Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1404

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-11-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
17/02859
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2338
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging, art. 141 Sr. Vordering b.p. en schadevergoedingsmaatregel, art. 51.1 Sv en 36f Sr. Reiskosten aangemerkt als rechtstreekse schade i.p.v. als proceskosten. Belang bij cassatie? Hof heeft ten onrechte bedrag van € 8,70 te vermeerderen met wettelijke rente als schadevergoeding toegewezen aan b.p. Het gaat om reiskosten naar advocaat die b.p. heeft gemaakt, die niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten waaromtrent rechter ex art. 592a Sv in daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven (vgl. ECLI:NL:HR:2017:653). Dit behoeft niet tot cassatie te leiden. Hof had ex art. 592a Sv verdachte moeten veroordelen in kosten door b.p. gemaakt, begroot op € 8,70. Vernietiging van bestreden beslissing heeft niet tot gevolg dat verdachte dit bedrag, waarvan hoogte niet is betwist, niet zou behoeven te betalen; hij zou dit bedrag dan verschuldigd worden door zijn veroordeling in die kosten. In de schriftuur is niet aangevoerd welk bijzonder belang verdachte heeft bij vernietiging op dit punt. In deze omstandigheden, waarin vernietiging geen invloed heeft op duur van vervangende hechtenis die aan de schadevergoedingsmaatregel is verbonden, valt niet in te zien welk rechtens te respecteren belang verdachte heeft bij vernietiging van bestreden uitspraak. Dat verdachte dan niet de wettelijke rente verschuldigd zou zijn over bedrag van € 8,70 maakt dat niet anders. Volgt verwerping. CAG (anders): strekt tot vernietiging t.a.v. vordering b.p. en schadevergoedingsmaatregel en tot afdoening door HR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02859

Zitting: 6 november 2018

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 2 mei 2017 het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2016 bevestigd, behalve ten aanzien van de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij en tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Bij dat vonnis is de verdachte wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek. Het hof heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij en in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals hieronder aan de orde komt.

  2. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld. Mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt op tegen de motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel.

  4. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2017 houdt in dat de voorzitter meedeelt dat de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw gevoegd heeft voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Als standpunt van de verdediging over de vordering van de benadeelde partij is daarin uitsluitend vermeld: “De raadsman verzoekt het hof voorts de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.”

  5. Het arrest van het hof houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – in:

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.418,28. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 338,28. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 638,28, bestaande uit:

- immateriële schade € 300,00

- jas € 150,00

- telefoon € 150,00

- reiskosten € 38,28

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

(…)

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij alsmede de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 638,28 (zeshonderdachtendertig euro en achtentwintig cent) bestaande uit € 338,28 (driehonderdachtendertig euro en achtentwintig cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeven van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 638,28 (zeshonderdachtendertig euro en achtentwintig cent) bestaande uit € 338,28 (driehonderdachtendertig euro en achtentwintig cent) materiële schade en € 300,00 (driehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”

6. Vooropgesteld dient te worden dat ingevolge art. 51f Sv degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit zich als benadeelde partij in het strafproces kan voegen. Van rechtstreekse schade is sprake indien een persoon is getroffen in het belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.1 Reiskosten die worden gemaakt in het kader van de vorderingsprocedure kunnen echter, net zoals kosten van rechtsbijstand,2 niet als zodanige rechtstreekse schade worden aangemerkt.3 Daaruit volgt dat dergelijke proceskosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr.4 Indien een benadeelde partij proceskosten als onderdeel van schade in de zin van art. 51f Sv vordert, dient zij in zoverre ingevolge art. 361, tweede lid, Sv in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.5 Reiskosten die in het kader van de vorderingsprocedure worden gemaakt komen echter wel in aanmerking voor vergoeding in het kader van proceskosten in de zin van art. 592a Sv,6 waaromtrent de rechter een afzonderlijke beslissing dient te nemen, die ingevolge art. 361, zesde lid, Sv afzonderlijk in de uitspraak moet worden opgenomen.7

7. Uit (de toelichting op) het middel komt naar voren dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij niet toereikend is gemotiveerd omdat het hof daarbij materiele kosten in de vorm van reiskosten (vermeerderd met wettelijke rente), in het bijzonder betreffende reiskosten van zijn huis naar zijn advocaat (en retour) in aanmerking heeft genomen.

8. Uit het voegingsformulier, dat zich op voet van art. 434, eerste lid, Sv bij de stukken in cassatie bevindt, blijkt dat onder meer een bedrag van € 38,28, aan reiskosten als schadepost is opgevoerd. De gevorderde reiskosten vallen volgens een als bijlage aan het voegingsformulier gehecht schadeonderbouwingsformulier uiteen in de volgende posten:

- drie keer van huis naar het politiebureau Waddenweg a (15km x 3 =) 45 km.

- drie keer van huis naar het BovenIJ ziekenhuis (19 x 3 =) 57 km.

- drie keer van huis naar kantoor advocaat (10 x 3 =) 30 km.

In totaal is verreden 132 km x € 0,29 = € 38,28.

De vergoeding per kilometer is gebaseerd op als bijlage 7 aangehechte Letselschaderichtlijnen van de letselschaderaad.

9. Het hof heeft kennelijk de vordering ter zake reiskosten naar het kantoor van de advocaat van de benadeelde partij geheel toegewezen. Dat komt neer op (30 km x € 0,29=) € 8,70. Door het totaal aan gevorderde reiskosten toe te wijzen, heeft het hof de reiskosten naar het kantoor van de advocaat kennelijk als rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51f Sv aangemerkt. Bovendien heeft het hof die kosten in aanmerking genomen bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr. Daarmee heeft het hof miskend dat reiskosten die in het kader van de vorderingsprocedure zijn gemaakt niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade, dan wel is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Daaruit vloeit voort dat het oordeel van het hof eveneens niet zonder meer begrijpelijk is voor zover het betreft de vaststelling van de wettelijke rente.8

10. Het middel is gegrond. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu de reiskosten in hoger beroep niet gemotiveerd zijn betwist. Volstaan is in hoger beroep immers met de blote mededeling dat de (zeer uitvoerig en helder toegelichte) vordering dient te worden afgewezen. Gelet daarop kan de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen.9

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

11. Deze conclusie strekt ertoe het bestreden arrest voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel te vernietigen, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding voor zover deze betreft de reiskosten die de benadeelde partij in het kader van zijn vorderingsprocedure heeft gemaakt, de verdachte te verwijzen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, te weten € 8,70 ter zake van reiskosten, en die zij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, de vordering tot schadevergoeding aan de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 629.58, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, de verdachte voor genoemd bedrag de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij, van een bedrag van € 629.58, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis, te bepalen dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan en zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 11.

2 HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801. Zie in dit verband M.J. Borgers, Recente rechtspraak over de schadevergoedingsmaatregel en de voeging van de benadeelde partij: het vereiste van rechtstreekse schade, proceskosten en hoofdelijkheid, DD 2003, 4, p. 451-452, die een onderscheid maakt tussen kosten van rechtsbijstand als proceskosten en buitengerechtelijke kosten.

3 Vgl. HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:905, rov. 2.3 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (PHR:2018:290) onder 3.5. Overigens meen ik dat onder omstandigheden reiskosten mogelijk als rechtstreekse schade zijn aan te merken, bijvoorbeeld indien een benadeelde partij naar aanleiding van een (zware) mishandeling reiskosten moet maken voor medische hulp. In dergelijke gevallen worden de reiskosten niet in het kader van de vorderingsprocedure gemaakt, maar vloeien deze voort uit het bewezen verklaarde feit. Vgl. (impliciet) de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens (PHR:2018:368) vóór HR 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:956.

4 Zie wat betreft (onder meer) reiskosten HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:905, rov. 2.3. Zie wat betreft kosten van rechtsbijstand HR 21 september 1999, NJ 1999/801, HR 18 april 2000, NJ 2000/413, HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1819, HR 20 maart 2002, NJ 2002/497, HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653 en HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:890.

5 Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653 en de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (PHR:2016:1104) vóór HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:890.

6 Zie WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 592a Sv, aant. 7.2 en (wat betreft verplaatste schade) de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg vóór HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2642.

7 Kamerstukken II 1991-1992, 21 345, nr. 9, p. 8, HR 18 april 2000, NJ 2000/413, rov. 3.1.2 en HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1819 onder 5.9.1-5.9.4 (impliciet) en HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:905.

8 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Aben (PHR:2015:2392) onder punt 26 vóór HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3572.

9 Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1426, rov. 2.4 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga (PHR:2016:607). Zie voorts HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801 en HR 24 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZE0143. Zie tevens de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Fokkens. Ik herhaal in dit verband dat de klacht in cassatie ziet op € 8,70.