Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1411

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-11-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
17/05127
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2348
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Opzettelijke overtreding voorschrift art. 18.18 Wet milieubeheer, begaan door rechtspersoon. Sprake van handelen in strijd met een vergunningsvoorschrift doordat verdachte verontreinigde grond heeft “bewerkt”? Hof heeft m.b.t. bewezenverklaring o.m. overwogen dat aan verdachte vergunning is verleend voor het in werking hebben van inrichting voor opslag, overslag en bewerking van o.m. verontreinigde grond. Aan die vergunning is voorschrift verbonden dat verontreinigde grond uitsluitend mag worden geaccepteerd en op- of overgeslagen indien de partij reinigbaar is en dat verontreinigde grond niet binnen de inrichting mag worden be- of verwerkt. Door verdachte zijn brokken steen uit verontreinigd zand gehaald d.m.v. zeven. Hof heeft geoordeeld dat zeven o.g.v. aan verdachte verleende milieuvergunning valt onder “bewerken”. HR: De uitleg van een vergunningsvoorschrift als het onderhavige is van feitelijke aard, zodat oordeel Hof dienaangaande in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst (vgl. ECLI:NL:HR:1995:ZD0054). ’s Hofs oordeel dat de in zijn overwegingen nader omschreven handelingen m.b.t. verontreinigde zand zijn aan te merken als "bewerken" i.d.z.v. het vergunningsvoorschrift, is niet onbegrijpelijk. Daarop stuit de klacht af. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05127 E

Zitting: 6 november 2018 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 21 juni 2017 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “het misdrijf: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon”, veroordeeld1 tot een voorwaardelijke geldboete van € 2.000 met een proeftijd van twee jaren.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en de akte vermeldt dat het beroep uitsluitend is gericht tegen het onder 1 bewezenverklaarde feit. Mr. P.W.M. Huisman, advocaat te Bussum, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk in strijd met onderdeel A15 van de aan haar verleende vergunning heeft gehandeld.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“zij, in de periode van 7 oktober 2009 tot en met 9 november 2009 te Amsterdam, terwijl aan verdachte door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam bij besluit van 17 juni 2009 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [a-straat 1] te Amsterdam in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan voormelde vergunning, immers

- heeft de verdachte verontreinigde grond binnen de inrichting bewerkt en aldus in strijd gehandeld met vergunningvoorschrift A15”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering (als bijlage op p. 674 e.v. van het proces-verbaal, dossiernummer PL2600 2009034516), te weten een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor verdachte met behandelnummer B01/10306 DMB 2007 en het aan deze vergunning verbonden voorschrift A15, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:

(dossierpagina 674)

Vergunning ingevolge de Wet milieubeheer

Vergunninghouder: [verdachte]

Vergunning voor: verandering van een inrichting voor de opslag, overslag en bewerking van bouw- en sloopafval en verontreinigde grond.

Adres: [a-straat 1] te Amsterdam.

Datum besluit: 17 juni 2009.

Behandelnummer: B01/10306 DMB 2007.

(dossierpagina 676)

Op 31 oktober 2007 hebben wij een aanvraag ontvangen van [A] B.V. (voorheen [A] B.V.) voor het veranderen van de (werking van de) inrichting voor de opslag, overslag en bewerking van bouw- en sloopafval en verontreinigde grond van [A] B.V. aan de [a-straat 1] te Amsterdam, zoals bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

Binnen de inrichting wordt bouw- en sloopafval, zand, grind, steenslag, teerhoudend asfaltgranulaat en verontreinigde grond op- en overgeslagen. Eventueel wordt de steenachtige fractie van bouw- en sloopafval bewerkt (gezeefd en gebroken). De inrichting valt onder categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

Op 24 april 2008 hebben wij een brief ontvangen van [A] B.V. waarin zij aangeeft de activiteiten aan de [a-straat 1] te beëindigen en de inrichting per 23 mei 2008 over te dragen aan [verdachte], Ankerstraat 16 te Amsterdam.

(dossierpagina 678)

Wij hebben de volgende beschikkingen voor deze inrichting afgegeven:

- bij beschikking van 14 juni 2006, nr. B01.3262 DMB 2006, hebben wij een Oprichtingsvergunning ingevolge artikel 8.1, lid 1, Wet milieubeheer afgegeven. Deze vergunning heeft een looptijd tot en met 26 juli 2006 en is verleend aan [A] B.V.

(dossierpagina 682 en 683)

Burgemeester en Wethouders van Amsterdam besluiten aan [verdachte] te Amsterdam de gevraagde veranderingsvergunning voor een inrichting voor de opslag, overslag en bewerking van bouw- en sloopafval en verontreinigde grond, gelegen aan de [a-straat 1] te Amsterdam te verlenen.

(dossierpagina 685 en 686)

A. Acceptatie

15. Verontreinigde grond mag uitsluitend worden geaccepteerd en opgeslagen of overgeslagen indien de partij reinigbaar is. Verontreinigde grond mag niet binnen de inrichting worden be- of verwerkt.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 75 en 76 van het proces-verbaal, dossiernummer PL2600 2009034516) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:

In de periode van 10 augustus 2009 tot en met 30 november 2009 is door de Programmadirectie Ruimte voor de rivieren van Rijkswaterstaat aan een aannemingsbedrijf de opdracht gegeven om een project uit te voeren. Dit project gaat over het verlagen van 100 kribben in de rivier de Waal.

Bij het verlagen van de eerste 70 kribben in de rivier de Waal is het vrijgekomen verontreinigde zand door de aannemer namens de opdrachtgever ontdaan. Door de firma Sent One B.V. is een nieuwe ontvanger benaderd. De nieuwe ontvanger van het zand werd [verdachte] te Amsterdam. Vanaf 7 oktober 2009 tot 9 november 2009 heeft [verdachte] een aantal afvaltransporten ontvangen.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 314 e.v. van het proces-verbaal, dossiernummer PL2600 2009034516) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:

Gezocht werd naar een op grond van de Wet milieubeheer vergunde inrichting die het zand mocht ontvangen. Er werd besloten om het zand af te voeren naar [verdachte], gevestigd aan de [a-straat 1] te Amsterdam. Het transport van het afvalzand naar [verdachte] werd op 8 oktober 2009 hervat. Bij [verdachte] werd zand aangevoerd vanaf de kribben en opgeslagen.

Het totaal aan grond dat naar [verdachte] werd vervoerd, ligt tussen de 64.768 ton en 69.370 ton. Die grond werd samengebracht in vier deelpartijen die op het terrein werden opgeslagen en gekeurd (DP1 [verdachte] Amsterdam P2009-2517, DP2 [verdachte] Amsterdam P2009-2664, DP3 [verdachte] Amsterdam P2009-2674 en DP4 [verdachte] Amsterdam P2009-2757).

Deze partijen zijn gekeurd door Certicon Kwaliteitskeuringen B.V. De genoemde keuringen zijn uitgevoerd op het terrein van [verdachte] Door vermenging van grond van verschillende milieuhygiënische kwaliteit is de gemiddelde kwaliteit van de grond na analyse uitgekomen op “klasse industrie”. Het effect van het mengen kan niet meer worden teruggedraaid omdat het zand ook werd gezeefd en daardoor volledig vermengd.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 421 van het proces-verbaal, dossiernummer PL2600 2009034516) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1]:

Vanaf februari 2008 werk ik als directeur vestigingen bij [verdachte] U vraagt mij naar het kribbenzand. Het kan goed zijn dat er zand van verschillende milieuhygiënische samenstelling bij elkaar is gevoegd. In het begin werd het zand direct afgevoerd, zonder dat wij daar een bewerking aan deden. Op een bepaald moment veranderde de bestemming van het zand en moesten de brokken steen uit het zand gehaald worden. Om dit voor elkaar te krijgen, werd er op onze locatie te Amsterdam op de vork van een heftruck een metalen rooster gemaakt. Onder de vork van de heftruck werd de laadbak van de vrachtwagen geparkeerd. Het zand zakte door het rooster in de laadbak van de vrachtwagen en de brokken rolden van het rooster af.

5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering (als bijlage op p. 640 van het proces-verbaal, dossiernummer PL2600 2009034516), te weten een door [betrokkene 1] namens verdachte gestuurde brief aan Sent One B.V., voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:

Sent One B.V.

[…]

Onderwerp:

Project Kribverlaging Waal

Bevestiging acceptatie vrijkomende afvalstoffen

Hierbij bevestigen wij dat wij de ca. 100.000 ton zand uit project Kribbenverlaging Waal op onze locatie te Amsterdam kunnen lossen en tijdelijk kunnen opslaan zodat deze gekeurd kan worden.

Wij gaan ervan uit dat de milieuhygiënische kwaliteit van het zand ligt van schoon zand (AW2000) tot categorie “Wonen” of “Industrie” volgens het Besluit Bodemkwaliteit.

Met vriendelijke groet,

[verdachte]

[betrokkene 1],

Directeur.”

6. Voorts heeft het hof in het bestreden arrest - voor zover voor de bespreking van de middelen van belang - het volgende overwogen:

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het derde en vijfde gedachtestreepje van het onder 1 tenlastegelegde, welke onderdelen zien op overtreding van de vergunningsvoorschriften A15 en G1.

Ten aanzien van vergunningsvoorschrift A15 heeft de raadsman aangevoerd dat het in de tenlastegelegde periode niet duidelijk was wat onder de term “bewerken” moest worden verstaan, nu er in die periode nog geen wettelijke definitie van dit begrip was. Voorts heeft de raadsman betwist dat verdachte opzet heeft gehad op het bewerken van verontreinigde grond. Verdachte ging ervan uit en mocht er ook van uit gaan dat sprake was van schone grond, aldus de raadsman. Op het moment dat uit het door Certicon verrichte onderzoek bleek dat het zand een andere kwaliteit had dan verwacht, is verdachte onmiddellijk gestaakt met het zeven van het zand. De raadsman heeft tevens betoogd dat verdachte niet in strijd met de milieuvergunning heeft gehandeld, nu in deze vergunning is opgenomen dat steenachtig bouw- en sloopafval direct moet worden gezeefd, zodat het puinafval dat in afwachting van verdere bewerking wordt opgeslagen nagenoeg vrij is van fijn materiaal zoals zand en grond. Volgens de raadsman is dit wat verdachte feitelijk heeft gedaan, zodat zij ook om deze reden vrijgesproken moet worden.

(…)

Oordeel van het hof

(…)

Bewezenverklaring ten aanzien van Vergunningsvoorschrift A15 (derde gedachtestreepje)

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder overweegt het hof als volgt.

Bij beschikking van 14 juni 2006 (nr. B01/3262 DMB 2006) is een oprichtingsvergunning ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend aan [A] B.V. Aan verdachte (als rechtsopvolger) is door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam bij besluit van 17 juni 2009 een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend voor het op het perceel [a-straat 1] te Amsterdam in werking hebben van een inrichting voor de opslag, overslag en bewerking van bouw- en sloopafval en verontreinigde grond. Deze vergunning betreft de op- en overslag van bouw- en sloopafval, zand, grind, steenslag, teerhoudend asfaltgranulaat en verontreinigde grond, waarbij steenachtige fracties van bouw- en sloopafval kunnen worden bewerkt (gezeefd en gebroken).

Aan deze vergunning is - onder meer - vergunningsvoorschrift A15 verbonden. Dit voorschrift luidt als volgt:

‘‘Verontreinigde grond mag uitsluitend worden geaccepteerd en opgeslagen of overgeslagen indien de partij reinigbaar is. Verontreinigde grond mag niet binnen de inrichting worden be- of verwerkt.”

In de periode van 7 oktober 2009 tot en met 9 november 2009 heeft verdachte een aantal afvaltransporten ontvangen. Deze afvaltransporten bevatten zand, afkomstig uit kribben in de rivier de Waal. In totaal werd tussen de 64.768 en 69.370 ton zand naar verdachte vervoerd. Die grond werd samengebracht in vier deelpartijen en werd op het terrein van verdachte opgeslagen en gekeurd door Certicon Kwaliteitskeuringen B.V. Uit de verrichte keuringen is gebleken dat, door vermenging van grond van verschillende milieuhygiënische kwaliteit, de gemiddelde kwaliteit van de gekeurde grond valt onder “klasse industrie. Omdat het zand werd gezeefd en daardoor volledig werd vermengd, kon het effect van het mengen niet meer worden teruggedraaid.

De heer [betrokkene 1], directeur vestigingen van verdachte, heeft verklaard dat het zand afkomstig uit de rivier de Waal in het begin direct werd afgevoerd zonder enige bewerking. Op enig moment veranderde de bestemming van het zand en moesten er brokken steen uit het zand worden gehaald. Dat gebeurde met behulp van een metalen rooster. Het zand zakte door het rooster in de laadbak van een vrachtwagen en de brokken rolden van het rooster af, aldus [betrokkene 1].

Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat deze door [betrokkene 1] beschreven handeling kan worden aangemerkt als zeven. Het hof overweegt dat zeven naar normaal spraakgebruik een vorm is van bewerken. Daarbij komt dat uit de aan verdachte verleende milieuvergunning kan worden afgeleid dat zeven en breken vallen onder “bewerken”. In deze vergunning staat immers vermeld: "Eventueel wordt de steenachtige fractie van bouwen sloopafval bewerkt (gezeefd en gebroken).” Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het ook in de tenlastegelegde periode voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat het op voornoemde wijze zeven van het uit de Waal afkomstige zand een vorm van bewerken is zoals bedoeld in de milieuvergunning.

Het hof is ook - evenals de rechtbank - van oordeel dat sprake is van verontreinigde grond zoals bedoeld in vergunningsvoorschrift A15. Uit de keuringen van het uit de rivier de Waal afkomstige en door verdachte bewerkte zand is immers gebleken dat deze grond valt onder “klasse industrie”. Deze aanduiding betekent weliswaar dat de grond toepasbaar is in de industrie maar niet dat het schone grond is. Dit betekent dat het geen schoon zand betrof.

Het zand was dus verontreinigd.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte vergunningsvoorschrift A15 opzettelijk heeft overtreden. Naar het oordeel van het hof kan deze vraag bevestigend worden beantwoord, in die zin dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de overtreding van dit vergunningsvoorschrift. Uit een door [betrokkene 1] namens verdachte gestuurde brief aan Sent One B.V. (dossierpagina 640) blijkt immers dat verdachte ervan uit is gegaan dat de milieuhygiënische kwaliteit van het zand afkomstig uit de Waal ligt van “schoon zand (AW2000) tot categorie “Wonen” of “Industrie” volgens het Besluit bodemkwaliteit”. Daaruit leidt het hof af dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat niet alleen sprake zou zijn van schoon zand, maar ook van zand behorende tot de klassen “wonen” en “industrie” en dus (deels) verontreinigd zand.

Gelet op het voorgaande verklaart het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het bewerken van verontreinigde grond binnen de inrichting. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat verdachte wel degelijk in strijd met de aan haar verleende milieuvergunning heeft gehandeld. Het door verdachte gezeefde zand afkomstig uit de Waal is immers geen steenachtig bouwafval of sloopafval als hiervoor bedoeld, zodat het door de raadsman op dit punt gevoerde verweer niet kan slagen.”

7. Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde ziet op art. 18.18 Wet milieubeheer. Voornoemde bepaling luidde ten tijde van het tenlastegelegde (en ook thans) als volgt:

“Een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing, is verboden.”2

8. Gelet op de feitelijke vaststellingen van het hof luidt vergunningvoorschrift A15 waarop het bewezenverklaarde ziet als volgt:

Verontreinigde grond mag uitsluitend worden geaccepteerd en opgeslagen of overgeslagen indien de partij reinigbaar is. Verontreinigde grond mag niet binnen de inrichting worden be- of verwerkt.”

9. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk in strijd met voorschrift A15 van de aan haar verleende vergunning heeft gehandeld, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat:

“i. zand is bewerkt nadat de vermenging op het terrein van verzoekster had plaatsgevonden.

ii. Zand is bewerkt nadat verzoekster kennis had genomen van de resultaten van het door Certicon uitgevoerde onderzoek.”

10. De toelichting op het middel vertoont enige trekken van napleiten. Mij is niet duidelijk waarom - als het zojuist geciteerde al voor waar moet worden gehouden - hieraan de conclusie moet worden verbonden dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden opgemaakt dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Gelet op de hiervoor onder randnummer 6 weergegeven overwegingen heeft het hof het oordeel dat de verdachte opzettelijk in strijd met voorschrift A15 van de aan haar verleende vergunning handelde doen steunen op een door [betrokkene 1] namens de verdachte gestuurde brief aan Sent One B.V. Daarin wordt te kennen gegeven dat ervan wordt uitgegaan dat de milieuhygiënische kwaliteit van het zand afkomstig uit de Waal van “schoon zand (AW2000) tot categorie “Wonen” of “Industrie” volgens het Besluit bodemkwaliteit” zou zijn (bewijsmiddel 5). Uit deze brief heeft het hof opgemaakt dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard3 dat de vier partijen zand die zij zou ontvangen niet, althans niet alleen, zouden bestaan uit schoon zand en dat zij aldus opzettelijk (in voorwaardelijke zin) in strijd met een voorschrift uit de aan haar verleende vergunning heeft gehandeld. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, zodat het middel reeds hierom tevergeefs is voorgesteld.

11. Het tweede middel klaagt - als ik het goed begrijp, in samenhang met de toelichting daarop - dat het oordeel van het hof dat de verdachte het verontreinigde zand heeft bewerkt zoals onder 1 bewezenverklaard, ontoereikend is gemotiveerd.

11. Het hof zou hebben miskend dat het bewezenverklaarde verontreinigde zand geen bouw- en sloopafval is en daarmee evenmin kan worden vereenzelvigd. Daartoe wordt, kort gezegd, aangevoerd dat door het zeven van zand naar het normale spraakgebruik geen verandering optreedt in de samenstelling ervan, zoals dat met het zeven van steenachtige fracties van bouw- en sloopafval wel het geval is. Het hof zou ten onrechte hebben nagelaten te motiveren waarom de omschrijving die geldt voor bouw- en sloopafval, ook van toepassing is op zand.

11. Bewerken is een nogal ruim begrip. De Dikke Van Dale online geeft als eerste betekenis ‘werk aan iets verrichten om het voor een doel geschikt te maken’. Alleen verplaatsing van een stof zal in het algemeen onvoldoende zijn, maar door bewerking zal de samenstelling van de stof (anders dan bij verwerking) in het algemeen niet wijzigen. Het spitten in grond kan bijvoorbeeld worden aangemerkt als een vorm van bewerken.4

14. De tekst van de Wet milieubeheer bevat geen informatie omtrent een eventuele specifieke betekenis die aan het begrip bewerken (in vergunningvoorschriften) toekomt.5 Elders in het milieurecht komt het begrip bewerken veelvuldig voor, maar een wettelijke definitie ontbreekt.6 De nota van toelichting bij het inmiddels vervallen Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer vermeldt dat (naast wat gangbaar is in het spraakgebruik) onder bewerken kan worden verstaan: “Onder "bewerken" wordt begrepen het uitvoeren van fysische of chemische handelingen met een (grond)stof, halffabrikaat of product om de eigenschappen of samenstelling daarvan te veranderen.”7 Voornoemde nota van toelichting bevat ook een omschrijving van ‘bewerken, verwerken of vernietiging van afvalstoffen’: “Elke behandeling van een afvalstof, waarbij deze een zekere verandering ondergaat. In het algemeen zal bij "bewerken" de afvalstof chemisch gezien niet veranderen, terwijl dat bij "verwerken" in beginsel wel het geval is. "Bewerken, verwerken of vernietigen" wordt ook in het wetsvoorstel Afvalstoffen gebruikt. Hieronder valt dus ook het verbranden van afvalstoffen."8Van deze omschrijvingen wordt ook bij het thans geldende Besluit omgevingsrecht uitgegaan, aldus de website van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.9 Voor “bewerken” is dus in ieder geval niet steeds vereist dat er een chemische verandering optreedt. Het wijzigen van de samenstelling kan onder bewerken vallen, maar is daarvoor niet essentieel. Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat verwerken een stap verder gaat dan bewerken en dat van laatstgenoemde dus eerder sprake is.10

15. Ik noem hier tot slot nog de Beoordelingsrichtlijn (BRL SIKB 7500) Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie (de Beoordelingsrichtlijn), waarop ook door de verdediging in feitelijk aanleg is gewezen.11 De Beoordelingsrichtlijn bevatte ten tijde van het tenlastegelegde (en ook thans) een omschrijving van bewerken:

“veranderen van de aard of hoedanigheid van de afvalstof door het behandelen met fysisch, chemische of biologische methoden voor nuttige toepassing of verwijdering;”12

16. Ten tijde van het tenlastegelegde vermeldde de Beoordelingsrichtlijn niets over zeven. In latere versies wordt het zeven van (ernstig verontreinigde) grond/baggerspecie wel genoemd:

Onder deze BRL valt de bewerking van grondstromen voor zover deze zijn gericht op een verbetering van de milieuhygiënische kwaliteit. Ook rijping en ontwatering van baggerspecie alsmede het (droog) zeven van ernstig verontreinigde grond/baggerspecie, worden als “bewerken” aangemerkt en vormen een certificerings- en erkenningsplichtige activiteit.

Opmerking:

De term “ernstig verontreinigd” moet in het licht van het bovenstaande worden gelezen als een zodanige samenstelling dat (direct) hergebruik overeenkomstig de eisen uit Bbk/Rbk niet mogelijk is.” 13

17. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat ‘zeven’ naar normaal spraakgebruik een vorm van bewerken is.14 Dat oordeel acht ik in het licht van wat ik hiervoor opmerkte onjuist noch onbegrijpelijk. Anders dan kennelijk de steller van het middel meent, is voor het bewerken van grond niet zonder meer bepalend of het ‘zeven’ van de verontreinigde grond tot verandering van de grond heeft geleid. De samenstelling van het (verontreinigde) zand is er natuurlijk niet door veranderd, maar het verdachte bedrijf heeft - naar in het oordeel van het hof ligt besloten - bij het verwijderen van grote brokken steen uit het zand kennelijk een doel voor ogen gehad. Dat past naadloos bij bewerken in het normale spraakgebruik, zoals dat ook is neergelegd in de Dikke Van Dale, en staat niet op gespannen voet met de uitleg die elders in het milieurecht aan het begrip bewerken wordt gegeven.

18. Er wordt nog geklaagd over de verwijzing naar de bewoordingen in de vergunning van de verdachte, inhoudende “Eventueel wordt de steenachtige fractie van bouwen sloopafval bewerkt (gezeefd en gebroken)”. De steller van het middel leest die bewoordingen kennelijk zo dat de betekenis van het begrip bewerken in de vergunning is beperkt tot en naar ik begrijp daardoor slechts exclusief geldt voor steenachtige fracties van bouw- en sloopafval. Ik volg die opvatting niet. Als het begrip bewerken in de vergunning wordt geïllustreerd aan de hand van (het zeven en breken) van) steenachtige fracties van bouw- en sloopafval sluit dat niet uit dat het begrip bewerken bij grond of zand een soortgelijke of zelfs dezelfde betekenis (zeven) heeft. De motivering van het hof is ook in zoverre niet onbegrijpelijk.

18. Het tweede middel faalt eveneens.

18. De middelen falen en het eerste middel kan in ieder geval worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het arrest bevat als uitspraak tevens hier verder niet relevante partiële nietigverklaring van de dagvaarding.

2 Overtreding van art. 18.18 Wet milieubeheer levert op grond van art. 1a, onder 1, jo. art. 2, eerste lid, Wet op de economische delicten een misdrijf op voor zover zij opzettelijk is begaan (zoals hier tenlastegelegd en bewezenverklaard), en voor zover zij niet opzettelijk is begaan is sprake van een overtreding.

3 Zie voor het criterium nog onlangs HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718.

4 Vgl. (civiele kamer) HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008, NJ 2008/355 ([…]/[…]).

5 ‘Bewerken’ komt in de Wet milieubeheer enkel terug in de definitie van ‘recycling’.

6 Zie bijvoorbeeld de Circulaire bodemsanering, par. 4.1.2 (Stcrt. 2013, 16675). waaruit valt op te maken dat onder ‘bewerken’ in elk geval ‘zeven’ valt.

7 Nota van toelichting bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, Stb. 1993, 50, p. 94, onder c.2.

8 Nota van toelichting bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, Stb. 1993, 50, p. 95, onder c.5.

9 https://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/activiteitenbesluit/toelichting-bor/definities/definities/activiteitenbesluit-2/.

10 In de onderhavige zaak heeft het hof de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde ‘verwerken’ en is tot een bewezenverklaring gekomen van het ‘bewerken’ van verontreinigd zand.

11 De meest recente versie van de Beoordelingsrichtlijn is van 17 april 2014 (versie 4.0). Daarvoor gold versie 3.1 van 17 juni 2010. Ten tijde van het tenlastegelegde gold versie 3.0 van 17 juni 2009. Op 28 februari 2018 is versie 5.0 vastgesteld. Laatstgenoemde versie is evenwel nog niet in werking getreden.

12 Beoordelingsrichtlijn, p. 9 (versie 3.0, 2009) Zie p. 10 van de versies 3.1 (2010) en 4.0 (2014). Zie tevens p. 8 van de nog niet in werking getreden versie 5.0 (2018). Zie voor de betekenis van het begrip “nuttige toepassing”: F.C.M.A. Michiels, de Wet milieubeheer, Deventer: Kluwer 2005 (vierde druk), p. 121-122. Kort gezegd gaat het bij nuttige toepassing om producthergebruik en materiaalhergebruik.

13 Beoordelingsrichtlijn, p. 3 van de versies 4.0 (2014) en 3.1 (2010). Zie tevens p. 8 van de nog niet in werking getreden versie 5.0 (2018), die op dit punt enkele belangrijke wijzigingen bevat. Laatstgenoemde versie vermeldt dat het bewerken van grond voor zover uitsluitend gericht op (onder meer) “hergebruiksgrond (zoals het zeven van instructie-grond, ongeacht het oogmerk om de kwaliteit te verbeteren (tot Wonen of AW), vallen buiten de reikwijdte van de erkenningsplicht”.

14 Hetgeen in overeenstemming is met de rechtspraak van de Hoge Raad in het geval dat een wettelijke definitie ontbreekt. Vgl. HR 15 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6876, NJ 2003/82 en HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6729, NJ 2012/616. In beide zaken ging het om de vraag of het hof een juiste uitleg had gegeven aan het begrip ‘bewerken’ zoals deze voorkomt in de Opiumwet. De Hoge Raad overweegt in beide zaken dat de term bewerken - in aanmerking genomen dat noch de tekst van de Opiumwet noch de geschiedenis van die wet iets inhoudt omtrent een aan die term toe te kennen specifieke betekenis - is te verstaan in de betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik toekomt.