Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1403

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-11-2018
Datum publicatie
21-12-2018
Zaaknummer
17/02223
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2359
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbereidingshandelingen plofkraak door o.m. geprepareerd ontstekingsmechanisme (stroomstootwapen) voorhanden te hebben (art. 46 jo. 157.1/311.1 Sr) en voorhanden hebben van datzelfde stroomstootwapen (art. 26.1 WWM). Eendaadse samenloop of meerdaadse samenloop, art. 55.1 en 57 Sr? Belang bij cassatie? ‘s Hofs - uit vermelding van art. 57 Sr blijkende - oordeel dat m.b.t. onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten sprake is van meerdaadse samenloop, is niet z.m. begrijpelijk, in aanmerking genomen dat sprake is van een zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex, terwijl onder 2 bewezenverklaard wapen dat verdachte voorhanden had een van de voorwerpen is waarmee hij onder 1 bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen heeft begaan, te weten voorhanden hebben van geprepareerd ontstekingsmechanisme en strekking van toepasselijke strafbepalingen niet wezenlijk uiteenloopt (vgl. ECLI:NL:HR:2017:1114). Dit leidt niet tot vernietiging omdat opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden ver onder strafmaximum van zes jaren ligt dat zou gelden als van eendaadse samenloop zou worden uitgegaan, zodat verdachte onvoldoende belang bij cassatie heeft. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2019/11 met annotatie van C. van Oort
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02223

Zitting: 6 november 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 21 april 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het ten laste van de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 31 oktober 2016 bevestigd, behoudens ten aanzien van de strafoplegging. Het hof heeft in het genoemde arrest aan de verdachte ter zake van “1. voorbereiding van opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en voorbereiding van diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en 2. handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

2. Mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, heeft namens de verdachte twee cassatiemiddelen voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof met betrekking tot het onder 1 en 2 bewezenverklaarde ten onrechte meerdaadse samenloop (art. 57 Sr) en niet eendaadse samenloop (art. 55, eerste lid, Sr) heeft toegepast.

3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“1: op 11 april 2016 te Utrecht, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten het te weeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was en diefstal door middel van braak, opzettelijk in zijn woning

- een envelop gevuld met aluminium (metaalpoeder) en iron-oxide (metaalpoeder) en

- 4 gasbrander capsules en

- 5 gasflessen en

- 2 aluminium buizen en

- meerdere gasdrukslangen en gasaansluitingen en

- een geprepareerd ontstekingsmechanisme en

- een gelast stuk staal in de vorm van de letter T en

- een hoeveelheid vuurwerk, te weten supervlinders en cobra's bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2: op 11 april 2016 te Utrecht een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.”

3.2. De rechtbank heeft in het door het hof bevestigde vonnis het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "voorbereiding van opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en voorbereiding van diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” en het onder 2 bewezenverklaarde als “handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie”.

3.3. Onder de wettelijke voorschriften waarop de straf mede is gebaseerd heeft het hof – anders dan de rechtbank, die art. 55 Sr heeft aangehaald – onder meer art. 57 Sr vermeld.

3.4. Bij de bepaling van de straf heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een plofkraak. Dit soort gewelddadige feiten veroorzaakt grote schade voor slachtoffers en aanzienlijke onrust in de maatschappij.

Blijkens het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 maart 2017 is hij niet eerder voor een soortgelijk feit veroordeeld. Wel is verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor onder andere diefstal en openlijke geweldpleging waarbij aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. Het hof weegt dit ten nadele van verdachte mee.

Het hof komt tot een andere strafoplegging dan de rechtbank. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot een keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden. In de praktijk wordt voor een voltooide plofkraak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar opgelegd. In het verlengde van de bepaling van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht dat bij de voorbereiding van een misdrijf de maximaal op te leggen straf met de helft verminderd wordt, acht het hof mede in aanmerking genomen de bewezenverklaarde overtreding van de Wet wapens en munitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden op zijn plaats. Het hof acht geen omstandigheden aanwezig op grond waarvan de straf zou moeten worden verlaagd.”

3.5. De bestreden uitspraak houdt niet in dat het hof art. 55, eerste lid, Sr (eendaadse samenloop) of art. 56, eerste lid, Sr (voortgezette handeling) heeft toegepast, zodat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat dit niet is gebeurd.

3.6. In de overzichtsarresten van 20 juni 2017 wijdt de Hoge Raad enkele algemene opmerkingen aan de toepassing van eendaadse samenloop en de voortgezette handeling vanwege het belang hiervan in feitelijke aanleg.1 Deze opmerkingen strekken ertoe "de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling te belichten in hun huidige betekenis met de daarbij voor de feitenrechter bestaande ruimte tot toepassing van die leerstukken. (…) De zeer beperkte toetsing in cassatie zal door dit arrest niet veranderen", aldus de Hoge Raad. In rechtsoverweging 2.2 benadrukt de Hoge Raad nog eens welke invloed de jurisprudentie met betrekking tot art. 80a RO heeft op dit leerstuk:

"2.2. Art. 55, eerste lid, en art. 56 Sr komen in recente rechtspraak van de Hoge Raad zelden aan de orde. Daarbij speelt een belangrijke rol dat hierop betrekking hebbende klachten doorgaans van onvoldoende belang zijn om cassatie te rechtvaardigen omdat - kort gezegd - de opgelegde straf ver onder het strafmaximum ligt dat zou gelden als met de steller van het middel van eendaadse samenloop of voortgezette handeling zou worden uitgegaan."

3.7. In zijn arrest van 5 juni 2018 heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd:2

“3.3.2. In verband met die toetsing in cassatie is van belang dat art. 55, eerste lid, en art. 56 Sr weliswaar het in een concreet geval geldende strafmaximum (mede) bepalen, maar dat binnen de grenzen van dat strafmaximum de strafoplegging door uiteenlopende factoren wordt bepaald, waaronder de concrete ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De feitenrechter is – binnen de grenzen van het ter zake geldende strafmaximum – vrij in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht (vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805). Dientengevolge brengt de enkele omstandigheid dat de rechter ten onrechte is uitgegaan van meerdaadse samenloop in plaats van eendaadse samenloop dan wel voortgezette handeling, nog niet met zich dat in die concrete zaak van onevenredige bestraffing sprake is. Een en ander laat onverlet dat de Hoge Raad in cassatie aangevoerde klachten kan bespreken – ook zonder dat zulks leidt tot vernietiging en terugwijzing – met het oog op het aanduiden van de voor de feitenrechter bestaande ruimte tot toepassing van art. 55, eerste lid, en 56 Sr.”

3.8. Uit de aangehaalde wetsartikelen blijkt dat het hof ten aanzien van de bewezenverklaarde voorbereiding van een ‘plofkraak,’ zoals onder 1 bewezenverklaard en het voorhanden hebben van een taser, zoals onder 2 bewezenverklaard, meerdaadse samenloop heeft aangenomen.3 Deze taser is een mobiele telefoon die is omgebouwd tot een geprepareerd ontstekingsmechanisme4 waarvan het voorhanden hebben eveneens onder 1 ten laste is gelegd en bewezen is verklaard (een geprepareerd ontstekingsmechanisme). De bewezenverklaarde gedragingen leveren een zodanig samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.5 Het oordeel van het hof is derhalve niet zonder meer begrijpelijk.

3.9. Tot cassatie hoeft dat echter niet te leiden omdat het belang van de verdachte bij het middel niet evident is. Het hof heeft immers een aanzienlijk lagere straf opgelegd dan het strafmaximum dat zou gelden in geval het hof wel zou zijn uitgegaan van eendaadse samenloop of van een voortgezette handeling. Bovendien blijkt uit de strafmotivering dat het hof aansluit bij een strafoplegging van 36 maanden voor een voltooide plofkraak en vervolgens “in het verlengde van de bepaling van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht dat bij de voorbereiding van een misdrijf de maximaal op te leggen straf met de helft verminderd wordt, (…) mede in aanmerking genomen de bewezenverklaarde overtreding van de Wet wapens en munitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden op zijn plaats [acht].”. De zinsnede over de overtreding van de Wet wapens en munitie is kennelijk bedoeld om te onderstrepen dat het hier gaat om de voorbereiding van een plofkraak waarbij de verdachte een geprepareerd ontstekingsmechanisme voorhanden heeft gehad. Uit het gebruik van het woord ‘mede’ valt af te leiden dat het hof niet alleen deze omstandigheid heeft meegewogen.

3.10. Het middel is vergeefs voorgesteld.

4. Het tweede middel klaagt dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ontoereikend is gemotiveerd. Volgens de steller van het middel sluit de overweging van het hof dat “In de praktijk (…) voor een voltooide plofkaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaar opgelegd [wordt]” niet aan bij (een analyse van) recente jurisprudentie.

4.1. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de selectie en waardering van de factoren die bij de strafoplegging in aanmerking worden genomen, is voorbehouden aan de feitenrechter. Dit kan in cassatie slechts zeer terughoudend worden getoetst.6 Slechts indien de strafoplegging op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is, kan in cassatie worden ingegrepen.7

4.2. Het hof heeft genoegzaam aangegeven waarom het de door hem opgelegde gevangenisstraf aangewezen acht. Het hof heeft hierbij onder meer gewezen op de ernst en de aard van het bewezenverklaarde, alsmede de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Als onderdeel daarvan heeft het hof de strafoplegging in andere zaken waarin een voltooide plofkraak bewezen verklaard is meegewogen.8 Dat stond het hof vrij. Een en ander is niet onbegrijpelijk en tevens is de strafoplegging voldoende gemotiveerd.

4.3. Het middel faalt.

5. Het eerste middel is vergeefs voorgesteld omdat de verdachte hierbij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan aan de hand van de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:HR:2017:1111 t/m 1115.

2 ECLI:NL:HR:2018:831.

3 Blijkens p. 3 van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 31 oktober 2016 is de taser bij de bewezenverklaring van feit 1 als een geprepareerd ontstekingsmechanisme aangemerkt: “Het getransformeerde stroomstootwapen was bedoeld om op afstand gas tot ontploffing te brengen.”

4 Zie p. 4 van het vonnis van de rechtbank onder de bewezenverklaring van feit 2: “De inbeslaggenomen mobiele telefoon is een stroomstootwapen (… ) Genoemd voorwerp is derhalve een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie II onder 5 van de Wet wapens en munitie”.

5 Zie HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1114,rov. 2.7-2.10.

6 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.

7 HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313.

8 Uit de volgende recente jurisprudentie waarin een voltooide plofkraak bewezen werd verklaard blijkt dat het oordeel van het hof ook in dit verband niet onbegrijpelijk is: rechtbank Gelderland, 28 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2818 en ECLI:NL:RBGEL:2018:2019, gevangenisstraf van 4 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en oplegging van bijzondere voorwaarden; rechtbank Gelderland 25 januari 2018, gevangenisstraf van 4 jaren; rechtbank Overijssel 24 oktober 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:3976 en ECLI:NL:RBOV:2017:3979, gevangenisstraf van 26 respectievelijk 30 maanden, rechtbank Gelderland 1 augustus 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4186, gevangenisstraf van 3 jaren.