Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:153

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-02-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
17/04025
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:595, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Vermogensrechtelijke afwikkeling echtscheiding naar Marokkaans recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/04025

Mr. P. Vlas

Zitting: 16 februari 2018 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[de man] ,

wonende te [woonplaats]

(hierna: de man)

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats]

(hierna: de vrouw)

Deze zaak handelt over de vermogensrechtelijke afwikkeling naar Marokkaans recht van het huwelijk van partijen na echtscheiding. In cassatie wordt onder meer geklaagd over de door het hof gehanteerde peildatum voor de waardebepaling van vermogensbestanddelen waarop de vrouw een vergoedingsrecht heeft en over het oordeel van het hof dat naar Marokkaans recht de stamrecht-BV van de man en het stamrecht jegens deze BV bij de verdeling van de vermogensaanwas moet worden betrokken.

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 De man en de vrouw zijn op 9 februari 1981 op het Marokkaans consulaat te Brussel, België, met elkaar gehuwd. Het huwelijk van de man en de vrouw is op 27 februari 2012 ontbonden door echtscheiding.

1.2 De man heeft zich op 16 augustus 1974 in Nederland gevestigd en de vrouw op 19 februari 1981. Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden partijen de Marokkaanse nationaliteit. De man en de vrouw hebben thans de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit op 19 september 1997 verkregen.

1.3 Tussen partijen is in hoger beroep in geschil de afwikkeling van de huwelijksvermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk. De vrouw verzoekt onder meer vergoeding van de helft van de waarde van de aan de man in eigendom toebehorende voormalige echtelijke woning, de aan de hypothecaire geldlening verbonden kapitaalverzekering, het vermogen dat is opgebouwd in de stamrecht BV van de man en een drietal verzekeringspolissen.

1.4 Bij tussenbeschikking van 21 november 2013 heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, geoordeeld dat vaststaat dat Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksregime van partijen (rov. 5.2). Volgens het Marokkaanse recht ontstaat door het huwelijk in beginsel geen gemeenschap van goederen. Een echtgenoot kan ingevolge art. 49 Marokkaans Wetboek van personen-, familie- en erfrecht (de Mudawwana 2004) aanspraak maken op vergoeding voor de tijdens het huwelijk geleverde inspanningen die hebben bijgedragen aan de vermogensvermeerdering van de andere echtgenoot in de vorm van een deel van de vermogensaanwas. Naar het oordeel van het hof omvat het artikel mede de werkzaamheden die een echtgenoot heeft verricht in de huishouding (rov. 5.3). Het hof heeft de vrouw toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij door haar inspanningen in de huishouding en door betaalde arbeid buitenshuis heeft bijgedragen aan de vermeerdering van het vermogen van de man tijdens het huwelijk (rov. 5.6).2

1.5 In de eindbeschikking van 23 mei 20173 heeft het hof geoordeeld dat de vrouw in haar bewijsopdracht is geslaagd. Zij heeft genoegzaam aangetoond dat zij door haar inspanningen in de huishouding en door betaalde arbeid buitenshuis gedurende bijna de gehele huwelijkse periode heeft bijgedragen aan de vermeerdering van het vermogen van de man tijdens het huwelijk en dat verrekening van het tijdens het huwelijk bij de man ontstane vermogen moet plaatsvinden (rov. 2.8). Als peildatum voor de berekening van de verzochte vergoeding dient volgens het hof te worden uitgegaan van 24 februari 2011, de datum waarop partijen feitelijk uiteen zijn gegaan. Deze datum ligt het meest voor de hand, nu, met inachtneming van art. 49 Mudawwana, vanaf die datum de inspanningen van de vrouw ten behoeve van de gezamenlijke huishouding en haar bijdrage aan de vermeerdering van het vermogen van de man zijn geëindigd (rov. 2.9). Uit art. 49 Mudawwana blijkt niet dat een verrekening van de vermogensaanwas bij helfte het uitgangspunt is (rov. 2.10). De vrouw verdiende over de jaren 1994 tot en met 2010 bijna een derde van het totale inkomen van partijen. Nu zij daarnaast door haar inspanningen ten behoeve van de gezamenlijke huishouding – zij heeft tijdens het huwelijk (het grootste deel van) de zorg voor de kinderen op zich genomen en het huishouden verzorgd – heeft bijgedragen aan vermeerdering van het vermogen van de man, acht het hof het redelijk in dit geval bij de verdeling van de vermogensaanwas uit te gaan van een verdeling bij helfte (rov. 2.11). Het hof heeft bepaald dat partijen de vermogensaanwas aan de zijde van de man aldus verrekenen, dat zij de waarde van de voormalige echtelijke woning minus de hypothecaire geldlening, de aan de hypothecaire geldlening verbonden kapitaalverzekering, de stamrecht-BV, het stamrecht jegens de stamrecht-BV en de drie verzekeringspolissen verdelen bij helfte (rov. 2.12 en het dictum).

1.6 De man heeft tegen de beschikking van het hof van 23 mei 2017 tijdig cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen. Het middel is gericht tegen rov. 2.9, 2.11 en rov. 2.12 van de bestreden beschikking.

2.2

Onderdeel I is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.9 waarin is overwogen dat 24 februari 2011 geldt als peildatum voor de berekening van de verzochte vergoeding, te weten de datum waarop partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist althans schiet de motivering van het hof tekort, omdat naar Nederlands recht moet worden uitgegaan van de dag van de uitspraak van de appelrechter als peildatum voor de waardebepaling.

2.3

Het hof heeft in rov. 5.2 van zijn tussenbeschikking van 21 november 2013 geoordeeld dat vaststaat dat Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Dit oordeel wordt door het middel niet bestreden. Het hof is vervolgens in overeenstemming hiermee in rov. 2.9 van de bestreden beschikking uitgegaan van 24 februari 2011 als peildatum, omdat deze datum met inachtneming van art. 49 Mudawwana geldt als datum waarop de inspanningen van de vrouw ten behoeve van de gezamenlijke huishouding en haar bijdrage aan de vermeerdering van het vermogen van de man zijn geëindigd. Het hof heeft derhalve met toepassing van het Marokkaanse recht de peildatum vastgesteld. Reeds hierop stuit de klacht af dat naar Nederlands recht een andere peildatum dient te gelden. Onbegrijpelijk is het oordeel evenmin. Het onderdeel faalt.

2.4

Onderdeel II is gericht tegen het oordeel in rov. 2.11 waarin het hof het redelijk heeft geacht bij de verdeling van de vermogensaanwas uit te gaan van een verdeling bij helfte. Volgens het onderdeel is dit oordeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, met voorbijgaan van ter zake aangevoerde essentiële stellingen van de man. Het onderdeel betoogt dat de man in zijn verweerschrift in hoger beroep uitdrukkelijk heeft gesteld dat het vermogen naar rato van ieders inbreng dient te worden verdeeld, waarop het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd en zulks ten onrechte niet in zijn overweging heeft betrokken. Volgens het onderdeel is art. 49 Mudawwana ruim geredigeerd en is aan de rechter de mogelijkheid gegeven om allerlei vormen van inspanning van de echtgenoten een rol te laten spelen in zijn beoordeling, zodat de rechter de vrijheid heeft om de inspanningen ten behoeve van de gezamenlijke huishouding te laten meewegen. De waardering van de inspanningen ten behoeve van de gezamenlijke huishouding dient plaats te vinden conform strikte regels, hetgeen het hof heeft miskend, althans ongenoegzaam heeft gemotiveerd, aldus het onderdeel.

2.5

De klacht mist feitelijke grondslag voor zover wordt betoogd dat het hof tot het bestreden oordeel is gekomen zonder rekening te houden met de stellingen van de man. Het hof heeft in rov. 5.3 van zijn tussenbeschikking van 21 november 2013 geoordeeld dat art. 49 Mudawwana mede omvat de werkzaamheden die een echtgenoot heeft verricht in de huishouding, waarbij het hof in rov. 2.10 van de bestreden beschikking in dit verband een citaat uit het proefschrift van L. Jordens-Cotran4 heeft aangehaald. In dit citaat wordt aangegeven dat het aan de rechter is om de soort inspanning en werkzaamheden die tot een verdeling leiden te beoordelen en dat de Marokkaanse regering tijdens de parlementaire behandeling erop heeft gewezen dat art. 49 Mudawwana ruim is geredigeerd om de rechter de mogelijkheid te geven allerlei vormen van inspanning van de echtgenoten een rol te laten spelen in zijn beoordeling. Hiertegen is geen klacht gericht. Het hof heeft vervolgens in rov. 2.11 van de bestreden beschikking overwogen dat de vrouw bijna een derde van het totale inkomen van partijen verdiende en dat zij tijdens het huwelijk (het grootste deel van) de zorg voor de kinderen op zich heeft genomen en het huishouden heeft verzorgd, zodat het hof het redelijk acht in dit geval bij de verdeling van de vermogensaanwas uit te gaan van een verdeling bij helfte.

2.6

Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat er naar Marokkaans recht strikte regels gelden ter zake van de waardering van de desbetreffende inspanningen, stuit de klacht af op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. Evenmin is het oordeel onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk, gelet op de reeds aangehaalde overwegingen van het hof omtrent art. 49 Mudawwana. Het onderdeel faalt derhalve.

2.7

Onderdeel III is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.12 dat de stamrecht-BV en het stamrecht jegens de stamrecht-BV bij de verdeling van de vermogensaanwas dient te worden betrokken. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk dan wel ongenoegzaam is gemotiveerd, met voorbijgaan van ter zake aangevoerde essentiële stellingen van de man. De man heeft uitdrukkelijk gesteld dat de gelden die door hem zijn gestort in zijn stamrecht-BV, zijn aan te merken als een voorziening ten behoeve van de door hem geleden inkomstenderving, namelijk als gevolg van de beëindiging van het dienstverband met [A] BV. De rechten van de man uit de stamrechtovereenkomst zijn aan de man verknocht en dienen daarom niet in de verdeling te worden betrokken. De man heeft op dit punt verwezen naar enige rechterlijke uitspraken.5 Volgens het onderdeel valt zonder nadere toelichting niet in te zien dat de voorziening in de stamrecht-BV kan worden opgevat als werkzaamheid of inspanning van de vrouw in de zin van art. 49 Mudawwana en waarop zij aldus aanspraak op verrekening zou kunnen maken. Het hof had althans moeten onderzoeken in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Het onderdeel verwijst op dit punt naar de beschikking van de Hoge Raad van 24 juni 20166 en betoogt dat de stamrechtovereenkomst uitdrukkelijk is bedoeld als oudedagsvoorziening.

2.8

Zoals hierboven reeds is opgemerkt, heeft het hof geoordeeld dat Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Het hof is kennelijk van oordeel dat het opgebouwde vermogen in de stamrecht-BV en de rechten uit de stamrechtovereenkomst binnen het bereik van art. 49 Mudawwana vallen en dat de waarde hiervan voor vergoeding in aanmerking komt. Het onderdeel doet voor het betoog dat de rechten uit de stamrechtovereenkomst aan de man verknocht zijn een beroep op enige rechterlijke uitspraken, waarin echter het Nederlandse recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing is. De man heeft daarmee niet aangevoerd dat naar Marokkaans recht de desbetreffende goederen buiten het bereik van art. 49 Mudawwana worden gehouden. Reeds hierop stuit de klacht af. Het hof past immers Marokkaans recht toe, zodat het niet nader behoefde te responderen op de stelling van de man dat er naar Nederlands recht sprake is van verknochte goederen die buiten de gemeenschap vallen. Het oordeel van het hof behoefde ook geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.7

2.9

Voor zover het onderdeel klaagt dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat de voorziening in de stamrecht-BV kan worden opgevat als werkzaamheid of inspanning van de vrouw in de zin van art. 49 Mudawwana, geldt het volgende. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk, mede gelet op rov. 2.8 van de bestreden beschikking, waarin is overwogen dat verrekening van het tijdens het huwelijk bij de man ontstane vermogen dient plaats te vinden, in samenhang met hetgeen is overwogen in rov. 2.10 dat de soort ‘inspanning’ en werkzaamheden die tot een verdeling mogen leiden door de rechter beoordeeld moeten worden en dat art. 49 Mudawwana in dit verband ruim is opgesteld. Het onderdeel dient derhalve in zijn geheel te falen.

2.10

Ik geef Uw Raad in overweging het beroep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 3.1-4.2 van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2013.

2 Zie ook rov. 2.6 van de tussenbeschikking van het hof van 2 oktober 2014.

3 ECLI:NL:GHARL:2017:4318

4 L. Jordens-Cotran, Nieuw Marokkaans Familierecht en Nederlands IPR, 2007, p. 780 en 782.

5 Zoals de beschikking van het hof ’s-Gravenhage van 25 mei 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0783, en HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41, m.nt. L.C.A. Verstappen.

6 ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292.

7 Zie in dit verband o.a. HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO3528, NJ 2011/18.