Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:15

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-01-2018
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
16/03281
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:240
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG in de Nijmeegse scooterzaak. Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:1964. Medeplegen van dood door schuld in het verkeer, art. 6 WVW 1994. CAG strekt tot n-o van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO. Samenhang met 16/03524.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03281

Zitting: 16 januari 2018

(bij vervroeging)

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 20 juni 2016 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch1 vrijgesproken van het aan hem onder 2 primair tenlastegelegde (medeplegen van doodslag) en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en negen maanden, met aftrek van voorarrest, wegens 2 subsidiair “medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend”. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.000,00 toegewezen, de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven en de verdachte veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

2. Er bestaat samenhang met de zaak met parketnummer 16/03524. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.

3. Beide zaken hebben in de media veel aandacht gekregen en zijn daarin gezamenlijk bekend komen te staan als de “Nijmeegse scooterzaak”. Het gaat, voor zover thans van belang, om de volgende verdenking. De verdachte en zijn medeverdachte rijden tijdens de voorbereiding van een gewapende overval op het Belvoir Hotel te Nijmegen over het trottoir op één (naar later blijkt: gestolen) motorscooter en worden daar opgemerkt door twee politieagenten. Wanneer de verdachten hun aanwezigheid bemerken, slaan zij met hoge snelheid op de vlucht. Daarbij rijden zij zonder noemenswaardig snelheid te verminderen door een rood stoplicht en veroorzaken zij een aanrijding met een overstekende voetganger die ten gevolge van de aanrijding komt te overlijden. Omdat tijdens de behandeling van hun strafzaak de verdachten elkaar aanwijzen als de bestuurder van de scooter en technisch en ander betrouwbaar bewijsmateriaal daarover ontbreekt, blijft onduidelijk wie bestuurder en wie bijrijder is geweest, hetgeen in 2012 in beide strafzaken bij het gerechtshof het beletsel vormde om – kort gezegd – een pleger aan te wijzen terwijl daarnaast het hof het medeplegen van dood door schuld in het verkeer (art. 6 WVW 1994) niet bewijsbaar achtte.

4. Ten aanzien van dat feit 2 laat het procesverloop in deze zaak, en mutatis mutandis in de zaak tegen de medeverdachte, zich als volgt samenvatten. De rechtbank Arnhem spreekt bij vonnis van 17 december 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BO7616 de verdachte vrij van (mede)plegen van doodslag, dood door schuld in het verkeer en gevaarzetting op de weg. De rechtbank oordeelt dat van medeplegen ter zake geen sprake is, omdat het de medeverdachte is geweest die de motorscooter bestuurde en van een bewuste onderlinge afstemming niet is gebleken. Het gerechtshof Arnhem stelt in zijn arrest van 29 mei 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW6755 echter vast dat noch van de verdachte, noch van de medeverdachte met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat hij bestuurder van de motorscooter was. Het hof spreekt beide verdachten vrij van het plegen en het medeplegen van feit 2 (ook subsidiair). Ten aanzien van het medeplegen overweegt het hof dat uit het dossier niet is gebleken van “enige samenwerking of overleg tussen de beide verdachten over de wijze waarop zij zich aan controle door de politie wilden onttrekken vanaf het moment dat zij zich ter hoogte van het Belvoir Hotel door de politie betrapt voelden” en derhalve geen sprake is van “volstrekte inwisselbaarheid van de rollen van bestuurder en bijrijder”, hetgeen volgens het hof een vereiste is voor het bewijs van medeplegen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder is geweest. Het Openbaar Ministerie gaat tegen de uitspraak van het hof Arnhem in cassatie en spitst het middel van cassatie toe op de medeplegen-redenering van het hof.2 En met succes, gezien de navolgende overwegingen van de Hoge Raad:

“2.3.2. In een geval als het onderhavige, waarin het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, is geenszins uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds vóórdien – in het onderhavige geval: in het kader van het medeplegen van de voorbereiding van de overval – is ontstaan”. 2.3.3. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de wijze waarop de beide verdachten met de scooter zijn gevlucht, niet als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen overval, dat ook wat betreft die vlucht zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. Gelet op de vaststellingen en overwegingen van het Hof, in het bijzonder wat betreft de voorbereiding van de overval en de directe reactie op het waarnemen van een politieauto, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. 2.3.4. Wat betreft de mogelijke samenwerking bij het tenlastegelegde medeplegen is bovendien in haar algemeenheid onjuist de opvatting van het Hof dat "om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder is geweest, is (...) vereist dat de rollen van de bestuurder en de bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn".3

5. De twee zaken worden, na vernietiging van de vrijspraak ter zake van het onder 2 tenlastegelegde, verwezen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Evenals het hof Arnhem eerder, oordeelt het hof ‘s-Hertogenbosch in het hierboven onder 1. genoemde arrest van 20 juni 2016 dat niet met voldoende overtuiging is vast te stellen wie van beide verdachten de bestuurder van de motorscooter is geweest. Het laat daarom in zijn bespreking van de feiten en in zijn overwegingen met betrekking tot het medeplegen van “dood door schuld in het verkeer” in het midden wie de bestuurder en wie de passagier was, en veroordeelt beide verdachten ter zake van “medeplegen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend.”

6. Namens de verdachte heeft mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, vier middelen van cassatie voorgesteld.

7. Het als zodanig aangeduide eerste middel klaagt over schending van art. 47 Sr en art. 6 EVRM, doordat het hof medeplegen van dood door schuld bewezen heeft verklaard en daarmee de onschuldpresumptie ten aanzien van de verdachte heeft geschonden.

8. Ook in samenhang met de (uiterst korte) toelichting daarop bezien, meen ik dat hetgeen als het eerste middel wordt gepresenteerd niet voldoet aan de eisen die aan een middel van cassatie worden gesteld.4 Er is in dit verband geen sprake van een duidelijke klacht waarin wordt aangegeven waarom de uitvoerig door het hof gemotiveerde beslissing omtrent het bewezenverklaarde medeplegen onjuist zou zijn of in welk opzicht de motivering van het hof te dien aanzien tekort zou schieten. De stelling dat het hof de onschuldpresumptie (de praesumptio innocentiae) heeft geschonden, is op geen enkele wijze gestaafd met valide argumenten. Voor zover wordt bedoeld dat het hof dit rechtsbeginsel heeft geschonden doordat het heeft aangenomen en in zijn bewijsmotivering tot uiting heeft gebracht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van een gewapende overval, gaat die gedachte eraan voorbij dat de veroordeling voor dát feit ten tijde van de behandeling van de onderhavige strafzaak door het hof ‘s-Hertogenbosch reeds onherroepelijk was geworden5 en dat toen de praesumptio innocentiae ten aanzien van de verdachte in relatie tot dat feit dus al niet meer aan de orde was.

9. Het als middel 1 aangevoerde, is niet een cassatiemiddel in de zin der wet.

10. Het tweede middel zal ik bespreken na het derde en het vierde middel; de reden daarvoor zal dan blijken.

11. Het derde middel klaagt dat het hof bij de bewezenverklaring buiten de grenzen van de tenlastelegging in de inleidende dagvaarding is getreden door de in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde strafverzwarende omstandigheid “terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend” in de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit op te nemen.

12. Het systeem van de wet brengt mee dat op de officier van justitie als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie de stelplicht rust om in de tenlastelegging feiten en omstandigheden te omschrijven op grond waarvan – indien deze worden bewezen – kan worden geoordeeld dat alle bestanddelen van een wettelijke delictsomschrijving zijn vervuld. Dat betekent echter niet dat de officier van justitie het tenlastegelegde steeds zozeer dient te richten op een bepaalde strafbepaling dat hij de omschrijving daarvan (ook) inkleedt in wettelijke termen. Voorts is de rechter bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde niet gebonden aan de strafbepaling waarop de opsteller van de tenlastelegging kennelijk het oog heeft.6 Wel dient de kwalificatiebeslissing uitsluitend te berusten op de, op grondslag van de tenlastelegging, bewezenverklaarde feiten.

13. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat hij:

“(…)

en, gekomen ter hoogte van de kruising van deze weg, de Sint Canisiussingel, en de weg, de Van der Brugghenstraat, met voormeld motorrijtuig (motorfiets) met aanzienlijk snelheidsverschil tussen de op de rijstroken van die Sint Canisiussingel stilstaande of langzamer rijdende andere motorrijtuigen is doorgereden

en een bij die kruising Sint Canisiussingel/Van der Brugghenstraat geplaatst, voor hem, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader geldend, rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd

en (daarbij) in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor hun rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde,

en (daarbij) die kruising, zonder te stoppen, met nagenoeg dezelfde snelheid is opgereden

en (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate, heeft gelet op het overige verkeer en de overige verkeersdeelnemers

en in strijd met het gestelde in artikel 49, tweede lid, van voormeld reglement een zich op voormelde kruising bevindende voetganger, welke voetganger doende was om, bij groen licht, komende vanaf die Van der Brugghenstraat, op een op die kruising gesitueerde voetgangersoversteekplaats, die Sint Canisiussingel over te steken, niet voor heeft laten gaan

(...).”

14. De in de toelichting op het middel betrokken stelling dat “geen voorrang verlenen” iets anders is dan het bewezenverklaarde “niet voor laten gaan”, acht ik op zichzelf niet onjuist. De bewezenverklaring van feit 2 subsidiair houdt – op grondslag van de tenlastelegging – echter in, voor zover hier van belang, dat het “niet voor laten gaan” heeft plaatsgevonden terwijl: (i) de verdachte niet is gestopt voor een voor hem bestemd rood verkeerslicht; (ii) de verdachte zonder te stoppen en met nagenoeg dezelfde snelheid de kruising is opgereden; (iii) het slachtoffer op dat moment een overstekende voetganger was die groen licht had; (iv) dit slachtoffer zich op een voetgangersoversteekplaats bevond. Deze bewezenverklaarde feiten en omstandigheden, waarmee de bewezenverklaring niet buiten de tekst van de tenlastelegging is getreden, rechtvaardigen zonder meer de kwalificatie van ook het “geen voorrang heeft verleend” in de zin van art. 175, derde lid, WVW 1994.7 Overigens wijs ik erop dat het hof met betrekking tot de kwalificatie ook nog een bijzondere overweging in zijn arrest heeft opgenomen.8

15. Het middel kan evident niet tot cassatie leiden.

16. Het vierde middel klaagt dat het hof het medeplegen van dood door schuld heeft bewezenverklaard, maar daarbij niet is ingegaan op het verweer van de verdachte dat hij als bijrijder in leven wilde blijven.

17. Blijkens de toelichting op het middel heeft de steller ervan het oog op een verklaring van de verdachte die is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 en 5 maart 2015 (p. 17), welke terechtzitting plaatsvond in een zogenoemde “uitkijkunit” op de Sint Canisiussingel te Nijmegen om aldus op een beeldscherm de ter plaatse door de politie uitgevoerde reconstructie te volgen. De verklaring die de verdachte toen aflegde, houdt het volgende in:

“Tijdens de reconstructie heb ik opgemerkt dat alles voor de vlucht was. Daarmee heb ik bedoeld dat het was om mijzelf veilig te stellen. Ik wilde ten koste van alles uit handen van de politie blijven en in leven blijven. In die zin zou het een risico zijn geweest als ik tijdens de vlucht als bijrijder zou hebben geprobeerd om het rijgedrag van de motorscooter te beïnvloeden.”

18. Volgens de steller van het middel kan deze verklaring “toch bezwaarlijk anders gezien worden [dan] als een beroep op een strafuitsluitingsgrond”, zodat het hof daarop had moeten responderen. Mij is echter niet duidelijk welke strafuitsluitingsgrond het dan wel zou betreffen.9 Dat het hof de verklaring van de verdachte kennelijk niet heeft opgevat als een beroep op een strafuitsluitingsgrond, acht ik dan ook zonder meer begrijpelijk, waarbij ik mede in aanmerking heb genomen dat ook een aanvaarding van de door de verdachte gestelde feitelijkheden aan de strafbaarheid van het feit respectievelijk die van de verdachte niet in de weg staat.

19. Het vierde middel kan eveneens evident niet tot cassatie leiden.

20. Het tweede middel klaagt, zo begrijp ik, dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken van het geding te laat door het hof zijn ingezonden.

21. Het beroep in cassatie is namens de verdachte ingesteld op 24 juni 2016. De Hoge Raad heeft de stukken van het geding ter griffie ontvangen op 9 juni 2017. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met meer dan drie maanden is overschreden. Dat tijdsverlies kan niet meer door een bijzonder voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd. Zo bezien is het middel op zichzelf terecht voorgesteld.

22. Nu het eerste ‘middel’ geen cassatiemiddel in de zin der wet is en het derde middel en het vierde middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, luidt de slotsom ten aanzien van het tweede middel dat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep.10

23. Ik meen op grond van het voorgaande dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

24. Deze conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep in cassatie met toepassing van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:GHSHE:2016:2429. Het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 juni 2016 in de zaak tegen de medeverdachte is gepubliceerd als ECLI:NL:GHSHE:2016:2428 en in NJ 2016/350.

2 De Hoge Raad heeft het door het Openbaar Ministerie ingestelde cassatieberoep dan ook aangemerkt als kennelijk uitsluitend te zijn gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde, waardoor de op de andere feiten betrekking hebbende beslissingen van het hof Arnhem toen reeds onherroepelijk zijn geworden.

3 HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1966. Het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964 in de zaak tegen de medeverdachte is gepubliceerd in NJ 2014/514, m.nt. P.A.M. Mevis. In de strafrechtelijke literatuur is de casus veelvuldig in het verband van het medeplegen besproken. Verwezen zij naar: P.A.M. Mevis, annotatie bij HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964, NJ 2014/514; N. Rozemond, ‘Nijmeegse scooter’, AA 2014, p. 841-846; A. Postma, ‘De Nijmeegse scooterzaak: het verband tussen samenwerking en delictsgedraging’, TPWS 2014, 34; A. Postma, ‘Facetten van medeplegen’, DD 2015, p. 123-141; J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, zesde druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 459-460; en A.A. van Dijk, Opzet, kans en keuzes. Een analyse van doodslag in het verkeer, Zutphen: Paris 2017, p. 330 e.v.

4 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 207 e.v.

5 Zie mijn voetnoot 2.

6 Zie HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126.

7 Vgl. HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:953, waarin de kwalificatie voor zover deze inhield dat de poging tot diefstal was begaan door iemand die zich in een woning “buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt” in de zin van art. 311, eerste lid onder 3° niet haar grondslag vond in de bewezenverklaring. De kwalificatie van drie andere strafverzwarende omstandigheden, genoemd in art. 311, eerste lid onder 4° en 5°, was echter in orde, ofschoon de tenlastelegging en de bewezenverklaring de in die bepalingen gebezigde wettelijke termen niet bevatten, maar een feitelijke weergave daarvan inhielden.

8 Inhoudende: “Het hof heeft bij de kwalificatie opgenomen de in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde strafverzwarende omstandigheid ‘terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend’. Het hof leest in de ten laste gelegde en bewezenverklaarde passages ‘(een voetganger) niet voor heeft laten gaan’, ‘en in aanrijding is gekomen (met die voetganger)’ en ‘waardoor (die voetganger) werd gedood’, dat daarmee is ten laste gelegd dat het feit (dood door schuld in het verkeer) mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend. Daarmee kan deze strafverzwaringsgrond in de kwalificatie en bij de strafoplegging worden betrokken.”

9 Mogelijk heeft de steller van het middel zich laten inspireren door het Porsche-arrest van HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139, NJ 1997/199, m.nt. ‘t Hart. Daar ging het echter om een bewijskwestie met betrekking tot voorwaardelijk opzet. De Hoge Raad overwoog dat de rechter in zijn oordeel had dienen te betrekken dat – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – naar ervaringsregels niet waarschijnlijk was dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een frontale botsing met een tegemoetkomende auto zou plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zou verliezen, eveneens op de koop toe had genomen.

10 Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244, m.nt. Bleichrodt (rov. 2.2.4).