Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:141

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
17/01393
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:537, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Procesrecht. Regresvordering erfgenaam op mede-erfgenamen, art. 6:10 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 17/01393

mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 9 februari 2018

Conclusie inzake:

1. [eiser 1]

2. [eiseres 2]

3. [eiseres 3]

4. [eiseres 4]

eisers tot cassatie

adv.: mr. J. van Weerden

tegen

[verweerder]

verweerder in cassatie

adv.: mrs. M.S. van der Keur en R.L. Bakels

Partijen in deze erfrechtzaak (hierna: [eisers] respectievelijk [verweerder] ) zijn erfgenamen in de nalatenschap van hun vader. Centraal staat de vraag of [verweerder] een regresvordering heeft op zijn mede-erfgenamen uit hoofde van de voldoening van een schuld die verband houdt met het door de erfgenamen voortgezette bedrijf van erflater. Het hof heeft geoordeeld dat de betaling betrekking had op een reeds ten tijde van het overlijden van erflater bestaande boedelschuld en heeft de regresvordering toegewezen. In cassatie wordt geklaagd dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan het verweer van de overige erfgenamen dat de boedelschuld ten tijde van de voldoening ervan inmiddels was omgezet in een eigen schuld van [verweerder] .

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie zijn de volgende feiten van belang:1

(i) [verweerder] is een broer van [eisers] De vader van partijen (hierna ook: erflater) dreef bij leven een reisbureau in de vorm van een eenmanszaak, met filialen in Utrecht, Rotterdam en Amsterdam.

(ii) Na het overlijden van erflater op 10 november 1993 zijn de filialen in Amsterdam en Rotterdam voortgezet, het filiaal in Amsterdam door [verweerder] en het filiaal in Rotterdam door (sommigen van) [eisers]

(iii) Bij een, in een andere procedure gewezen, vonnis van 22 april 19982 zijn partijen3 hoofdelijk veroordeeld tot betaling van hfl. 498.601,64 met rente aan een schuldeiser van het reisbureau, [A] BV (hierna: [A] ).

(iv) Bij brief van 1 juli 19984 heeft [verweerder] aan de gemachtigde gerechtsdeurwaarder van [A] meegedeeld – voor zover relevant – :

“(...) Inmiddels heeft zich echter het volgende afgespeeld. Na lang getouwtrek zijn de overige erfgenamen ermee accoord gegaan, dat ik het gehele bedrijf van [B] met alle lusten en lasten overneem. Zij doen dus afstand van hun rechten en plichten en laten aan mij de zaak om deze naar mijn eigen bevinding te voeren.”

(v) [verweerder] en zijn echtgenote hebben, nadat [A] beslag op hun woning had gelegd, in 1998 en 1999 in totaal hfl. 245.000,= op de vordering aan [A] betaald.

(vi) De rest van de vordering van [A] is voldaan uit de opbrengst van de executieveiling van een pand aan de Nassaukade in Amsterdam, dat tot de boedel behoorde.

(vii) De moeder van partijen is in 2004 overleden.

(viii) De boedel van vader (en moeder) is nog niet verdeeld.

1.2

Bij inleidende dagvaarding van 19 oktober 2011 heeft [verweerder] gevorderd dat (onder anderen) [eisers] ieder worden veroordeeld tot betaling van € 29.654,89, vermeerderd met rente en kosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

Hij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het door hem aan [A] betaalde bedrag een boedelschuld betrof en dat hij uit dien hoofde een regresvordering heeft op de overige erfgenamen.

1.3

Bij tussenvonnis van 4 januari 2012 heeft de rechtbank Amsterdam een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft plaatsgevonden op 2 april 2012.

1.4

Bij eindvonnis van 8 augustus 2012 heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het beroep van thans eiser tot cassatie sub 1 op verjaring gehonoreerd (rov. 4.8). Tegen thans eisers tot cassatie sub 2-4 heeft de rechtbank verstek verleend. Met betrekking tot de tegen hen gerichte vorderingen heeft de rechtbank overwogen dat het (gezien o.m. de brief van 1 juli 1998) op de weg van [verweerder] had gelegen om zijn stelling aan te tonen dat de vordering van [A] een boedelschuld was en dat, nu hij dit heeft nagelaten, de vordering als te vaag en onvoldoende onderbouwd ongegrond voorkomt (rov. 4.9).

Daarop heeft de rechtbank de vorderingen tegen [eisers] afgewezen.

1.5

[verweerder] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam met conclusie dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, het bestreden vonnis vernietigt en zijn oorspronkelijke vorderingen alsnog toewijst.

1.6

[eisers] hebben verweer gevoerd. Op 4 november 2013 hebben de pleidooien plaatsgevonden.

1.7

Bij (eerste) tussenarrest van 17 december 20135 heeft het hof naar aanleiding van het verweer van [eisers] dat de vordering is verjaard onder meer als volgt overwogen:

“3.3.1 Het hof is, met (…) [eisers] , van oordeel dat art. 3:315 BW hier toepassing mist. Dit artikel ziet op de “opeising van een nalatenschap”. Daarvan is in casu geen sprake. Het gaat niet om een vordering in het kader van vereffening of verdeling van de boedel, te weten de nalatenschap van erflater; tussen partijen staat vast dat daarvan tot dusver geen sprake is.

Het betreft hier een regresvordering als bedoeld in art. 6:10 BW.”

Het hof heeft [verweerder] vervolgens toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij – kort gezegd – de verjaring heeft gestuit en heeft iedere verdere beslissing aangehouden. Het hof heeft voor het geval dat [verweerder] in het bewijs zou slagen het volgende overwogen:

“3.6 (…) Dat betekent, dat de centrale vraag die hen verdeeld houdt, te weten of de betalingen van [verweerder] zagen op een (gemeenschappelijke) boedelschuld of op een eigen schuld van hem in het kader van zijn bedrijfsvoering en dus los van de boedel, in dit geding beantwoord zal moeten worden. (...) ”

1.8

Nadat bewijslevering had plaatsgevonden, heeft het hof bij (tweede) tussenarrest van 31 maart 20156 vooropgesteld:

“2.1 Inzet van de procedure is een regresvordering van [verweerder] op (.) [eisers] in verband met een betaling van hfl. 245.000,= aan [A] in 1999. [verweerder] stelt daartoe, zeer kort samengevat, dat deze betaling ziet op de onverdeelde boedel van de vader van partijen (...), en (.) [eisers] betwisten dat.”

Het hof is vervolgens tot het oordeel gekomen dat [verweerder] is geslaagd in het hem opgedragen bewijs dat de verjaring jegens [eisers] is gestuit (rov. 2.2-2.4.6).

Het hof heeft daarop vastgesteld dat de in rov. 3.6 van het tussenarrest van 17 december 2013 geformuleerde centrale vraag voorligt (rov. 2.5) en te dien aanzien als volgt overwogen:

“2.5 (…) Op dit punt is in appel geen serieus partijdebat gevoerd, maar in eerste aanleg is dat wel ter sprake geweest. Zo heeft [verweerder] op de comparitie gezegd dat het reisbureau (…) een rekening-courantverhouding met [A] had, die is doorgelopen nadat (erflater) was overleden en [verweerder] de bedrijfsvoering had voortgezet. Hoewel dus op zich juist is dat er (ook) een schuld aan [A] is ontstaan in de periode dat [verweerder] , onbetwist, de onderneming voor eigen rekening en risico dreef, was het uiteindelijk aan [A] betaalde bedrag in elk geval deels het gevolg van een schuld die al ten tijde van het overlijden van (erflater) in 1993 bestond (en waarop, in het kader van de rekening-courant, betalingen door [verweerder] zijn afgeboekt), zo begrijpt het hof de stellingen van [verweerder] . (…) [eisers] heeft daartegenover aangevoerd dat in het vonnis van 1998 is vastgesteld dat het ging om facturen van [A] van maart 1995 en later, dus ruim na het overlijden van (erflater). (…)”

Het hof heeft geoordeeld dat op [verweerder] de bewijslast rust van zijn stellingen en heeft de zaak naar de rol verwezen om [verweerder] in de gelegenheid te stellen tot het nemen van een akte en het in het geding brengen van bewijsstukken waaruit blijkt dat ten tijde van het overlijden van erflater een rekening-courantschuld aan [A] bestond, die is voortgezet door [verweerder] . Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden. Het heeft vooruitlopend op de bewijslevering nog als volgt overwogen:

“2.7 Als [verweerder] in dat bewijs slaagt moet, tot het beloop van de ten tijde van het overlijden bestaande, schuld worden aangenomen dat de betaling aan [A] een betaling van een boedelschuld was, waarvoor [verweerder] verhaal, naar rato van ieders interne draagplicht, op (…) [eisers] (…) toekomt. (…)

Als [verweerder] in dat bewijs niet slaagt moet het ervoor gehouden worden dat de door hem betaalde facturen van [A] betrekking hadden op de door hem, na het overlijden van zijn vader, voor eigen rekening en risico voortgezette onderneming. Deze schuld gaat (…) [eisers] als overige hoofdelijke schuldenaren dan in het geheel niet aan, met als gevolg dat de interne draagplicht volledig op [verweerder] rust.

Dat, kennelijk, de boedel van vader (en moeder) nog steeds niet is verdeeld en afgewikkeld staat daaraan niet in de weg, ook niet als zich in die boedel andere schulden van de onderneming bevinden. Deze vordering ex art. 6:10 BW ziet immers uitdrukkelijk (en alleen) op de betalingen aan [A] .

(…)”

1.9

Bij (derde) tussenarrest van 16 februari 20167 heeft het hof [verweerder] in de gelegenheid gesteld tot nadere bewijslevering, een getuigenverhoor bevolen en iedere verdere beslissing aangehouden.

1.10

Nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden, heeft het hof bij eindarrest van 20 december 20168 geoordeeld dat [verweerder] is geslaagd in zijn bewijslevering (rov. 2.7) en heeft het, voor zover in cassatie van belang, het vonnis waarvan beroep vernietigd en opnieuw rechtdoende [eisers] ieder afzonderlijk veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van € 15.882,31 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 juli 2001, uitvoerbaar bij voorraad.

1.11

[eisers] hebben tijdig9 beroep in cassatie ingesteld tegen het eindarrest van het hof. [verweerder] heeft verweer gevoerd met verzoek tot verwerping en vermeerdering van de hem toekomende proceskostenveroordeling met wettelijke rente. Partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht, waarna [eisers] hebben gerepliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet het verweer van [eisers] heeft besproken dat de schuld (bedoeld zal zijn: de vordering) van [A] op de erfgenamen vanaf in elk geval 1 juli 1998 (de datum van de als productie 2 bij MvA overgelegde brief van [verweerder] ) is omgezet in een schuld die alleen [verweerder] aangaat; althans zou het oordeel van het hof daarom onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd zijn. Het middel is uitgewerkt in drie onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 klaagt dat het hof, door genoemd verweer onbesproken te laten, heeft gehandeld in strijd met art. 24 Rv. Volgens onderdeel 2 heeft het hof miskend dat het krachtens de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel gehouden was genoemd verweer te bespreken. Onderdeel 3 klaagt dat het hof zich buiten de grenzen van de rechtsstrijd heeft begeven, dan wel een onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven, doordat het – zo begrijp ik – partijen niet is gevolgd in hun eensluidende interpretatie van het (op de brief van 1 juli 1998 gebaseerde10) verweer van [eisers]

2.3

Het middel verwijst daartoe naar een aantal vindplaatsen in de gedingstukken waar stellingen worden aangetroffen van de strekking dat, naar [verweerder] bij brief van 1 juli 1998 aan de gemachtigde van [A] zou hebben bevestigd, hij met de overige erfgenamen een partiële verdeling van de nalatenschap is overeengekomen, inhoudende dat de onderneming van erflater met alle bestaande en toekomstige lusten en lasten aan hem is toegedeeld. Daardoor zou de schuld van de erfgenamen aan [A] (vóór de uiteindelijke voldoening in 1999) zijn omgezet in een eigen schuld van [verweerder] .11 Het gaat onder meer om de volgende passages:

“Bij brief van 1 juli 1998 heeft appellant de gemachtigde van [A] (...) als volgt bericht:

“Na lang getouwtrek zijn de overige erfgenamen ermee accoord gegaan, dat ik het gehele bedrijf van [B] met alle lusten en lasten overneem. Zij doen dus afstand van hun rechten en plichten en laten aan mij de zaak om deze naar mijn eigen bevinding te voeren.” (MvA sub G, met verwijzing naar prod. 2)

“Zoals eerder gesteld (...) heeft eiser bij brief van 1 juli 1998 bevestigd, dat hij met de overige erfgenamen (...) is overeengekomen dat het gehele bedrijf [B] met alle lusten en lasten aan hem wordt toebedeeld. Gegeven deze feiten en omstandigheden is de schuld van [A] op de erfgenamen vanaf in elk geval 1 juli 1998, dit is de datum van de hierboven aangehaalde brief van eiser, omgezet in een schuld die alleen eiser aangaat. Op of omstreeks 1 juli 1998 zijn immers alle rechten en verplichtingen van [B] op hem overgegaan.” (CvA nr. 13)

“(...) Op een gegeven moment is gezamenlijk besloten om tot een partiële verdeling over te gaan. Dit heeft ertoe geleid dat de onderneming aan [verweerder] is toegedeeld. De brief van 1 juli 1998 van [verweerder] ziet daarop. Onder de 'lusten en de lasten' wordt verstaan dat T.(.) Premdani de opvolger onder algemene titel was.” (p-v van comparitie d.d. 2 april 2012, p. 5)

“Dat partijen destijds een partiële scheiding en deling van de nalatenschap van erflater zijn overeengekomen, inhoudende de toedeling van [B] met alle op het moment van toedeling bestaande rechten en verplichtingen blijkt ook uit het feit, dat appellant nimmer rekening en verantwoording heeft afgelegd en dat ook niet behoeft te doen. Hij is immers sinds (in elk geval) 1 juli 1998 enig rechthebbende op dat bedrijf.” (MvA nr. 10)

2.4

Het middel kan reeds niet tot cassatie leiden, omdat in cassatie niet is opgekomen tegen de hierboven onder 1.8 geciteerde rov. 2.7 van het tussenarrest van 31 maart 2015, waarin het hof een oordeel heeft gegeven over de gevolgen die het verbindt aan het al dan niet slagen van de aan [verweerder] gegeven bewijsopdracht. Het hof heeft in die rechtsoverweging, gelezen in onderlinge samenhang met rov. 2.512, geoordeeld dat indien [verweerder] slaagt in het bewijs dat het aan [A] betaalde bedrag in elk geval deels het gevolg was van een schuld die al ten tijde van het overlijden van erflater in 1993 bestond, tot het beloop van de ten tijde van het overlijden bestaande schuld moet worden aangenomen dat de betaling aan [A] een betaling van een boedelschuld was, waarvoor [verweerder] , naar rato van ieders draagplicht, verhaal op [eisers] toekomt. Nu tegen deze bindende eindbeslissing13 in cassatie niet is opgekomen, moet in cassatie van dit oordeel worden uitgegaan.14 Het hof heeft vervolgens, eveneens in cassatie onbestreden, in het eindarrest geoordeeld dat [verweerder] is geslaagd in het hem opgedragen bewijs, en heeft – in lijn met zijn oordeel in rov. 2.7 van het tussenarrest van 31 maart 2015 – de vordering jegens [eisers] toegewezen. Hierop stuiten de klachten van het middel af.

2.5

Ten overvloede merk ik op dat het middel met zijn klacht dat het hof niet is ingegaan op het verweer van [eisers] dat, in ieder geval met ingang van 1 juli 1998, een partiële verdeling van de nalatenschap heeft plaatsgevonden, voorts feitelijke grondslag mist. Het hof heeft immers in het (eerste) tussenarrest van 17 december 2013 als vaststaand feit aangemerkt (rov. 215) en vervolgens als vaststaand tot uitgangspunt genomen (rov. 3.3.116) dat de boedel, te weten de nalatenschap van erflater, nog niet is verdeeld. In het (tweede) tussenarrest van 31 maart 2015 heeft het hof vervolgens overwogen dat de boedel van vader (en moeder) kennelijk nog steeds niet is verdeeld en afgewikkeld (rov. 2.717). In deze oordelen van het hof, waartegen in cassatie niet wordt opgekomen, ligt besloten dat het hof het (door [verweerder] bestreden18) standpunt van [eisers] dat de nalatenschap partieel is verdeeld, heeft verworpen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 2 van het tussenarrest van het hof Amsterdam van 17 december 2013 i.v.m. rov. 2.5 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2012. Zie voorts rov. 2.1 van het eindarrest van 20 december 2016.

2 Prod. 1 bij inleidende dagvaarding.

3 Samen met twee broers die in onderhavige procedure in cassatie geen partij meer zijn. In eerste aanleg heeft de rechtbank [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering jegens [betrokkene 1], omdat op onderhavige vordering jegens hem reeds bij onherroepelijk vonnis van 31 maart 2004 is beslist. In zijn tussenarrest van 31 maart 2015 heeft het hof geoordeeld dat de vordering van [verweerder] jegens [betrokkene 2] is verjaard.

4 Prod. 15 bij MvG; prod. 2 bij MvA.

5 ECLI:NL:GHAMS:2013:4677.

6 ECLI:NL:GHAMS:2015:1196.

7 ECLI:NL:GHAMS:2016:498.

8 ECLI:NL:GHAMS:2016:5468.

9 De procesinleiding is op 20 maart 2017 ingediend.

10 Vgl. procesinleiding p. 7 (onder ‘Slotsom’), en repliek in cassatie nr. 11.

11 In het middel (en de s.t.) wordt verwezen naar CvA nr. 13; p-v van comparitie d.d. 2 april 2012, p. 5; MvA sub G, J en nrs. 7 t/m 12.

12 Aangehaald hiervoor onder 1.8.

13 Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/155, onder verwijzing naar HR 21 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0289, NJ 1991/710.

14 Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/154.

15 Aangehaald hiervoor onder 1.1-(viii).

16 Aangehaald hiervoor onder 1.7.

17 Aangehaald hiervoor onder 1.8.

18 Zie o.m. pleidooi zijdens appellant d.d. 4 november 2013 nr. 7.