Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:155

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-02-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
17/04629
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:594, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Is hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door afbouwregeling vast te stellen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/04629

mr. M.L.C.C. Lückers

Zitting: 16 februari 2018

Conclusie inzake:

[de man]

(hierna: de man),

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw),

verweerster in cassatie,

niet verschenen

1 Feiten en procesverloop

Voor zover van belang kan in deze zaak van de volgende feiten worden uitgegaan.1

1.1

Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld in een door hen op 16 september 2013 ondertekend echtscheidingsconvenant.2 Daarin zijn zij onder meer overeengekomen dat de man met ingang van de datum van ondertekening van het convenant aan de vrouw een partneralimentatie zal betalen van € 1.927,64 bruto per maand, en dat deze bijdrage jaarlijks zal worden geïndexeerd, voor het eerst per 1 januari 2014.3

1.2

Bij beschikking van 20 december 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De rechtbank heeft bepaald dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van de beschikking.

1.3

De echtscheidingsbeschikking van 20 december 2013 is op 5 maart 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Daardoor werd het huwelijk van partijen ontbonden.

1.4

Op 18 augustus 2014 heeft de man de rechtbank Oost-Brabant verzocht om de beschikking van 20 december 2013 en het echtscheidingsconvenant te wijzigen in die zin dat de partneralimentatie nader wordt bepaald op nihil, althans dat de verplichting van de man om aan de vrouw partneralimentatie te betalen wordt beëindigd per 1 januari 2015.

1.5

Bij beschikking van 13 februari 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant het verzoek van de man afgewezen op de grond dat op dat moment in redelijkheid niet van de vrouw kon worden verwacht dat zij in eigen levensonderhoud kon voorzien. Wel heeft de rechtbank overwogen dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich inspant om werk te vinden, zodat zij binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

1.6

Bij verzoekschrift van 18 december 2015, nader gewijzigd op 1 april 20164, heeft de man de rechtbank Oost-Brabant primair verzocht om de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie op nihil te stellen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat van de vrouw in redelijkheid verlangd kan worden dat zij volledig zelfstandig in haar behoefte voorziet en dat zij haar behoefte niet heeft aangetoond. Subsidiair heeft de man verzocht de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift op een bedrag van € 339,- bruto per maand vast te stellen met daaraan gekoppeld een afbouwregeling, inhoudende dat na ommekomst van ieder jaar de alimentatie met € 68,- bruto per maand wordt afgebouwd (en het laatste jaar met € 67,-) en dat de alimentatie per 1 januari 2021 op nihil wordt gesteld, althans dat een zodanige afbouwregeling binnen een zodanige termijn wordt vastgesteld als de rechtbank juist acht.

1.7

De vrouw heeft de verzoeken van de man bestreden.

1.8

De rechtbank heeft de zaak op 14 april 2016 mondeling behandeld. Bij beschikking van 19 mei 2016 heeft de rechtbank haar beschikking van 20 december 2013 en het door partijen op 13 september 2013 ondertekende echtscheidingsconvenant, telkens voor wat betreft de daarbij vastgestelde partneralimentatie, aldus gewijzigd dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 18 december 2015 nader wordt bepaald op een bedrag van € 339,43 per maand, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten tussen partijen aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

1.9

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij heeft het hof verzocht de beschikking van 19 mei 2016 te vernietigen en de beschikking van 20 december 2013 en het door partijen op 13 september 2013 ondertekende echtscheidingsconvenant te bekrachtigen. De vrouw heeft verder verzocht de man te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

1.10

De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft het hof verzocht de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken af te wijzen en de beschikking van 19 mei 2016 te bekrachtigen.

1.11

Het hof heeft de zaak op 23 mei 2017 mondeling behandeld. Bij beschikking van 6 juli 2017 heeft het hof de beschikking van 19 mei 2016 vernietigd5 en, opnieuw beschikkende, de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2013 en het door partijen op 16 september 2013 ondertekende echtscheidingsconvenant, telkens voor wat betreft de daarbij vastgestelde partneralimentatie, aldus gewijzigd dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2019 nader wordt bepaald op € 1.190,- bruto per maand, te vermeerderen met de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2018. Het hof heeft de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof heeft verder de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt, en heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

1.12

Bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 2 oktober 2017, heeft de man tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 6 juli 2017. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het verzoekschrift tot cassatie omvat 37 pagina’s. Met het oog op de leesbaarheid zullen alle randnummers hierna worden aangeduid als onderdelen. Het middel bevat onder 1 een inleiding. Daarin worden drie klachten geformuleerd (onderdelen 1.2 - 1.4) die onder 3 nader worden uitgewerkt. Het middel bevat onder 2 een overzicht van een aantal feiten en het procesverloop. Het middel bevat onder 3 een drietal klachten (3A t/m 3C).

Klacht 3-A

2.2

Klacht 3-A verwijst naar onderdeel 1.26, waar een klacht wordt geformuleerd tegen de rov. 5.14, 5.15 en 5.17. Daarin heeft het hof als volgt overwogen (voor de goede leesbaarheid worden ook de rov. 5.12 en 5.13 geciteerd):

“5.12 Het hof is met de man van oordeel dat de vrouw zich dient in te spannen om aan het werk te geraken, doch dit neemt evenwel niet weg dat aan de vrouw een redelijke periode gegund dient te worden waarop zij zich kan voorbereiden om toe te treden tot de arbeidsmarkt en een eigen inkomen te gaan genereren.

Gelet op de stukken en de door de vrouw ter zitting gegeven toelichting, acht het hof voldoende onderbouwd dat de vrouw thans nog niet in staat is om geheel dan wel gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

5.13

Daartoe is van belang dat het huwelijk van partijen zich heeft gekenmerkt door een traditioneel rollenpatroon, waarbij de vrouw voor het huishouden en de kinderen van partijen heeft gezorgd. Partijen zijn ruim zesentwintig jaar gehuwd geweest en de vrouw heeft vanaf de geboorte van het eerste kind van partijen niet meer gewerkt. Gelet voorts op de leeftijd van de vrouw (inmiddels 51 jaar oud), haar beperkte opleidingsniveau, haar gebrek aan werkervaring en het feit dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij psychische klachten ervaart - die zij gedurende het huwelijk met de man ook al had - is het hof van oordeel dat de vrouw op dit moment nog onverkort behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ten laste van de man. Dit zijn allemaal factoren waarmee de man bekend was. De man heeft desondanks een niet aflatende druk op de vrouw uitgeoefend teneinde te bewerkstelligen dat er een einde komt aan zijn alimentatieverplichting jegens haar. Die niet aflatende druk kan worden aangemerkt als een factor die tot onzekerheid en toenemende spanningen bij de vrouw heeft geleid en die het genezingsproces en daarmee de toegang tot het arbeidsproces extra heeft belemmerd. Voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, nopen ertoe dat de vrouw een redelijke termijn gegund dient te worden om tot benutting van haar verdiencapaciteit te komen. Het hof acht het in deze situatie redelijk om de vrouw tot 1 januari 2019 de tijd en ruimte te geven om haar verdiencapaciteit te verwezenlijken. Gezien de niet aflatende druk van de man en de kwetsbare psychische gesteldheid van de vrouw kan de vrouw niet een zodanig verwijt worden gemaakt dat zij tot dusverre niet is ingegaan op de door de man aangegeven mogelijkheden om te trachten betaald werk te krijgen, dat zulks tot een ander oordeel zou dienen te leiden.

5.14

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdiencapaciteit van de vrouw in redelijkheid niet gelijk kan worden gesteld aan het minimumloon.

Gegeven de in rechtsoverweging 5.13 genoemde omstandigheden stelt het hof de verdiencapaciteit van de vrouw in redelijkheid vast op 50% van het minimumloon. In dit oordeel heeft het hof voorts betrokken dat uit de door de vrouw overgelegde stukken ten aanzien van haar psychische situatie blijkt dat, hoewel de vrouw wel gemotiveerd is voor hulpverlening, er weinig dan wel geen verbetering is te zien in haar situatie, hetgeen mede zijn oorzaak vindt in externe stressfactoren - daaronder begrepen de huidige procedure, die de bestaanszekerheid van de vrouw raakt - die niet bevorderlijk zijn voor het herstelproces. Hoewel de vrouw geen arbeidsdeskundige verklaring in het geding heeft gebracht, acht het hof het zonder meer aannemelijk dat de psychische klachten die de vrouw al jaren ervaart, eraan in de weg staan dat zij belastbaar is voor een fulltime betrekking.

5.15

Het hof gaat er aldus vanuit dat de vrouw met ingang van 1 januari 2019 in staat zal zijn om een inkomen ter hoogte van 50% van het minimumloon te verdienen. Dit brengt met zich dat het hof de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud per die datum zal verlagen. Daarbij gaat het hof, bij gebreke van gegevens betreffende het jaar 2019, uit van het thans geldende minimumloon – zijnde € 1.551,60 per maand –, zodat ervan uitgegaan dient te worden dat de vrouw met ingang van 1 januari 2019 een inkomen genereert ad € 775,80 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag, oftewel € 837,86 bruto per maand inclusief vakantietoeslag. Dit brengt met zich dat het hof de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2019 zal vaststellen op, afgerond, € 1.190,- bruto per maand, te vermeerderen met de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2018.

Het hof merkt hierbij op dat indien te zijner tijd mocht blijken dat het de vrouw ondanks haar inspanningen, en gelet ook op haar medische situatie, niet is gelukt om werk te vinden, het aan de vrouw is om haar behoeftigheid alsdan opnieuw ter beoordeling voor te leggen. (…)

5.17

Het hof ziet op grond van de thans bekende omstandigheden geen aanleiding om tot een verdere afbouw van de partneralimentatie te komen op grond van toenemende verdienmogelijkheden van de vrouw, zoals door de man bepleit. Voor zover de man zich bij zijn verzoek om een afbouwregeling nog heeft beroepen op verbleking van de huwelijksgerelateerde behoefte, volgt het hof de man hierin evenmin. Het gegeven dat partijen 26 jaar gehuwd zijn geweest en er sprake was van een ongelijke huwelijkse rolverdeling tussen partijen waarbij de vrouw de zorg voor de kinderen van partijen had, maakt dat verbleking van de huwelijksgerelateerde behoefte op grond van tijdsverloop niet anders dan onder bijzondere gronden, die gesteld noch gebleken zijn, kan worden aangenomen. Het hof gaat hieraan dan ook voorbij.”

2.3

Onderdeel 1.2 klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden door “een (soort van) afbouwregeling”7 betreffende verlaging partneralimentatie vast te stellen met ingang van 1 januari 2019, terwijl een afbouwregeling geen onderdeel uitmaakte van het geschil in beroep. Het onderdeel stelt dat de man weliswaar in eerste aanleg, subsidiair, heeft verzocht een afbouwregeling vast te stellen, maar dat dit verzoek door de rechtbank is afgewezen en dat geen van partijen tegen dat oordeel in hoger beroep is opgekomen.

De onderdelen 3.1 t/m 3.24 bevatten geen klachten doch een weergave van (een deel van) de bestreden rechtsoverwegingen, de stellingen van partijen in eerste aanleg, de beschikking van de rechtbank, de stellingen van partijen in hoger beroep en een overzicht van literatuur en jurisprudentie.

Onderdeel 3.25, opgenomen onder het kopje “Conclusie”, herhaalt de hiervoor weergegeven klacht. Daarbij wordt verwezen naar het debat van partijen in de feitelijke instanties en het weergegeven juridisch kader. Het onderdeel klaagt verder dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door zich uit te laten over de verdiencapaciteit van de vrouw in de toekomst. Het onderdeel stelt dat in hoger beroep alleen aan de orde was de vraag of de alimentatie € 339,- bruto per maand moest blijven of terug moest naar het eerder vastgestelde bedrag van € 2.027,75 per maand in verband met de “huidige”, door de rechtbank vastgestelde verdiencapaciteit van de vrouw. Volgens het onderdeel betekent dit dat het hof buiten de omvang van de rechtsstrijd is getreden “door niet alleen over het voorliggende geschil te oordelen, maar tevens een oordeel te vellen over de situatie in de toekomst”, en dat het hof daarmee bovendien een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven.

Onderdeel 3.26 stelt dat “daaraan” niet kan afdoen de uitspraak van Uw Raad van 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1335, NJ 2004/294 m.nt. S.F.M. Wortmann. Het onderdeel geeft vervolgens een overzicht van rechtspraak en literatuur.

De onderdelen 3.27 en 3.28 bevatten evenmin een klacht, doch werken nader uit de stelling dat de situatie in de onderhavige zaak verschilt van die in genoemde uitspraak van 30 januari 2004 en de situatie in HR 12 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2871, NJ 1999/384.

Onderdeel 3.29 bevat ten opzichte van het voorgaande geen afzonderlijk klacht.

Onderdeel 3.30 bevat als ik het goed zie geen klacht die betrekking heeft op het voorgaande, doch geeft een voorzet voor de hierna te bespreken klachten 3-B en 3-C.

2.4

Bij de bespreking van de kernklacht dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden door de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie per 1 januari 2019 op € 1.190,- bruto per maand te stellen en door zich uit te laten over de verdiencapaciteit van de vrouw, is het zinvol om de inhoud van de in het verleden afgegeven beschikkingen en het partijdebat in de feitelijke instanties wat nader weer te geven.

2.4.1

In het door hen op 16 september 2013 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen dat de man vanaf dat moment aan de vrouw een partneralimentatie zal betalen van € 1.927,64 bruto per maand. In het dictum van de echtscheidingsbeschikking van 20 december 2013 heeft de rechtbank bepaald dat het convenant deel uitmaakt van de beschikking.

2.4.2

In deze procedure heeft de man in eerste aanleg primair verzocht de partneralimentatie op nihil te stellen. Hij heeft subsidiair verzocht die alimentatie met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift op € 339,- bruto per maand vast te stellen. Aan dit verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat van de vrouw redelijkerwijs verwacht kan worden dat zij het wettelijk minimumloon verdient, destijds € 1.647,- bruto per maand. De man heeft subsidiair verder verzocht een afbouwregeling te bepalen, inhoudende dat de door hem te betalen alimentatie jaarlijks met een bepaald bedrag wordt verlaagd en met ingang van 1 januari 2021 op nihil wordt gesteld. Aan dit verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij de komende jaren een hoger inkomen verwerft en dat de huwelijksgerelateerde behoefte met het verstrijken van de jaren verbleekt.

2.4.3

Voor zover van belang heeft de vrouw betwist dat zij geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de man. Zij heeft voor wat betreft haar verdiencapaciteit aangevoerd dat zij geen aantrekkelijke partij is op de arbeidsmarkt, dat zij heeft gesolliciteerd doch dat haar inspanningen nog niet hebben geresulteerd in eigen inkomsten, dat zij onder grote psychische druk staat en dat zij een zeer hoog chronisch stressniveau en een ernstig slaaptekort ervaart door de vele verzoekschriften van de man.8

2.4.4

De rechtbank heeft in haar beschikking van 19 mei 2016 overwogen dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan, dat zij reeds een redelijke termijn heeft gehad om een baan te vinden en actie te ondernemen om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten, en dat er nog voldoende jaren resteren waarin zij kan deelnemen aan de arbeidsmarkt. De rechtbank heeft vervolgens aan de vrouw een verdiencapaciteit toegedicht van € 1.646,57 bruto per maand en heeft haar aanvullende behoefte vastgesteld op € 339,43 bruto per maand. De rechtbank heeft in het dictum de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 18 december 2015 nader vastgesteld op dit bedrag. De rechtbank heeft het verzoek van de man om een afbouwregeling afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het niet in de rede ligt te verwachten dat de vrouw een baan vindt waarmee zij een hoger inkomen zal genieten dan het minimumloon en dat de man niet heeft onderbouwd op welke wijze de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw zou verbleken.

2.4.5

Alleen de vrouw heeft hoger beroep ingesteld. Voor zover van belang heeft zij grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank:

- dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om werk te vinden (grief III);

- dat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet in staat is om te werken (grief IV);

- dat haar een redelijke termijn is gegund om een nieuwe baan te vinden (grief V); en

- dat zij een inkomen moet kunnen genereren van € 1.646,579 bruto per maand (grief VI).

In de toelichting op de grieven heeft de vrouw, samengevat, gesteld dat zij op de momenten dat zij zich beter voelde, daadwerkelijk heeft gesolliciteerd; dat de chronische overbelasting leidt tot ernstige gezondheidsklachten (zowel psychisch als fysiek) die het voor haar moeilijk maken om te werken; dat zij weinig opleiding heeft genoten, nauwelijks ervaring heeft op de arbeidsmarkt en inmiddels vijftig jaar oud is, hetgeen het vinden van een baan extra moeilijk maakt; en dat moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie dat zij geen eigen inkomen heeft10.

In het petitum van haar beroepschrift heeft de vrouw verzocht de beschikking van 19 mei 2016 te vernietigen en de beschikking van de rechtbank van 20 december 2013 en het door partijen op 13 september 2013 ondertekende echtscheidingsconvenant te bekrachtigen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij aangevoerd dat “de oorspronkelijke alimentatie” in stand moet blijven en dat “aan afbouw van de alimentatie ook niet wordt toegekomen”.11

2.4.6

De man heeft de grieven van de vrouw bestreden. In zijn verweerschrift heeft hij het hof verzocht de verzoeken van de vrouw af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 mei 2017 kan evenwel worden afgeleid dat de man het (toch) niet eens is met de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek om een afbouwregeling. Het proces-verbaal vermeldt dat door of namens de man het volgende is aangevoerd:12

“(…) Nergens blijkt uit dat de vrouw een ziekte of stoornis heeft. De man staat nog steeds achter de afbouwregeling die hij heeft voorgesteld. Door het verstrijken van de jaren neemt de lotsverbondenheid af en verbleekt de behoefte. Als er al een resterende behoefte is, zal die afnemen in tijd en dit is de reden om een afbouwregeling toe te wijzen. (…)”

2.5

In het licht van het in 2.4.6 weergegeven citaat zou op goede gronden kunnen worden betoogd dat de stelling van onderdeel 1.2 dat door geen van partijen in hoger beroep is opgekomen tegen de afwijzing door de rechtbank van de in het subsidiaire verzoek van de man opgenomen afbouwregeling, feitelijke grondslag mist. Hoewel de man geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld en geen expliciete grief heeft gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de door hem (subsidiair) verzochte afbouwregeling, heeft hij tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep kenbaar gemaakt dat hij nog steeds achter de door hem in eerste aanleg geformuleerde afbouwregeling staat. Het oordeel van het hof in rov. 5.17 dat de man een “verdere afbouw” van de partneralimentatie heeft bepleit, is in het licht van de hiervoor geciteerde passage uit het proces-verbaal dan ook niet onbegrijpelijk. Overigens kan de vraag worden gesteld of het hof wel een “echte afbouwregeling” heeft vastgesteld. In wezen is daarvan geen sprake. Een eenmalige wijziging in de toekomst in de hoogte van een eerder vastgestelde alimentatie op grond van een toegedichte verdiencapaciteit aan de zijde van de onderhoudsgerechtigde kan moeilijk een afbouwregeling worden genoemd.13

2.6

De klacht faalt echter voornamelijk op grond van het volgende. Het petitum van het beroepschrift van de vrouw bracht mee dat er voor het hof een ruime bandbreedte ontstond voor wat betreft de hoogte van de vast te stellen alimentatie. De ondergrens van die bandbreedte was het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 339,43 bruto per maand, de bovengrens was het bedrag van € 1.927,64 bruto per maand (na 1 januari 2014 vermeerderd met de jaarlijkse indexering). Het hof is met zijn oordeel dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2019 nader wordt bepaald op € 1.190,- per maand wat betreft de hoogte van de vastgestelde alimentatie gebleven binnen de door partijen in hoger beroep getrokken grenzen. Het hof is tot zijn oordeel gekomen na bespreking van onder meer de door de vrouw opgeworpen grieven III t/m VI, hiervoor weergegeven in 2.4.5, het verweer van de man tegen die grieven en de overigens door de man tijdens de mondelinge behandeling aangevoerde stellingen, hiervoor weergegeven in 2.4.6. Derhalve kan niet worden gezegd dat het hof is getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. Van een verrassingsbeslissing is evenmin sprake. Alle onderdelen van klacht 3-A stuiten hierop af.

Klacht 3-B

2.7

Klacht 3-B verwijst naar onderdeel 1.314 en is gericht tegen de rov. 5.12 t/m 5.15, hiervoor weergegeven in 2.2. Daarin overweegt het hof in de kern (i) dat de vrouw thans nog niet in staat is om geheel dan wel gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien, (ii) dat het redelijk is om de vrouw tot 1 januari 2019 de tijd en ruimte te geven om haar verdiencapaciteit te verwezenlijken en (iii) dat zij met ingang van die datum in staat moet worden geacht om een inkomen ter hoogte van 50% van het minimumloon te verdienen. De klacht bevat verschillende deelklachten. Alvorens die klachten te bespreken, schets ik eerst kort het kader tegen de achtergrond waarvan zij moeten worden bezien.

2.8

Art. 1:157 lid 1 BW bepaalt dat de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak15 aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toekennen. Een onderhoudsplicht bestaat derhalve alleen voor zover de onderhoudsgerechtigde niet in eigen levensonderhoud kan voorzien. Eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, ook die uit vermogen, verminderen de behoefte aan een bijdrage. Bij het antwoord op de vraag of de alimentatiegerechtigde in redelijkheid in staat moet worden geacht om inkomsten verwerven, en hem of haar derhalve verdiencapaciteit moet worden toegedicht, zijn alle omstandigheden van belang. Daartoe behoren de opleiding en de werkervaring van de onderhoudsgerechtigde, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid van de onderhoudsgerechtigde en de zorg die hij of zij voor kinderen heeft.16 Kan de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid wel geheel of ten dele in zijn levensonderhoud voorzien, maar laat hij dit na, dan kan de rechter met zijn ‘fictieve inkomsten’ rekening houden bij de vaststelling van zijn behoeften.17

2.9

Vaste rechtspraak is dat de rechter bij de vaststelling van partneralimentatie grote vrijheid heeft en dat zijn beslissing slechts in beperkte mate toetsbaar is in cassatie.18 Aan beslissingen die uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht en behoefte aangevoerde omstandigheden kunnen in het algemeen geen hoge motiveringseisen worden gesteld,19 althans niet indien het gaat om een beslissing omtrent omstandigheden die niet leiden tot een - min of meer - definitieve beëindiging van de onderhoudsplicht.20

2.10

De onderdelen 3.31 t/m 3.34 en de onderdelen 3.36 t/m 3.40 bevatten geen klacht doch een weergave van (een deel van) de bestreden rechtsoverwegingen en de stellingen van partijen in hoger beroep (“uitgangspunten”) en een overzicht van literatuur en jurisprudentie. Onderdeel 3.35 klaagt dat het in rov. 5.12 gegeven en in rov. 5.13 nader uitgewerkte oordeel van het hof dat het onvoldoende onderbouwd acht dat de vrouw thans nog niet in staat is om geheel dan wel gedeeltelijk in haar levensonderhoud te voorzien, onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Onderdeel 3.41 herhaalt deze klacht, dit keer onder verwijzing naar de eerder weergegeven “uitgangspunten” en het geschetste juridisch kader.

2.11

Ik meen dat de in 2.10 weergegeven klachten niet voldoen aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld, nu zij onvoldoende gespecificeerd zijn. De klachten verduidelijken niet, althans niet genoegzaam, waaróm de bestreden overwegingen onjuist zijn, dan wel onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd. Een weergave van een aantal uitgangspunten, gevolgd door een schets van het juridisch kader, volstaat in dat verband niet. Ook indien de in onderdeel 3.36 weergegeven “uitgangspunten” aan een nadere beschouwing worden onderworpen, kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Ik licht dit als volgt toe.

2.12

Onderdeel 3.36 neemt, verkort weergegeven, het volgende tot uitgangspunt:

- het hof heeft overwogen dat de vrouw zich moet inspannen om werk te vinden (rov. 5.12);

- eerder had de rechtbank Oost-Brabant in haar beschikking van 13 februari 2015 overwogen dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich inspant om werk te vinden, zodat zij binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk in haar levensonderhoud kan voorzien;

- in deze beschikking heeft de rechtbank verder overwogen dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij vanwege medische beperkingen geheel niet in staat is om te werken;

- de man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd dat uitgangspunt is dat iedere ex-echtgenoot die alimentatie ontvangt alles in het werk moet stellen om voldoende inkomsten te verwerven voor het eigen levensonderhoud, en dat dit temeer geldt indien de alimentatiegerechtigde reeds eerder op deze verplichting is gewezen;21

- het hof heeft overwogen dat de man aan de vrouw mogelijkheden heeft aangedragen om te trachten betaald werk te krijgen (rov. 5.13, slot);

- de man heeft in hoger beroep aangevoerd dat de vrouw via Tempo Team een baan kan krijgen22, en de vrouw heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij daarmee niets heeft gedaan omdat zij er mentaal heel slecht aan toe was en bezig was met andere sollicitaties die zij eerst wilde afwachten.23

2.13

Voor zover erover wordt geklaagd dat het hof deze “uitgangspunten” niet onder ogen heeft gezien, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof diende met alle ten tijde van het geven van zijn beschikking aanwezige omstandigheden rekening te houden en heeft dit ook gedaan. Bij zijn oordeel dat onvoldoende onderbouwd is dat de vrouw thans nog niet in staat is om geheel dan wel gedeeltelijk in haar levensonderhoud te voorzien en het oordeel dat het redelijk is om haar tot 1 januari 2019 de tijd en ruimte te geven om haar verdiencapaciteit te verwezenlijken, heeft het hof de volgende omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van belang geoordeeld:

(i) het huwelijk van partijen heeft zich gekenmerkt door een traditioneel rollenpatroon, waarbij de vrouw voor het huishouden en de kinderen van partijen heeft gezorgd;

(ii) partijen zijn ruim zesentwintig jaar gehuwd geweest en de vrouw heeft vanaf de geboorte van het eerste kind van partijen niet meer gewerkt;

(iii) de vrouw is 51 jaar oud, heeft een beperkt opleidingsniveau en gebrek aan werkervaring;

(iv) de vrouw ervaart psychische klachten die zij gedurende het huwelijk met de man ook al had;

(v) de man was met deze factoren bekend, doch heeft desondanks een niet aflatende druk op de vrouw uitgeoefend teneinde te bewerkstelligen dat er een eind komt aan zijn alimentatieverplichting;

(vi) de niet aflatende druk kan worden aangemerkt als een factor die tot onzekerheid en toenemende spanningen bij de vrouw heeft geleid en die het genezingsproces en daarmee de toegang tot het arbeidsproces extra heeft belemmerd.

Het hof heeft tot slot overwogen dat, gezien de niet aflatende druk van de man en de kwetsbare psychische gesteldheid van de vrouw, de vrouw niet een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat zij tot dusverre niet is ingegaan op de door de man aangegeven mogelijkheden om te trachten betaald werk te krijgen, dat dit tot een ander oordeel moet leiden.

2.14

Het bestreden oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is feitelijk van aard. Het oordeel is niet onbegrijpelijk. De hiervoor weergegeven klachten verduidelijken in ieder geval niet waarom dit wel zo zou zijn. De onderdelen 3.42 en 3.43, die zich nader toespitsen op het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant in de beschikking van 13 februari 2015 dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij zich inspant om werk te vinden, zodat zij binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk in haar levensonderhoud kon voorzien, en het oordeel dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij vanwege medische beperkingen geheel niet in staat is arbeid te verrichten, kunnen evenmin tot cassatie leiden. Het hof diende, met inachtneming van de door partijen in hoger beroep getrokken grenzen, zelfstandig een oordeel te geven over de behoeftigheid van de vrouw en de in dat verband van belang zijnde omstandigheden op dat moment. Dit heeft het hof gedaan. Het hof was daarbij niet gebonden aan het oordeel daaromtrent van de rechtbank van 13 februari 2015.

2.15

De onderdelen 3.44 tot en met 3.51 gaan nader in op een aantal specifieke, in rov. 5.13 genoemde feiten en omstandigheden die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de vrouw tot 1 januari 2019 de tijd en ruimte moet worden gegeven om haar verdiencapaciteit te verwezenlijken. Onderdeel 3.44 neemt daarbij tot uitgangspunt dat, indien één van die feiten en omstandigheden blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, het oordeel in de rechtsoverwegingen 5.12 en 5.13 niet in stand kan blijven, nu het hof overweegt dat de desbetreffende omstandigheden “in onderlinge samenhang” moeten worden bezien. Dit betoog faalt. Ook indien één of meer van de feiten en omstandigheden die het hof hebben geleid tot het oordeel dat de vrouw tot 1 januari 2019 de tijd en ruimte moet worden gegeven om haar verdiencapaciteit te verwezenlijken, in cassatie met succes zou worden bestreden, dan zouden de andere feiten en omstandigheden het oordeel van het hof naar mijn mening toch nog kunnen dragen. In dat verband merk ik op dat het middel niet opkomt tegen de hiervoor in 2.13 onder (i) tot en met (iii) weergegeven omstandigheden, die het hof in rov. 4.13 noemt. Ook komt het middel niet op tegen de door het hof genoemde omstandigheid dat de vrouw de psychische klachten die zij thans ervaart, ook al gedurende het huwelijk had.

2.16

In de onderdelen 3.45 en 3.46 wordt geklaagd dat onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk is het oordeel dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij psychische klachten ervaart. Volgens de klacht gaat het er niet om of de vrouw psychische klachten ervaart, maar of deze klachten haar in medische zin beletten om betaalde werkzaamheden te verrichten, en dat de man heeft betwist dat dit laatste het geval is.24

2.17

Ik stel voorop dat het middel niet opkomt tegen het oordeel dat de vrouw tijdens het huwelijk met de man ook al psychische klachten had. Dit oordeel vindt steun in het door de vrouw als productie 24 in hoger beroep overgelegde overzicht van contacten die zij heeft gehad met verschillende medische instanties. Uit het overzicht kan verder worden afgeleid dat de vrouw ook in de periode van eind 201325 tot en met 14 juli 2016 verschillende instanties - waaronder de afdeling psychiatrie - heeft benaderd in verband met angststoornissen. Dat de vrouw nadien ook nog psychische klachten heeft ondervonden kan worden afgeleid uit productie 25 die de vrouw in hoger beroep heeft overgelegd ten behoeve van de mondelinge behandeling van 23 mei 2017.26 Dit betreft een brief van 2 mei 2017 van GZ-psycholoog [betrokkene 1] aan de huisarts van de vrouw. In de brief schrijft de psycholoog dat hij de vrouw vanaf 8 augustus 2016 ziet in verband met stressklachten, paniekklachten en slaapproblemen. De brief vermeldt vervolgens:

“(…) Er hebben na de intake, 8 behandelgesprekken plaatsgevonden. De behandelgesprekken waren gericht op:

het verminderen van haar stressklachten en het verbeteren van haar slaappatroon, waardoor haar draagkracht versterkt kan worden en wordt er een vervolg gemaakt met het behandelen van haar paniekklachten. Het succes van de behandeling zal naast haar gemotiveerde houding helaas ook deels beïnvloed kunnen worden door de externe omstandigheden en stressoren rondom de gerechtelijke procedures. Door met behulp van de 1e keus behandeling (richtlijnen GGZ) t.a.v. haar stress/overbelastingsklachten aan de slag te gaan, kan haar draagkracht versterkt worden waardoor ze minder hinder kan ondervinden van de externe invloeden.

De verbetering in klachten ten opzichte van het moment is erg beperkt gebleven. Na de introductie van de interventies, waaronder psycho-educatie, relaxatie-training, cognitieve interventies is gestart met de exposure in vivo oefeningen. Hierin heeft betrokkens enkele kleine stappen kunnen zetten. Het lukt haar echter momenteel onvoldoende om te voldoen aan de investeringen die een effectieve behandeling vraagt. Enerzijds heeft betrokkene[…] een sterke neiging om vanuit haar copingstijl angstige situaties te vermijden, anderzijds belemmert haar privé situatie (juridische procedures, problemen met ex-partner en het gemis van haar zoon) en de daaruit voortvloeiende stressklachten haar draagkracht.

Momenteel is er een therapiepauze afgesproken en zal betrokkene de behandeling weer oppakken als haar draagkracht toegenomen is. (…)”

Uit deze brief, die kort voor de mondelinge behandeling van 23 mei 2017 is opgesteld, blijkt niet alleen dat de vrouw naar het oordeel van de GZ-psycholoog verschillende psychische klachten heeft, maar ook dat die klachten niet op korte termijn zullen zijn verdwenen.

2.18

De klacht mist feitelijke grondslag in de bestreden beschikking. Het hof overweegt namelijk in rov. 5.13 dat de niet aflatende druk van de man op de vrouw teneinde te bewerkstelligen dat er een eind komt aan zijn alimentatieverplichting jegens haar, kan worden aangemerkt als een factor die tot “onzekerheid en toenemende spanningen” bij de vrouw heeft geleid en “die het genezingsproces en daarmee de toegang tot het arbeidsproces extra heeft belemmerd”. Het hof heeft bij dat oordeel klaarblijkelijk acht geslagen op de in 2.17 genoemde producties. Het oordeel heeft een hoog feitelijk karakter en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is het oordeel niet.

2.19

Onderdeel 3.47 klaagt dat het oordeel dat de vrouw “onweersproken” heeft gesteld dat zij psychische klachten ervaart, onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Onder verwijzing naar verschillende passages in de processtukken stelt het onderdeel dat de man gemotiveerd heeft weersproken dat er psychische klachten zijn, in ieder geval in die zin dat dat die eraan in de weg staan dat de vrouw niet die verdiencapaciteit zou hebben waarvan ook de rechtbank Oost-Brabant in haar beschikking van 19 mei 2016 is uitgegaan.27

2.20

Het lijkt mij niet mogelijk om de stelling van iemand dat hij of zij psychische klachten ervaart, te betwisten, laat staan gemotiveerd. Het woord “onweersproken” in de bestreden beschikking heeft dan ook niet zo heel veel betekenis. Uit de stellingen waarnaar het onderdeel verwijst, volgt dat man heeft betwist dat de vrouw psychische klachten heeft, althans dat eventuele medische klachten haar verhinderen om werkzaamheden te verrichten. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof aan die stellingen voorbij is gegaan faalt het op de gronden zoals hiervoor in 2.18 uiteengezet.

2.21

Onderdeel 3.48 is gericht tegen de hiervoor in 2.13 onder (v) en (vi) weergegeven oordelen, alsmede tegen het oordeel in de slotzin van rov. 5.13. Geklaagd wordt dat deze oordelen onjuist, althans onbegrijpelijk zijn. Onder verwijzing naar de onderdelen 3.44 tot en met 3.46 stelt het onderdeel dat de man gemotiveerd heeft weersproken dat de vrouw zodanige psychische klachten ervaart dat zij op dit moment nog onverkort behoefte heeft aan alimentatie ten laste van de man. Voor zover het onderdeel al voldoet aan de eisen die aan een cassatiemiddel mogen worden gesteld kan het op de gronden zoals hiervoor uiteengezet evenmin tot cassatie leiden.

2.22

Als ik het goed zie, keert onderdeel 3.49 zich tegen het oordeel dat de man een niet aflatende druk heeft uitgeoefend op de vrouw teneinde te bewerkstelligen dat er een eind komt aan zijn alimentatieverplichting. Het onderdeel stelt dat de man gebruik heeft gemaakt van een wettelijke mogelijkheid om de rechter opnieuw te benaderen om nihilstelling van de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie te bewerkstelligen, en dat hij in dat verband heeft gesteld dat hij zich voorafgaand aan de betreffende procedures niet op een zodanige wijze heeft gemanifesteerd dat daarvan een zodanige druk uitging dat de vrouw niet een (zodanig) verwijt kan worden gemaakt dat zij niet is ingegaan op de door de man aangegeven mogelijkheden om te trachten betaald werk te verkrijgen.28

2.23

Tussen de datum van de echtscheidingsbeschikking (20 december 2013) en de datum van indiening door de man van het eerste wijzigingsverzoek (18 augustus 2014) zaten acht maanden. Tussen de datum waarop de rechtbank dit verzoek heeft afgewezen (13 februari 2015) en de datum van het verzoek van de man in de onderhavige wijzigingsprocedure (18 december 2015) zaten tien maanden. Aan beide verzoeken heeft de man ten grondslag gelegd dat de vrouw in staat moet worden geacht zelf in haar levensonderhoud te voorzien. Het oordeel van het hof dat de man een “niet aflatende druk” op de vrouw heeft uitgeoefend teneinde te bewerkstelligen dat er een einde komt aan zijn alimentatieverplichting jegens haar, is feitelijk en acht ik in het licht van de tamelijk korte tijdsduur tussen de opeenvolgende wijzigingsverzoeken niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor het oordeel dat die druk een factor is die tot onzekerheid en toenemende spanningen bij de vrouw heeft geleid en die het genezingsproces en daarmee de toegang tot het arbeidsproces extra heeft belemmerd, alsmede het oordeel dat de vrouw gezien die druk en haar kwetsbare psychische gesteldheid niet een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat zij tot dusverre niet is ingegaan op de aangegeven mogelijkheden om te trachten betaald werk te krijgen. Dat de man, zoals het onderdeel op zich met juistheid aanvoert, gebruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid om een nihilstelling van zijn alimentatieverplichting te bewerkstelligen, doet aan het oordeel van het hof geen afbreuk.

2.24

Onderdeel 3.51 klaagt dat het oordeel in de rov. 5.12 (tweede volzin) en 5.13 dat de vrouw nog niet in staat is om geheel dan wel gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien, temeer onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk is op grond van het volgende. Het onderdeel stelt dat de man heeft aangevoerd dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat de vrouw als gevolg van medische/psychische klachten niet in staat is te werken29 en dat het hof in rov. 5.14 “aan de man toegeeft” dat de vrouw geen verklaring van een arbeidsdeskundige in het geding heeft gebracht. Het onderdeel stelt dat de man heeft betoogd dat alleen een arbeidsdeskundige in staat is om te oordelen of iemand in staat is werkzaamheden te verrichten en, zo ja, in welke mate, zodat van de vrouw verwacht mocht worden dat zij een verklaring van een arbeidsdeskundige in het geding had gebracht.30 Het onderdeel klaagt dat gelet daarop temeer onbegrijpelijk is het oordeel in rov. 5.14 dat, hoewel de vrouw geen arbeidsdeskundige verklaring in het geding heeft gebracht, zonder meer aannemelijk is dat de psychische klachten die zij al jaren ervaart, eraan in de weg staan dat zij belastbaar is voor een fulltime betrekking. Volgens het onderdeel kan hieraan niet afdoen het oordeel dat de vrouw te maken heeft met externe stressfactoren - daaronder begrepen de huidige procedure, die de bestaanszekerheid van de vrouw raakt - die niet bevorderlijk zijn voor het herstelproces. Het onderdeel wijst er in dat verband onder meer op dat het de man vrij stond om zijn standpunt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, daarin bestaande dat de vrouw “(opnieuw) gedurende een niet geringe periode niets heeft gedaan om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien”, in rechte te laten toetsen en dat het hof dit in rov. 5.5 heeft onderkend door de man in zijn wijzigingsverzoek op de voet van art. 1:401 lid 1 BW ontvankelijk te oordelen.

2.25

Voor zover het onderdeel betoogt dat het hof zonder de verklaring van een arbeidsdeskundige geen oordeel kon geven omtrent de mogelijkheden voor de vrouw om fulltime dan wel parttime betaald werk te verrichten en omtrent de omvang van een eventuele verdiencapaciteit, faalt het. Het hof was niet gehouden om het advies van een arbeidsdeskundige in te winnen. De vrouw was daartoe evenmin gehouden. Niets stond eraan in de weg dat het hof op basis van de gedingstukken en hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard daaromtrent zelfstandig een oordeel gaf. Dit heeft het hof ook gedaan. Het hof heeft in de rov. 5.12 en 5.13 geoordeeld dat de vrouw tot 1 januari 2019 niet in staat is om geheel of gedeeltelijk in haar levensonderhoud te voorzien. Het heeft vervolgens in rov. 5.14 overwogen dat de verdiencapaciteit van de vrouw in redelijkheid niet gelijk kan worden gesteld aan het minimumloon, maar op 50% daarvan. Anders dan het onderdeel klaarblijkelijk veronderstelt, heeft het hof in dat oordeel niet alleen betrokken de psychische klachten die de vrouw ervaart (en die het hof in het licht van de inhoud van de in 2.17 genoemde producties klaarblijkelijk ook aanwezig oordeelt). Het hof heeft, door in rov. 5.14 te verwijzen naar de in rov. 5.13 genoemde omstandigheden, ook rekening gehouden met het feit dat de vrouw al lange tijd niet meer heeft gewerkt, de leeftijd van de vrouw, haar beperkte opleidingsniveau en het gebrek aan werkervaring. Het oordeel in rov. 5.14 is eveneens zodanig verweven met de feiten en omstandigheden dat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Onbegrijpelijk is het niet.

2.26

Onderdeel 3.52 is expliciet gericht tegen het oordeel in 5.14 dat de verdiencapaciteit van de vrouw in redelijkheid niet gelijk kan worden gesteld aan het minimumloon. Het onderdeel faalt op de hiervoor uiteengezette gronden.

2.27

Onderdeel 3.53 is gericht tegen rov. 5.17. Het onderdeel bouwt uitsluitend voort op de voorgaande onderdelen en bevat geen klacht die een afzonderlijke bespreking behoeft.

Klacht 3-C

2.28

Klacht 3-C verwijst naar onderdeel 1.431, dat is gericht tegen de rov. 5.14 en 5.15. Geklaagd wordt dat het oordeel dat de vrouw met ingang van 1 januari 2019 in staat zal zijn om een inkomen ter hoogte van 50% van het minimumloon te verdienen, onjuist dan wel onbegrijpelijk is.

2.29

Onderdeel 3.55 stelt dat het erop lijkt dat het hof uitsluitend op basis van de stellingen van de vrouw in nr. 35 van het beroepschrift, waarin zij aangeeft vanwege haar medische beperkingen niet fulltime aan de slag te kunnen, maar maximaal twee dagen, tot het oordeel komt dat de vrouw niet fulltime kan werken en slechts 50% van het minimumloon kan verdienen.

Onderdeel 3.56 stelt dat de man de stelling van de vrouw dat zij niet in staat is om fulltime te werken, gemotiveerd heeft betwist.

Onderdeel 3.57 klaagt vervolgens dat niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd waarom het hof van oordeel is dat de vrouw vanaf 1 januari 2019 slechts 50% van het minimumloon kan verdienen. Volgens het onderdeel slaat het woord “aldus” in de eerste volzin van rov. 5.15 terug op de laatste volzin van rov. 5.14 dat de vrouw niet fulltime kan werken. Dat vormt volgens het onderdeel evenwel nog geen onderbouwing voor het toedichten van een verdiencapaciteit gelijk aan 50% van het minimumloon. Het onderdeel stelt ter toelichting dat het fulltime werkzaamheden verrichten iets zegt over het aantal dagen werken, doch het oordeel dat dat 50% van het minimumloon is, niet.

Onderdeel 3.58 voegt daaraan toe dat het hof niet in de toekomst kan kijken, zodat ongewis is hoe de verdiencapaciteit van de vrouw er op 1 januari 2019 uit zal zien.

De onderdelen 3.59 en 3.60 bevatten geen klacht doch passages uit de literatuur met betrekking tot de motiveringseisen die worden gesteld aan een nihilstelling van partneralimentatie met ingang van een toekomstig tijdstip.32

Onderdeel 3.61 stelt dat het hof in dit geval (voornamelijk in het verleden liggende) niet-financiële factoren aan de beoordeling van de verdiencapaciteit van de vrouw in de toekomst ten grondslag heeft gelegd en de alimentatie per 1 januari 2019 heeft verlaagd. Het onderdeel klaagt dat deze beslissing in het licht van de geldende motiveringseisen onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

2.30

De onderdelen zien er allereerst aan voorbij dat de situatie in de uitspraken waarnaar wordt verwezen, anders was dan de situatie in de onderhavige zaak. In de uitspraken die in de onderdelen worden genoemd waren de bijdragen in het levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigden op termijn op nihil gesteld.33 Dat is in de onderhavige zaak niet het geval. Het hof heeft de alimentatie ten behoeve van de vrouw immers per een datum in de toekomst verlaagd, niet op nihil gesteld. Onderdeel 3.61 maakt niet duidelijk wat precies de “geldende motiveringseisen” zijn die het hof zou hebben geschonden. De klacht dat het hof zijn oordeel met betrekking tot de belastbaarheid van de vrouw voor een fulltime dienstbetrekking uitsluitend heeft gebaseerd op basis van de stellingen van de vrouw in haar beroepschrift, mist feitelijke grondslag. Zoals gezegd heeft de vrouw ten behoeve van de mondelinge behandeling op 23 mei 2017 een aantal producties in het geding gebracht. Uit de brief van de GZ-psycholoog van 2 mei 2017 (productie 25, hiervoor geciteerd in 2.17) kan niet alleen worden afgeleid dat de vrouw naar het oordeel van de GZ-psycholoog verschillende psychische klachten heeft, maar ook dat die klachten niet op korte termijn zullen zijn verdwenen. Het hof heeft bij zijn oordeel dat aannemelijk is dat de psychische klachten die de vrouw ervaart, eraan in de weg staan dat zij belastbaar is voor een fulltime dienstbetrekking, klaarblijkelijk acht geslagen op de brief van 2 mei 2017. Het oordeel is in het licht van de inhoud van die brief allerminst onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor het oordeel in rov. 5.14 dat de verdiencapaciteit van de vrouw in redelijk moet worden vastgesteld op 50% van het minimumloon. In dat verband zij opgemerkt dat het hof in rov. 5.14 niet alleen de psychische klachten van de vrouw vermeldt, doch tevens expliciet verwijst naar de in rov. 5.13 genoemde omstandigheden. Deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, zijn van belang in het kader van het bepalen van de verdiencapaciteit. Het betoog van onderdeel 3.57 dat het woord “aldus” in de eerste volzin van rov. 5.15 (uitsluitend) terugslaat op de laatste volzin van rov. 5.14 dat de vrouw niet fulltime kan werken, berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. Het oordeel in de eerste volzin van rov. 5.15 is immers een beknopte conclusie van hetgeen het hof eerder in de rov. 5.12 t/m 5.14 heeft overwogen.

2.31

Onderdeel 3.62 bouwt uitsluitend voort op de voorgaande onderdelen en dient daarvan het lot te delen.

2.32

Nu alle klachten falen, dient het cassatieberoep te worden verworpen. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2017, rov. 3.1 t/m 4.2.

2 Tevens vaststellingsovereenkomst tevens ouderschapsplan.

3 Ten tijde van de thans in cassatie bestreden beschikking bedroeg de partneralimentatie ingevolge de wettelijke indexering € 2.027,75 bruto per maand. Zie rov. 3.5 van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2017.

4 Zie voor de (gewijzigde) verzoeken de brief van mr. Backx aan de rechtbank Oost-Brabant van 1 april 2016, p. 3.

5 Met uitzondering van het oordeel dat de proceskosten tussen partijen moeten worden gecompenseerd.

6 In het verzoekschrift staat: 1.1. Dat is klaarblijkelijk een vergissing.

7 Van € 2.027,75 bruto per maand naar € 1.190,- bruto per maand per 1 januari 2019. Zie onderdeel 3.2.

8 Verweerschrift in eerste aanleg, nrs. 26 t/m 28.

9 Dit bedrag is inclusief een vakantietoeslag van 8%.

10 Dit laatste heeft de vrouw aan het slot van grief VI (beroepschrift, nr. 35) in die zin genuanceerd dat, als het hof al rekening zou houden met een verdiencapaciteit, ervan moet worden uitgegaan dat de vrouw niet meer dan twee dagen per week kan werken.

11 Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 mei 2017, p. 2.

12 Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 mei 2017, p. 3.

13 Dat van een “echte afbouwregeling” geen sprake is blijkt ook wel uit de formulering van de klacht: “een (soort van) afbouwregeling” en “in feite een afbouwregeling”.

14 In het verzoekschrift staat: 1.2. Dat is kennelijk een vergissing.

15 De mogelijkheid om de alimentatie vast te stellen ‘bij latere uitspraak’ geeft de rechter onder meer de ruimte een aantal onderling samenhangende beslissingen bijeen te houden (partneralimentatie, kinderalimentatie en verdeling van zorg- en opvoedingstaken). Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons, 1-II 2016/636.

16 Rapport alimentatienormen, versie januari 2018, p. 13 en 14.

17 Zie in dat verband o.m. HR 29 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0177, NJ 1988/1031 m.nt. E.A.A. Luijten.

18 Zie reeds HR 25 november 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC6115, NJ 1978/359.

19 Zie onder meer HR 24 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1896, NJ 1996/260 en HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563.

20 HR 10 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2964, NJ 2000/82.

21 Het onderdeel verwijst naar de pleitnotities van mr. Luijten, nr. 3, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 mei 2017, p. 3, en het verweerschrift van de man in hoger beroep, nrs. 5, 6, 14, 15 en 18.

22 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift van de man, nr. 5, en de pleitnotities van mr. Leijten, nr. 7.

23 Het onderdeel verwijst naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 mei 2017, p. 2.

24 De onderdelen verwijzen naar het verweerschrift van de man in hoger beroep, nr. 16, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 mei 2017, p. 3, en de pleitnotities van mr. Luijten ten behoeve van die mondelinge behandeling, nr. 2.

25 Productie 24 is een screenprint. Op de print worden niet de contacten vermeld die hebben plaatsgehad vóór 4 november 2013.

26 Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt dat de vrouw uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan op deze productie.

27 Het onderdeel verwijst in dat verband naar het verweerschrift in hoger beroep, nrs. 16 en 17, de pleitnotities van mr. Luijten ten behoeve van de mondelinge behandeling op 23 mei 2017, nrs. 2 en 5, en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 3.

28 Het onderdeel verwijst in dat verband naar het verweerschrift in hoger beroep, nrs. 5, 6 en 18, en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 mei 2017, p. 3. Onderdeel 3.50 verwijst naar de in onderdeel 3.36 genoemde “uitgangspunten” en het inleidend verzoekschrift, nrs. 5 tot en met 8.

29 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift in hoger beroep, nrs. 16 en 17.

30 Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift in hoger beroep, nr. 17, de pleitnotities van mr. Luijten ten behoeve van de mondelinge behandeling op 23 mei 2017, nrs. 2 en 5, en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 3.

31 In het verzoekschrift staat: 1.3. Dat is kennelijk een verschrijving.

32 Verwezen wordt naar de Conclusie van A-G Huydecoper vóór HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6068 (Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV6068), NJ 2006/292, RFR 2006/86, en een annotatie van W.M. Schrama onder een beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 27 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4572, PFR Updates 28 oktober 2013.

33 Opgemerkt zij nog dat in de zaak die leidde tot de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 27 juni 2013 art. II lid 2 van de overgangsbepalingen, behorende bij de Wet limitering van alimentatie van 28 april 1994, Stb. 324 (WLA) van toepassing was.