Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1495

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-12-2018
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
17/03567
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:214
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Diefstal d.m.v. braak, meermalen gepleegd (art. 311.1.5 Sr), deelneming aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr), gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr) en medeplegen diefstal (art. 311.1.4 Sr) door samen met anderen in georganiseerd verband op zeer grote schaal gereedschappen uit bedrijfsbusjes te stelen en deze te verkopen aan heler. Bewijsklachten. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/02377, 17/02436, 17/02458 P, 17/02459 en 17/03560.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03567

Zitting: 18 december 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 4 mei 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1 en 4 telkens opleverende “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 2 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 3 primair met betrekking tot het omzetten en overdragen van geldbedragen “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en 5 “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 334 dagen, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de teruggave gelast aan de verdachte van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. De onderhavige zaak hangt samen met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] (17/02377), [medeverdachte 1] (17/02436), [medeverdachte 2] (17/02459) en [medeverdachte 3] (17/02460) en de ontnemingszaak tegen de medeveroordeelde [betrokkene] (17/02458), waarin ik vandaag ook concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.D. Kupelian, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel richt zich met verschillende bewijsklachten tegen het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 bewezen verklaarde.

  5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“Feit 1:
hij in de periode van 2 december 2011 tot en met 3 december 2011 te Ermelo tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto (kenteken [JJ-00-JJ]) heeft weggenomen tuingereedschap en/of een boorhamer en/of een schaafmachine en/of ander gereedschap, toebehorende aan [betrokkene 11], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

feit 2:
hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 maart 2012 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande onder meer uit [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] en [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk
- gekwalificeerde diefstal, diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutel, als bedoeld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, en/of
- opzetheling, zoals bedoeld in artikel 416 Wetboek van Strafrecht en/of
- gewoontewitwassen en/of witwassen, zoals bedoeld in (de) artikel(en) 420 ter en/of 420 bis Wetboek van Strafrecht.

feit 3:
hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 maart 2012, in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij verdachte geldbedragen, te weten op
- 27 september 2011 een bedrag van € 200,- en
- 4 oktober 2011 een bedrag van € 250,- en
- 7 oktober 2011 een bedrag van € 1.100,- en
- 3 november 2011 een bedrag van € 500,- en
- 4 november 2011 een bedrag van € 200,- en
- 8 november 2011 een bedrag van € 350,- en
- 10 november 2011 een bedrag van € 400,- en
- 11 november 2011 een bedrag van € 300,- en
- 6 december 2011 een bedrag van € 270,- en
- 7 december 2011 een bedrag van € 150,- en
- 8 december 2011 een bedrag van € 200,- en
- 21 januari 2012 een bedrag van € 300,- en
- 23 januari 2012 een bedrag van € 300,- en
- 25 januari 2012 een bedrag van € 900,- en
- 1 februari 2012 een bedrag van € 200,- en
- 2 februari 2012 een bedrag van € 400,- en
- 24 februari 2012 een bedrag van € 300,- en
- 28 maart 2012 een bedrag van € 200,--
verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

feit 4:
hij in de periode van 2 december 2011 tot en met 3 december 2011 te Ermelo tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (aan de Tijmlaan geparkeerde) auto heeft weggenomen een laser en een cirkelzaag en een accuboormachine en twee boormachines en tegelsnijder en een haakse slijper en een afkortzaag, toebehorende aan [betrokkene 12], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

feit 5:
hij op 3 december 2011 te Ermelo tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (aan de Varenlaan geparkeerde) bedrijfsauto heeft weggenomen een bladblazer en een accuboormachine en een boor toebehorende aan [betrokkene 13].”

6. De bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 4 en 5 steunt op elf bewijsmiddelen die in de aanvulling op het verkort arrest zijn opgenomen. De bewezenverklaring van feit 3 primair steunt op een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten en is eveneens opgenomen in deze aanvulling.

7. Het hof heeft, in reactie op een verweer van de verdediging, ten aanzien van het bewijs voorts nog het volgende overwogen:1

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1, 4 en 5 ten laste gelegde inbraken, omdat er geen direct bewijs aanwezig is dat verdachte aan deze inbraken linkt.

In het dossier bevinden zich de volgende bewijsmiddelen.

Drie personen hebben aangifte gedaan van inbraak in hun bedrijfsbus in de nacht van 2 op 3 december 2011 te Ermelo. Deze auto’s stonden geparkeerd in het gebied rond de Varenlaan, Tijmlaan en de Flammulalaan in Ermelo. De goederen die zijn gestolen uit het bedrijfsbusje dat geparkeerd stond in de buurt van de Flammulalaan zijn teruggevonden in een tuin aan de Varenlaan. De goederen die zijn gestolen uit het bedrijfsbusje dat geparkeerd stond in de Tijmlaan zijn teruggevonden in een tuin verderop aan de Tijmlaan. Uit peilbakengegevens van het voertuig waarin verdachte en zijn medeverdachte zijn aangehouden blijkt dat dit voertuig zich in de nacht van 2 op 3 december 2011 van 3.36 uur tot 3.40 uur heeft bevonden te Ermelo aan de Tijmlaan ter hoogte van huisnummer [...] en diezelfde nacht tussen 4.23 uur tot 4.49 uur aan de Flammulalaan ter hoogte van huisnummer [...].
Om 4.58 uur in dezelfde nacht is deze auto gecontroleerd aan de Oude Rijksweg in Putten en werden verdachte en zijn medeverdachte in deze auto aangetroffen, evenals een handschoen en een schroevendraaier.
Medeverdachte [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij onderdeel uitmaakt van een groep Litouwers die in Nederland inbraken plegen in bedrijfsbusjes. Blijkens de voornoemde verklaring van [betrokkene 4] is ten aanzien van deze groep Litouwers sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, gericht op het plegen van strafbare feiten. De leden van de criminele organisatie worden in Nederland gehuisvest. In wisselende samenstellingen worden door hen volgens een vast patroon inbraken gepleegd in bedrijfsbusjes. De inbrekers worden aangestuurd vanuit Litouwen waar ook de opbrengst van de inbraken naar toe gaat. De gestolen goederen worden allemaal verkocht aan de helers in Rotterdam.

Uit het dossier is voorts gebleken dat verdachte tussen 2011 en maart 2012 in totaal 18 keer grote geldbedragen heeft overgemaakt naar zijn land van herkomst. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor de (legale) herkomst van dit geld, zodat het niet anders kan zijn dan dat dit geld van misdrijf afkomstig is.

Het aantreffen van verdachte in een voertuig dat zich heeft opgehouden op de plaats en tijd waar is ingebroken in drie bedrijfsbusjes, terwijl er gereedschappen in dat voertuig aanwezig zijn die in het licht van de verklaring van [betrokkene 4] zijn te kwalificeren als inbrekersgereedschap en het overmaken van grote geldbedragen door verdachte naar Litouwen, die geen andere herkomst kunnen hebben dan misdrijven, leidt tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde onder 1, 4 en 5.”

8. Het middel komt met een aantal klachten op tegen de onder 1, 4 en 5 bewezen verklaarde gekwalificeerde diefstallen. Die klachten komen er – kort gezegd – op neer dat de aangiften slechts indiceren dat goederen wederrechtelijk zijn weggenomen, terwijl niets wordt vermeld over de identiteit van de dader. De peilbakengegevens tonen aan dat de auto waarin de verdachte is aangehouden in de buurt van de locus delicti aanwezig was, maar niet dat de verdachte die diefstallen heeft gepleegd. Daarnaast is het aantreffen van een handschoen en een schroevendraaier in die auto voor het bewijs van de diefstallen eveneens ontoereikend. De verdachte was op de avond waarop de (onder 1, 4 en 5) bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden toevallig met een landgenoot op stap, aldus de steller van het middel.

9. Met de klachten betreedt de steller van het middel het tot de vrijheid van de feitenrechter behorende terrein van de selectie en waardering van het bewijsmateriaal. Het middel bevat in wezen de klacht dat de door het hof in zijn nadere bewijsoverweging in aanmerking genomen feiten en omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn voor het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bewezen verklaarde gekwalificeerde diefstallen. Het hof heeft evenwel als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat juist het samenstel van de vastgestelde feiten en omstandigheden maakt dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich aan die diefstallen schuldig heeft gemaakt.2 In zoverre faalt het middel dan ook.

10. Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit behelst het middel de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft deelgenomen aan de in de bewezenverklaring bedoelde criminele organisatie.

11. Uit de door het hof gebezigde bewijsvoering kan in dit verband het volgende worden afgeleid. De medeverdachte [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij onderdeel uitmaakt van een vanuit Litouwen aangestuurde criminele organisatie die zich in Nederland bezighield met het plegen van inbraken in bedrijfsauto’s. Daarbij werden gereedschappen buitgemaakt. Die gereedschappen werden vervolgens verkocht aan een man in Rotterdam. De medeverdachte [betrokkene 2] was degene die altijd naar Rotterdam ging (bewijsmiddel 8). [betrokkene 2] leverde in Rotterdam gereedschappen aan [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 9 en 10). In de nacht van 2 op 3 december 2011 heeft een drietal inbraken in verschillende bedrijfsauto’s plaatsgevonden. Die bedrijfsauto’s stonden geparkeerd in het gebied rond de Varenlaan, Tijmlaan en de Flammulalaan in Ermelo (bewijsmiddelen 1, 2 en 3). Uit peilbakengegevens volgt dat een grijze Volkswagen Caddy met het Litouwse kenteken [HH-00-HH] zich in die nacht van 03.36 uur tot 03.40 uur heeft bevonden aan de Tijmlaan ter hoogte van huisnummer [...] en diezelfde nacht tussen 04.23 uur en 04.49 uur aan de Flammulalaan ter hoogte van huisnummer [...] (bewijsmiddel 6). Op 3 december 2011 om 04.58 uur werden de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] als inzittenden van deze auto aangehouden. In de auto lagen handschoenen en schroevendraaiers (bewijsmiddel 7). Zowel de verdachte als de medeverdachten zijn in de periode van 17 juni 2011 tot en met 14 december 2011 in wisselende samenstellingen, op verschillende locaties in Nederland en in verschillende auto’s gezien. Tien dagen na de aanhouding van de verdachte en medeverdachte [betrokkene 3] in Ermelo is de grijze Volkswagen Caddy met kenteken [HH-00-HH] gecontroleerd in Wierden. Medeverdachte [betrokkene 3] en [betrokkene 2] waren op dat moment de inzittenden van de auto. Een dag later werd deze auto met daarin als inzittenden [betrokkene 3] en [betrokkene 2] gecontroleerd in Lochem (bewijsmiddel 5).

12. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof aldus kunnen afleiden dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, gericht op het plegen van misdrijven3, waarvan de verdachte deel uitmaakte. De bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde is aldus naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed. Ook in zoverre faalt het middel.

13. Tot slot behelst het middel ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit enkel de klacht dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de verdachte grote geldbedragen heeft overgemaakt naar zijn land van herkomst. Daartoe voert de steller van het middel aan dat de verdachte van het geld dat hij verdiende met de koop en verkoop van auto’s in de tweedehands autohandel kleine bedragen naar zijn familie heeft gestuurd.

14. Door de raadsman van de verdachte is zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte zich onder meer bezighield met het handelen in auto’s.4

15. Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging overwogen dat de verdachte tussen 2011 en maart 2012 in totaal 18 keer grote geldbedragen heeft overgemaakt naar zijn land van herkomst. Daarbij is ook overwogen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor de (legale) herkomst van dat geld, zodat het niet anders kan zijn dan dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Daarin ligt als het oordeel van het hof besloten dat het hof de lezing van de verdachte niet aannemelijk heeft geacht. Mede in het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter die over de feiten oordeelt, is dit oordeel niet onbegrijpelijk.5 Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte in die periode een totaalbedrag van € 6.520 naar Litouwen heeft overgemaakt.

16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met weglating van voetnoten.

2 Vgl. in dit verband ook nog HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, rov. 6.2.

3 Het hof overweegt weliswaar dat het samenwerkingsverband was gericht op het plegen van ‘strafbare feiten’, maar uit de bewijsoverweging volgt dat het daarbij gaat om inbraken.

4 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 16 april 2013, p. 2. Zie ook de pleitnota die in hoger beroep is overgelegd en die is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2017.

5 Ik merk daarbij nog op dat de advocaat-generaal er ook in hoger beroep nog op heeft gewezen dat de verdachte heeft verklaard dat hij met die autohandel ongeveer € 600 per maand verdiende.