Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:16

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-01-2018
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
16/03524
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:241
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG in de Nijmeegse scooterzaak. Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:1966. Medeplegen van dood door schuld in het verkeer, art. 6 WVW 1994. CAG gaat in op het voor medeplegen van culpoze delicten vereiste schuldverband en strekt tot verwerping van de daarover aangevoerde klachten. Samenhang met 16/03281.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03524

Zitting: 16 januari 2018

(bij vervroeging)

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 20 juni 2016 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch1 vrijgesproken van het aan hem onder 2 primair tenlastegelegde (medeplegen van doodslag) en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, wegens 2 subsidiair “medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend”. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.000,00 toegewezen, de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven en de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

2. Er bestaat samenhang met de zaak met parketnummer 16/03281. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

3. Beide zaken hebben in de media veel aandacht gekregen en zijn daarin gezamenlijk bekend komen te staan als de “Nijmeegse scooterzaak”. Het gaat, voor zover thans van belang, om de volgende verdenking. De verdachte en zijn medeverdachte rijden tijdens de voorbereiding van een gewapende overval op het Belvoir Hotel te Nijmegen over het trottoir op één (naar later blijkt: gestolen) motorscooter en worden daar opgemerkt door twee politieagenten. Wanneer de verdachten hun aanwezigheid bemerken, slaan zij met hoge snelheid op de vlucht. Daarbij rijden zij zonder noemenswaardig snelheid te verminderen door een rood stoplicht en veroorzaken zij een aanrijding met een overstekende voetganger die ten gevolge van de aanrijding komt te overlijden. Omdat tijdens de behandeling van hun strafzaak de verdachten elkaar aanwijzen als de bestuurder van de scooter en technisch en ander betrouwbaar bewijsmateriaal daarover ontbreekt, blijft onduidelijk wie bestuurder en wie bijrijder is geweest, hetgeen in 2012 in beide strafzaken bij het gerechtshof het beletsel vormde om – kort gezegd – een pleger aan te wijzen terwijl daarnaast het hof het medeplegen van dood door schuld in het verkeer (art. 6 WVW 1994) niet bewijsbaar achtte.

4. Ten aanzien van dat feit 2 laat het procesverloop in deze zaak, en mutatis mutandis in de zaak tegen de medeverdachte, zich als volgt samenvatten. De rechtbank Arnhem oordeelt bij vonnis van 17 december 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BO7624 dat het de verdachte is geweest die de scooter bestuurde en veroordeelt hem wegens doodslag. De medeverdachte wordt van feit 2 vrijgesproken; volgens de rechtbank is niet gebleken dat de medeverdachte bewust zou hebben ingestemd met het zeer gevaarlijke en risicovolle rijgedrag van de verdachte. Het gerechtshof Arnhem stelt in zijn arrest van 29 mei 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW6756 echter vast dat noch van de verdachte, noch van de medeverdachte met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat hij bestuurder van de motorscooter was. Het hof spreekt beide verdachten vrij van het plegen en het medeplegen van feit 2 (ook subsidiair). Ten aanzien van het medeplegen overweegt het hof dat uit het dossier niet is gebleken van “enige samenwerking of overleg tussen de beide verdachten over de wijze waarop zij zich aan controle door de politie wilden onttrekken vanaf het moment dat zij zich ter hoogte van het Belvoir Hotel door de politie betrapt voelden” en derhalve geen sprake is van “volstrekte inwisselbaarheid van de rollen van bestuurder en bijrijder”, hetgeen volgens het hof een vereiste is voor het bewijs van medeplegen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder is geweest. Het Openbaar Ministerie gaat tegen de uitspraak van het hof Arnhem in cassatie en spitst het middel van cassatie toe op de medeplegen-redenering van het hof.2 En met succes, gezien de navolgende overwegingen van de Hoge Raad:

“2.3.2. In een geval als het onderhavige, waarin het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, is geenszins uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds vóórdien – in het onderhavige geval: in het kader van het medeplegen van de voorbereiding van de overval – is ontstaan”. 2.3.3. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de wijze waarop de beide verdachten met de scooter zijn gevlucht, niet als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen overval, dat ook wat betreft die vlucht zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. Gelet op de vaststellingen en overwegingen van het Hof, in het bijzonder wat betreft de voorbereiding van de overval en de directe reactie op het waarnemen van een politieauto, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. 2.3.4. Wat betreft de mogelijke samenwerking bij het tenlastegelegde medeplegen is bovendien in haar algemeenheid onjuist de opvatting van het Hof dat "om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder is geweest, is (...) vereist dat de rollen van de bestuurder en de bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn".3

5. De twee zaken worden, na vernietiging van de vrijspraak ter zake van het onder 2 tenlastegelegde, verwezen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Evenals het hof Arnhem eerder, oordeelt het hof ‘s-Hertogenbosch in het hierboven onder 1. genoemde arrest van 20 juni 2016 dat niet met voldoende overtuiging is vast te stellen wie van beide verdachten de bestuurder van de motorscooter is geweest. Het laat daarom in zijn bespreking van de feiten en in zijn overwegingen met betrekking tot het medeplegen van “dood door schuld in het verkeer” in het midden wie de bestuurder en wie de passagier was, en veroordeelt beide verdachten ter zake van “medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend.”

6. Namens de verdachte hebben mr. J.W.E. Luiten en mr. H.M.W. Daamen, beiden advocaat te Maastricht, gezamenlijk twee middelen van cassatie voorgesteld.4

7. Het eerste middel klaagt dat het hof aan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term “tezamen en in vereniging” een onjuiste betekenis heeft toegekend, althans dat het medeplegen en het daarin besloten opzet en causale verband niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, dan wel dat de overwegingen van het hof niet zonder meer begrijpelijk zijn. Blijkens de toelichting keert het middel zich specifiek tegen de bewezenverklaring van het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte.

8. Ten laste van de verdachte is onder 2 subsidiair bewezenverklaard dat:


“hij op 15 januari 2010 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander, als verkeersdeelnemer, namelijk als berijder of medeberijder van een (geheeld) motorrijtuig (motorfiets), daarmede zeer onoplettend en onvoorzichtig,

terwijl hij, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader bezig waren met het voorbereiden van een gewapende overval op het Belvoir Hotel aan de Graadt van Roggenstraat te Nijmegen,

en terwijl hij, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader niet in het bezit waren van een voor het besturen van dat motorrijtuig (motorfiets) vereist rijbewijs,

met dat (geheelde) motorrijtuig (motorfiets) als berijder of als medeberijder over een trottoir aan de Graadt van Roggenstraat, nabij het Belvoir Hotel, heeft gereden,

zonder daarbij verlichting te voeren,

en, toen hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader een politievoertuig had/hadden waargenomen, door zijn, verdachtes, mededader, is geroepen: “politie”, met hoge snelheid is weggereden in de richting van het Keizer Traianusplein en zonder te stoppen voormeld trottoir is afgereden en die Graadt van Roggenstraat is overgestoken

en, gekomen op dat Keizer Traianusplein, dat verkeersplein tegen het verkeer in rijdend, is opgereden en linksaf gaand de weg, de Sint Canisiussingel, is opgereden en (daarbij) niet de verplichte rijrichting heeft gevolgd

en met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat motorrijtuig (motorfiets) geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur over die weg, de Sint Canisiussingel, heeft gereden

en, gekomen ter hoogte van de kruising van deze weg, de Sint Canisiussingel, en de weg, de Van der Brugghenstraat, met voormeld motorrijtuig (motorfiets) met aanzienlijk snelheidsverschil tussen de op de rijstroken van die Sint Canisiussingel stilstaande of langzamer rijdende andere motorrijtuigen is doorgereden

en een bij die kruising Sint Canisiussingel/Van der Brugghenstraat geplaatst, voor hem, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader geldend, rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd

en (daarbij) in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor hun rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde,

en (daarbij) die kruising, zonder te stoppen, met nagenoeg dezelfde snelheid is opgereden

en (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate, heeft gelet op het overige verkeer en de overige verkeersdeelnemers

en in strijd met het gestelde in artikel 49, tweede lid, van voormeld reglement een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, komende vanaf die Van der Brugghenstraat, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats, die Sint Canisiussingel over te steken, niet voor heeft laten gaan

en (vervolgens) met voormeld motorrijtuig (motorfiets) in aanrijding is gekomen met voormelde voetganger, zijnde [slachtoffer] ,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes, en zijn, verdachtes, mededaders schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten voornoemde [slachtoffer] , werd gedood.”

9. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de in de aanvulling op het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen. Gezien de omvang van die aanvulling, volsta ik hier met verwijzing daarnaar. Over het bewijs van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde medeplegen van dood door schuld in het verkeer, heeft het hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

4. Medeplegen van dood door schuld in het verkeer

De advocaten-generaal hebben betoogd dat, ongeacht wie ten tijde van de vlucht voor de politie de motorscooter heeft bestuurd, zowel de bestuurder als de passagier aangemerkt kunnen worden als medepleger.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte als passagier op de motorscooter aan de vlucht een bijdrage heeft geleverd die hem tot medepleger van enig ten laste gelegd feit maakt. Volgens de verdediging maakte de vlucht voor de politie op geen enkele wijze onderdeel uit van het plan om het hotel te overvallen, was het gevaarlijk rijgedrag van de bestuurder tijdens de vlucht niet voor de passagier te voorzien en bestond voor de passagier geen enkele mogelijkheid om zich gedurende de vlucht van het gevaarlijk rijgedrag van de bestuurder te distantiëren.

Het hof overweegt als volgt.

Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, dient sprake te zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte bij het plegen van het feit.

Door het hof Arnhem zijn de verdachten vrijgesproken van het medeplegen omdat niet is gebleken van enige samenwerking of overleg tussen de beide verdachten over de wijze waarop zij zich aan de controle door de politie wilden onttrekken vanaf het moment dat zij zich ter hoogte van het Belvoir hotel door de politie betrapt voelden.

De Hoge Raad heeft over deze door het hof Arnhem gegeven vrijspraak het volgende overwogen:

‘2.3.2. In een geval als het onderhavige, waarin het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, is geenszins uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds vóórdien - in het onderhavige geval: in het kader van het medeplegen van de voorbereiding van de overval - is ontstaan.

2.3.3. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de wijze waarop de beide verdachten met de scooter zijn gevlucht, niet als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen overval, dat ook wat betreft die vlucht zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. Gelet op de vaststellingen en overwegingen van het Hof, in het bijzonder wat betreft de voorbereiding van de overval en de directe reactie op het waarnemen van een politie-auto, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.’

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer het navolgende ten aanzien van het voorbereiden van de overval.

[medeverdachte] heeft voorafgaand aan de geplande overval op het Belvoir Hotel contact gehad met [verdachte] over het voornemen een overval te plegen. Op enig moment hebben zij op basis van informatie waarover [medeverdachte] zei te beschikken het plan opgevat om op vrijdagavond 15 januari 2010 rond 23.00 uur een overval te plegen op het Belvoir Hotel. Op de avond van de overval heeft [verdachte] [medeverdachte] met de motorscooter opgehaald en beiden zijn naar de woning van [verdachte] gereden. Omdat de verdachten een wapen nodig hadden om de overval te plegen, is in de woning van [verdachte] een mes gepakt en heeft [medeverdachte] het mes, nadat het door beiden geschikt was bevonden, vervolgens in zijn jaszak gedaan. Beiden hebben zich voorzien van gezichtsbedekkende kleding om zoveel mogelijk onherkenbaar te zijn. Vervolgens heeft [medeverdachte] de motorscooter gepakt en heeft [verdachte] de motorscooter op contact gezet. Beide verdachten zijn toen op de motorscooter gestapt en naar het hotel gereden. Bij het hotel aangekomen zijn zij gaan kijken of zij de overval konden plegen. Zij hebben eerst een rondje om het hotel gereden om te kijken of er niemand in de buurt was. Toen zij daarna met de motorscooter het trottoir bij het hotel op reden, kwamen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (in politie-uniform) in een (onopvallende) politieauto aldaar ter plaatse.

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat de verdachten nauw en bewust hebben samengewerkt met het oog op de voorgenomen overval. Beide verdachten zijn daar eerder door het hof Arnhem ook onherroepelijk voor veroordeeld.

Ten aanzien van de vlucht kan het volgende worden vastgesteld.

De verdachten zijn bij het zien van de politieambtenaren onmiddellijk op de vlucht geslagen. Dit blijkt uit de verklaringen van de beide verbalisanten. Zij zien dat de verdachten op de motorscooter eerst rustig het trottoir bij het Belvoir Hotel oprijden. Vervolgens kijken de verdachten of een van hen om naar de verbalisanten. Direct daarop rijden de verdachten in volle vaart over het trottoir weg.

Ook uit de verklaringen van de verdachten volgt dat sprake was van een vlucht voor de politie. Uit die verklaringen blijkt namelijk dat [medeverdachte] en [verdachte] eerst rustig het trottoir bij het hotel oprijden, dat [medeverdachte] vervolgens de politieambtenaren in de auto ziet en dan (naar [verdachte] ) roept: ‘politie, politie’ en dat vervolgens gas wordt gegeven en hard wordt weggereden.

De vlucht voor de politie vond plaats op de wijze zoals hiervoor is beschreven: met de motorscooter over het trottoir wegrijden, over een fietspad rijden, tegen het verkeer in rijden, met een te hoge snelheid over de Sint Canisiussingel rijden, tussen twee rijen stilstaande auto’s door en door rood licht rijden en de overstekende voetganger geen voorrang verlenen. Dit gevaarlijk rijgedrag heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] .

De vraag is vervolgens of beide verdachten medepleger zijn van art. 6 WVW 1994, dood door schuld in het verkeer. Daartoe moet in het onderhavige geval de vraag worden beantwoord of de voor het medeplegen van art. 6 WVW relevante samenwerking reeds is ontstaan in het kader van het medeplegen van de voorbereiding van de overval. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.

De verdachten wilden samen een gewapende overval plegen op het Belvoir Hotel. Zij hebben zich daartoe voorzien van een snel en wendbaar voertuig, een motorscooter 150cc. Beide verdachten wisten dat het om een snel voertuig ging. Het viel te verwachten dat die avond ook (veel) andere verkeersdeelnemers, waaronder ook voetgangers, zich op de weg bevonden: de overval zou worden gepleegd op een vrijdagavond, een uitgaansavond, en het hotel is gelegen in de directe omgeving van een verkeersplein en een doorgaande weg richting het centrum van Nijmegen waar de bewuste voetgangersoversteekplaats met verkeerslichten is gelegen.

Als de verdachten de overval aan het voorbereiden zijn, maken zij zich ogenblikkelijk uit de voeten als zij de politie in de auto vlak achter hen waarnemen.

Om aan de politie te ontkomen wordt tijdens de vlucht tegen het verkeer in gereden, de maximum snelheid overschreden en tenslotte door een rood verkeerslicht gereden met fatale gevolgen voor een overstekende voetganger. De vlucht voor de politie en het daarmee gepaard gaande gevaarlijk rijgedrag vloeiden rechtstreeks voort uit het zich betrapt voelen bij de voorbereiding van een gewapende overval.

In het voorbereiden van een ernstig misdrijf als een gewapende overval ligt besloten dat men niet gepakt wil worden en bij een eventuele betrapping op de vlucht slaat. De verdachten zijn bij het zien van de politie ook daadwerkelijk onmiddellijk op de vlucht geslagen om aan een aanhouding te ontkomen. Dat daarbij de geldende verkeersvoorschriften zoals de maximum snelheid of het stoppen voor een rood verkeerslicht niet in acht worden genomen en daardoor gevaarlijke verkeerssituaties kunnen ontstaan ligt voor hand. Voor de verdachten was dit te voorzien.

Getoetst aan de overwegingen die door de Hoge Raad zijn gegeven is het hof dan ook van oordeel dat de wijze waarop de verdachten met de motorscooter zijn gevlucht als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen overval, dat ook wat betreft het met die vlucht (en het daaruit voortvloeiend gevaarlijk rijgedrag) verband houdend misdrijf van art. 6 WVW 1994, zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen van dat misdrijf kan worden gesproken.

Dat bij de voorbereiding van de overval door de verdachten de vlucht met de motorscooter bij een eventuele betrapping niet zou zijn besproken, staat hier niet aan in de weg. De vlucht met de motorscooter en het gevaarlijk rijgedrag dat daaruit voortvloeide lag al besloten in hun plan om een gewapende overval te gaan plegen.

Of de verdachte zich tijdens de vlucht al dan niet heeft kunnen onttrekken aan het gevaarlijk rijgedrag doet niet ter zake. Door met een ander een overval voor te bereiden heeft hij zich ook verbonden aan hetgeen in die voorbereidingen, in de uitvoering van dat plan, besloten lag, te weten een eventuele vlucht. Overigens zijn bij het onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit zou volgen dat de verdachte niet met de vlucht en het daarmee samenhangende rijgedrag instemde.”

10. Niet vaak staat in cassatie het medeplegen van een culpoos delict centraal.5 In zaken waarin deze thematiek aan de orde is, gaat het bovendien veelal om tamelijk ongecompliceerde gevallen.6 Dat het medeplegen van culpoze delicten tot de mogelijkheden behoort en ook strafwaardig en derhalve strafbaar is (op grond van art. 47, eerste lid onder 1°, Sr), illustreerde de toenmalige minister Modderman van Justitie reeds bij de totstandbrenging van het Wetboek van Strafrecht aan de hand van een treffend voorbeeld: “Als twee mannen met vereende krachten een zwaar voorwerp uit het raam werpen, waardoor, zonder hun opzet, een voorbijganger gedood wordt, dan zijn zij coauteurs van den doodslag door onvoorzichtigheid.”7 Voeren meer personen gezamenlijk een handeling uit waarvan zij het gevolg hadden moeten en kunnen vermijden, dan kan sprake zijn van het medeplegen van een culpoos (gevolgs)delict.

11. Ten aanzien van het voor het medeplegen van een culpoos delict vereiste schuldverband, dient het volgende te worden vooropgesteld. Culpoos medeplegen lijkt niet strafbaar en dient daarom goed te worden onderscheiden van het medeplegen van een culpoos delict (wel strafbaar).8 Ook voor mededaderschap bij een culpoos delict is bewuste samenwerking vereist. Van een dergelijke bewuste samenwerking is in geval van culpoos medeplegen uiteraard geen sprake. Wordt een bestanddeel van de delictsomschrijving door culpa beheerst, in het onderhavige geval het plaatsvinden van een verkeersongeval waardoor een ander wordt gedood, dan is dat bewijsrechtelijk niet alleen van betekenis ten aanzien van de pleger, maar evenzeer ten aanzien van de medepleger. De medepleger volgt anders gezegd in dat opzicht de pleger, en wel in die zin dat het ingetreden gevolg ook aan de schuld van de medepleger te wijten dient te zijn,9 hoewel het door het culpoze delict verlangde gevolg strikt genomen ook slechts door één van hen direct kan zijn veroorzaakt.10

12. Daarnaast gelden vanzelfsprekend ook voor het medeplegen van een culpoos delict de aan medeplegen in het algemeen te stellen eisen. Zoals bekend is van medeplegen sprake indien tussen de betrokken deelnemers nauw en bewust is samengewerkt.11 Het bewustheidselement van het medeplegen geeft uitdrukking aan een opzetvereiste. Alleen opzettelijke samenwerking kan als medeplegen worden aangemerkt. Over de vraag waarop het samenwerkingsopzet van de medepleger van een culpoos delict precies moet zijn gericht, bestaat opmerkelijk weinig verschil van mening. Vaak wordt verdedigd dat het samenwerkingsopzet meebrengt dat de medepleger van een culpoos delict opzet moet hebben op de delictsgedraging, dat wil zeggen op de gevaar-zettende handelingen.12 Goed beschouwd doet de steller van het middel dat ook, nu hij zijn klachten in de sleutel van (de beoordeling van) het opzet op de onderhavige delictsgedraging stelt.

13. Anders dan over het opzet op de delictsgedraging van de medepleger van een culpoos (gevolg)delict, heeft ter zake van de vraag of opzet op de delictsgedraging van de medepleger van een overtreding een vereiste is wel enig debat plaatsgevonden. Voor overtredingen geldt, anders dan bij misdrijven, de leer van het materiële feit, hetgeen in de woorden van de toenmalige minister Modderman meebrengt dat bij overtredingen de rechter naar het bestaan van opzet of zelfs van schuld geen onderzoek behoeft in te stellen, noch daarover iets uitdrukkelijk behoeft te beslissen.13 Zou in geval van medeplegen van een overtreding opeens wel opzet op de delictsgedraging worden verlangd, dan zou zulks haaks komen te staan op de (nog altijd heersende) leer van het materiële feit. In zijn arrest van 20 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZK0235 heeft de Hoge Raad deze inconsequentie onder ogen gezien en het volgende overwogen:


“Nu een overtreding geen opzetdelict is, volgt daaruit dat voor medeplegen van overtredingen “slechts” opzet op de samenwerking is vereist. Een andere opvatting zou er immers toe leiden dat via de achterdeur een opzetvereiste – in de vorm van een voor medeplegen vereist opzet op de bestanddelen van het delict – voor overtredingen gaat gelden.”14

Bij deze benadering sluit onder meer Machielse zich aan.15 En ook Postma lijkt zich in deze rechtspraak goed te kunnen vinden.16 De Hullu heeft daarover in het verleden anders gedacht. Hij meende dat het medeplegen zo enigszins in de lucht komt te hangen omdat het daarbij steeds moet gaan om het medeplegen van een bepaald delict en de op dat delict gerichte bewuste samenwerking bijna automatisch opzet op de delictsgedraging impliceert.17 Van dit standpunt is De Hullu in de meest recente druk van zijn handboek teruggekomen, onder meer op grond van hetgeen Postma daaromtrent heeft betoogd.18 Postma benadrukt dat De Hullu’s eerdere standpunt dan met betrekking tot de medepleger een eis stelt die voor de pleger niet geldt. Het verschil van een dergelijk standpunt met de benadering van de Hoge Raad schetst hij aan de hand van een instructief voorbeeld. Twee in beschonken toestand verkerende studenten dragen ’s nachts gezamenlijk een krat bier over straat. Zij laten deze krat per ongeluk vallen waardoor de naburige honden aanslaan. Aldus veroorzaken zij een overtreding die in art. 431 Sr als burengerucht is strafbaar gesteld. In de benadering van de Hoge Raad zijn beide studenten wegens het medeplegen van burengerucht strafrechtelijk aansprakelijk, terwijl dat bij toepassing van het vroegere standpunt van de Hullu niet het geval is omdat gezegd kan worden dat de medeplegers op het laten vallen van de krat geen opzet hebben gehad.

14. Naar mijn inzicht komt het te dezen uiteindelijk aan op de vraag of en, zo ja, hoezeer het opzet op de samenwerking tevens moet zijn gericht op de gedraging die in concreto heeft plaatsgevonden. Zoals De Hullu mijns inziens terecht opmerkt, geschiedt “samenwerking” naar de regel met een bepaald doel, zodat de facto vaak toch ten minste opzet op de delictsgedraging aanwezig zal zijn.19 Hoewel de uitkomst veelal dezelfde zal zijn, neemt dit echter niet weg dat, hoe dan ook, voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een overtreding “slechts” behoeft te worden nagegaan of kan worden bewezen dat bewust is samengewerkt20 in de fase die (direct) aan “het begaan van de overtreding” voorafgaat.21 Derhalve hoeft de rechter in het kader van de overtredingen niet daarnaast nog afzonderlijk aandacht te besteden aan de vraag of (ook) opzet op de delictsgedraging heeft bestaan.

15. De hiervoor in randnummer 13 geciteerde overweging van de Hoge Raad ten aanzien van het medeplegen van een overtreding (“nu een overtreding geen opzetdelict is, volgt daaruit…”) opent de mogelijkheid om dezelfde redenering toe te passen op het geval waarin een culpoos delict wordt medegepleegd. Wanneer immers voor het plegen van een culpoos delict evenmin is vereist dat de pleger opzet op de meest nabij gelegen, het delict veroorzakende gedraging heeft, meen ik dat, naar analogie van de overtredingen, logischerwijs het opzet van de medepleger daarop ook niet behoeft te zijn gericht. Wel zal, als gezegd, het door culpa beheerste bestanddeel ook aan de schuld van de medepleger te wijten moeten zijn, hetgeen een wezenlijke en naar mijn inzicht belangrijke begrenzing van de strafrechtelijke aansprakelijkheid behelst. Daarnaast zullen de betrokkenen nauw én bewust moeten hebben samengewerkt. Dit vereiste van bewuste samenwerking zal er doorgaans op neerkomen dat bij de medeplegers opzet op de delictsgedraging aanwezig is, maar (als gezegd) een zelfstandige voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens het medeplegen van een culpoos delict is het opzet op de delictsgedraging mijns inziens niet. Het belang van deze nuance laat zich illustreren aan de hand van een kleine bewerking van de hiervoor aangehaalde voorbeelden van Modderman (uit het raam werpen van een zwaar voorwerp dat op het hoofd van een voorbijganger valt) en Postma (burengerucht door laten vallen krat bier). In het door Modderman gegeven voorbeeld hebben de beide betrokkenen zonder meer opzet op de delictsgedraging. Zij gooien immers opzettelijk een zwaar voorwerp uit het raam. Maar stel nu dat zij in het kader van een gezamenlijk ondernomen verbouwing van de door hen gedeelde woning samen een zwaar object trachten te verplaatsen langs een balustrade, maar daarbij aanmerkelijk onvoorzichtig te werk gaan en het object uit hun handen laten glippen waardoor het vele verdiepingen naar beneden op het hoofd van een ander terecht komt. Dan lijkt mij van opzet op de delictsgedraging geen sprake meer. Wel komt het mij voor dat bewust is samengewerkt voordat het delict zich manifesteert en is het gevolg vanwege de aanmerkelijke onvoorzichtigheid aan de schuld van beide mededaders te wijten. Iets soortgelijks doet zich voor wanneer in het voorbeeld van Postma het laten vallen van de krat bier geen burengerucht maar zwaar hoofdletsel bij een op de grond liggende, al door de drank benevelde student veroorzaakt (zwaar lichamelijk letsel door schuld in de zin van art. 308 Sr). Ook dan is er geen opzet op de delictsgedraging, maar kan wél van bewuste samenwerking worden gesproken.

16. De hiervoor gegeven aanloop acht ik voor de beoordeling van het middel van belang. In de cassatieschriftuur wordt namelijk veel belang gehecht aan het feit dat het hof zich niet expliciet heeft uitgelaten over het opzet van de verdachte op het levensgevaarlijke rijgedrag. Uit het voorgaande is duidelijk geworden dat het middel daarmee een eis stelt die het recht mijns inziens niet kent. Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat wat betreft het met de vlucht verband houdende misdrijf van art. 6 WVW 1994 tussen de verdachten nauw en bewust is samengewerkt. Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. In zoverre faalt het middel.

17. Voor zover het middel tevens klaagt dat de bewezenverklaring ook wat betreft het samenwerkingsopzet onvoldoende met redenen is omkleed, geldt het volgende.

18. Naar aanleiding van de eerdere cassatieprocedure in deze zaak heeft de Hoge Raad over het vereiste samenwerkingsverband overwogen hetgeen door het hof in het thans bestreden arrest is aangehaald en ik hierboven in randnummer 4 (met de toevoeging van overweging 2.3.4. iets uitgebreider) heb weergegeven. Ik verwijs daarnaar. Het hof heeft uitvoerig uiteengezet waarom het van oordeel is dat tussen de verdachte en de medeverdachte tot het met de vlucht (en het daaruit voortvloeiend gevaarlijk rijgedrag) verband houdende misdrijf zo nauw en bewust is samengewerkt dat van medeplegen van ook dat misdrijf kan worden gesproken (zie hiervoor randnummer 9). Aan dat oordeel heeft het hof onder meer ten grondslag gelegd dat een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het bewezenverklaarde delict reeds is ontstaan in het kader van de met de vlucht samenhangende overval, waarbij overigens het hof ten aanzien van die overval (nog eens) niet onbegrijpelijk de zeer nauwe en bewuste samenwerking heeft vastgesteld. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat de medeverdachte bij het bemerken van de politie “politie, politie” heeft geroepen, dat de verdachte en de medeverdachte zich vervolgens onmiddellijk gezamenlijk uit de voeten hebben gemaakt, dat zij beiden ervan op de hoogte waren dat het een snel (accelererend) en wendbaar voertuig betrof, dat te verwachten viel dat die avond veel andere verkeersdeelnemers waaronder voetgangers zich op de weg bevonden, terwijl nergens uit blijkt dat de verdachte met de vlucht en het daarmee samenhangende rijgedrag niet instemde. De – niet onderbouwde – stelling van de steller van het middel dat “de waarschijnlijkheid van een vlucht tijdens de voorbereiding van die (voorgenomen, EH) overval in de onderhavige kwestie niet zo pregnant aanwezig [is]”, onderschrijf ik dan ook niet, ook al acht de verdachte (als requirant in cassatie) zelf de conclusie dat er een aanmerkelijke kans bestond op dusdanige situaties dat levensgevaar voor andere verkeersdeelnemers ontstond “een brug te ver”.

19. Het oordeel dat nauw en bewust is samengewerkt met betrekking tot het met de vlucht verband houdende misdrijf acht ik – mede in het licht van het eerste arrest van de Hoge Raad in deze zaak – dus niet onbegrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd. Daarbij hecht ik in aanvullende zin nog waarde aan de in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen besloten liggende vaststelling dat de verdachte reeds vóórdat de vlucht aanving enkele van de gevaar-zettende verkeershandelingen heeft aanvaard en kennelijk al rekening hield met een mogelijke vlucht. Ik denk dan in het bijzonder aan de omstandigheid dat beide verdachten niet over een voor het besturen van het voertuig bestemd rijbewijs beschikten (bewijsmiddel 33), dat zij zonder verlichting reden en dat de scooter niet voorzien was van een kentekenplaat (bewijsmiddelen 1, 2, 4, 5, 6 en 16), dat de scooter als gestolen gesignaleerd stond (bewijsmiddel 16) en dat beiden donker gekleed waren en een capuchon over hun hoofd hadden (bewijsmiddelen 1, 2, 5 en 6). Dat zij zonder verlichting reden is temeer relevant nu uit de als bewijsmiddel 20 gebezigde eigen waarneming van het hof ter plaatse tevens blijkt dat het niet-gebruiken van verlichting de motorscooter voor het slachtoffer slecht (bijna niet) zichtbaar moet hebben gemaakt.

20. Het middel faalt.

21. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken van het geding te laat door het hof zijn ingezonden.

22. Het beroep in cassatie is namens de verdachte ingesteld op 1 juli 2016. De Hoge Raad heeft de stukken van het geding blijkens een daarop geplaatst stempel ter griffie ontvangen op 9 juni 2017. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met meer dan drie maanden is overschreden. Dat tijdsverlies kan niet meer door een bijzonder voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd. De overschrijding van de redelijke termijn dient derhalve te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf.

23. Het tweede middel is terecht voorgesteld.

24. Het eerste middel faalt, het tweede middel slaagt.

25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:GHSHE:2016:2428, NJ 2016/350. Het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 juni 2016 in de zaak tegen de medeverdachte is gepubliceerd als ECLI:NL:GHSHE:2016:2429.

2 De Hoge Raad heeft het door het Openbaar Ministerie ingestelde cassatieberoep dan ook aangemerkt als kennelijk uitsluitend te zijn gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde, waardoor de op de andere feiten betrekking hebbende beslissingen van het hof Arnhem toen reeds onherroepelijk zijn geworden.

3 HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964, NJ 2014/514, m.nt. P.A.M. Mevis. Het arrest van de Hoge Raad in de zaak van de medeverdachte is van 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1966. In de strafrechtelijke literatuur is de casus veelvuldig in het verband van het medeplegen besproken. Verwezen zij naar: P.A.M. Mevis, annotatie bij HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964, NJ 2014/514; N. Rozemond, ‘Nijmeegse scooter’, AA 2014, p. 841-846; A. Postma, ‘De Nijmeegse scooterzaak: het verband tussen samenwerking en delictsgedraging’, TPWS 2014, 34; A. Postma, ‘Facetten van medeplegen’, DD 2015, p. 123-141; J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 459-460; en A.A. van Dijk, Opzet, kans en keuzes. Een analyse van doodslag in het verkeer, Zutphen: Paris 2017, p. 330 e.v.

4 Bij akte van 24 oktober 2017, bij de Hoge Raad binnengekomen op 26 oktober 2017, is namens de verdachte het cassatieberoep ingetrokken, doch uitsluitend voor wat betreft de vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde (medeplegen van doodslag).

5 Aldus ook N. Keijzer in zijn annotatie (onder 2.) bij HR 31 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9178, NJ 2007/79 en De Hullu, a.w. (2015), p. 444.

6 Vgl. J.M. ten Voorde, ‘Medeplegen van culpoze misdrijven’, Strafblad 2007, p. 332-343 (p. 343) en De Hullu, a.w. (2015), p. 464 alsook de door hen genoemde rechtspraak.

7 Kamerstukken II 1879/80, 47, nr. 25, p. 107.

8 Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, art. 47, aant. 26 (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bewerkt t/m 17 juli 2017), waar tevens (en terecht) wordt opgemerkt dat de Hoge Raad daaraan in zijn uitspraak van 14 november 1921, NJ 1922/179 (Spoorwegongeluk Borne) lijkt te hebben voorbijgezien. In dezelfde zin: De Hullu, a.w. (2015), p. 465; C. Kelk/F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 470.

9 Zie bijv. HR 25 oktober 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4684, NJ 1967/268, m.nt. van Eck (Curaçaose hardrijwedstrijd).

10 NLR, art. 47, aant. 26.

11 Zie onder vele andere arresten met name de overzichtsarresten van HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis.

12 Zie o.a.: De Hullu, a.w. (2015), p. 464; C.J.G. Bleichrodt in zijn conclusie (onder 3.7 e.v.) vóór HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9367, NJ 2009/504; mijn ambtgenoot Vellinga in zijn conclusie (onder 14) vóór HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8789, NJ 2012/133; en G. Knigge & H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 276.

13 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel III, tweede druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1892, p. 175.

14 Zie voorts HR 2 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1313, NJ 1999/554, m.nt. Schalken.

15 A.J. Machielse, ‘Medeplegen en feitelijke leiding geven’, in: P.H.P.H.M.C. van Kempen e.a. (red.), Levend strafrecht (Buruma-bundel), Deventer: Kluwer 2011, p. 375-388, p. 377.

16 A. Postma, Opzet en toerekening bij medeplegen. Een rechtsvergelijkend onderzoek (diss. Groningen), Wolf legal publishers 2014, p. 28-30.

17 J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, vijfde druk, Deventer: Kluwer 2012, p. 446-447.

18 De Hullu, a.w. (2015), p. 464-465.

19 Dat blijkt ook wel uit de gegeven voorbeelden, waarin de bewuste samenwerking met het intreden van het gevolg nauw verband houdt.

20 De bewustheid ligt, meen ik, eigenlijk al in het samen werken besloten.

21 Veel preciezer dan dit laat het doel, de gerichtheid, van het samenwerkingsopzet zich mijns inziens in algemene zin niet goed verwoorden. Vgl. in dit verband M.M. van Torenburg, Medeplegen (diss. Tilburg), Deventer: Kluwer 1998, p. 111: “Het is vanwege deze diversiteit van delicten die kunnen worden medegepleegd niet eenvoudig om een deugdelijke alomvattende omschrijving te geven van het – van het soort delict losgekoppelde – doel van de bewuste samenwerking.”