Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1400

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-10-2018
Datum publicatie
19-12-2018
Zaaknummer
17/01396
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2337
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Feitelijke leiding geven aan opzettelijk aanwezig hebben ruim 18 kilo henneprestanten, art. 3.C Opiumwet. Reikwijdte exceptie art. 12 Opiumwetbesluit m.b.t. hennep kennelijk bestemd voor winning vezel of vermeerdering zaad voor productie vezelhennep. Verwerping door Hof van verweer dat verbodsbepalingen Opiumwet n.v.t. zijn op aanwezig hebben vezelhennep met bedoeling heilzame thee of cannabidiol-olie (CBD-olie) te maken. O.g.v. totstandkomingsgeschiedenis Opiumwetbesluit moet worden aangenomen dat exceptie art. 12 Opiumwetbesluit ook geldt t.a.v. aanwezig hebben hennep a.b.i. art. 3.C Opiumwet, indien en v.zv. onlosmakelijk verbonden met productieproces vezelhennep, en aan overige eisen art. 12 Opiumwetbesluit is voldaan. ’s Hofs oordeel dat art. 12 Opiumwetbesluit uitsluitend geldt t.a.v. in art. 3.B Opiumwet bedoelde gedragingen en niet t.a.v. 'aanwezig hebben' a.b.i. art. 3.C Opiumwet miskent hetgeen hiervoor is overwogen. Geen cassatie, nu Hof verweer slechts had kunnen verwerpen, omdat niet meer is aangevoerd dan dat de hennep enkel was bedoeld voor maken van thee of CDB(-olie), terwijl exceptie waarop verdediging beroep heeft gedaan slechts betrekking heeft op productie vezelhennep. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01396

Zitting: 9 oktober 2018

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 22 februari 2017 door het hof Den Haag wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr, alsmede een taakstraf van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van enkele in beslag genomen voorwerpen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. R.P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Ik begin met het tweede middel dat klaagt dat het hof een tweetal verweren van de verdediging ten onrechte heeft verworpen, namelijk - kort gezegd - dat de verbodsbepalingen in de Opiumwet niet van toepassing zijn op industriële hennep en dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad omdat het THC-percentage van de hennep niet kan worden vastgesteld.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“de besloten vennootschap [A] op 26 mei 2015 te Rotterdam in een opslagpand, gelegen aan de [a-straat 1], opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 18,175 kilogram henneprestanten gruis en henneprestanten grof, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging.”

5. Het hof heeft de in het middel bedoelde verweren als volgt samengevat en verworpen:

Bespreking van verweren

Vooropgesteld wordt dat in deze zaak niet de vraag voorligt of de productie van CBD-olie onder de huidige wetgeving legaal is of middels wetswijziging zou moeten zijn.

De vraag die door het hof in deze zaak dient te worden beantwoord is of de verdachte als feitelijk leidinggever van [A] op 26 mei 2015 in strijd met de Opiumwet ruim 18 kilo aan henneprestanten aanwezig heeft gehad in het opslagpand aan de [a-straat ].

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities, betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Primair heeft hij daartoe aangevoerd dat het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, nu niet kan worden vastgesteld wat het THC-percentage van de in beslag genomen - doch inmiddels vernietigde - henneprestanten was. Immers in strijd met het recht op een fair trial is het recht van de verdachte op een tegenonderzoek met betrekking tot samenstelling van de hennepresten geschonden, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim is dat tot bewijsuitsluiting moet leiden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet is het verboden om hennep - zoals vermeld op lijst II - aanwezig te hebben. Hennep is daarbij gedefinieerd als 'elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden'. Gelet op deze definitie is het THC-gehalte niet relevant.

Door de verdediging is weliswaar gesteld dat sprake is van industriële vezelhennep met niet meer dan 0,2 % THC, maar daarmee wordt niet betwist dat de in beslag genomen restanten henneprestanten zijn. Tegen die achtergrond beschouwd, is de verdachte dan ook niet geschaad in zijn recht op een eerlijk proces nu geen onderzoek meer kon plaatsvinden met betrekking tot het THC-gehalte van de aangetroffen henneprestanten.

Het hof verwerpt gelet op het bovenstaande het primaire verweer.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, omdat de Opiumwet - gelet op artikel 12 van het Opiumwetbesluit - niet ziet op industriële vezelhennep en het aanwezig hebben daarvan dus geen strafbaar feit oplevert. De raadsman heeft het hof verzocht om gelet op de wetshistorie de risico's voor de volksgezondheid als redengevend te beschouwen voor de beantwoording van de vraag of het bezit van vezelhennep met de bedoeling er heilzame thee of CBD(-olie) van te maken valt onder de hennepdefinitie van lijst II van de Opiumwet.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In artikel 12 van het Opiumwetbesluit is het volgende bepaald:

"De verboden, gesteld in artikel 3, aanhef en onder B, van de wet, gelden niet voor hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voor zover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht."

In de Nota van Toelichting staat over dit artikel het volgende:

"In artikel 12 is een uitzondering gemaakt op de verboden van de Opiumwet voor de handelingen die noodzakelijk zijn voor het gehele industriële proces van de teelt van de vezelhennep op het veld tot de verwerking van de plant tot eindproducten in de fabriek. Ook de vermeerdering van de vezelhennepplant wordt onder dit proces begrepen.

Het gaat om de handelingen: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren."

Uit de Nota van Toelichting bij de voorloper van het Opiumwetbesluit (te weten het Besluit van 19 maart 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 oktober 1976, Stb. 509, houdende uitvoering van artikel 3a, eerste lid, van de Opiumwet) blijkt dat de landbouwexceptie (thans artikel 12 Opiumwetbesluit, toen artikel 4 van het Besluit) werd beperkt tot die handelingen, welke onlosmakelijk verbonden zijn met het productieproces van de vezelhennep. Toen is expliciet bepaald dat het aanwezig hebben niet is vrijgesteld.

Voorts valt in genoemde nota te lezen:

"In dit verband wordt opgemerkt dat ten gevolge van de in de rechtspraktijk gehanteerde ruime interpretatie van de verboden, onder telen ook het oogsten kan worden verstaan en dat de opslag in afwachting van de noodzakelijke bewerkingshandelingen kan worden aangemerkt als vallende onder het begrip bewerken.

Evenzeer geldt zulks voor de opslag met het oog op het vervoer of de verkoop. Dit impliceert dus dat het productieproces van vezelhennep door dit besluit geheel is vrijgesteld.

Tegen deze achtergrond is de bestaande vrijstelling voor het aanwezig hebben van hennep voor landbouwkundige doeleinden komen te vervallen."

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet de teler van de bij hem aangetroffen hennep is. Verdachte heeft aangevoerd dat hij de vezelhennep bij leveranciers heeft besteld en dat zij aan hem hebben geleverd.

In de onderhavige zaak is het aanwezig hebben van henneprestanten op grond van artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet aan de verdachte ten laste gelegd.

Dit valt dus niet onder de uitzondering zoals neergelegd in artikel 12 van het Opiumwetbesluit. Deze uitzondering heeft immers alleen betrekking op het verbod neergelegd in artikel 3 aanhef en onder B van de Opiumwet.

Op grond van de huidige wetgeving kan in casu daarom geen beroep worden gedaan op de uitzondering genoemd in artikel 12 van het Opiumwetbesluit. Het aanwezig hebben van de henneprestanten is strafbaar en het hof verwerpt daarom ook het subsidiaire verweer.”

6. In de eerste plaats bevat het middel de klacht dat het oordeel van het hof dat het aanwezig hebben van hennepplanten als bedoeld in art. 3, aanhef en onder c, Opiumwet zoals tenlastegelegd, niet valt onder de uitzondering van art. 12 Opiumwetbesluit zodat op voornoemde uitzondering geen beroep kan worden gedaan, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat uit de hiervoor geciteerde nota’s blijkt dat het gehele productieproces onder art. 12 Opiumwetbesluit valt.

7. Voor de beoordeling van de klacht zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

Art. 3 Opiumwet:

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

(…)

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

(…).

Lijst II bij de Opiumwet:

(…)

Hennep elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden

Art. 12 Opiumwetbesluit:

“De verboden, gesteld in artikel 3, aanhef en onder B, van de wet, gelden niet voor hennep die kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voor zover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht.”

8. De nota van toelichting bij art. 12 Opiumwetbesluit - waar het hof naar verwijst - houdt het volgende in:

“Artikel 12

In artikel 12 is een uitzondering gemaakt op de verboden van de Opiumwet voor de handelingen die noodzakelijk zijn voor het gehele industriële proces van de teelt van de vezelhennep op het veld tot de verwerking van de plant tot eindproducten in de fabriek. Ook de vermeerdering van de vezelhennepplant wordt onder dit proces begrepen.

Het gaat om de handelingen: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren. Door te kiezen voor het begrip volle grond en open lucht is bewerkstelligd dat degenen die hennep telen voor bewustzijnsbeïnvloedend gebruik onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen. Iedereen die hennep binnen teelt alsmede ieder die hennep teelt voor andere doeleinden dan vezelproductie of zaadwinning voor vezelrassen moet in het bezit zijn van een opiumwetontheffing. Dit vergemakkelijkt de bewijsvoering.”1

9. De nota van toelichting bij de voorloper van het Opiumwetbesluit - waar het hof eveneens naar verwijst - houdt onder meer het volgende in:

Hennepteelt

Het tegengaan van de bedrijfsmatige teelt van hennep ten behoeve van het bewustzijnsbeïnvloedend gebruik is een belangrijke doelstelling van het drugsbeleid.

Hiertoe is een voorstel van wet tot wijziging van de Opiumwet ingediend, dat het telen van hennep expliciet als verboden handeling aan de wet toevoegt en de strafmaat op het beroeps- of bedrijfsmatig telen van en handelen in hennep ten behoeve van het bewustzijnsbeïnvloedend gebruik verhoogt (Kamerstukken II 1997/1998, 25 325).

Naast de illegale teelt van hennep ten behoeve van bewustzijnsbeïnvloedend gebruik, wordt hennep in de land- en tuinbouw voor andere toepassingen geteeld. Het betreft de teelt voor de winning van vezels of zaad, ten behoeve van windkering en voor het veredelen of instandhouden van plantenrassen. Het koninklijk besluit van 18 oktober 1976 (Stb. 509) houdende uitvoering van artikel 3a, eerste lid, van de Opiumwet kent in artikel 4 voor de eerste drie toepassingen (vezels, zaad en windkering) een algehele vrijstelling om deze toepassingen mogelijk te maken. Dit noemt men de landbouwkundige uitzondering.

In de praktijk is gebleken dat telers van hennep voor bewustzijnsbeïnvloedend gebruik zich dikwijls op de landbouwkundige uitzondering beroepen. De bewijslast en de vervolging worden door een dergelijk beroep bemoeilijkt. In het onderhavige besluit wordt de landbouwkundige uitzondering derhalve beperkt tot die handelingen, welke onlosmakelijk verbonden zijn met het productieproces van de vezelhennep. Het aanwezig hebben is derhalve niet vrijgesteld. In dit verband wordt opgemerkt dat ten gevolge van de in de rechtspraktijk gehanteerde ruime interpretatie van de verboden, onder telen ook het oogsten kan worden verstaan en dat de opslag in afwachting van de noodzakelijke bewerkingshandelingen kan worden aangemerkt als vallende onder het begrip bewerken.

Evenzeer geldt zulks voor de opslag met het oog op het vervoer of de verkoop. Dit impliceert dus dat het productieproces van vezelhennep door dit besluit geheel is vrijgesteld.

Tegen deze achtergrond is de bestaande vrijstelling voor het aanwezig hebben van hennep voor landbouwkundige doeleinden komen te vervallen.”2

En:

“In het nieuwe artikel 4 is een uitzondering gemaakt op de verboden van de Opiumwet voor de handelingen die noodzakelijk zijn voor het gehele industriële proces van de teelt van de vezelhennep op het veld tot de verwerking van de plant tot eindproducten in de fabriek. Ook de vermeerdering van de vezelhennepplant wordt onder dit proces begrepen. Het gaat om de handelingen: telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren. De strafbaarstelling van «aanwezig hebben» impliceerde voorheen de strafbaarstelling «telen». Nu telen expliciet verboden is en alle benodigde handelingen in het gehele industriële proces voor de vezelhennepteelt, inclusief telen, zijn vrijgesteld, is het niet meer nodig de handeling «aanwezig hebben» vrij te stellen. Bovendien is «aanwezig hebben» een juridisch ruim begrip dat bij opsporing en vervolging voor problemen kan zorgen.

Door te kiezen voor het begrip volle grond en open lucht is bewerkstelligd dat degenen die hennep telen voor bewustzijnsbeïnvloedend gebruik onder plastic of in kassen of andere ruimten waar het dak geheel of gedeeltelijk geopend kan worden, zich niet op deze vrijstelling kunnen beroepen.”3

10. De motivering van het hof dat art. 12 Opiumwetbesluit in casu niet van toepassing is, is niet onjuist, ontoereikend of onbegrijpelijk. Anders dan (kennelijk) de steller van het middel lees ik in die motivering niet dat het hof oordeelt dat de exceptie van art. 12 Opiumwetbesluit nooit kan gelden voor het aanwezig hebben van hennep. Het hof beantwoordt in de overweging niet expliciet de vraag of aanwezig hebben strafbaar is in geval tevens sprake is van telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van hennep voor de vezelproductie. Die vraag is niet aan de orde omdat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk oordeelt dat van telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van hennep voor de vezelproductie in het geheel geen sprake is.4 Noch in hoger beroep noch in cassatie is gesteld (of reeds zonder meer aannemelijk geworden) dat het aanwezig hebben (noodzakelijk of onlosmakelijk) samenhing met het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van hennep die “kennelijk bestemd is voor de winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep, met dien verstande dat de uitzondering van het verbod op het telen van hennep slechts geldt voor zover de teelt plaatsvindt in de volle grond en in de open lucht”. Er is immers slechts een volledig andere bestemming naar voren gebracht, te weten dat de hennep zou worden gebruikt voor de productie van heilzame thee of CBD-olie. Voorts is nu de verdachte niet de teler was van de hennep in het midden gebleven of de hennep was geteeld in de volle grond en in de open lucht en het hof is er kennelijk en niet onbegrijpelijk vanuit gegaan dat zulks niet aannemelijk is geworden.

11. Voorts klaagt het tweede middel dat het oordeel van het hof dat het THC-gehalte van de hennep niet relevant is voor het in art. 3 aanhef en onder C, Opiumwet gegeven verbod onbegrijpelijk zou zijn.

11. Uit de overwegingen van het hof kan worden opgemaakt dat onderzoek is verricht naar de bij de verdachte aangetroffen henneprestanten en dat uit dat onderzoek is gebleken dat de henneprestanten THC bevatten. De henneprestanten zijn nadien vernietigd. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat in strijd met het recht op een eerlijk proces het recht van de verdachte op tegenonderzoek is geschonden, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim oplevert dat tot bewijsuitsluiting dient te leiden van de onderzoeksresultaten naar de henneprestanten.

11. Zoals door het hof in het bestreden arrest ook overwogen, is het THC5-gehalte niet relevant voor de vraag of sprake is van hennep, gelet op de definitie van hennep zoals opgenomen in lijst II bij de Opiumwet. Uit die definitie blijkt immers dat elk deel van de plant van het geslacht Cannabis, waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden, hennep betreft. Daaruit kan worden opgemaakt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat het aanwezig hebben van henneprestanten verboden is, ongeacht het THC-gehalte van die henneprestanten.6 Ik zie dan ook niet in waarom het oordeel van het hof dat het THC-gehalte niet relevant is, onbegrijpelijk zou zijn nu door de verdachte niet is betwist dat de inbeslaggenomen restanten henneprestanten zijn. In de toelichting op het middel wordt ook niet duidelijk gemaakt waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn, behalve dan dat wordt betoogd dat de door verdachte ingekochte henneprestanten “afkomstig [zijn[ van het ras Futura 75 (…), welk ras voorkomt op de Europese Rassenlijst Landbouwgewassen en dus voor industriële doeleinden legaal geteeld mag worden”.

14. De Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen7 is gepubliceerd overeenkomstig art. 17 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (de Richtlijn). Voornoemd artikel luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“De Commissie publiceert overeenkomstig de door de lidstaten verstrekte gegevens, telkens wanneer deze bij haar binnenkomen, in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, reeks C, onder de aanduiding „Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen“ alle rassen waarvan het zaaizaad en pootgoed op grond van artikel 16 niet aan handelsbeperkingen ten aanzien van het ras zijn onderworpen, alsmede de in artikel 9, lid 1, bedoelde gegevens betreffende de voor de instandhouding verantwoordelijke persoon of personen. In de publicatie wordt aangegeven welke lidstaten een machtiging in de zin van artikel 16, lid 2, of van artikel 18 hebben ontvangen.

(…)”

15. De Richtlijn alsmede de daaruit voortvloeiende Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen heeft aldus (slechts) betrekking op het in de handel brengen van zaaizaad en pootgoed, aldus ook het eerste lid van art. 1 van de Richtlijn:

“Deze richtlijn heeft betrekking op de opneming van rassen van bieten, groenvoedergewassen, granen, aardappelen, alsmede van oliehoudende planten en vezelgewassen in een gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen waarvan het zaaizaad of pootgoed in de handel mag worden gebracht volgens de bepalingen van de richtlijnen betreffende het in de handel brengen van respectievelijk bietenzaad (2002/54/EG), zaaizaad van groenvoedergewassen (66/401/EEG), zaaigranen (66/402/EEG), pootaardappelen (2002/56/EG), en zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (2002/57/EG).” 8

16. Daarnaast vermeldt de toelichting op de Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen hierover het volgende:

“In deze lijst zijn alle rassen opgenomen waarvan het zaaizaad op grond van artikel 16 van Richtlijn 2002/53/EG - in de EER - aan geen enkele handelsbeperking ten aanzien van het ras is onderworpen, behalve in de in artikel 16, lid 2, en artikel 18 van vorengenoemde richtlijn bedoelde gevallen.”9

17. Futura 75 komt op de Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen weliswaar voor,10 maar het beroep op de Richtlijn en/of voornoemde lijst treft reeds geen doel omdat het in de onderhavige zaak niet gaat om het in de handel brengen van zaaizaad, maar om het aanwezig hebben van henneprestanten.11

18. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.

18. Het eerste middel klaagt dat het hof bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van de meegebrachte deskundige dr. J. Heeroma een onjuiste maatstaf heeft toegepast.

18. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2017 houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

"De raadsman van de verdachte doet een verzoek tot het horen van een deskundige. Hij voert aan:

Ik verzoek Dr. J. Heeroma, die ter terechtzitting aanwezig is, als deskundige te horen.

Ten eerste zou ik hem willen bevragen over de MMC test. Deze geeft namelijk geen indicatie van de hoeveelheid THC. Deskundige Heeroma is hierop afgestudeerd en hij kan verklaren over de waarde van de test. Dit is van belang voor beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Ten tweede zou ik hem willen bevragen over de werking van CBD. Hij is daarin gespecialiseerd en kan verklaren over de effecten van CBD. Dit is van belang voor de vraag of de productie van CBD(-olie) onder de uitzondering van artikel 12 van het Opiumwetbesluit zou moeten vallen.”

De advocaat-generaal verzet zich tegen inwilliging van het verzoek. Zij voert aan:

De test is standaard en geaccepteerd, ook door de Hoge Raad. Ik wijs op een arrest van 11 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2293). Ik verzet mij daarom tegen het horen van de deskundige om hem hierover te bevragen. Ten aanzien van de CBD ben ik van mening dat het niet ter zake doet. De verdachte wordt het aanwezig hebben van hennep verweten en niet van CBD.

Derhalve wordt de verdediging door het niet horen van de deskundige niet in zijn belang geschaad en verzet ik mij tegen het horen van de deskundige.

De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Hij deelt mede:

Het wordt tijd dat de Hoge Raad opnieuw een oordeel geeft over de test. Het doel van het voorhanden hebben van de vezelhennep heeft met CBD te maken. Daarom is het dus wel van belang. Het gaat over het beantwoorden van een rechtsvraag, namelijk over de status van CBD in het strafrecht.

Dat het hennep is, staat niet ter discussie. Het is wel van belang voor de strafbaarheid of het gaat om industriële hennep. Dit ook in verband met de uitzondering in artikel 12 van het Opiumbesluit.

De deskundige kan hierover verklaren en duidelijkheid geven.

De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Zij deelt mede:

Wat het doel is van het hebben van vezelhennep is niet relevant. De uitzondering van artikel 12 van het Opiumbesluit ziet op het verwerken en niet om het aanwezig hebben. Daarom is het niet relevant om de deskundige hierover te horen.

De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Hij deelt mede:

Het kan toch niet zo zijn dat iemand wel mag oogsten, maar het niet aanwezig mag hebben. Ik heb de certificaten waarmee de verdachte de hennep heeft ingekocht, overgelegd.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

De toets die wij aanleggen is of het horen van de deskundige noodzakelijk is. Het hof dient te beslissen op grond van de tenlastelegging, dus over het al dan niet aanwezig hebben van ongeveer 18 kilo hennep. Of de MMC test een goede test is om het THC- gehalte vast te stellen, is daarvoor niet relevant.

Dat het om hennep gaat, staat immers niet ter discussie.

De werking van CBD is voor de vraag of sprake is van hennep niet relevant. Een uitleg over de werking en de heilzaamheid van CBD is in het kader van deze strafzaak derhalve niet noodzakelijk.

Of CBD wel of niet onder de Opiumwet zou moeten vallen, is zeker een interessante vraag. Het is echter niet aan het hof om deze vraag in deze zaak te beantwoorden, maar eerder aan de wetgever.

Het hof wijst het verzoek tot het horen van Dr. J. Heeroma als deskundige af, nu de noodzaak hiertoe niet is gebleken.”

21. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2017 (randnummer 20) blijkt dat de raadsman aldaar het verzoek heeft gedaan tot het horen van de meegebrachte deskundige Heeroma. Een zodanig verzoek kan op grond van art. 287, tweede lid, Sv in verbinding met art. 299, eerste lid, Sv slechts worden afgewezen op de gronden genoemd in art. 288, eerste lid onder b en c, Sv.12 Gelet hierop kan het verzoek tot het horen van een meegebrachte deskundige slechts worden afgewezen indien (sub b) het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de deskundige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de deskundige ter terechtzitting te ondervragen, of (sub c) redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het niet horen van de deskundige niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof heeft het verzoek tot het horen van de meegebrachte deskundige Heeroma afgewezen omdat “de noodzaak hiertoe niet is gebleken”. Aldus heeft het hof bij de beoordeling van het verzoek tot het horen van de meegebrachte deskundige een onjuiste maatstaf toegepast.

22. Het eerste middel slaagt. Gelet op de formulering van de klacht, alsook hetgeen de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van het hof naar voren heeft gebracht (randnummer 20), wenste de verdediging de deskundige Heeroma te horen omtrent “de voor verbalisanten uitgevoerde MMC test nu deze test geen indicatie geeft ten aanzien van de hoeveelheid THC” alsmede over “de werking van CBD hetgeen van belang is in verband met de uitzondering van art. 12 Opiumwetbesluit”. Mede in het licht van hetgeen ik hiervoor bij de bespreking van het tweede middel heb opgemerkt, is mij niet duidelijk welke betekenis het stellen van vragen over het THC-gehalte alsmede over een andere bestemming van de henneprestanten dan in art. 12 Opiumwetbesluit is uitgezonderd (te weten het maken van heilzame thee en/of CDB-olie en dus niet het in art. 12 Opiumwetbesluit genoemde “winning van vezel of de vermeerdering van zaad voor de productie van vezelhennep”) kan hebben voor het beantwoorden van de vragen van art. 348 en 350 Sv, zodat de verdachte geacht moet worden geen belang te hebben bij cassatie.13

23. Het eerste middel slaagt, maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Het tweede middel faalt.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

23. Deze conclusie strekt verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Nota van toelichting bij het Besluit van 9 december 2002, houdende uitvoeringsvoorschriften krachtens de Opiumwet (Opiumwetbesluit), Stb. 2002, 624, p. 13.

2 Nota van toelichting bij het Besluit van 19 maart 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 oktober 1976, Stb. 509, houdende uitvoering van artikel 3a, eerste lid, van de Opiumwet, Stb. 1999, 169, p. 3.

3 Stb. 1999, 169, p. 5.

4 Die vraag was wel aan de orde in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2001, NJ 2001/282. Zie de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Fokkens bij voornoemd arrest, onder 6.

5 Tetrahydrocannabinol.

6 Zie HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2820, NJ 2010/392 m.nt Mevis, r.o. 4.4: “Uit de wetsgeschiedenis blijkt als bedoeling van de wetgeving dat elk gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd - ongeacht het THC-gehalte - een middel is in de zin van lijst II.”

7 Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen, 34e volledige uitgave, 2015/C 404/01.

8 Zie tevens de considerans van Richtlijn2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen, onder 2 en 3: “(2) De voorbrenging van landbouwzaad en -pootgoed neemt een belangrijke plaats in de landbouw van de Gemeenschap in. (3) De Raad heeft daarom reeds richtlijnen vastgesteld betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (2002/54/EG), zaaizaad van groenvoedergewassen (66/401/EEG), zaaigranen (66/402/EWG), pootaardappelen (2002/56/EG) en zaaizaad van oliehoudende planten en gezelgewassen (2002/57/EG).”

9 Geheel in overeenstemming met de Richtlijn en de daaruit voortvloeiende Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen vallen de zaden van de hennepplant, gelet op de definitie van hennep zoals hiervoor onder randnummer 7 weergegeven, niet onder de Opiumwet.

10 Zie p. 230 van de Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen.

11 Ook het hiervoor besproken art. 12 Opiumwetbesluit bevat geen exceptie voor het aanwezig hebben van (al dan niet Futura 75) henneprestanten voor de productie van heilzame thee en/of CBD-olie.

12 HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6904.

13 Vgl. HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2468, NJ 2015/417 m.nt. Schalken.