Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1470

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-11-2018
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
18/04083
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:147, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Voorlopige machtiging. Kan gedeeltelijke toewijzing van verzochte machtiging worden gecombineerd met inwilliging van het verzoek van betrokkene om een second opinion van een psychiater? Art. 2 Wet Bopz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/04083 mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 30 november 2018 Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Oost-Nederland

In deze deelbeschikking heeft de rechtbank een gedeeltelijke toewijzing van het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging gecombineerd met het inwilligen van het verzoek van de betrokkene om een second opinion van een psychiater.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift van 18 juni 2018 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Overijssel verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie (geb. 1991, hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven (art. 2 Wet Bopz). Betrokkene verbleef toen in een penitentiaire inrichting te Zwolle. Bij het verzoekschrift was onder meer een geneeskundige verklaring gevoegd, opgemaakt en ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater Van der Sligte. In rubriek 4.d van deze verklaring is als diagnose vermeld: “Schizofrenie, paranoïde type”.

1.2

Op 21 juni 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Omdat toen geen psychiater ter zitting aanwezig was, is de behandeling van het verzoek voortgezet op 26 juni 2018. De rechtbank heeft onder meer gehoord: betrokkene en zijn advocaat, de officier van justitie, een GZ-psycholoog/regiebehandelaar en een waarnemer van de behandelend psychiater. Ter zitting heeft de advocaat namens betrokkene om afwijzing van het verzoek en, subsidiair, om een second opinion van een andere psychiater verzocht.

1.3

Bij beschikking van 26 juni 2018 heeft de rechtbank het verzoek om een voorlopige machtiging toegewezen voor de duur van twee maanden, onder de opschortende voorwaarde dat de (strafrechtelijke) detentie van betrokkene uiterlijk op 4 juli 2018 wordt opgeheven of geschorst. Verder heeft de rechtbank de advocaat van betrokkene tot uiterlijk 4 juli 2018 in de gelegenheid gesteld een psychiater te vinden die een second opinion zal uitvoeren. De rechtbank heeft deze psychiater in de gelegenheid gesteld zijn rapportage uiterlijk 10 augustus 2018 bij de rechtbank in te leveren. De rechtbank hield iedere verdere beslissing aan. Zij overwoog1:

“De rechtbank is van oordeel dat betrokkene recht heeft op een second opinion. De detentie van betrokkene loopt af op 4 juli 2018. Tegen die achtergrond kiest de rechtbank ervoor een deel van het verzoek ter grootte van twee maanden toe te wijzen, zodat in die periode de second opinion kan worden uitgevoerd en aan het eind van deze periode de zaak weer ter zitting kan worden behandeld teneinde op basis van de dan aanwezige informatie te beslissen over het resterende deel van het verzoek ter grootte van vier maanden.

De onderbouwing van de conclusie in de geneeskundige verklaring dat er sprake is van een stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie, is aan de magere kant. De onafhankelijk psychiater gebruikt een aantal malen het woord ‘lijkt’ en ook elders in de verklaring klinkt onzekerheid door, waardoor de indruk wordt gewekt dat de psychiater niet zeker van zijn zaak is. Tegelijkertijd had de onafhankelijk psychiater wel te maken met een persoon die ontwijkend of niet antwoordde op een aantal vragen en was het voor hem dus moeilijk om zicht op hem te krijgen. In die zin siert het deze psychiater in feite dat hij heeft geëxpliciteerd op welke punten hij noodgedwongen in onzekerheid verkeerde. Uiteindelijk heeft de onafhankelijke psychiater wel door zijn handtekening de slotzin van de verklaring voor zijn rekening genomen, waarmee hij onomwonden verklaart dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens (en dat aan de overige criteria ingevolge de Wet Bopz is voldaan).

De rechtbank acht de geneeskundige verklaring in het kader van de beslissing het verzoek voor een periode van twee maanden toe te wijzen en deze voor het restant aan te houden (vandaar hierna steeds het woord ‘vooralsnog’), voldoende aangevuld door hetgeen naar voren is gebracht door de ter zitting aanwezige psychiater en de beide andere aanwezigen van de zijde van de PPC. De psychiater was weliswaar waarnemer voor de behandelend psychiater en heeft betrokkene niet zelf onderzocht, maar zij heeft verklaard dat zij zich heeft gebaseerd op de informatie die zij heeft verkregen van de behandelend psychiater, de samenvatting in de aanmeldingsbrief die zij heeft aangetroffen en de rapportages van de dagelijkse observaties van betrokkene in de PPC over een periode (met een onderbreking) van in totaal een aantal maanden. Ook zij concludeert dat sprake is van schizofrenie.

Tot slot heeft de rechtbank ook ter zitting ervaren dat betrokkene soms ontwijkend of niet antwoordt op indringende vragen, dan wel met moeite door zijn raadsman was te bewegen tot een antwoord. Het beeld dat de onafhankelijk psychiater schetst, te weten dat moeilijk tot betrokkene kan worden doorgedrongen, was ter zitting dus niet anders.

(…)

Vooralsnog staat eveneens voldoende vast dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken voor zichzelf en voor anderen.

(…)

Gelet op alle omstandigheden van dit geval, waaronder met name dat niet is gebleken dat er eerder psychiatrische rapportage is opgesteld met betrekking tot betrokkene dan de geneeskundige verklaring in het kader van deze procedure en dat betrokkene deze fel bekritiseert, zal het subsidiaire verzoek om een second opinion worden ingewilligd. De second opinion moet wat de rechtbank betreft antwoord geven op de vraag of betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens als gevolg waarvan hij gevaar doet veroorzaken dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. (…)”

1.4

Namens betrokkene is - tijdig2 - beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. In cassatie is geen verweerschrift ingediend3.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel klaagt dat de rechtbank enerzijds een voorlopige machtiging heeft verleend voor de duur van twee maanden, op grond van de vaststelling dat bij betrokkene sprake is van een geestesstoornis die hem gevaar doet veroorzaken, doch anderzijds ten aanzien van deze wettelijke beslispunten het verzoek om een second opinion van een psychiater heeft ingewilligd. De rechtsklacht houdt in dat deze combinatie in strijd is met de Wet Bopz en met art. 5, lid 1 onder e, EVRM Ter toelichting betoogt het middel dat indien de rechter niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens en van een door die stoornis veroorzaakt gevaar, de rechtbank niet de gevraagde voorlopige machtiging had mogen verlenen: ook niet voor twee maanden. Subsidiair klaagt het middel over innerlijke tegenstrijdigheid van de motivering.

2.2

Op grond van artikel 2, lid 1 en 2, Wet Bopz kan een voorlopige machtiging worden verleend indien de betrokkene aan een stoornis van de geestvermogens lijdt, deze stoornis de betrokkene gevaar (als bedoeld in art. 1 lid 1 Wet Bopz) doet veroorzaken en het gevaar niet buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Bij de beslissing over het verlenen van een voorlopige machtiging kan ook na het psychiatrisch onderzoek ten behoeve van de geneeskundige verklaring twijfel blijven bestaan of aan deze wettelijke vereisten is voldaan, met name in gevallen waarin de betrokkene nog niet in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft of nog niet wordt behandeld4. In de periode 2006 tot 2009 heeft de wetgever beoogd dit probleem te ondervangen met de regeling van de observatiemachtiging5. Op grond van die regeling kon een persoon gedurende ten hoogste drie weken worden opgenomen voor nader onderzoek “indien het ernstig vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar voor zichzelf doet veroorzaken”. De Hoge Raad heeft in 2006 beslist dat, in verband met artikel 5 EVRM, het verlenen van een observatiemachtiging slechts aanvaardbaar is indien met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat sprake is van een geestesstoornis die het gevaar doet veroorzaken6.

2.3

De tekst van artikel 2 Wet Bopz vereist dat de rechter vaststelt dat aan alle vereisten voor een voorlopige machtiging is voldaan7. Indien daarover bij de rechter twijfel bestaat, is dit reden om hetzij het verzoek van de officier van justitie af te wijzen, hetzij nader onderzoek te (laten) verrichten voordat de verzochte machtiging kan worden verleend. In artikel 8 lid 6 Wet Bopz is daarvoor een regeling gegeven. Wat betreft de voorwaarde van een stoornis van de geestvermogens, is voldoende dat met zekerheid kan worden vastgesteld dát betrokkene hieraan lijdt en dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken. De vraag om welke stoornis het precies gaat behoeft nog niet eenduidig beantwoord te zijn. Onzekerheid over de precieze diagnose kan voor de rechter aanleiding zijn om een voorlopige machtiging te verlenen met een geldigheidsduur die korter is dan de (doorgaans door de officier van justitie verzochte) wettelijke maximumtermijn van zes maanden8. Evenmin behoeft vast te staan welke psychiatrische behandeling(en) na opname in het ziekenhuis zal of zullen worden gegeven. Hoewel in de regel de geneesheer-directeur degene is die beslist over ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis (zie artikel 48 Wet Bopz), kan onzekerheid dat op langere termijn nog steeds aan de voorwaarden voor de verlening van een voorlopige machtiging zal zijn voldaan, voor de rechter een reden zijn om een machtiging te verlenen met een kortere geldigheidsduur dan zes maanden9. In dat geval verbiedt de wet niet dat de rechtbank een zogenaamde ‘deelbeschikking’ geeft waarin het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen en gedeeltelijk wordt aangehouden, daarmee de mogelijkheid open houdend om in een latere beschikking een machtiging voor het restant van de maximale geldigheidsduur te verlenen10. Voor een voorlopige machtiging die bij deelbeschikking wordt verleend geldt evenzeer dat voldaan moet zijn aan alle voorwaarden die artikel 2 Wet Bopz daaraan stelt11. Een van de vereisten is actualiteit van het geneeskundig onderzoek. Dat maakt dat een deelbeschikking nauwelijks enig voordeel biedt, in vergelijking met een eindbeschikking: alvorens te kunnen beslissen over de resterende periode van het oorspronkelijke verzoek van de officier van justitie, zal de rechter zich toch weer opnieuw moeten laten voorlichten door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.

2.4

Op grond van artikel 8 lid 6 Wet Bopz kan de betrokkene de rechter vragen om gebruiken te maken van zijn bevoegdheid om een nader onderzoek door een of meer deskundigen te gelasten (bij wijze van contra-expertise of second opinion, naast de door de officier van justitie overgelegde geneeskundige verklaring). Overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure (zie artikelen 194 en 184 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) is de rechter vrij een verzoek tot het verrichten van nader onderzoek door een deskundige af te wijzen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat niettemin, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen tot vrijheidsbeneming leidende beslissing, een verzoek van de betrokkene aan de rechtbank om door een deskundige nader onderzoek te doen verrichten slechts gemotiveerd kan worden afgewezen12.

2.5

Ook in Bopz-zaken is gebruikelijk dat de rechtbank een deskundigenonderzoek bij tussenbeschikking beveelt en daartoe zelf een deskundige benoemt13. In dit geval heeft de rechtbank het verzoek om een deskundigenonderzoek ingewilligd, maar het inschakelen en de keuze van de deskundige (een psychiater) overgelaten aan de advocaat van betrokkene. Dit neemt niet weg dat het hier gaat om een door de rechtbank bevolen deskundigenonderzoek: in het dictum is bepaald dat de deskundige dient te rapporteren aan de rechtbank. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de uit te brengen second opinion antwoord moet geven “op de vraag of de betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens als gevolg waarvan hij gevaar doet veroorzaken dat niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend” (zie de bestreden beschikking onder 5). Het bevelen van een nader onderzoek door een deskundige met betrekking tot deze vraag is naar mijn mening inderdaad niet verenigbaar met het tegelijkertijd verlenen van een voorlopige machtiging, ook niet voor de duur van twee maanden14. Dat volgt uit hetgeen ik hiervoor in alinea’s 2.2 en 2.3 heb opgemerkt; een voorlopige machtiging is geen observatiemachtiging. Het middel slaagt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv.

1 De afkorting PPC staat voor: penitentiair psychiatrisch centrum.

2 Een faxkopie van het verzoekschrift tot cassatie is op 9 november 2018 ingekomen, waarna het originele ondertekende verzoekschrift op 2018 ter griffie is ontvangen.

3 Het verzoekschrift tot cassatie vermeldt op blz. 3 als nieuw feit dat de geneesheer-directeur inmiddels op 16 juli 2018 aan betrokkene onvoorwaardelijk ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis heeft verleend.

4 Zie ook W. Dijkers, SDU-Commentaar, artikel 2 Wet Bopz, aant. C.1.4, en zijn noot (onder 3) bij HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2989, JVGGZ 2017/5.

5 De observatiemachtiging was geregeld in de artikelen 14h en 14i Wet Bopz, die in werking zijn getreden per 1 januari 2006 en per 1 januari 2009 zijn komen te vervallen; zie daarover nader W. Dijkers, SDU-Commentaar, Kernproblematiek aant. C.0.2.4.1.5, en het commentaar bij de artikelen 14h en 14i Wet Bopz.

6 HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1112, NJ 2007/132 m.nt. J. Legemaate.

7 Zie in deze zin ook de conclusie (onder 2.10) voor HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2989 (art. 81 lid 1 RO) en de noot van W. Dijkers onder deze beschikking in JVGGZ 2017/5; W. Dijkers, SDU-Commentaar, art. 2 Wet Bopz, aant. C.1.4; R.B.M. Keurentjes, Tekst & Toelichting Wet Bopz, aant. 26 en 93. Enigszins anders nog: de noot van Dijkers (onder 3, slot) bij EHRM 18 september 2012, JVGGZ 2013/18.

8 Vgl. W. Dijkers, SDU-Commentaar, art. 2 Wet Bopz, aant. C.1.4. Zie ook Vlaardingerbroek, T&C Personen- en familierecht, art. 10 Wet Bopz, aant. 4: “De rechter zal kiezen voor een kortere duur, indien hij een heroverweging op kortere termijn noodzakelijk acht.”

9 Vgl. de conclusie (onder 2.6) voor HR 22 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2240, BJ 2001/37 m.nt. W. Dijkers, en de conclusie (onder 2.8) voor HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:219 (artikel 81 lid 1 RO), JVGGZ 2017/15 m.nt. W. Dijkers.

10 Zie W. Dijkers, SDU-Commentaar, Kernproblematiek, aant. C.II.10.2. Zie nader de conclusie (onder 2.10) voor HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5795, JVGGZ 2012/41, en de conclusie (onder 2.9) voor HR 22 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2240, BJ 2001/37 m.nt. W. Dijkers. Zie ook W. Dijkers, SDU-Commentaar, Kernproblematiek, aant. C.II.10.2.

11 Zie W. Dijkers, SDU-Commentaar, Kernproblematiek, aant. C.II.10.1.

12 Vaste rechtspraak sinds HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978, BJ 2006/14 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, NJ 2007/153 m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3.1, recent herhaald in HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2102.

13 Zie W. Dijkers, SDU-Commentaar, art. 8 Wet Bopz, aant. C.6.3.1 en 6.3.9.

14 In dit opzicht verschilt de zaak van de zaak, berecht in HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:219, JVGGZ 2017/15 m.nt. W. Dijkers; zie alinea’s 2.8 en 2.9 van de conclusie voor deze beschikking.