is daarentegen onvoldoende om family life aan te nemen.78 Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist waaruit de nauwe persoonlijke betrekking met het kind blijkt. Tot de relevante omstandigheden behoort onder meer de aard van de relatie die de vader vóór de geboorte van het kind met de moeder heeft gehad. Indien deze relatie voldoende bestendig was – en in zoverre met een huwelijk valt gelijk te stellen – zal een gezins- en familieleven aangenomen kunnen worden.79 Het bestaan van family life kan ook voortvloeien uit de band die de biologische vader ná de geboorte van het kind met dat kind heeft opgebouwd, bijvoorbeeld door met het kind samen te leven en door het feitelijk op te voeden en te verzorgen.80 Ook een combinatie van omstandigheden van vóór en na de geboorte van het kind, in onderlinge samenhang en verband bezien, kan ertoe leiden dat tussen de biologische vader en het kind een familie- en gezinsleven aanwezig wordt geacht.81

2.50

In de zaak Ahrens/Duitsland oordeelde het EHRM dat geen sprake was van ‘family life’ tussen de biologische vader en zijn kind.82 Daarvoor achtte het EHRM redengevend dat de biologische vader én nooit had samengeleefd met de moeder maar slechts een seksuele relatie met haar had gehad, terwijl zij met een andere man samenwoonde, én zich nooit betrokken had getoond bij het kind voor het werd geboren. Anderzijds blijkt uit de zaak Anayo/Duitsland dat het hebben samengeleefd door de vader met moeder of kind niet onder alle omstandigheden beslissend is voor het hebben van family life.83In deze zaak had de biologische vader al voor de geboorte van de kinderen aan de moeder (vergeefs) om contact gevraagd en kort na hun geboorte via de rechter (zonder succes) om omgang verzocht. De omstandigheid dat de biologische vader zijn kinderen nog nooit had ontmoet, kon hem in dit geval dan ook niet worden tegengeworpen. Hieruit blijkt dat in uitzonderlijke omstandigheden ook de intentie van de biologische vader om een gezins- en familieleven met zijn kinderen te hebben onder het beschermingsbereik van art. 8 EVRM valt. Dit zal met name het geval zijn wanneer de vader niet verweten kan worden dat eerder nog geen family life met zijn kinderen tot stand is gekomen.84

2.51

Op te merken is dat het EHRM in de zaak Anayo/Duitsland erop wijst dat ook als geen sprake zou zijn van family life tussen vader en kind, de vader zich in het algemeen toch op de bescherming van art. 8 EVRM kan beroepen omdat de familiebanden met zijn kind in ieder geval het private life van de vader raken, dat eveneens valt onder de reikwijdte van art. 8 EVRM. Overwogen wordt het volgende (§ 58):85

“The Court further reiterates that Article 8 protects not only ‘family’ but also ‘private’ life. It has been the Convention organs' traditional approach to accept that close relationships short of ‘family life’ would generally fall within the scope of ‘private life’ (see Znamenskaya, cited above, § 27 with further references). The Court thus found in the context of proceedings concerning the establishment or contestation of paternity that the determination of a man's legal relations with his legal or putative child might concern his ‘family’ life but that the question could be left open because the matter undoubtedly concerned that man's private life under Article 8, which encompasses important aspects of one's personal identity (see Rasmussen v. Denmark, 28 November 1984, § 33, Series A no. 87; Nylund, cited above; Yildirim v. Austria (dec.), no. 34308/96, 19 October 1999, and Backlund v. Finland, no. 36498/05, § 37, 6 July 2010).”

Een beroep op een inbreuk op private life kan daarmee ook een grondslag zijn voor een vader die de bescherming van art. 8 EVRM wil inroepen.86

2.52

Voor de aanwezigheid van een gezins- en familieleven is het bestaan van een bloedband geen vereiste.87 Adoptie van een kind plaatst de adoptiefouders voor wat betreft de bescherming van hun family life dan ook in dezelfde positie als biologische ouders.88 Ook pleeg-, stief- of opvangouders kunnen een gezins- en familieleven hebben met het kind waarover zij zich ontfermen. Of hiervan sprake is zal afhangen van de feitelijke situatie, waarbij de duur van de opvoeding en verzorging, de kwaliteit van hun relatie met het kind en de rol die zij ten opzichte van het kind vervullen van belang zijn.89 Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van een family life tussen een kind en zijn grootouders.90 Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM kan family life tussen ouders en meerderjarige kinderen slechts worden aangenomen indien sprake is van, “additional factors of dependence, other than normal emotional ties”.91

2.53

Het gezins- en familieleven tussen ouder en kind kan ophouden te bestaan, maar dit zal slechts onder bijzondere, zwaarwegende omstandigheden aan de orde zijn.92Zo hoeft een langdurige (geografische) afstand tussen ouder en kind nog niet het einde van een gezins- en familieleven te betekenen.93 Ook de scheiding van ouder en kind als gevolg van gevangenisverblijf of deportatie van de ouder, of de omstandigheid dat het kind als gevolg daarvan in een ander land moet wonen, is in beginsel onvoldoende om een family life te verbreken.94

Beëindiging van het ouderlijk gezag en het IVRK

2.54

Op grond van art. 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)95 geldt dat de belangen van het kind een eerste overweging vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. De staten die partij zijn bij het IVRK, waaronder Nederland,96 verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen. Ingevolge art. 20 IVRK heeft een kind dat tijdelijk of blijvend het verblijf in het gezin waartoe het behoort, moet missen, of dat men in zijn of haar eigen belang niet kan toestaan in het gezin te blijven, recht op bijzondere bescherming en bijstand van staatswege. De staten die partij zijn bij het IVRK waarborgen, in overeenstemming met hun nationale recht, een andere vorm van zorg voor dat kind. Bij het overwegen van oplossingen dient dan op passende wijze rekening te worden gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind.

Rechtspraak Hoge Raad over de ‘belanghebbende’ in art. 798 Rv

2.55

In diverse uitspraken van de Hoge Raad is aan de orde geweest of een bepaalde persoon als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv diende te worden aangemerkt. In een van deze zaken ging het om een zaaddonor, die zich verzette tegen adoptie van het door hem verwekte kind door de moeder en haar vrouwelijke partner, binnen wier relatie het kind was geboren. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de man als belanghebbende had aangemerkt in de adoptiezaak, nu hij én biologisch ouder (donor) was én family life had met het kind.97 In een zaak waarin een volwassen vrouw verzocht om gegrondverklaring van haar ontkenning van vaderschap van haar wettige vader, oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte haar zuster als belanghebbende had aangemerkt.98 De eigen afstammingsrelatie van de zuster werd niet rechtstreeks geraakt door (toe- of afwijzing van) het verzoek, ook al had zij wellicht een afgeleid belang bij het voortbestaan of het verbreken van de afstammingsrelatie tussen verzoekster en hun wettige vader. Ten slotte werd in een zaak waarin de curator op de voet van art. 1:386 jo. art. 1:345 lid 1 aanhef en onder a BW de kantonrechter om machtiging verzocht voor de verkoop van een pand dat eigendom was van een onder bewind gestelde moeder, het oordeel van het hof dat de zoon, die het pand als huurder bewoonde, geen belanghebbende was, onvoldoende gemotiveerd geacht. Daartoe werd overwogen, kort samengevat, dat een dreigende inbreuk op de rechten van de zoon uit de huurverhouding met zijn moeder, hem tot belanghebbende kan maken in de zin van art. 798 lid 1 Rv.99

2.56

Een tweetal uitspraken heeft specifiek betrekking op het belanghebbende-begrip in jeugdbeschermingszaken. Een eerste uitspraak ging over een machtiging tot uithuisplaatsing van meerdere minderjarige kinderen.100 In een ten overvloede-overweging oordeelde de Hoge Raad dat het hof de oudste broer van de onder toezicht gestelde en uit huis te plaatsen kinderen terecht niet had aangemerkt als belanghebbende in de procedure strekkende tot machtiging tot uithuisplaatsing. Overwogen werd dat de procedure een maatregel met betrekking tot het ouderlijk gezag in het kader van een ondertoezichtstelling betreft. Dat gezag wordt over elk minderjarig kind afzonderlijk uitgeoefend en ten aanzien van elk kind afzonderlijk moet worden beoordeeld of is voldaan aan de wettelijke criteria die gelden voor toepassing van de maatregel. Er waren in die procedure dan ook zoveel zaken aanhangig als er minderjarige kinderen waren ten aanzien waarvan de uithuisplaatsing was verzocht, zodat elke zaak het gezag over en de uithuisplaatsing van alleen het daarin betrokken kind betrof (rov. 4.3.2). Hieruit volgde volgens de Hoge Raad dat in de zaak van elk minderjarig kind enkel de uit het gezag over dat kind voortvloeiende rechten en verplichtingen van dit kind en van de ouders die het gezag over dit kind uitoefenen dan wel van anderen die dit kind als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden (de pleegouder) zijn betrokken. Daarom kunnen in die zaak slechts als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv worden beschouwd – naast de instellingen en organen die ingevolge art. 1:261 lid 1 BW de uithuisplaatsing kunnen verzoeken – de met het gezag belaste ouder(s), een ander die het minderjarige kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, en het kind zelf, mits dit twaalf jaren of ouder is (rov. 4.3.3). Dat de maatregel van uithuisplaatsing inbreuk zou maken op het family life tussen de broer en de uit huis te plaatsen minderjarigen, zoals namens de broer was aangevoerd, deed daar volgens de Hoge Raad niet aan af:

“4.3.4 Dit wordt niet anders doordat een beslissing tot uithuisplaatsing in die zaak mede het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht van de andere minderjarige kinderen op bescherming van hun gezinsleven met het betrokken kind raakt. Voor die andere minderjarige kinderen kunnen immers geen rechten en verplichtingen voortvloeien uit het ouderlijk gezag over dat kind terwijl voor die minderjarigen evenmin rechten en verplichtingen kunnen voortvloeien uit de verzorging en opvoeding van dat kind.
Het voorgaande laat overigens onverlet dat deze andere minderjarige kinderen hun uit het gezinsleven voortvloeiende door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op omgang met het uithuisgeplaatste kind zonodig zelfstandig kunnen effectueren door op de voet van art. 1:377a en 377g BW een verzoek aan de rechter te doen tot vaststelling van een omgangsregeling.”

2.57

In haar conclusie bij de beschikking had A-G Wesseling-van Gent een ander standpunt ingenomen.101 Startpunt in haar redenering is de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, dat bij de beoordeling of iemand belanghebbende is een rol zal spelen in hoeverre hij door de uitkomst van de procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen, dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang. Nu vast stond dat de broer family life had met de uit huis te plaatsen kinderen, leidde zij daaruit af dat de broer door de uitkomst van de procedure zodanig in zijn eigen belang kan worden getroffen, dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang.

2.58

Forder en Bakker hebben zich kritisch uitgelaten over de benadering van de Hoge Raad.102 Zij menen dat het belang van de oudste broer tekort is gedaan:

“Dit oordeel doet naar ons idee het belang van de oudste broer tekort. Het uit elkaar halen van het gezin waarin hij grootgebracht is, kan onomkeerbare schade aan zijn naaste relaties berokkenen. Waar ouders minder goed functioneren, komt het veel voor dat de oudere kinderen – noodgedwongen – een andere rol dan gebruikelijk in het gezin moeten spelen. De redenering van de Hoge Raad gebaseerd op art. 798 Rv – verzoeker is geen belanghebbende wegens gebrek aan materiële rechten – lijkt ons op een vicieuze cirkel neer te komen. De afwezigheid van materiële rechten tussen broers en zusters onderling is een blinde vlek die niet eens is onderkend in het IVRK. (…)”

In een ander artikel herhaalt Forder haar standpunt dat de door de Hoge Raad gekozen benadering in het licht van de artikelen 6 en 8 EVRM te beperkt is.103 Nu uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat ouders tijdens kinderbeschermingsprocedures voldoende bij de besluitvorming moeten worden betrokken en het niet aannemelijk is dat het EHRM een kind minder zou beschermen dan een volwassene, moet volgens haar worden aangenomen dat óók de broer rechtstreeks wordt getroffen in een door art. 8 EVRM beschermd recht in een procedure tot uithuisplaatsing. Verder schrijft Forder het volgende:

“De Hoge Raad gaat ervan uit dat het recht om in beroep te gaan er vooral toe dient om houders van ouderlijk gezag of de feitelijke opvoeders tegen ongeoorloofd ingrijpen te beschermen. Dat een kind geen gezag heeft en niet betrokken is bij de feitelijke opvoeding is duidelijk, maar dat het kind daarom geen recht heeft zich te verzetten tegen het uit elkaar halen van het gezin is allesbehalve evident. Het is schrijnend dat [de broer] het zonder een procesrechtelijk wapen moet doen, juist nu de met het gezag en de feitelijke opvoeding belaste personen – zijn ouders – vanwege hun godsdienstige overtuiging hun rechten niet inzetten. In de opvatting van de Hoge Raad is gezag een pakketje rechten en verplichtingen dat exclusief geldt tussen de ouders en elk kind afzonderlijk. Hierbij wordt over het hoofd gezien dat de ouders het gezag niet alleen in hun eigen belang uitoefenen, maar mede ten behoeve van hun kinderen. Het gezag heeft immers op grond van art. 1:245, vierde lid BW ‘betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte’. De ouders vertegenwoordigen elk kind bij het geldend maken van zijn aanspraak op het gezelschap van zijn broers en zusters.”


Met andere woorden, gegeven het feit dat ouderlijk gezag óók steeds het belang van het kind moet dienen (zie ook onder 2.35), kan de uitoefening van het ouderlijk gezag niet los worden gezien van het belang dat een kind heeft om family life te hebben met zijn broers en zussen.

2.59

De kritiek van Forder en Bakker lijkt mij terecht. Weliswaar is de aanwezigheid van family life met degene wiens belangen betrokken zijn in de procedure, op zichzelf niet voldoende is om als belanghebbende te worden aangemerkt (zie onder 2.13); het gaat erom of dit family life – dat immers tot de door art. 798 lid 1 Rv beschermde rechten en verplichtingen behoort – rechtstreeks wordt geraakt door (de beslissing over) het verzoek dat in de procedure wordt beoordeeld. Net als Wesseling-van Gent ben ik van mening dat dat hier het geval was. Het belang van de broer, dus het family life dat hij heeft met zijn broertjes en zusjes, werd rechtstreeks geraakt door de uithuisplaatsing van die broertjes en zusjes. Dat dit belang een rechtstreeks belang was in de zin van art. 798 lid 1 Rv, is nader te onderbouwen met het argument dat dat belang tevens zijn eigen belang was, dat bovendien persoonlijk, objectief bepaalbaar en actueel was en géén afgeleid belang was (de elementen van het zijn van ‘rechtstreeks belanghebbende’ in de zin van art. 1:2 Awb).104 Met betrekking tot dat ‘afgeleide belang’ is in het bijzonder te wijzen op de in mijn conclusie van 2 februari 2018, onder 2.14, besproken rechtspraak, dat als iemand in een zwaarwegend belang is getroffen, zoals een aan het EVRM ontleend fundamenteel recht, terughoudend moet worden omgegaan met het kwalificeren van dit belang als een ‘afgeleid belang’.105 De gedachte van annotator Wortmann, dat de broer een ‘afgeleid belang’ had in de betekenis die daaraan in het bestuursprocesrecht wordt toegekend en daarom geen belanghebbende kon zijn, deel ik dan ook niet.106

De overweging in punt 4.3.4 van de beschikking, dat voor de broer geen rechten en verplichtingen kunnen voortvloeien uit een beslissing over het ouderlijk gezag over de broertjes en zusjes, lijkt mij eraan voorbij te gaan dat het recht op family life zélf tot de bedoelde ‘rechten en verplichtingen behoort’ en dat dit recht bovendien geraakt wordt door een beslissing over het ouderlijk gezag. Nu bij kinderbeschermingsmaatregelen altijd het belang van het betrokken kind (in deze zaak: de uit huis te plaatsen broertjes en zusjes) voorop dient te staan, had ook met het oog op de bescherming van hún family life, die broer in het besluitvormingsproces moeten worden betrokken. Ook het IVRK vraagt om het centraal stellen van het belang van het kind (zie onder 2.54).

2.60

Een tweede uitspraak van de Hoge Raad had betrekking op de ondertoezichtstelling van een minderjarige.107 Hier ging het om een moeder die was belast met het eenhoofdig gezag over een in 2010 geboren minderjarige. De vader had de minderjarige erkend. De relatie tussen de ouders was verbroken in 2013. Vervolgens is de minderjarige op verzoek van de raad voor de kinderbescherming onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg. Op verzoek van Bureau Jeugdzorg is de ondertoezichtstelling verlengd. De niet met het gezag belaste vader heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Het hof heeft, in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep, aan de Hoge Raad de prejudiciële vraag voorgelegd of de ouder zonder gezag in een procedure tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling, als belanghebbende dient te worden aangemerkt, indien het verzoek tot (de verlenging van de) ondertoezichtstelling niet van hem/haar afkomstig is. De Hoge Raad heeft deze vraag ontkennend beantwoord:108

“3.3.3 Art. 798 lid 1 Rv bepaalt dat voor de toepassing van de eerste afdeling (van Boek 3, titel 6) – waarvan art. 806 Rv deel uitmaakt – onder belanghebbende wordt verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Tot de in artikel 798 lid 1 Rv bedoelde rechten en verplichtingen worden gerekend de door internationale verdragen beschermde rechten, voor zover daarop door de burger rechtstreeks een beroep kan worden gedaan (zoals het recht op ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM) (vgl. Kamerstukken II 1991/92, 22 487, nr. 3, p. 6-7). De rechter in hoger beroep bepaalt zelfstandig of sprake is van een belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv (Kamerstukken II 1991/92, 22 487, nr. 3, p. 12).

3.3.4

De ondertoezichtstelling van minderjarigen is geregeld in de vierde afdeling van titel 14 van Boek 1 BW, welke titel ziet op het gezag over minderjarige kinderen.

Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 lid 1 BW). De maatregel van ondertoezichtstelling beperkt het gezag. De met het toezicht belaste stichting kan ter uitvoering van haar taak zo nodig schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen (art. 1:258 BW). Dergelijke aanwijzingen kunnen op verzoek van de met gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder vervallen worden verklaard (art. 1:259 lid 1 BW).

Het verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden gedaan door een ouder, een ander die de minderjarige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de Raad voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie (art. 1:254 lid 4 BW). Zij die bevoegd zijn tot het indienen van een verzoek tot ondertoezichtstelling zijn tevens bevoegd tot het indienen van een verzoek tot verlenging van die maatregel; voorts komt de bevoegdheid om verlenging te verzoeken toe aan de met het toezicht belaste stichting (art. 1:256 lid 2 BW).

De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet langer bestaat. Het verzoek tot opheffing kan worden gedaan door de stichting die met het toezicht is belast, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder (art. 1:256 lid 4 BW).

3.3.5

Uit het voorgaande volgt dat de maatregel van ondertoezichtstelling ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen de met het gezag beklede ouder(s) en de minderjarige en aldus rechtstreeks betrekking heeft op de uit het ouderlijk gezag voortvloeiende rechten en verplichtingen. De rechten en verplichtingen van de niet met het gezag beklede ouder worden daardoor niet rechtstreeks geraakt in de zin van art. 798 lid 1 Rv. Hiermee strookt dat, wanneer een ondertoezichtstelling eenmaal van kracht is geworden, slechts de met het gezag beklede ouder(s) en de minderjarige zelf (mits twaalf jaar of ouder) tegen de door de met het toezicht belaste stichting gegeven aanwijzingen kunnen opkomen en – naast de stichting – om opheffing van de maatregel kunnen vragen en dus niet de niet met het gezag beklede ouder. Aan dat laatste ligt blijkens de parlementaire geschiedenis de gedachte ten grondslag dat het niet wenselijk is dat een beperking van het gezag van de ouder, die zowel door de ouder die de beperking moet dulden als door de stichting die met het toezicht is belast wordt aanvaard respectievelijk gewenst, op verzoek van een niet met het gezag belaste derde zou kunnen worden opgeheven (Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 33).

3.3.6

Gelet hierop kan de niet met het gezag beklede ouder in het kader van een ondertoezichtstelling niet worden beschouwd als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv en dus evenmin als belanghebbende in de zin van art. 806 lid 1 Rv. Hem komt daarom niet uit dien hoofde de bevoegdheid toe hoger beroep in te stellen van een beslissing tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling. De omstandigheid dat de wetgever aan de niet met het gezag beklede ouder wel de bevoegdheid heeft toegekend een (verlenging van de) ondertoezichtstelling – een beperking van het gezag van de andere ouder – te verzoeken, doet daaraan, gelet op hetgeen in 3.3.5 is overwogen, niet af. In dit verband is van belang dat de wetgever een onderscheid heeft gemaakt tussen degenen die een verzoek kunnen doen en degenen die als belanghebbenden worden beschouwd.

(…)

3.3.7

Voorts verdient opmerking dat de niet met het gezag beklede ouder ook bij een ondertoezichtstelling de mogelijkheid behoudt om zijn uit art. 8 EVRM voortvloeiende recht op bescherming van zijn ‘family life’ met de minderjarige te effectueren (vgl. HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7043, NJ 2010/397). Zo kan deze ouder ingevolge art. 1:377a lid 2 BW de rechter verzoeken een omgangsregeling te treffen en dient hij, ingeval de met het toezicht belaste stichting op de voet van art. 1:263b BW een verzoek tot wijziging van een bestaande omgangsregeling doet, als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv, in dat geding te worden betrokken.”

2.61

Het oordeel van de Hoge Raad komt er dus op neer dat met de gezagsbeperkende maatregel van ondertoezichtstelling, wordt ingegrepen in de rechtsbetrekking tussen de met het gezag beklede ouder(s) en de minderjarige, maar dat de rechten en verplichtingen van de niet met het gezag beklede ouder daardoor niet rechtstreeks worden geraakt. Daardoor is deze ouder geen belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv.

2.62

Het is de vraag of het oordeel van de Hoge Raad in deze zaak voldoet aan de eisen die voortvloeien uit het EVRM. Zoals besproken is onder 2.41-2.45, houdt de rechtspraak van het EHRM in, kort samengevat, dat ouders bij het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen voldoende in het besluitvormingsproces moeten worden betrokken. Wie onder ‘ouders’ moeten worden verstaan volgt niet uit de rechtspraak van het EHRM. Maar gelet op de koppeling die wordt gemaakt tussen een ‘fair besluitvormingsproces’ en de rechten van betrokkene onder art. 8 EVRM (§ 64 van de zaak N.P./Moldavië, zie onder 2.41), lijdt het naar mijn mening geen twijfel dat (in ieder geval) een ouder die family life heeft met het kind, daardoor recht heeft om betrokken te worden in het besluitvormingsproces over het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen. De impliciete veronderstelling is hierbij dat een kinderbeschermingsmaatregel altijd (ook) het belang raakt van de ouder die family life heeft met het kind.

2.63

Nu uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat tamelijk snel sprake is van family life tussen ouder en kind, en dat óók een ouder zonder gezag family life kan hebben (zie onder 2.46-2.52), betekent dit naar mijn mening dat als een ouder zonder gezag zich kan beroepen op family life met de minderjarige én dat family life door de kinderbeschermingsmaatregel wordt geraakt, hij als belanghebbende in een procedure over die kinderbeschermingsmaatregel, zoals uithuisplaatsing, moet worden aangemerkt. Ook annotator Wortmann is dit standpunt toegedaan, zij het dat zij de kwalificatie van het zijn van belanghebbende beperkt tot de ouder zonder gezag, die het kind mede verzorgt en opvoedt.109 Gezien het feit dat de rechtspraak van het EHRM niet inhoudt dat voor het hebben van family life door een ouder met zijn kind steeds vereist is dat die ouder het kind mede verzorgt en opvoedt, vraag ik mij af of dat de juiste maatstaf is. Naar mijn mening gaat het er om of de ouder family life heeft met het kind, wat beoordeeld moet worden aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval.

2.64

In dit verband is ook nog te wijzen op de toevoeging van de tweede volzin aan art. 798 lid 1 Rv per 1 januari 2015 (zie onder 2.16-2.18). Door die toevoeging wordt ‘degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt’, aangemerkt als belanghebbende. Uit de toelichting blijkt, zoals gezegd, dat hiermee beoogd is de positie van pleegouders te versterken. Nu niet is in te zien waarom de positie van een pleegouder sterker zou moeten zijn dan de positie van een ouder zonder gezag die de minderjarige ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, ligt het zeer in de rede om in ieder geval ook díe ouder als belanghebbende aan te merken. Er is dan ook geen goede reden om de niet met gezag beklede ouder per definitie, in zijn algemeenheid, niet als belanghebbende aan te merken.

2.65

Ook De Groot heeft erop gewezen dat in de uitspraak van de Hoge Raad van 12 september 2014 niet aan de orde kwam of het voor het antwoord op de prejudiciële vraag verschil maakt of de ouder zonder gezag de minderjarige geheel of ten dele verzorgt en opvoedt. Door de na de uitspraak in werking getreden wijziging van art. 798 lid 1 Rv rees, zo schrijft De Groot, ‘de vervolgvraag of het antwoord op die prejudiciële vraag in combinatie met die wetswijziging, nu tot gevolg had dat de nieuwe partner die een gezin vormt met de ouder die met het gezag is belast, in een zaak over ondertoezichtstelling belanghebbende kan zijn, en de juridische ouder zonder gezag niet’.110 Het antwoord op deze vraag zou, zo volgt uit wat ik hiervoor heb opgemerkt, ontkennend moeten zijn. Dat standpunt is ook ingenomen door Van Teeffelen, die schrijft dat een ouder zonder gezag maar met family life, met een beroep op analoge toepassing van het gewijzigde art. 798 lid 1 Rv een vergelijkbare positie als die van de pleegouder geboden moet worden en dus als belanghebbende moet worden aangemerkt.111 Dit is ook in de feitenrechtspraak wel aangenomen.112

2.66

In 2015 zijn over deze kwestie kamervragen gesteld. De directe aanleiding voor de kamervragen was de wijziging van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht.113 De wijziging - per 1 januari 2015 - hield in dat uit de opsomming van de belanghebbenden in art. 2.3 van het reglement is geschrapt: “de ouder(s) zonder gezag en de biologische vader indien er sprake is van family life met de minderjarige.114 De wijziging was ingegeven door de hiervoor besproken beschikking van de Hoge Raad van 12 september 2014 (zie onder 2.60-2.61). Om enig inzicht te geven in de maatschappelijke context van de discussie over het belanghebbende-begrip in jeugdbeschermingszaken citeer ik de kamervragen en de beantwoording daarvan door de minister integraal: 115

“Vraag 1

Gelet op uw antwoord dat het aan de rechter is om te bepalen wie hij als belanghebbende aanmerkt, is het dan denkbaar dat de niet met het gezag beklede ouder, die krachtens de wijzing van het procesreglement Civiel Jeugdrecht, zich voortaan niet meer op zijn rechten als belanghebbende kan beroepen, sedertdien alsnog door de rechter wordt aangewezen dan wel wordt behouden in de positie van belanghebbende? 116

Antwoord 1

Ja, dat is denkbaar. Het is aan de rechter om te bepalen wie hij als belanghebbende aanmerkt. Dit staat ook zo vermeld in het procesreglement. Wanneer de niet met het gezag belaste ouder niet als belanghebbende wordt aangemerkt, kan de rechter hem eventueel aanmerken als informant. Het is overigens niet zozeer krachtens de wijziging van het procesreglement Civiel Jeugdrecht dat de niet met het gezag beklede ouder zich (in beginsel) niet meer kan beroepen op zijn rechten als belanghebbende, maar krachtens de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 9 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665), naar aanleiding waarvan het procesreglement is aangepast.

Vraag 2

Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, kunt u aangeven hoe zich dat verhoudt tot de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 9 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665)? Dient de betreffende ouder hier zelf om te verzoeken of kan de rechter hier ook ambtshalve toe besluiten, bijvoorbeeld wanneer de betreffende ouder naar aanleiding van de wijzing van het procesreglement verzoekt om een alternatieve omgang- of informatieregeling? Wat gebeurt er indien de rechter daadwerkelijk de ouder(s) zonder gezag en de biologische vader kan behouden in hun positie als belanghebbende en de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instellingen in de juridische advisering naar deze ouders toe ook aandacht aan deze mogelijkheid besteden?

Antwoord 2

De Hoge Raad heeft zich uitgelaten over het begrip belanghebbende in de zin van artikel 798 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit neemt niet weg dat de rechter altijd de mogelijkheid heeft om in het concrete geval te bepalen dat er ook andere personen als belanghebbende aangemerkt kunnen worden. De rechter beslist dit ambtshalve; maar de ouder kan, bijvoorbeeld via de Raad voor de Kinderbescherming, aangeven als belanghebbende te willen worden aangemerkt, hetgeen de rechter in zijn beslissing zal meewegen. Wanneer de niet met het gezag belaste ouder niet als belanghebbende wordt aangemerkt, kan de rechter hem eventueel aanmerken als informant.

Vraag 3

Is het inmiddels mogelijk een inschatting te maken hoe groot de groep ouders is die getroffen wordt door deze wijziging? Zo nee, waarom niet? Is een inschatting bijvoorbeeld niet mogelijk op grond van het aantal personen die de Raad voor de Kinderbescherming heeft gewezen op zijn of haar processuele positie en mogelijkheden om deze positie te wijzigen? Om hoeveel personen gaat het?

Antwoord 3

Nee, het is niet mogelijk om bedoelde inschatting te maken, omdat geen van de instanties dit registreert. De Raad voor de Kinderbescherming houdt ook niet bij in hoeveel van de gevallen zij de ouder zonder gezag adviseert om zijn of haar processuele positie te wijzigen. Dit omdat advisering niet altijd aan de orde is: als het gezag van de ouder is beëindigd, omdat de ouder bijvoorbeeld het kind mishandelde, zal de Raad voor de Kinderbescherming de ouder niet wijzen op de juridische mogelijkheden om weer het gezag te verkrijgen.

Vraag 4

Geschiedt deze advisering uit eigener beweging van de Raad voor de Kinderbescherming of op verzoek van de ouder?

Antwoord 4

Belangrijk is om te benadrukken dat het hier niet gaat om een formele vorm van advisering; de Raad voor de Kinderbescherming legt de processuele positie van de juridische ouder zonder gezag vooral uit om de ouder erop voor te bereiden dat hij of zij wellicht niet door de rechter wordt uitgenodigd, terwijl hij of zij wel door de Raad voor de Kinderbescherming in het onderzoek betrokken is. Op vragen van die ouder legt de Raad voor de Kinderbescherming ook uit hoe de ouder zijn of haar positie kan wijzigen.

Vraag 5

Wat is de uitkomst van uw onderzoek naar de vraag of nadere initiatieven noodzakelijk zijn? Hoe wordt dit onderzoek vormgegeven, wat gaat u onderzoeken, binnen welk tijdspad en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

Antwoord 5

Wij hebben de Adviescommissie Burgerlijk Procesrecht verzocht om te adviseren over het begrip belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv in zaken betreffende de ondertoezichtstelling. De verwachting is dat de Adviescommissie in het voorjaar van 2016 het advies zal uitbrengen. Wij zullen uw Kamer hierover informeren.

Vraag 6

Waarom koppelt u het in de vorige vraag genoemde onderzoek los van de consequenties die de uitspraak van de Hoge Raad van 9 september 2014 heeft gehad voor betrokken partijen?

Antwoord 6

Zoals in antwoord op eerdere vragen hebben wij laten weten dat betrokkenen die in het verleden gebruik hebben gemaakt van het toen geldende recht, uiteraard geen verwijt kan worden gemaakt. Dit neemt niet weg dat het recht kan wijzigen. Wij hebben de Adviescommissie gevraagd om ons over deze wijziging te adviseren.

Vraag 7

Hoe verhoudt uw antwoord op vraag 9 van de eerdere schriftelijke vragen met betrekking tot geen tegemoetkoming proceskosten zich tot uw eerdere antwoord dat “vanzelfsprekend kan betrokkenen die in het verleden gebruik hebben gemaakt van hun rechten geen verwijt worden gemaakt; zij mochten ervan uitgaan dat hen dit recht op dat moment toekwam.”?

Antwoord 7

Wij zien, zoals gezegd, geen aanleiding om aanvullende maatregelen te nemen en wachten graag eerst de uitkomsten van het onderzoek af.”

2.67

Het advies van de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht, dat hiervoor reeds enkele malen ter sprake is gekomen (2.14 en 2.18), is uitgebracht op 22 maart 2016 en op 20 december 2017 gepubliceerd.117 De slotsom van het advies is tweeledig en luidt - kort samengevat - als volgt:

De aandachtspunten uit de rechtspraak van de Hoge Raad geven geen aanleiding om aan te nemen dat de rechter bij toepassing van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv onvoldoende ruimte zou hebben om in zaken betreffende minderjarigen aan de hand van de omstandigheden van het geval te beoordelen of de ouder zonder gezag is aan te merken als belanghebbende.

De in 2015 toegevoegde tweede volzin van art. 798 lid 1 Rv roept echter niet eenvoudig te beantwoorden vragen op en bemoeilijkt de toepassing van de op zichzelf toereikende ruimte van de eerste volzin. De Adviescommissie geeft de minister dan ook in overweging hieraan door middel van wetgeving tegemoet te komen en doet daartoe enkele suggesties.

De inhoud van deze suggesties is weergegeven onder punt 2.18 van deze conclusie. Zoals gezegd is er nog geen gevolg gegeven aan deze suggesties.

3 De cassatieklachten

3.1

Het cassatiemiddel stelt terecht voorop dat de onderhavige zaak betrekking heeft op de jeugdbeschermingsmaatregel beëindiging van het ouderlijk gezag over minderjarigen (art. 1:266 BW), en dat ten aanzien van elk kind afzonderlijk moet worden beoordeeld of is voldaan aan de wettelijke criteria die gelden voor toepassing van de maatregel.118 Het voorgaande brengt mee dat zowel in de zaak van [kind 1] als in de zaak van [kind 2] afzonderlijk moet worden nagegaan wie als belanghebbende in de zin van art. 798 Rv kan worden aangemerkt.119

Subonderdeel A

3.2

In dit verband is van belang dat de klachten in subonderdeel A uitsluitend betrekking hebben op de vraag of het hof de vader in de zaak ten aanzien van [kind 1] als belanghebbende had moeten aanmerken. Daarbij dient als uitgangspunt dat het hof – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld dat de vader niet de juridische vader (art. 1:199 BW) is van [kind 1] .120 Het subonderdeel betoogt vervolgens dat het hof de vader als belanghebbende had moeten aanmerken op grond van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv, nu hij niet de (juridische) ouder is van [kind 1] én hij [kind 1] ten minste één jaar heeft verzorgd en opgevoed.

3.3

Art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv bepaalt dat:

“degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt wordt aangemerkt als belanghebbende.”

Zoals gezegd, is deze bepaling per 1 januari 2015 aan art. 798 lid 1 Rv toegevoegd (zie onder 2.16-2.18). Deze toevoeging was het resultaat van een amendement dat ertoe strekte ‘pleegouders’ die reeds ten minste een jaar voor het pleegkind zorgen automatisch als belanghebbende aan te merken in rechtszaken rondom hun pleegkind.121 De in de toelichting op het amendement verwoorde bedoeling is echter maar gedeeltelijk terug te zien in de wettekst. Zo wordt in de wettekst niet gesproken over ‘pleegouder’, maar over ‘degene die niet de ouder is’. Onder die laatste omschrijving zouden mogelijk ook anderen kunnen vallen dan de pleegouder, zoals de stiefouder of een biologische ouder zonder juridisch ouderschap in de zin van art. 1:198 of 1:199 BW.122 Op de reikwijdte van de tweede volzin van art. 798 lid 1 Rv zal ik nog ingaan onder 3.8-3.15.

3.4

Als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat een biologische vader zonder juridisch ouderschap123 onder de reikwijdte van art. 798 lid 1, tweede volzin, valt, geldt dat hij alleen als belanghebbende wordt aangemerkt indien hij de minderjarige “gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt.” De termen “verzorgt” en “opvoedt” zijn niet nader toegelicht. Het ligt voor de hand om hier aansluiting te zoeken bij het bepaalde in art. 1:247 lid 2 BW, dat ingevolge art. 1:248 BW van overeenkomstige toepassing is op degene die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die minderjarige toekomt. In art. 1:247 lid 2 BW is nader omschreven wat onder ‘verzorging’ en ‘opvoeding’ moet worden verstaan (zie ook onder 2.35). Verder is op te merken dat de voorwaarde dat de niet-ouder de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, zowel in de wettekst als in de toelichting op het amendement, in de tegenwoordige tijd is geformuleerd. Zo vermeldt de toelichting op het amendement (mijn onderstrepingen):124

“(…) Dit amendement wijzigt artikel 798 Rv vanuit die achtergrond dusdanig dat direct uit dit artikel blijkt dat pleegouders die reeds een aanmerkelijke periode voor het kind zorgen , automatisch als “belanghebbende” dienen te worden beschouwd.

Hierbij geldt als voorwaarde dat de betrokken pleegouders reeds ten minste een jaar voor de minderjarige zorgen. Voor pleegouders die korter voor de minderjarige zorgen, kan de praktijk blijven bestaan waarbij de rechter op verzoek kan beslissen hen als belanghebbende aan te merken. (…)”

Hieruit kan worden afgeleid dat voor toepassing van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv niet voldoende is dat degene die niet de juridische ouder is de minderjarige in het verleden gedurende ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, maar dat thans (dat is: ten tijde van de procedure) niet meer doet. Uit de overweging van het hof in rov. 9, dat de pleegouders nadrukkelijk in de wet de positie van belanghebbende hebben verkregen, “onder voorwaarde dat zij ten minste een jaar de minderjarigen als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden”, is af te leiden dat het hof ook van deze uitleg uitgaat.

Een andere opvatting zou ook niet goed verenigbaar zijn met de strekking van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv om alleen de huidige pleegouders van het pleegkind automatisch als belanghebbende aan te merken. De toelichting vermeldt in dit verband (mijn onderstreping):125

“Doordat de pleegouders niet altijd als belanghebbende worden beschouwd, worden zij dus niet altijd betrokken bij bijvoorbeeld de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing of van de ondertoezichtstelling van hun pleegkind.

Naar het oordeel van de indieners hebben kinderen die onder toezicht zijn gesteld en in een perspectiefbiedend pleeggezin verblijven er echter wel belang bij dat ook hun pleegouders bijvoorbeeld het woord mogen voeren en hun zienswijze mogen geven.

Aan de zienswijze van pleegouders zal waarde worden gehecht, omdat zij op dat moment voor de minderjarige zorgen en de minderjarige op dat moment in hun gezin verblijft. Er zijn geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat ook pleegouders die de minderjarige in het verleden gedurende ten minste een jaar hebben opgevoed en verzorgd, maar dat nu niet meer doen, automatisch als belanghebbende moeten worden aangemerkt.

3.5

Verder is van belang dat de wettekst nadrukkelijk als voorwaarde stelt dat de niet-ouder de minderjarige gedurende ten minste een jaar “als behorende tot zijn gezin” verzorgt en opvoedt. De verzorging en opvoeding van de minderjarige dient dus in gezinsverband plaats te vinden. De stelling in het verzoekschrift tot cassatie (onder 1.9) dat art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv niet de eis stelt dat het opvoeden en verzorgen van het kind als behorende tot het gezin moet hebben plaatsgevonden, lijkt mij dan ook niet juist.

3.6

In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de vader en moeder in gezinsverband met de minderjarigen hebben samengeleefd tot in 2015. Toen is de relatie tussen de ouders verbroken en sindsdien wonen zij niet meer samen. Het hof heeft verder vastgesteld dat de minderjarigen sinds 7 oktober 2015 opnieuw uit huis zijn geplaatst en sinds 2 februari 2016 tezamen in het huidige, perspectief biedende, pleeggezin verblijven.126 In deze vaststellingen ligt besloten dat reeds ten tijde van het inleidende verzoek van de raad van 20 januari 2017, niet meer was voldaan aan de voorwaarde van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv dat de vader [kind 1] gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. ’s Hofs (impliciete) oordeel dat de vader in de procedure ten aanzien van [kind 1] niet op grond van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv kan worden aangemerkt als belanghebbende, geeft dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Dat de vader [kind 1] in de periode vanaf zijn geboorte tot in 2015 mogelijk wel gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed is, zoals gezegd, niet voldoende om hem op grond van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv als belanghebbende aan te merken.127

3.7

Gelet op het voorgaande falen de klachten in subonderdeel A.

De vraag of de vader in de zaak ten aanzien van [kind 1] mogelijk wel als belanghebbende kan worden aangemerkt op grond van het bepaalde in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv komt hierna bij de bespreking van subonderdeel B aan de orde.

Reikwijdte art. 798 1id 1, tweede volzin, Rv

3.8

Hoewel dat voor de bespreking van subonderdeel A strikt genomen niet nodig is, ga ik nog in op de vraag of ook anderen dan de pleegouder zijn te begrijpen onder ‘degene die niet de ouder is’, in de zin van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv. De feitenrechtspraak wordt met enige regelmaat geconfronteerd met de onduidelijkheid over de reikwijdte van deze bepaling, wat leidt tot uiteenlopende rechterlijke uitspraken. Het zou voor de praktijk dan ook nuttig zijn als de Hoge Raad zich hierover uitlaat.

3.9

In sommige uitspraken worden ook andere niet-ouders dan pleegouders op grond van de tweede volzin als belanghebbende aangemerkt. Zo is een stiefvader aangemerkt als belanghebbende in een uitspraak van het gerechtshof Den Haag:128

“6. Het hof is van oordeel dat de stiefvader, die de minderjarige sinds diens geboorte als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, belanghebbende is in deze en heeft hem als zodanig aangemerkt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dat sedert 1 januari 2015 geldt, onmiddellijke werking heeft. De moeder heeft dan ook geen belang meer bij haar verzoek te dien aanzien.

Ook zijn er uitspraken waarin op grond van de tweede volzin de biologische vader zonder juridisch ouderschap als belanghebbende is aangemerkt.129 In andere uitspraken is daarentegen nadrukkelijk overwogen dat de tweede volzin uitsluitend ziet op pleegouders, zodat daar geen andere niet-ouders onder kunnen vallen. Zie bijvoorbeeld een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch:130

3.8. Het hof dient ambtshalve de vraag te beantwoorden of de vader is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 806, eerste lid, jo 798, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en daarmee in hoger beroep kan komen van de bestreden beschikking.

3.8.1.

Ingevolge artikel 798, eerste lid, eerste volzin, Rv moet onder belanghebbende worden verstaan: degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Bij Wet tot herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 130), die op 1 januari 2015 in werking is getreden, is aan artikel 798, eerste lid, Rv een (tweede) volzin toegevoegd waarin wordt bepaald dat ook degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, als belanghebbende wordt aangemerkt.

3.8.2.

Vast staat dat de vader [minderjarige] heeft erkend en derhalve juridische ouder is van [minderjarige] . Tevens staat vast dat de vader niet is belast met het gezag over [minderjarige] . Voorts is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat [minderjarige] vanaf haar geboorte in gezinsverband met haar beide ouders heeft samengeleefd en, nadat de moeder de woning in september 2014 heeft verlaten, [minderjarige] tot aan het moment van haar uithuisplaatsing voornamelijk door de vader alleen is verzorgd en opgevoed.

3.8.3.

Nu de vader juridische ouder is van [minderjarige] kan hij niet op grond van de tweede volzin van artikel 798, eerste lid, Rv als belanghebbende worden aangemerkt. Uit de toelichting bij het amendement waarbij de tweede volzin aan artikel 798, eerste lid, Rv is toegevoegd (Kamerstukken II, 32 015, 2010-2011, nr. 37) moet immers worden afgeleid dat het hier (uitsluitend) om een pleegouder gaat.

Vergelijk ook nog de ‘Wenk’ bij een uitspraak van het gerechtshof Den Haag over de betekenis van de tweede volzin:131

In de onderhavige zaak oordeelde het hof dat, gelet op het feit dat ook al is de voogd nauw betrokken bij de opvoeding van het kind, het feitelijk wordt verzorgd en opgevoed door de moeder (en de vader). Om die reden en met het oog op art. 8 EVRM acht het hof de moeder ontvankelijk in het hoger beroep. Dit oordeel sluit aan bij de sedert 1 januari 2015 van kracht zijnde toevoeging aan art. 798 lid 1 Rv dat ook een pleegouder door wie het kind (ten minste een jaar) wordt verzorgd als belanghebbende wordt aangemerkt, ook al is deze pleegouder niet belast met het gezag. In de aangevulde bepaling wordt echter gesproken van degene die niet de ouder is en het kind gedurende ten minste een jaar in zijn gezin verzorgt en opvoedt. De appelrechter moet daarom, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, verwijzen naar art. 8 EVRM om de ouder zonder gezag in een situatie als de onderhavige ontvankelijk te kunnen verklaren en lijkt daarmee dus blijkens de onderhavige uitspraak goed uit de voeten te kunnen. Inmiddels is overigens door de expertgroep jeugdrechters aan het ministerie van Veiligheid en Justitie gevraagd het belanghebbende begrip wettelijk beter te verankeren.

Tot slot is nog te noemen een uitspraak van de rechtbank Limburg, waarin een pleegmoeder en dochter van de pleegmoeder niet op grond van de tweede volzin als belanghebbende werden aangemerkt, omdat zij niet gedurende een jaar de minderjarige opvoeden en verzorgen:132

“Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 798, eerste lid, Rv bij rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht, zijnde andere zaken dan scheidingszaken, verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.
Degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt aangemerkt als belanghebbende.
4.2. Ingevolge paragraaf 2.3 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht, voor zover hier van belang, gelden in zaken als de thans ter beoordeling voorliggende in elk geval als belanghebbende(n), “de perspectief biedende pleegouder of de pleegouder die de minderjarige een jaar of langer verzorgt en opvoedt.”
4.3. De rechtbank overweegt dat alleen al op grond van voornoemd criterium familie [X] niet als belanghebbende(n) in aanmerking komt, nu [kind 1] en [kind 2] pas vier maanden bij de familie [X] verblijven. Hoewel [kind 1] eerder gedurende twee jaar bij de familie [X] heeft gewoond, heeft zij van half augustus 2015 tot juli 2016 (bijna een jaar) weer bij haar familie op Aruba gewoond. Hoewel niet expliciet is vermeld dat de termijn “een jaar of langer” ziet op een aaneengesloten periode, is de rechtbank van oordeel dat dit, mede gelet ook op de duur van de onderbreking van bijna één jaar, impliciet besloten ligt in de tekst.

De meningen over het toepassingsbereik van de tweede volzin van art. 798 lid 1 Rv zijn dus verdeeld.

3.10

Hiervoor is reeds opgemerkt (zie onder 2.16) dat naar de tekst van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv, daaronder ook anderen kunnen vallen dan de pleegouder, zoals de stiefouder of een biologische ouder zonder juridisch ouderschap in de zin van art. 1:198 of 1:199 BW.133 Ook zij zijn immers aan te merken als ‘degene die niet de ouder is’.134

3.11

Vóór deze uitleg – dus dat ook anderen dan de pleegouder onder het bereik van art. 798 lid 1, tweede volzin, Rv vallen en het bereik van de tweede volzin zich daarmee niet beperkt tot pleegouders – pleit bovendien dat bij een andere uitleg pleegouders een sterkere processuele positie zouden hebben dan andere ‘niet-ouders’, zoals een biologische ouder zonder juridisch ouderschap die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. Dat is een ongewenste situatie, zeker in het licht van art. 8 EVRM en de daaruit voortvloeiende verplichting om voldoende procedurele waarborgen te bieden aan ouders in zaken waarin kinderbeschermingsmaatregelen worden genomen (zie onder 2.41-2.45). Die verplichting geldt ten opzichte van alle ouders, mits zij family life met het kind hebben (zie onder 2.46).

3.12

Men zou het problematisch kunnen achten om de tweede volzin van art. 798 lid 1 Rv ook van toepassing te laten zijn op andere niet-ouders dan pleegouders, omdat de toelichting op het amendement er zo duidelijk op wijst dat de bepaling geschreven is voor pleegouders (zie onder 2.16). Ook in sommige van de hiervoor aangehaalde uitspraken van feitenrechters wordt hierop gewezen. Dat de tweede volzin is geschreven voor pleegouders blijkt ook uit de terminologie “gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt”. Deze omschrijving komt ook voor in andere bepalingen die bedoeld zijn ter versterking van de rechtspositie van pleegouders, zoals art. 1:253s lid 1 BW (blokkaderecht pleegouders), art. 1:265d lid 2 BW (verzoek tot beëindiging uithuisplaatsing), 1:265i lid 1 BW (wijziging pleeggezinsplaatsing na een jaar), art. 1:299a BW (voogdijverzoek pleegouders) en art. 1:336a BW(blokkaderecht pleegouders). Zoals besproken is, is in het BW niet gedefinieerd wat een pleegouder is (zie onder 2.31-2.32).

3.13

Daar valt tegenin te brengen dat uit de toelichting weliswaar blijkt dat het amendement is geschreven ten behoeve van pleegouders, maar níet dat het niet is bedoeld voor andere niet-ouders. Met andere woorden, uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat uitsluitend pleegouders als niet-ouder in de zin van de tweede volzin kunnen worden aangemerkt. Tegen die achtergrond kan niet worden gezegd dat een uitleg van de tweede volzin in lijn met de tekst daarvan, zou indruisen tegen ‘de bedoeling van de wetgever’.

3.14

Aan het probleem van de uitleg van de tweede volzin van art. 798 lid 1 Rv kan worden ontkomen door de eerste volzin van art. 798 lid 1 Rv niet te beperkt uit te leggen. Wanneer die eerste volzin zo wordt uitgelegd dat als belanghebbende wordt aangemerkt een ieder die family life heeft met de minderjarige en door de kinderbeschermingsmaatregel rechtstreeks wordt getroffen in dat family life, is er geen behoefte meer aan de tweede volzin. Ook pleegouders voldoen daar immers aan. Zowel pleegouders als andere niet-ouders die family life hebben met de minderjarige kunnen dan met toepassing van de eerste volzin als belanghebbende worden aangemerkt. Een dergelijke uitleg van de eerste volzin doet recht aan de rechtspraak van het EHRM (zie onder 2.63).135
In deze benadering is de tweede volzin van art. 798 lid 1 Rv overbodig geworden. Dit sluit aan bij de suggestie van de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht om de tweede volzin te schrappen (zie onder 2.18).

3.15

Het voordeel van deze benadering is bovendien dat de in de tweede volzin vermelde, en tamelijk willekeurige, periode van ten minste een jaar – al dan niet onafgebroken, zie de hiervoor geciteerde uitspraak van de rechtbank Limburg –, niet meer van doorslaggevend belang is. In plaats daarvan zal aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval moeten worden nagegaan of sprake is van family life met de minderjarige, overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM (zie onder 2.46-2.53).

Subonderdeel B

3.16

Subonderdeel B bevat klachten tegen het oordeel van het hof dat de vader in de procedure tot beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarigen ( [kind 1] en [kind 2] ) niet als belanghebbende kan worden aangemerkt op grond van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat de beslissing in de procedure betreffende de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige(n) niet ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen de vader en de minderjarigen. Ook wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vader geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het door het hof gehanteerde uitgangspunt dat een ouder zonder gezag geen belanghebbende is in de procedure ter zake van de gezagsbeëindiging van de andere ouder. Gesteld wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, gelet op hetgeen de vader in de gedingstukken heeft aangevoerd. Daarbij wordt gewezen op het betoog van de vader in het appelrekest dat hij de kinderen een stabiele thuissituatie zou kunnen bieden en het door hem gedane verzoek om een onderzoek te gelasten naar zijn zorgcapaciteiten en de plaatsingsmogelijkheden van de minderjarigen bij hem in het gezin.136

3.17

Het hof heeft in het kader van de vraag of de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep beoordeeld of de zaken rechtstreeks betrekking hebben op zijn rechten en verplichtingen, zodat hij op grond van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv als belanghebbende moet worden aangemerkt en, in dat geval, op grond van art. 806 lid 1 onder b Rv hoger beroep openstaat. Het hof komt op grond van de navolgende overwegingen tot het oordeel dat de vader geen belanghebbende is:

  1. de vader is niet belast met het gezag over de minderjarigen (rov. 7; in cassatie niet bestreden);

  2. de beëindiging van het gezag van de moeder grijpt dan ook niet in in de rechtsbetrekking tussen de vader en de minderjarigen (rov. 7);

  3. bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het uitgangspunt dat een ouder zonder gezag niet belanghebbende is in de procedure ter zake van de gezagsbeëindiging van de andere ouder, zijn niet gesteld (rov. 7).

a. De omstandigheid dat de vader, zoals hij heeft aangevoerd, op grond van art. 1:253c BW137 aan de rechtbank kan verzoeken hem met het gezag te belasten, welke mogelijkheid hij tot op heden niet heeft benut, maakt niet dat hij als ouder zonder gezag belanghebbende is. In deze procedure is de raad de verzoekende partij. Bovendien is de vader ten aanzien van [kind 1] niet aan te merken als de tot gezag bevoegde ouder, omdat hij niet zijn juridische vader is (rov. 8).

b. De omstandigheid dat de pleegouders wel worden aangemerkt als belanghebbende maakt evenmin dat de vader als belanghebbende moet worden aangemerkt (rov. 9);

c. Het betoog van de vader dat het hem niet aanmerken als belanghebbende strijdig is met het EVRM gaat niet op. Een gezagsbeëindiging levert ten opzichte van de gezagsouder een rechtstreekse inmenging in diens ouderlijk gezag op. Ten opzichte van de ouder die niet met het gezag is belast, levert deze maatregel als zodanig nog geen beperking op van de uitoefening van diens recht op family life met het kind. Nu de Nederlandse wet de vader – als biologische ouder – de mogelijkheid biedt om (mede) het gezag over de minderjarigen te verkrijgen, is het niet aanmerken van de vader in deze procedure als belanghebbende niet strijdig met verdragsbepalingen, zoals het EVRM (rov. 11).

d. Het betoog van de vader dat hij de mogelijkheid moet hebben een verzoek in te dienen tot het onderzoeken van de mogelijkheden tot plaatsing van de minderjarigen bij hem als perspectief biedend pleeggezin en dat hij daarom als belanghebbende moet worden aangemerkt, gaat eraan voorbij dat dit los staat van een beëindiging van het gezag van de moeder, temeer nu hij niet (meer) in gezinsverband met de moeder samenleeft (rov. 12).

3.18

Met deze oordelen heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Hoewel het uitgangspunt dat een ouder zonder gezag reeds om die enkele reden niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de procedure ter zake van de gezagsbeëindiging van de andere ouder, naar mijn mening te beperkt is (zie onder 2.63), volgt uit rov. 7-12 van de beschikking dat het hof wel degelijk een bredere toets heeft aangelegd. Het hof heeft immers tevens onderzocht of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de vader door de gezagsbeëindiging van de moeder (toch) rechtstreeks in zijn rechten en verplichtingen wordt geraakt. In dat verband heeft het hof overwogen dat de vader weliswaar family life heeft met de minderjarigen als bedoeld in art. 8 EVRM, maar dat de uitoefening van dát family life door de beëindiging van het gezag van de moeder niet wordt geraakt (rov. 11). Hierbij heeft het hof mede van belang geacht dat de vader – ook na de (eventuele) gezagsbeëindiging van de moeder – de rechter kan verzoeken om met hem met het gezag over de minderjarigen te belasten.138 Langs deze weg zou de vader zijn family life met de kinderen, dat thans bestaat uit een omgangsregeling,139 verder kunnen uitbreiden.

3.19

Met betrekking tot argument (d), dat het verzoek van de vader om een onderzoek te gelasten naar zijn zorgcapaciteiten en de mogelijkheden tot plaatsing van de minderjarigen bij hem als perspectief biedend pleeggezin, niet voldoende is om hem in de procedure ter zake de gezagsbeëindiging van de moeder als aan te merken (rov. 12), geldt het volgende.

Recht op contra-expertise van art. 810a Rv

3.20

Het verzoek van de vader om een onderzoek te gelasten naar zijn zorgcapaciteiten en de plaatsingsmogelijkheden van de minderjarigen bij hem in het gezin, kan worden opgevat als een verzoek in de zin van art. 810a Rv. Ook in het cassatieverzoekschrift wordt daarvan uitgegaan. Deze bepaling, die per 1 april 1995 in werking is getreden als onderdeel van de herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht,140 regelt het recht van een ouder op contra-expertise. Art. 810a lid 2 Rv bepaalt:

“In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.”

3.21

Vast te stellen is dat in art. 810a lid 2 Rv niet omschreven is wie als ‘ouder’ in de zin van de bepaling moet worden aangemerkt. Nu het begrip ‘ouder’ geen vaste, wettelijke betekenis heeft (vergelijk onder 2.29-2.30),141 betekent dat dat niet duidelijk wie precies gebruik kunnen maken van het recht op contra-expertise. Zo is niet duidelijk of vereist is dat de ouder gezag uitoefent over de minderjarige. Hierdoor sluit de wettekst niet uit dat onder de reikwijdte van de bepaling ook valt de ouder van wie het ouderlijk gezag is beëindigd of de vader die het kind heeft erkend.142

3.22

Uit de wetsgeschiedenis van art. 810a Rv blijkt het volgende. Het tweede lid is aan art. 810a Rv toegevoegd als gevolg van het (gewijzigde) amendement Van der Burg c.s. Aanvankelijk stelde de regering een nieuw art. 810a Rv voor, met de volgende tekst:143

In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, beslist de rechter niet dan nadat een ouder op diens verzoek in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet.”

De toelichting op deze bepaling luidde als volgt (mijn onderstreping):144

Het voorgestelde nieuwe artikel 810a Rv beoogt tegemoet te komen aan de wens van de Tweede Kamer, zoals onder meer blijkende uit de aangenomen motie op stuk nr. 9 in het kader van de behandeling van de wetsvoorstellen nrs. 21 818 en 21 980, om te voorzien in een mogelijkheid dat belanghebbenden in kinderzaken in geval van bezwaren tegen in een raadsrapport vervatte conclusies, een tegenverzoek laten verrichten. De beperking dat het rapport tot de beslissing van de zaak kan leiden houdt in dat het rapport wel een vraag moet betreffen die relevant is voor het oordeel van de rechter in de desbetreffende zaak. Een soortgelijke formulering, zij het in de context van een getuigenverhoor, treft men in het bewijsrecht reeds aan in artikel 192, eerste lid, Rv. Bij de beperking dat het belang van het kind zich niet tegen de aanhouding mag verzetten, kan gedacht worden aan spoedeisende zaken of aan het geval dat voor de totstandkoming van het rapport de medewerking van het kind noodzakelijk is en het onwenselijk is het kind (wederom) aan een onderzoek te onderwerpen.

Bovengenoemde redactionele wijzigingen zijn abusievelijk niet opgenomen in wetsvoorstel 22 170 (Wijziging van enige bepalingen van het voorstel van wet houdende wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering van alimentatie na scheiding), dat thans ter behandeling in de Eerste Kamer ligt.”

3.23

Tegen de voorgestelde bepaling werd vanuit de Tweede Kamer ingebracht dat deze alleen soelaas bood voor ouders die de in te schakelen deskundige zelf kunnen betalen. Vervolgens is bij amendement een aanvulling op de bepaling voorgesteld door toevoeging van een tweede en een derde lid aan art. 810a Rv.145 Na wijziging luidde het amendement als volgt:146

1. In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd zaken als bedoeld in het tweede lid alsmede die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, beslist de rechter pas nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

2. In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van de ouderlijke macht, of van de voogdij of de ontzetting van de toeziende voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan lelden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

3. In de in het tweede lid genoemde zaken wordt het aan de in dat lid bedoelde deskundige toekomende bedrag overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels door de rechter vastgesteld en ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald. Van de ouder kan een bijdrage worden gevraagd overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.”

In de toelichting op het (gewijzigde) amendement is het volgende te lezen:147

In dit amendement wordt het recht op contra-expertise in zaken waarin een maatregel van kinderbescherming wordt getroffen geregeld. Hiermee wordt voor de verweerder recht gedaan aan het beginsel van equality of arms.”

3.24

Uit de geciteerde passages leid ik af dat het recht op contra-expertise waarop art. 810a lid 2 Rv betrekking heeft, toekomt aan de ouder die door de rechter in de procedure waarin het gaat over een maatregel van kinderbescherming, als belanghebbende wordt aangemerkt. Dit sluit aan bij de ‘vooropstelling’ van de Hoge Raad over de strekking van de bepaling (die niet los kan worden gezien van lid 1 van art. 810a Rv):148

3.3.2 (…) Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993/94, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993/94, p. 4135-4161).”


Aan te nemen is dat als ouders van een minderjarige niet betrokken zijn in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming – omdat zij niet als belanghebbende zijn aangemerkt – het doel van de bepaling, het desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken van het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming, niet in beeld komt. Anders gezegd: als een ouder geen belanghebbende is in de procedure, speelt het met de bepaling te dienen doel om recht te doen aan het beginsel van equality of arms, geen rol. De ouder heeft dan immers geen zelfstandige eigen positie in de procedure, waardoor ook geen sprake is van ‘het weerspreken van een standpunt’. De ouder kan dan slechts de positie van informant hebben (zie onder 2.26-2.28). Het ligt niet in de rede om een ouder die niet als belanghebbende kwalificeert en die dus geen van de rechten heeft die toekomen aan een belanghebbende (zie onder punt 2.7), het veel verdergaande recht op contra-expertise toe te kennen.

3.25

Ik merk nog op dat tijdens de parlementaire behandeling niet is ingegaan op de vraag aan wie (c.q. aan welke ouders) precies het recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv toekomt. Wel is tijdens de mondelinge behandeling door de indiener van het amendement Van der Burg het volgende opgemerkt: 149

“Ik kom vervolgens bij het begrip “ouder” en “voogd”. In de terminologie “ouder” wordt het juridische begrip “ouder” gehanteerd. Daaronder moet dan tevens worden verstaan het begrip “voogd”. Dit behoeft niet apart genoemd te worden, voor zover mij is meegedeeld.”

Het lijkt mij te ver voeren om uit deze enkele opmerking af te leiden dat ook de juridische ouder die niet op de voet van art. 798 lid 1 Rv als belanghebbende is aangemerkt, het recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv toekomt.

3.26

Nu hiervoor is besproken dat de vader door het hof terecht niet is aangemerkt als belanghebbende, betekent dat dat hem ook niet het recht toekomt van art. 810a lid 2 Rv.

3.27

De cassatieklachten over het afwijzen van het verzoek van de vader op contra-expertise hebben een enigszins andere invalshoek. Zij houden met name in dat de vader door het hof van ‘het kastje naar de muur’ wordt gestuurd, als wordt overwogen dat hij geen recht heeft op contra-expertise omdat hij eerst een verzoek ex art. 1:253c BW moet doen om hem (als juridische vader van [kind 2] ) met het gezag te belasten.

3.28

Hoewel het voorstelbaar is dat de vader zich van ‘het kastje naar de muur’ gestuurd voelt, kunnen de klachten niet slagen vanwege het juridische gegeven dat het in de onderhavige zaak gaat om de vraag of het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Daarvoor is bepalend of de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd, en de moeder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn (art. 1:266 lid 1 onder b BW). Het verzoek van de vader ziet veeleer op de (uitvoering van) de uithuisplaatsing van de minderjarigen. Daarbij gaat het hem erom of zij in het huidige pleeggezin moeten blijven of dat zij in het nieuwe gezin van de vader moeten worden geplaatst. Het hof overweegt dan ook terecht dat het verzoek van de vader in feite los staat van een beëindiging van het gezag van de moeder (rov. 12). Het hof heeft bij zijn oordeel bovendien laten meewegen dat de vader niet meer in gezinsverband met de moeder samenleeft. Zou dit wel het geval zijn, dan zouden de opvoedcapaciteiten van de vader en de wenselijkheid van een thuisplaatsing in dát gezin mogelijk wel relevant kunnen zijn voor de beslissing of het gezag van de moeder al dan niet beëindigd moet worden.

3.29

Gelet op het voorgaande falen ook de klachten in subonderdeel B.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zaak 17/0407. In deze zaak heb ik op 16 februari 2018 geconcludeerd, zie ECLI:NL:PHR:2018:113.

2 Rechtbank Rotterdam 21 maart 2017, zaaknummer C/10/519290. Deze uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.

3 Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2017, zaaknummer 200.217.957/01, ECLI:NL:GHDHA:2017:2525; PFR-Updates.nl 2017-0258.

4 Ook de moeder is van de beschikking in hoger beroep gekomen. Blijkens rov. 13 van de beschikking van het hof is het hoger beroep van de moeder ter zitting van 6 september 2017 behandeld en is de vader voor die zitting opgeroepen als informant. Het is mij niet bekend of in die zaak inmiddels uitspraak is gedaan.

5 Zie proces-verbaal van de zitting bij het hof. Omdat het procesdossier geen volledig proces-verbaal van de zitting bij het hof bevatte, is dit alsnog opgevraagd en ontvangen.

6 De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.

7 Zie over de aard van de verzoekschriftprocedure S. Boekman, De verzoekschriftprocedure, 1996, p. 9 e.v.; Wesseling-van Gent, Hoofdlijnen van de contentieuze procedure, 1986, p. 19-30.

8 Het ‘zich aanstonds onbevoegd verklaren’ heeft alleen betrekking op het ontbreken van rechtsmacht in een zaak die niet ter vrije beschikking van partijen staat, het ontbreken van bevoegdheid van een burgerlijke rechter en op absolute onbevoegdheid. Zie Snijders, Klaassen & Meijer, Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2017, nr. 302 en Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 153-154 en 156 (MvT).

9 Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3, p. 7 (MvT): “Iedere belanghebbende is bevoegd een verweerschrift in te dienen, onverschillig of hij ingevolge artikel 429f is opgeroepen of niet.”

10 Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3, p. 7 (MvT): “Vrees dat nu ieder die zich als belanghebbende aandient aan de behandeling zou kunnen deelnemen behoeft niet te bestaan, want bij twijfel aan werkelijk belang is het laatste woord aan de rechter ook zonder uitdrukkelijke wetsbepaling.”

11 HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149 m.nt. J.M.M. Maeijer (Veldhof/Leonhard Woltjer Stichting), rov. 4.2.

12 HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486 (Scheipar), rov. 3.3.2; HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45 (Lips/Broex), rov. 3.4.2; HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9921, NJ 2012/339, rov. 3.3.3 en HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1338, NJ 2014/299 met red. aant., rov. 3.5.2; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3636, NJ 2016/172 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Hoeksma/Trade), rov. 4.3.1.

13 Wet van 7 juli 1994 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht (Stb. 1994/570), in werking getreden op 1 april 1995 (Stb. 1994/774).

14 Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 6 (MvT).

15 Zie het advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip in art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder punt 19. Dit advies ziet op de vraag van de minister “of de beide volzinnen van art. 798 lid 1 Rv aan de rechter in civiele zaken betreffende minderjarigen, bijvoorbeeld in zaken over ondertoezichtstelling, voldoende ruimte laten om aan de hand van de omstandigheden van het geval te beoordelen of de ouder zonder gezag is aan te merken als belanghebbende.”

16 Zie hierover nader mijn conclusie van 2 februari 2018 in de prejudiciële zaak met rolnummer 17/04701 (onder 2.13-2.15). De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.

17 Wet van 12 maart 2014 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming, Stb. 2014/130.

18 Kamerstukken II 2010-2011, 32 015, nr. 37 (Amendement Kooiman en Van Toorenburg).

19 S.F.M. Wortmann onder punt 4 van haar noot bij HR 12 september 2012, NJ 2014/482 (W./SBJ Noord-Brabant).

20 Zie het advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip in art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder punt 30: “Uit de toelichting wordt niet duidelijk waarom de pleegouders daartoe de beschikking dienden te krijgen over alle hiervoor onder 9 en 10 vermelde bevoegdheden van een belanghebbende, en niet kon worden volstaan met het hiervoor onder 13 vermelde spreekrecht van de informant, bijvoorbeeld door wettelijk te verankeren dat dergelijke pleegouders steeds als informant in de zin van art. 800 lid 2 Rv zijn aan te merken.

21 Zie het advies van 22 maart 2016, onder punt 42 tot en met 46.

22 Kamerstukken II 1991-1993, 22 487, nr. 3, p. 12 (MvT).

23 Kamerstukken II 1991-1993, 22 487, nr. 3, p. 11-12: “De afwijking bestaat slechts hierin, dat niet voor de verschenen belanghebbenden, maar voor degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden de dag van de uitspraak de appeltermijn doet aanvangen.”. Zie ook Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 6, p. 15 (MvA).

24 T&C Burgerlijke rechtsvordering, aant. 4 bij art. 806 Rv (Nauta).

25 Kamerstukken II 1991-1993, 22 487, nr. 3, p. 12 (MvT).

26 T&C Burgerlijke rechtsvordering, aant. 7 bij art. 806 Rv (Nauta).

27 Kamerstukken II 1991-1993, 22 487, nr. 6, p. 10 (MvA).

28 Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 12 (MvT). Zie in dit verband ook de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad over de vraag of een ouder zonder gezag bevoegd is hoger beroep in te stellen van een beslissing over (verlenging van de) ondertoezichtstelling van de minderjarige (HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann (W./SBJ Noord-Brabant).

29 De commissie bestond uit rechters, advocaten, een lid van het bureau van de NVvR en ambtenaren van justitie. Zie S.F.M. Wortmann, Familieprocesrecht. In: FJR 1995 3/4, p. 56 en L.J.H. Gijbels, Advocatuurlijke wetenswaardigheden betreffende de wet herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht. In: FJR 1995 3/4, p. 59. Zie ook E.L. Schaafsma-Beversluis en J.A.M.P. Keijser, Het nieuwe personen- en familieprocesrecht, 1995, p. 121-128.

30 Brochure van het Ministerie van Justitie, Het Nieuwe Familieprocesrecht, 1995, p. 6–9 en Bijlage I, p. 21-28. Zie ook E.L. Schaafsma-Beversluis en J.A.M.P. Keijser, Het nieuwe personen- en familieprocesrecht, 1995, p. 121-128.

31 Zie de in de vorige noot genoemde Brochure, Bijlage I, p. 25.

32 Het procesreglement Gezag en Omgang is van toepassing op alle verzoeken aan de rechtbank op grond van titel 14 en 15 van Boek 1 BW, met uitzondering van die waarop het Procesreglement Civiel Jeugdrecht van toepassing is, zo is vermeld in art. 1.1 van het reglement. Zie Procesreglement Gezag en Omgang, In werking getreden op 1 april 2004 (Stcrt. 24 maart 2004), laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 april 2017. Het reglement is te raadplegen via rechtspraak.nl.

33 Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 januari 2018 (Stcrt. 8 december 2017, nr. 70367). Het reglement is te raadplegen via rechtspraak.nl.

34 Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 8 (MvT).

35 Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 9 (MvT). Zie tevens S.F.M. Wortmann, Familieprocesrecht. In: FJR 1995 3/4, p. 56.

36 Kamerstukken II 1992-1993, 22 487, nr. 6, p. 9 (MvA).

37 P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2017, p. 197. Zie over het juridisch ouderschap voorts uitvoering het Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, 2016, p. 156-187.

38 Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, 2016, p. 158-159.

39 Zie hierover nader mijn conclusie van 2 februari 2018 in de prejudiciële zaak met rolnummer 17/04701 (onder 2.29). De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.

40 Zie nader Asser/De Boer 1* 2010/738.

41 Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, 2016, p. 157.

42 Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, 2016, p. 316.

43 P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2017, p. 368.

44 Rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, 2016, p. 213.

45 P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2017, p. 368; T&C Personen- en familierecht, aant. 2 bij art. 1:245 BW (Ter Haar).

46 Zie over het (ontstaan van) gezamenlijk ouderlijk gezag mijn conclusie van 2 februari 2018 in de prejudiciële zaak met rolnummer 17/04701 (onder 2.36-2.39). De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.

47 Een gecertificeerde instelling is een rechtspersoon met een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in art. 3:4 van de Jeugdwet en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert (art. 1.1 Jeugdwet).

48 Zie Asser/De Boer 1* 2010/818, onder verwijzing naar HR 25 september 1998, NJ 1999/379, rov. 3.2 met verwijzing naar EHRM 28 november 1988, Serie A, nr. 144, NJ 1991/541 (Nielsen), rov. 61.

49 Art. 1:248 BW verklaart het tweede lid van art. 1:247 BW van overeenkomstige toepassing op de voogd en op degene die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die minderjarige toekomt. Zie nader over art. 1:247 lid 2: Asser/De Boer 1* 2010/818a.

50 Het verschil tussen ontheffing en ontzetting was gelegen in de verschillende wettelijke gronden waarop deze maatregelen konden worden uitgesproken. Het rechtsgevolg van deze maatregelen was hetzelfde: het verlies van het gezag. Zie P. Vlaardingerbroek e.a., Hedendaagse personen- en familierecht, 2017/10.2.1.

51 Wet van 12 maart 2014, Stb. 2014/130.

52 Zie over gezagsbeëindiging P. Vlaardingerbroek e.a., Hedendaagse personen- en familierecht, 2017/10.2.1; S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium personen- en familierecht, 2015, nr. 137.

53 M.R. Bruning e.a., Jeugdrecht en jeugdhulp, 2016, par. 6.7.2.

54 Kamerstukken II 2008–2009, 32 015, nr. 3, p. 35 (MvT). Zie over het recht op omgang P. Vlaardingerbroek e.a., Hedendaagse personen- en familierecht, 2017/11.1.1.

55 P. Vlaardingerbroek (e.a.), Hedendaagse personen- en familierecht 2017/10.2.4.

56 EHRM 6 oktober 2015, no. 58455/13, EHRC 2015/239 (N.P./Moldavië).

57 Zie ook EHRM 17 december 2002, ECLI:NL:XX:2002:AF4977, NJ 2004/632 m.nt. J. de Boer, rov. 89-93 (Venema/Nederland).

58 Zie daarover nader T. de Jong, Procedurele waarborgen in materiële EVRM-rechten (diss.), 2017, par. 6.3.

59 Zie o.m. EHRM 8 juli 1987, Series A no. 121–A, ECLI:NL:XX:1987:AC0468, NJ 1988/828 m.nt. E.A. Alkema, rov. 62-64 (W./V.K.); EHRM 24 februari 1995, no. 16424/90, ECLI:NL:XX:1995:AD2307, NJ 1995/594 m.nt. J. de Boer (McMichael/V.K.), rov. 87. Zie verder T. de Jong, Procedurele waarborgen in materiële EVRM-rechten (diss.), 2017, par. 6.3.1; Asser/De Boer 1* 2010/842-843; D. van Grunderbeeck, Beginselen van personen- en familierecht. Een mensenrechtelijke benadering (diss. K.U. Leuven), 2003, p. 587, 665-666 en M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, EVRM, minderjarigheid en ouderlijk gezag. A whole code of juvinile law?, 1994, p. 302-303.

60 Dit overzicht is ontleend aan M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 4.2.5.

61 EHRM 8 juli 1987, Series A no. 121–A, ECLI:NL:XX:1987:AC0468, NJ 1988/828 m.nt. E.A. Alkema, rov. 63 (W./V.K.). Zie ook EHRM 17 december 2002, ECLI:NL:XX:2002:AF4977, NJ 2004/632 m.nt. J. de Boer, rov. 89-93 (Venema/Nederland).

62 EHRM 24 februari 1995, no. 16424/90, ECLI:NL:XX:1995:AD2307, NJ 1995/594 m.nt. J. de Boer (McMichael/V.K.), rov. 77; EHRM 20 december 2001, no. 32899/96, EHRC 2002/15 m.nt. E. Brems (Buchberger/Oostenrijk), rov. 43-44; EHRM 21 september 2006, no. 12643/02, EHRC 2006/129 (Moser/Oostenrijk), rov. 70.

63 EHRM 10 mei 2001, RJD 2001-V, p. 119 (T.P./V.K.), rov. 80-83.

64 EHRM 9 mei 2006, no. 18249/02, ECLI:NL:XX:2006:AY5276, (C./Finland), rov. 56-58; EHRM 8 april 2004, no. 11057/02, EHRC 2004/46, (Haase/Duitsland), rov. 97; EHRM 21 september 2006, no. 12643/02, EHRC 2006/129 (Moser/Oostenrijk), rov. 70.

65 EHRM 16 juli 2002, no. 56547/00, EHRC 2002/87 m.nt. J.H. Gerards (P., C. en S./V.K.), rov. 136; EHRM 21 september 2006, no. 12643/02, EHRC 2006/129 (Moser/Oostenrijk), rov. 70; EHRM 19 februari 2013, no. 1285/03 (B./Roemenië (No. 2)), rov. 116, 118; EHRM 8 januari 2013, no. 37956/11, EHRC 2013/162 m.nt. J.H. de Graaf (A.K. en L./Kroatië), rov. 72; EHRM 16 februari 2016, no. 72850/14, EHRC 2016/141 (Soares de Melo/Portugal), rov. 116-117.

66 EHRM 13 juli 2000, EHRC 2000/74 m.nt. J. van der Velde (Scozzari en Giunta/Italië); EHRM 8 juli 1987, Series A no. 121–A, ECLI:NL:XX:1987:AC0468, NJ 1988/828 m.nt. E.A. Alkema, rov. 63 (W./V.K.); EHRM 17 juli 2012, no. 64791/10, EHRC 2012/210, (M.D./Malta), rov. 78-79.

67 Zie voor een overzicht van deze waarborgen in jeugdbeschermingszaken M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 4.2.5.

68 EHRM 8 juli 1987, Series A no. 121–A, ECLI:NL:XX:1987:AC0468, NJ 1988/828 m.nt. E.A. Alkema, rov. 65 (W./V.K.); EHRM 7 augustus 1996, ECLI:NL:XX:1996:AB9924, NJ 1998/324 (Johansen/Noorwegen), rov. 86-89; EHRM 16 november 1999, no. 31127/96, EHRC 2000/9 m.nt. E. Brems (E.P./Italië), rov. 53-54.

69 Zie ook M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:255 BW, aant. 10.5.

70 Zie uitvoerig over de betekenis van het begrip “familie- en gezinsleven” in art. 8 EVRM: D. van Grunderbeeck, Beginselen van personen- en familierecht. Een mensenrechtelijke benadering (diss. K.U. Leuven), 2003, p. 28-37.

71 Zie o.m. EHRM 13 december 2007, no. 39051/03, EHRC 2008/25 (Emonet/Zwitserland), rov. 33; EHRM 1 juni 2004, no. 45582/99, NJ 2004/667 m.nt. De Boer; EHRC 2004/68, (L. en anderen/Nederland), rov. 36 en EHRM 12 juli 2001, no. 25702/94, ECHR 2001‑VII, rov. 150 (K. en T./Finland) en EHRM 13 juni 1979, no. 6833/74 (Marckx/België), rov. 31.

72 M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:255 BW, aant. 10.5.

73 Dit onderscheid is ontleend aan C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.1. In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 539.

74 Zie voor een overzicht van rechtspraak van EHRM met betrekking tot de vraag wanneer partnerrelaties en bredere familie- en andere relaties als ‘family life’ moeten worden aangemerkt: C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.11 en C 1.1.13. In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 539-540 en 548; D.J. Harris, M O’Boyle, E.P. Bates & C.M. Buckley, Law of the European Convention on Human Rights, 2014, p. 526-528 en B. Rainey, E. Wicks en C. Ovey, Jacobs, White, and Ovey, The European Convention on Human Rights, 2017, p. 370-374.

75 Zie EHRM 21 juni 1988, no. 10730/84, ECLI:NL:XX:1988:AD0368, NJ 1988/746 m.nt. Alkema (Berrehab/Nederland), rov. 21.

76 Zie EHRM 26 mei 1994, no. 16969/90 (Keegan/Ierland), rov. 44-45 en EHRM 18 december 1986, no. 9697/82, ECLI:NL:XX:1986:AC9627, NJ 1989/97 m.nt. Alkema (Johnston en anderen/Ierland), rov. 55-56. Zie ook C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.1.2 In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 541.

77 Zie EHRM 13 juni 1979, no. 6833/74, ECLI:NL:XX:1979:AC3090, NJ 1980/462 m.nt. Alkema (Marckx/België), rov. 31. Zie ook C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.1.2 In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 540-541 en D.J. Harris, M O’Boyle, E.P. Bates & C.M. Buckley, Law of the European Convention on Human Rights, 2014, p. 527.

78 EHRM 1 juni 2004, no. 45582/99, NJ 2004/667 m.nt. De Boer, EHRC 2004/68, (L. en anderen/Nederland), rov. 37. Zie ook EHRM 21 december 2010, no. 20578/07, NJ 2011/508 m.nt. S.F.M. Wortmann (Anayo/Duitsland), rov. 56 : “However, a biological kinship between a natural parent and a child alone, without any further legal or factual elements indicating the existence of a close personal relationship, is insufficient to attract the protection of Article 8 (compare L., cited above, § 37). As a rule, cohabitation is a requirement for a relationship amounting to family life. Exceptionally, other factors may also serve to demonstrate that a relationship has sufficient constancy to create de facto ‘family ties’ (see Kroon and Others v. the Netherlands, 27 October 1994, § 30, Series A no. 297-C; and L., cited above, § 36).”

79 EHRM 26 mei 1994, no. 16969/90 (Keegan/Ierland), rov. 45.

80 EHRM 5 november 2002, no. 33711/96, ECLI:NL:XX:2002:AP0887, NJ 2005/34 m.nt. De Boer, EHRC 2003/1 m.nt. Brems (Yousef/Nederland), rov. 51. Zie ook S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium personen- en familierecht 2018/6.

81 EHRM 1 juni 2004, no. 45582/99, NJ 2004/667 m.nt. De Boer, EHRC 2004/68 (L. en anderen/Nederland), rov. 37-40.

82 EHRM 22 maart 2012, no. 45701/09, EHRC 2012/130 (Ahrens/Duitsland), rov. 59. De kwestie viel overigens wel onder het door art. 8 EVRM beschermde ‘private life’ van de vader. Vgl. rov. 60. Zie ook EHRM 22 maart 2012, no. 23338/09 (Kautzor/Duitsland), rov. 61-63.

83 EHRM 21 december 2010, no. 20578/07, NJ 2011/508 m.nt. S.F.M. Wortmann (Anayo/Duitsland).

84 EHRM 21 december 2010, no. 20578/07, NJ 2011/508 m.nt. S.F.M. Wortmann (Anayo/Duitsland), rov. 57-60. Zie ook B. Rainey, E. Wicks en C. Ovey, Jacobs, White, and Ovey, The European Convention on Human Rights, 2017, p. 371-372.

85 EHRM 21 december 2010, no. 20578/07, NJ 2011/508 m.nt. S.F.M. Wortmann (Anayo/Duitsland).

86 Zie ook de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 13 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW7010, onder 2.6. Het cassatieberoep werd in deze zaak verworpen met toepassing van art. 81 RO (ECLI:NL:HR:2012:BW7071).

87 Zie ook S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium personen- en familierecht 2018/6.

88 EHRM 22 juni 2004, no. 78028/01 en 78030/01, ECLI:NL:XX:2004:AR3874, NJ 2005/507 m.nt. De Boer, EHRC 2004/82 m.nt. Brems (Pini en anderen/Roemenië), rov. 136-148.

89 EHRM 27 april 2010, no. 16318/07, ECLI:NL:XX:2010:BN2897, EHRC 2010/79 m.nt. Forder, RvdW 2010/1353 (Moretti en Bernadetti/Italië), rov. 48. Zie ook C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.1.2 In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 546.

90 Zie EHRM 9 juni 1998, no. 40/1997/824/1030, FJR 1998/214, ECLI:NL:XX:1998:BL8275 (Bronda/Italië), rov. 51. Vgl. ook EHRM 27 april 2000, no. 25651/94 (L.//Finland), rov. 101 en 124-128.

91 Zie voor een voorbeeld van een zaak waarin ‘family life’ met een meerderjarig kind werd aangenomen EHRM 13 december 2007, no. 39051/03, EHRC 2008/25 (Emonet/Zwitserland), rov. 37. Zie anders: EHRM 7 november 2000, no. 31519/96 (Kwakye-Nti en Dufie/Nederland).

92 Zie over dit onderwerp ook S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium personen- en familierecht 2018/6 en C.J. Forder, Commentaar op art. 8 EVRM, par. C.1.1.2 In: Sdu Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, 2013, p. 548-549.

93 Zie bijv. EHRM 19 februari 1996, no. 23218/94, ECLI:NL:XX:1996:ZA2384, NJ 1997/538 m.nt. De Boer, AB 1998/53 m.nt. Sewandono (Gül/Zwitserland), rov. 33.

94 EHRM 7 augustus 1996, no. 21794/93, NJ 1997/540 m.nt. De Boer (C./België), rov. 25.

95 Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK); New York, 20 november 1989; inwerkingtreding op 2 september 1990, Trb. 1990, 46 (en/fr); Trb. 1990, 170 (nl); Trb. 1995, 92; Trb. 1996, 188; Trb. 1997, 83 (rectificatie); Trb. 1998, 62; Trb. 2001, 169; Trb. 2002, 233.

96 Nederland heeft het verdrag op 6 februari 1995 geratificeerd, waarna het op 8 maart 1995 in werking is getreden.

97 HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9726, NJ 2006/584 m.nt. J.E. de Boer.

98 HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR2013:BZ3641, NJ 2013/382 m.nt. S.F.M. Wortmann.

99 HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1748, NJ 2015/336 m.nt. S.F.M. Wortmann.

100 HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7043, NJ 2010/397 m.nt. Wortmann.

101 Conclusie A-G Wesseling-van Gent voor HR 21 mei 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL7043, NJ 2010/397 m.nt. Wortmann, onder 2.3-2.6. Zie ook haar conclusie voor HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BR5312 (de Hoge Raad heeft in die zaak het cassatieberoep verworpen onder toepassing van art. 81 lid 1 RO) onder 4.5-4.6.

102 C. Forder en R. Bakker, Kroniek van personen- en familierecht. In: NJB 2010/176.

103 C. Forder, Is de oudste broer belanghebbende in de kinderbeschermingsprocedures met betrekking tot zijn broertjes en zusjes? In: NJB 2011/1088. Zie ook: C. Forder, Uitsluiting oudste broer schendt artikelen 6 en 8 EVRM. In: NJB 2012/343.

104 Zie hierover nader mijn conclusie van 2 februari 2018 in de prejudiciële zaak met rolnummer 17/04701 (onder 2.13-2.15). De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.

105 Zie mijn conclusie van 2 februari 2018 in de prejudiciële zaak met rolnummer 17/04701 (onder 2.14). De conclusie is op 16 februari 2018 gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2018:113.

106 Zie de noot van S.F.M. Wortmann onder punt 2. HR 21 mei 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL7043, NJ 2010/397 m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie over dit punt voorts de conclusie van A-G Langemeijer, onder punt 2.18, voor HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann (W./SBJ Noord-Brabant).

107 HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann (W./SBJ Noord-Brabant).

108 HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann (W./SBJ Noord-Brabant). Opmerking verdient dat de uitspraak van de Hoge Raad dateert van vóór 1 januari 2015, zodat de oude regeling van ondertoezichtstelling nog van toepassing was. Om die reden worden in de uitspraak ook de ‘oude’ artikelnummers genoemd zoals deze golden voor de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (Stb. 2014/130).

109 Zie de noot van Wortmann bij het arrest onder punt 3. HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482 m.nt. S.F.M. Wortmann (W./SBJ Noord-Brabant).

110 G. de Groot, Ruimte voor rechtsontwikkeling in civiele procedures bij de Hoge Raad. In: NTBR 2016/45 (par. 4.5).

111 P.A.J.Th. van Teeffelen, Is een gescheiden ouder (ook zonder gezag) altijd belanghebbende in procedures tot ondertoezichtstelling? In: EB 2015/44.

112 Zie o.m. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2437, rov. 5.2; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4263, rov. 3.8.1-3.8.4 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:585, JPF 2015/76 m.nt. J.H. de Graaf, rov. 3.6. Ook een partner van de moeder die elders woont is als belanghebbende aangemerkt: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:10105, PFR-Updates 2016-0014, rov. 4.1-4.4.

113 Procesreglement Civiel Jeugdrecht, in werking getreden op 1 april 2006 (Stcrt. 11 augustus 2006), laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 april 2017 (Stcrt. 2017, nr. 18819). Het reglement is te raadplegen via rechtspraak.nl. Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 182, antwoord op vraag 1.

114 Zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 182, antwoord op vraag 2.

115 Kamerstukken II, 2015- 2016, Aanhangsel van de Handelingen, Aanhangselnummer 925.

116 De vraagsteller refereert hier aan eerder gestelde vragen over het belanghebbende begrip, zie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 182, antwoord op vraag 4.

117 Advies van de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht over het belanghebbende-begrip art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen.

118 Vgl. HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7043, NJ 2010/397 m.nt. Wortmann, rov. 4.3.2.

119 Zie het verzoekschrift tot cassatie punten 1.2-1.3.

120 Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2017, zaaknummer 200.217.957/01, ECLI:NL:GHDHA:2017:2525; PFR-Updates.nl 2017-0258, rov. 5 en rov. 8. Zie ook het verzoekschrift tot cassatie punt 1.5.

121 Kamerstukken II 2010-2011, 32 015, nr. 37 (Amendement Kooiman en Van Toorenburg).

122 Vgl. ook het advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip in art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder punten 33-37. Onder punt 33 is opgemerkt: “De zinsnede ‘Degene die niet de ouder is’ roept de vraag op of ook een of meer van de hiervoor onder 31, a tot en met c, aangeduide drie typen ouders onder de reikwijdte van de tweede volzin valt. Daarbij spreekt aanstonds voor zich dat de juridische ouder niet onder de tweede volzin kan vallen, omdat deze gezien de art. 1:198 en 1:199 BW wél de ouder is. Voor het biologische ouderschap en het stiefouderschap is de beantwoording van die vraag echter complexer.

123 Noch in de beschikking van de rechtbank noch in die van het hof is vastgesteld dat de vader de biologische vader van [kind 1] is. Uit de stukken leid ik echter af dat dat wel het geval is. Zie ook het verzoekschrift in cassatie, p. 2, waar dat is vermeld. Rov. 11 van de beschikking van het hof duidt er ook op dat de vader de biologische vader is (“Uit het EVRM volgt dat de nationale wet in beginsel de biologische ouder een mogelijkheid moet bieden …. Nu de wet de vader die mogelijkheid biedt …”) Verder staat vast dat de vader niet de juridische vader van [kind 1] is. De vader is wel de juridische vader van [kind 2] en, zo begrijp ik, ook zijn biologische vader.

124 Kamerstukken II 2010-2011, 32 015, nr. 37 (Amendement Kooiman en Van Toorenburg).

125 Kamerstukken II 2010-2011, 32 015, nr. 37 (Amendement Kooiman en Van Toorenburg).

126 Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2017, zaaknummer 200.217.957/01, ECLI:NL:GHDHA:2017:2525; PFR-Updates.nl 2017-0258, rov. 5.

127 Zoals in het verzoekschrift tot cassatie punten 1.6-1.7 is aangevoerd.

128 Gerechtshof Den Haag 16 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3551. Zie ook Gerechtshof Den Haag 25 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2252 en rechtbank Overijssel 12 maart 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:1549.

129 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 januari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:340.

130 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4263. Zie idem gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:10105.

131 Wenk’ bij gerechtshof Den Haag 13 mei 2015, RFR 2015/140.

132 Rechtbank Limburg 3 november 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:9790.

133 Vgl. ook het advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip in art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder punten 33-37. Onder punt 33 is opgemerkt: “De zinsnede ‘Degene die niet de ouder is’ roept de vraag op of ook een of meer van de hiervoor onder 31, a tot en met c, aangeduide drie typen ouders onder de reikwijdte van de tweede volzin valt. Daarbij spreekt aanstonds voor zich dat de juridische ouder niet onder de tweede volzin kan vallen, omdat deze gezien de art. 1:198 en 1:199 BW wél de ouder is. Voor het biologische ouderschap en het stiefouderschap is de beantwoording van die vraag echter complexer.

134 Zie ook het Advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip in art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder punt 33-35.

135 Zie uitvoeriger hierover mijn conclusie in de zaak met nummer 17/0407, waarin ik op 16 februari 2018 heb geconcludeerd, zie ECLI:NL:PHR:2018:113.

136 Zie het appelrekest van 21 juni 2017 punten 12-14 en het petitum.

137 Het hof vermeldt in rov. 8 van de bestreden uitspraak abusievelijk art. 1:253b BW.

138 Ten aanzien van [kind 1] is voor een dergelijk verzoek nog wel de tussenstap van erkenning nodig, omdat alleen de juridische ouder tot het gezag bevoegd is.

139 Zie het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting van het hof van 17 juli 2017, blad 2.

140 Wet van 7 juli 1994 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht (Stb. 1994/570), in werking getreden op 1 april 1995 (Stb. 1994/774).

141 Zie daarover ook het advies van 22 maart 2016 van de Adviescommissie voor het burgerlijk procesrecht over het belanghebbendenbegrip art. 798 lid 1 Rv in civiele zaken betreffende minderjarigen, onder 36: “In bepalingen van Boek 1 BW wordt het begrip ouder namelijk in verschillende zin gebruikt. In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het begrip ‘ouder’ niet nader omschreven.

142 R.Y. Nauta, Tekst en Commentaar Rv, aant. 6 bij art. 810a Rv; B.E.S. Chin-A-Fat, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 3 bij art. 810a Rv. Zie voor bezwaren tegen de wettekst verder E.P. von Brucken Fock, De herziening van het procesrecht in zaken betreffende minderjarigen. In: FJR 1995-3/4, p. 61-72. Volgens Von Brucken Fock zouden onder omstandigheden ook anderen dan ouders, die family life met de minderjarige hebben, gebruik moeten kunnen maken van het recht op contra-expertise (p. 69).

143 Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 13 (derde nota van wijziging).

144 Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 13 (derde nota van wijziging).

145 Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 15 (amendement van Van der Burg c.s.).

146 Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 18 (gewijzigd amendement van Van der Burg).

147 Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nr. 18 (gewijzigd amendement van Van der Burg).

148 HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469 m.nt. S.F.M. Wortmann (H./Raad voor de Kinderbescherming) , rov. 3.3.2-3.3.3.

149 Handelingen II, 24 februari 1994, p. 4157.