Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1506

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-12-2018
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
17/05073
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:251
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. rijden onder invloed, art. 8 WVW 1994. Kan wens verdachte tot uitstel onherroepelijk worden van uitspraak in e.a. worden aangemerkt als ‘grief’ of ‘bezwaar’ tegen het vonnis? HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2018:2002 inhoudende dat onder ‘grieven’ a.b.i. art. 410.1 Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in e.a. als andersoortige gronden voor instellen van het beroep kunnen vallen. HR voegt daaraan toe dat dit ook geldt voor de in art. 416.1 en 416.2 Sv genoemde mondelinge ‘bezwaren tegen het vonnis’. Als het indienen van een 'grief' of het opgeven van een 'bezwaar' kan echter niet worden aangemerkt de enkele omstandigheid dat namens verdachte is aangevoerd dat hij het wenselijk vindt dat het tijdstip waarop de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zal worden, wordt uitgesteld a.g.v. het ingestelde h.b. In ’s Hofs overweging ligt als zijn oordeel besloten dat in de onderhavige zaak geen sprake is van ‘grieven’ dan wel 'bezwaren' a.b.i. art. 410 resp. 416 Sv. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. HR neemt hierbij in aanmerking dat de raadsman ttz. in h.b. te kennen heeft gegeven dat er geen bezwaren zijn tegen het vonnis in e.a., dat hij graag zou zien dat het vonnis wordt 'bekrachtigd' en dat grond voor het h.b. alleen is om uitstel te bewerkstelligen van de dag waarop de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zal worden. Volgt verwerping. CAG: art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05073

Zitting: 11 december 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 25 september 2017 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van 16 februari 2017, waarbij de verdachte wegens “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994”, is veroordeeld tot een geldboete van € 750,- subsidiair 15 dagen hechtenis alsmede ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel richt zich tegen de motivering van de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2017 houdt voor zover van belang het volgende in:

“De raadsman van de verdachte, die namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, wordt in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis op te geven. Hij merkt het volgende op:

Het belang van het hoger beroep is heel beperkt. Cliënt is voor de tweede keer in vijf jaren aangehouden voor rijden onder invloed. Dat brengt mee dat na het onherroepelijk worden van de uitspraak, zijn rijbewijs ongeldig zal zijn. In dat geval moet hij opnieuw rijexamen afleggen en daarom moet hij weer rijlessen nemen. Hij wil dan vlak voor het rijexamen het hoger beroep of het in te stellen beroep in cassatie weer intrekken. Dat is de achtergrond van het hoger beroep. Cliënt zou graag zien dat het vonnis wordt bekrachtigd.
(….)
De oudste raadsheer vraagt de raadsman of hij het goed begrijpt dat er geen bezwaren zijn tegen het vonnis.

De raadsman merkt het volgende op:

Dat begrijpt u goed.

De advocaat-generaal voert het woord. Zij leest de vordering voor en legt die aan het gerechtshof over.

Zij voert het volgende aan:
Terugkomend op de vraag van de oudste raadsheer, vraag ik mij af of er nog wel een belang is bij het hoger beroep. Het hoger beroep is slechts ingesteld om te voorkomen dat het vonnis onherroepelijk wordt. Het klopt, zoals de raadsman heeft opgemerkt, dat artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Primair vraag ik mij dus af of er nog een belang is bij het hoger beroep. Van de zijde van het openbaar ministerie is er geen belang. De verdachte heeft in de pers aangegeven dat het stom was en dat hij het niet had moeten doen.

Voor zover er wel een belang is, ben ik het eens met de politierechter en vorder ik het vonnis in eerste aanleg geheel te bevestigen. Ik heb overwogen een hogere geldboete te vorderen, maar ik zie daarvan af gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij voert het volgende aan:

De politierechter heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de ongeldigheid van het rijbewijs. De ongeldigverklaring van het rijbewijs is geen strafrechtelijke sanctie, maar cliënt krijgt wel vroeg of laat te maken met de consequenties. Ik verzoek het vonnis integraal te bekrachtigen.”

3.2. Omtrent de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep heeft het hof als volgt overwogen:

“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting op 11 september 2017 te kennen gegeven dat er geen bezwaren tegen het vonnis zijn, en heeft om die reden verzocht het vonnis in eerste aanleg integraal te bevestigen. Ook de advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis waarvan beroep te bevestigen.

Gelet op het ter terechtzitting van 11 september 2017 naar voren gebrachte standpunt door de raadsman van de verdachte, overwegende dat het streven naar uitstel van de dag waarop de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zal worden niet als een grief tegen het vonnis valt aan te merken en in aanmerking genomen dat ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met inhoudelijke beoordeling van de zaak in hoger beroep, zal het hof de verdachte niet- ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.”

3.3. Het middel betoogt dat anders dan het hof heeft overwogen de verdachte wel een redelijk belang had bij het hoger beroep, aangezien het hof bij de strafmaat rekening had moeten houden met het feit dat de verdachte zal worden geconfronteerd met de consequenties van art. 123b WVW 1994, zijnde de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.

3.4. Helaas voor de steller van het middel bevat het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof geen enkele aanduiding dat namens de verdachte een beroep is gedaan op de (eventuele) strafverminderende werking van art. 123b WVW 1994. Integendeel, zou ik zeggen, de raadsman concludeerde naar aanleiding van hetgeen ter verdediging werd aangevoerd dat het vonnis waarvan beroep integraal diende te worden “bekrachtigd”. Op grond van welke rechtsregel het hof het in het middel genoemde aspect desalniettemin bij zijn besluitvorming had moeten betrekken blijft in het middel geheel onbesproken. Voorts wordt het oordeel van het hof dat het streven naar uitstel van de dag waarop de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zal worden niet als een grief tegen het vonnis valt aan te merken in cassatie niet nader bestreden.

3.5. Het middel faalt evident en rechtvaardigt geen behandeling in cassatie.

4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG