Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1393

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-12-2018
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
17/01376
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:128
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opzetheling, art. 416 Sr. Bewijsklacht wetenschap ten tijde van voorhanden krijgen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte de in de bewezenverklaring vermelde auto voorhanden had en dat deze auto op dat moment niet was voorzien van het originele kenteken. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat, in aanmerking genomen dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd en in strijd met de waarheid heeft ontkend dat hij de auto voorhanden had alsmede dat A moest tanken met in de auto aanwezige diesel, verdachte wist dat deze auto van misdrijf afkomstig was. Daarin ligt tevens als ’s Hofs oordeel besloten dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven m.b.t. het voorhanden hebben van deze auto en dat het niet anders kan dan dat verdachte ook "ten tijde van" het voorhanden krijgen van de auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Gelet hierop is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd (vgl. ECLI:NL:HR:2019:97).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01376

Zitting: 18 december 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 3 maart 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens primair “opzetheling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.J. Bussink, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de personenauto wist dat deze van enig misdrijf afkomstig was.

  4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 30 november 2014 tot en met 24 december 2014 te Uden en/of Oss, in elk geval in Nederland, een goed, te weten een zwarte personenauto, merk Audi A5 Sportback, heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 februari 2015 (pg. 24-28), voor zover inhoudende als relaas verbalisant ( [verbalisant 1] ):
Op 24 december 2014 werd door een surveillance-eenheid een personenauto aangetroffen op het terrein van hotel/camping De Naaldhof gelegen aan de Docfalaan te Oss. Het voertuig betrof een personenauto, merk Audi, type A5, kleur zwart, voorzien van het kenteken [AA-00-AA] .
In deze personenauto zat een manspersoon achter het stuur van de auto. De man verklaarde dat de auto niet van hem was, maar van een vriend. De man gaf op te zijn [betrokkene 1] . Hij gaf aan te wachten op zijn vriend die er net kwam aanlopen.
Vanaf het terrein van de camping liep een manspersoon in de richting van de auto en nam plaats op de bijrijdersstoel. De bijrijder werd door collega [verbalisant 3] herkend als de hem ambtshalve bekende [verdachte] . Van [verdachte] is bekend dat hij deel uitmaakt van een groepering die zich schuldig maken aan vermogensdelicten en daarbij veelvuldig gebruik maakt van van diefstal afkomstige personenauto’s.
Gezien vorenstaande werd ter plaatse een onderzoek ingesteld. Hieruit bleek dat de op de personenauto gevoerde kentekenplaten, [AA-00-AA] , niet waren voorzien van een unieke code, keurmerk en fabricagedatum.
Ook bleek dat de personenauto merk Audi, type A5, kleur zwart sinds 1 december 2014 als ontvreemd gesignaleerd stond. Tevens bleek dat het gevoerde kenteken niet op die personenauto thuishoorde. Op de aangetroffen personenauto hadden de kentekenplaten [BB-00-BB] gevoerd moeten worden.
Hierop werden de eerder genoemde [betrokkene 1] en [verdachte] op heterdaad aangehouden.

2. De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 24 december 2014 (pg. 4), voor zover inhoudende als relaas verbalisant ( [verbalisant 2] ):

Inbeslagneming Docfalaan te Oss op 24 december 2014.
Voertuig: Personenauto;
Merk/type: Audi A5 Sportback;
Kleur: Zwart;
Kenteken: [BB-00-BB] ;
Chassisnummer: [0001] .

3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 2 december 2014 (pg. 73-76), voor zover inhoudende als verklaring van aangever ( [betrokkene 3] ):
Ik ben namens benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben geen eigenaar van de auto, merk Audi A5. De auto is eigendom van [A] B.V. Ik ben werknemer van genoemd bedrijf. Hierbij doe ik aangifte van diefstal van de auto.
Op 30 november 2014 parkeerde ik de auto op de parkeerplaats nabij mijn woning, [a-straat 1] te [plaats] . Op 1 december 2014 kwam ik weer terug bij de plaats waar ik de auto had achtergelaten. Ik zag dat de auto door onbekende(n) was weggenomen.

In de auto lagen de volgende goederen:
- Voertuigbewijs-kentekenbewijs deel IA;
- Tenaamstelling-kentekenbewijs deel IB;
- Sligro klantenpas;
- Tankpas BP en Freebees pas BP;
- Bril op sterkte van het merk ‘Look’;
- Zonnebril op sterkte van het merk ‘Rayban’;
- Paraplu;
- 25 cd’s;
- Afstandsbediening van de toegangspoort van het bedrijf [A] ;
- Schrijfgerei, ‘Parker’ pen en enkele promo/normale pennen;
- Groene kaart verzekeraar;
- Kleingeld ten behoeve van parkeren;
- Diverse overige goederen zoals: fleece deken Audi, 2 brillenkokers ‘Rayban’, 1 brillenkoker ‘Look’, parkeerschijf, deodorant ‘Chanel’.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Bijlage goederen
Voertuig: Personenauto;
Merk/type: Audi A5 Sportback;
Kenteken: [BB-00-BB] ;
Chassisnummer: [0001] .

4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 25 december 2014 (pg. 43-46), voor zover inhoudende als verklaring van getuige ( [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1987):
In de nacht van 23 december op 24 december 2014 zat ik thuis en kwam een vriend bij mij aan de deur. Mijn vriend heet [verdachte] . Ik heb [verdachte] toen binnengelaten. [verdachte] vertelde toen dat hij een mooie auto bij zich had die hij van een kennis had geleend. Ik zag de auto en het was een Audi.
Ik heb toen aan [verdachte] gevraagd of ik zijn auto later in de dag mocht lenen om een cadeautje te kunnen ophalen voor kerst. [verdachte] vond het goed, maar ik moest die nacht nog wel [verdachte] thuis afzetten. [verdachte] woont in Uden. Ik heb toen [verdachte] thuis afgezet en ben toen terug naar huis gegaan.
In de middag van 24 december 2014 ben ik in Nuenen een computerspel gaan ophalen.
Op 24 december 2014 was ik omstreeks 20 uur bij [verdachte] . [verdachte] vroeg mij of ik met hem mee wilde gaan naar een camping in Oss. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij daar een stroomkabel moest afgeven.
Ik ben toen vanuit Uden naar de camping in Oss gereden. Ik heb toen de auto geparkeerd naast de slagboom. Ik zag dat [verdachte] iets uit de kofferbak pakte. Toen [verdachte] langs mij liep zag ik dat hij een zwartachtige kabel in zijn handen had. Ik zag dat [verdachte] de camping op liep.
Ik zag dat de politie het terrein van de Naaldhof op kwam rijden. Ik zag dat de agenten mijn kant op kwamen lopen. Toen kwam mijn maat ongeveer na 5 minuten weer aanlopen. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet wist van wie de auto was.

5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 december 2014 (pg. 47-50), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van getuige ( [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1987):

V: Wat lag er in de auto toen jij hem leende?
A: Een rood vest op de achterbank, soort van bodywarmer. Witte jerrycans in de kofferbak. Dit waren 3 lege en 1 halfvol met diesel. Daar moest ik ook mee tanken van [verdachte] .
(...)
A: Mijn vader kan bevestigen dat [verdachte] in de nacht 23 december op 24 december bij mij thuis is geweest, want mijn vader kwam boos naar beneden omdat [verdachte] hard aan het praten was.

6. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 27 december 2014 (pg. 91-93), voor zover inhoudende als verhoor van getuige ( [vader betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1963):
Ik ben de vader van [betrokkene 1] die door de politie is aangehouden met [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) in een Audi A5.
Ik weet dat ik 24 december in de vroege ochtend, mogelijk tussen 6:00 en 7:00 uur, wakker ben geworden van [verdachte] die vrij hard aan het praten was in onze huiskamer. Ik ben naar de hal gelopen en heb hem gezegd dat hij stil moest zijn.
Ik hoorde 24 december 2014 rond 12:00 uur van [betrokkene 1] , mijn zoon, dat hij van [verdachte] een auto te leen had. Dit was een Audi A5.
Op 24 december 2014 is [betrokkene 1] nog samen met [betrokkene 2] , een vriend van hem, een kadootje gaan kopen. Daarna is die Audi teruggebracht naar [verdachte] en is [betrokkene 1] kennelijk samen met [verdachte] nog ergens naartoe gegaan.

7. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 27 december 2014 (pg. 94-95), voor zover inhoudende als verklaring van getuige ( [betrokkene 2] ):
Ik ben een vriend van [betrokkene 1] . U wilt mij enige vragen stellen over 24 december 2014. Ik kan u vertellen dat ik wel een keer bij [betrokkene 1] , [...] ben geweest waar ook [verdachte] bij was. Dit is zeker al enkele dagen geleden dat de vader van [betrokkene 1] in de vroege ochtend naar beneden kwam en wat aan het mopperen was.
Ik weet dat [betrokkene 1] mij rond 12.00 uur van mijn werk heeft opgehaald op woensdag 24 december 2014. Hij had een Audi A5 bij zich en heeft mij verteld dat hij die te leen had van [verdachte] . Ik ben met [betrokkene 1] nog meegereden naar een adres waar hij een Playstation of zoiets heeft gekocht.

8. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 17 februari 2017, voor zover inhoudende:
Ik ben op 24 december 2014 ingestapt in de auto bij [betrokkene 1] . Dat was bij camping Naaldhof in Oss. Ik heb die auto niet gestolen.

9. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 december 2014 (pg. 66-69), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte ( [verdachte] ):
O: Je bent eergisteren, 24 december 2014, aangehouden omdat je in een gestolen auto ging zitten van het merk Audi voorzien van het kenteken [AA-00-AA] .
V: Liggen er nog spullen in de auto die van jou zijn?
A: Alleen de rode Gaastra jas.

10. De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 29 januari 2015 (pg. 20-23), voor zover inhoudende:
Inbeslagneming goederen in de gestolen auto Audi A5 aan de Docfalaan te Oss onder [betrokkene 1] .
Volgnummer 5:
Object: Kleding (Jas);
Merk/type: Gaastra Nautical Suppli;
Kleur: Rood.”

6. Daarnaast heeft het hof, in reactie op een verweer van de verdediging, ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

“De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte kwam aanlopen en ging als bijrijder in de auto zitten. De medeverdachte, [betrokkene 1] , had derhalve die gestolen auto onder zich en niet verdachte. De belastende verklaringen in het dossier van de vader, de moeder en van een vriend van [betrokkene 1] , genaamd [betrokkene 2] , zijn allemaal afkomstig uit de familiesfeer van [betrokkene 1] en gericht op het uit de wind houden van de medeverdachte. Derhalve vormen deze verklaringen onvoldoende overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de Audi, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt het volgende.
A. De getuige [betrokkene 1] verklaart als volgt (p. 44-45, 48-49 van het dossier PL2100- 2014198882): Verdachte is in de nacht van 23 december op 24 december 2014 bij hem aan de deur geweest en vertelde dat hij een mooie auto bij zich had die hij van een kennis had geleend. [betrokkene 1] verklaart dat deze auto een mooie Audi A5 was en dat hij de auto mocht lenen van verdachte om een cadeautje op te kunnen halen voor kerst. Omdat verdachte die nacht luid praatte, kwam de vader van [betrokkene 1] naar beneden om te vragen of verdachte wat zachter kon zijn. Toen [betrokkene 1] de auto leende lag er al een rood vest op de achterbank, een soort bodywarmer, en stonden er witte jerrycans achterin de auto, drie lege en één halfvol met diesel waarmee hij van verdachte moest tanken. Op 24 december 2014 is [betrokkene 1] met de auto een cadeautje op gaan halen in Nuenen. Omstreeks 20:00 uur kwam [betrokkene 1] aan bij verdachte. Verdachte vroeg hem toen mee te gaan naar een camping in Oss omdat verdachte daar een stroomkabel moest afgeven. [betrokkene 1] ging daarmee akkoord. [betrokkene 1] parkeerde de auto bij de slagboom en zag dat verdachte een zwartachtige kabel uit de achterbak haalde en daarmee rechtsaf het terrein op liep. Vervolgens kwam de politie het terrein op rijden. Vijf minuten later kwam verdachte teruggelopen naar de auto. [betrokkene 1] hoorde dat verdachte tegen de politie zei dat hij niet wist van wie de auto was.

B. De vader van [betrokkene 1] - eveneens [betrokkene 1] genaamd, en hierna ‘vader [betrokkene 1] ’ genoemd - verklaart als volgt (p. 91 en 93 van voormeld dossier): In de ochtend van 24 december 2014, vermoedelijk tussen 06:00 en 07:00 uur, werd hij wakker van verdachte die luid aan het praten was in de huiskamer. Vader [betrokkene 1] is toen naar de hal gelopen en heeft kenbaar gemaakt dat verdachte stil moest zijn. Vader [betrokkene 1] hoorde later die dag van zijn zoon, [betrokkene 1] , dat hij van verdachte een mooie Audi A5 te leen had. Vader [betrokkene 1] verklaart voorts dat zijn zoon, in bijzijn van zijn vriend Kurt, met voomoemde Audi op 24 december 2014 een cadeautje is gaan kopen, waarna zijn zoon de Audi weer heeft teruggebracht bij verdachte, en is zijn zoon met verdachte kennelijk samen nog met de Audi op pad geweest.

C. De getuige [betrokkene 2] verklaart als volgt (p. 94 van voormeld dossier). [betrokkene 2] is enkele dagen voorafgaand aan zijn verhoor d.d. 27 december 2014 bij [betrokkene 1] thuis geweest toen verdachte daar ook was. In die vroege ochtend is de vader van [betrokkene 1] mopperend naar beneden gekomen. Op 24 december 2014 rond 12:00 uur heeft [betrokkene 1] [betrokkene 2] opgehaald om een cadeautje te gaan kopen. [betrokkene 1] had toen een mooie Audi A5 bij zich, die hij naar eigen zeggen te leen had van verdachte.

D. Uit de aangifte van [betrokkene 3] namens [A] B.V. van diefstal van een Audi A5 tussen 30 november 2014 en 1 december 2014, met bijbehorende bijlage goederen (p. 73-76 van voormeld dossier), blijkt dat er verschillende goederen in de auto aanwezig waren op het moment dat de auto werd weggenomen. In de opsomming van deze goederen is geen melding gemaakt van een rood vest/rode bodywarmer, en ook niet van één of meerdere al dan niet gevulde jerrycans.

Het hof heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de aangever en de getuigen te twijfelen. Deze verklaringen zijn consistent en ondersteunen elkaar op belangrijke onderdelen. Hiertegenover staan de wisselende verklaringen van verdachte. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij op bezoek was bij een vriendin op de camping Naaldhof en dat hij daar al was sinds dinsdagnacht 23 december 2014. Op woensdagavond 24 december 2014 heeft hij een maat gebeld om hem op te halen, de medeverdachte, en is hij bij deze ingestapt. Verdachte heeft niet willen zeggen wie de vriendin was (p. 64, 68 en 70 van voormeld dossier).
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij bij de camping op bezoek was bij ene [betrokkene 4] , waarvan hij de achternaam niet weet, en dat hij daar een uurtje was om een bakje koffie te drinken en toen zijn maat heeft gebeld om hem op te halen en daar toen bij [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] : hof) is ingestapt en niet weet hoe [betrokkene 1] aan die auto kwam. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het gegeven dat er een rode Gaastra jas, die volgens zijn verklaring bij de politie van hem is, in de auto lag (p. 68 van voormeld dossier). Het hof hecht derhalve geen geloof aan de verklaring van verdachte.

Het hof acht op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de auto voorhanden had en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de in de tenlastelegging genoemde Audi A5.
Dat verdachte wist dat de Audi een door misdrijf verkregen goed betrof leidt het hof af uit het feit dat hij over de reden van zijn aanwezigheid in die auto wisselende verklaringen heeft afgelegd bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting en in strijd met de waarheid heeft ontkend dat hij het was die de auto voorhanden had. Het hof is van oordeel dat de verdachte met deze wisselende verklaringen heeft getracht de waarheid, dat hij opzettelijk de gestolen Audi A5 voorhanden had, te bemantelen. Ook het gegeven dat [betrokkene 1] van verdachte moest tanken met in de auto aanwezige diesel en zo kennelijk benzinestations moest mijden, wijst eveneens in die richting.

Onder deze feiten en omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat verdachte heeft geweten dat de Audi A5 een door misdrijf verkregen goed betrof, zodat er sprake is van opzetheling.


Het bewijsverweer wordt verworpen.”

7. Art. 416, eerste lid, onder a, Sr luidt als volgt:

“Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of een zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

8. De delictsomschrijving van art. 416, eerste lid, onder a, Sr vereist, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, dat de pleger ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Daaronder is tevens begrepen de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat een goed van misdrijf afkomstig is.1 Niet voldoende is dat de verdachte ten tijde van het voorhanden hebben wist dat het goed door misdrijf was verkregen. Bepalend is het moment waarop de verdachte het goed voorhanden kreeg. Ik voeg daaraan toe dat dit onderscheid ook uit een oogpunt van wetssystematiek, in het bijzonder de afbakening met witwassen, van belang is. Ingevolge art. 420bis, eerste lid, onder b Sr is immers (onder meer) strafbaar hij die een voorwerp voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf. Verschillende ambtgenoten hebben er in het kader van heling op gewezen dat in zijn algemeenheid geldt dat het voorhanden hebben van gestolen goederen nog niet wil zeggen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen wist dat deze van misdrijf afkomstig zijn.2 Knigge merkt in dit verband in een conclusie uit 2008 op dat de Hoge Raad aan het bewijs van het opzet ten tijde van de verkrijging niet licht tilt. In het algemeen geldt volgens hem dat het bewijs zonder nadere, op het moment van verkrijging gerichte, bewijsmotivering ontoereikend is als niet bekend is hoe de verdachte aan het desbetreffende voorwerp is gekomen. In bijzondere gevallen kan dat anders zijn, met name als het gaat om voorwerpen waarvan de dubieuze herkomst uit de aard der zaak voortvloeit.3

9. De vraag is evenwel of zich in dit opzicht geen ontwikkeling in de rechtspraak heeft voorgedaan die maakt dat onder omstandigheden de stap kan worden gezet van het opzet ten tijde van het voorhanden hebben van het goed en ten tijde van het verkrijgen daarvan. Daarbij valt met name te denken aan gevallen waarin (i) kan worden bewezen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van het goed wist dat het van misdrijf afkomstig was, (ii) niet is gebleken hoe de verdachte het goed voorhanden heeft gekregen en (iii) hij ter zake geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd. Steun voor een dergelijke benadering vind ik in HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644, NJ 2017, 277. De Hoge Raad overwoog in dit arrest dat voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte “ten tijde van” bijvoorbeeld het voorhanden “krijgen” wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een “door misdrijf verkregen goed” betrof en dat daarbij onder omstandigheden een rol kan spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het voorwerp. In dit verband zijn twee aspecten van belang.

10. In de eerste plaats sluit de overweging aan bij een benadering die ook bijvoorbeeld in geval van het bewijs van een op witwassen toegesneden tenlastelegging wordt gehanteerd. Daarbij doel ik op het bewijs dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist. De Hoge Raad aanvaardt dat in gevallen waarin de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag dat de verdachte voorhanden heeft gehad uit enig misdrijf afkomstig is van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Bij het uitblijven van een aannemelijke verklaring kan in een dergelijk geval de feitenrechter tot het oordeel komen dat het voorwerp geen legale herkomst had en dat de verdachte dat wist.4Het hanteren van een soortgelijke bewijsrechtelijke benadering in het kader van heling doet niet af aan het materieelrechtelijke onderscheid tussen de strafbaarstellingen van witwassen en opzetheling.

11. In de tweede plaats verdient opmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van 11 april 2017 refereert aan het al dan niet geven van een aannemelijke verklaring voor het voorhanden hebben van het voorwerp en niet voor het voorhanden krijgen daarvan. Dat is in dit verband een relevant verschil. Daarmee kan het uitblijven van een aannemelijke verklaring een brug slaan van de wetenschap ten tijde van het voorhanden hebben van het goed naar het bewijs van de wetenschap ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed in situaties waarin de wijze van het verkrijgen van het goed niet is komen vast te staan en niet met voldoende concretisering is aangevoerd dat de verdachte het goed bijvoorbeeld zelf heeft gestolen.5 Daarbij kan ook het gedrag van de verdachte ten tijde van de ontdekking van het voorhanden hebben van het goed bijdragen aan het bewijs van het opzet ten tijde van de verkrijging ervan.

12. Ter onderbouwing van de hiervoor gekozen benadering wijs ik op HR 16 december 2003, NbSr 2004/69.6 Daarin had de verdachte kort nadat een creditcard was ontvreemd daarmee in de onmiddellijke omgeving van de diefstal een aankoop proberen te doen. De verdachte had direct voorafgaande aan of bij haar aanhouding getracht zich van die creditcard te ontdoen door deze achteloos te laten vallen. De Hoge Raad achtte het kennelijke oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte, gezien haar reactie bij haar aanhouding die tot doel had te voorkomen dat zij in het bezit van de creditcard zou worden aangetroffen, voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat de verdachte bij het doen van haar aankoop in de wetenschap verkeerde te beschikken over een creditcard, die haar niet toebehoorde en die door misdrijf was verkregen en dat zulks ook het geval was ten tijde van het kort daarvoor voorhanden krijgen van die creditcard, niet onbegrijpelijk.7

13. De hiervoor genoemde facetten waarmee een brug kan worden geslagen tussen het opzet ten tijde van het voorhanden hebben van het goed en het voorhanden krijgen daarvan komen samen in het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652. In die zaak had het hof de verdachte veroordeeld voor opzetheling van een Renault Twingo met het kenteken [CC-00-CC] . Die auto was tussen 29 en 30 april 2012 weggenomen. Op 11 juli 2012 zag een getuige tijdens het tanken bij een tankstation dat naast haar auto een identieke Renault Twingo stond met het kenteken dat volledig overeenkwam met het kenteken van haar auto. Door de politie werd de verdachte vervolgens op de camerabeelden van het tankstation herkend als de bestuurder van de laatstgenoemde auto. De getuige verklaarde dat de verdachte, nadat hij door haar werd aangesproken met onder andere de mededeling dat zij de politie wilde bellen, niet wilde wachten op het arriveren van de politie en wegreed. Hij gaf haar een valse naam en een vals adres op. Op 24 juli 2012 wordt door twee verbalisanten een Renault Twingo aangetroffen waarop valse kentekenplaten waren aangebracht. Controle wees uit dat het bleek het te gaan om de tussen 29 en 30 april 2012 gestolen auto. De Hoge Raad liet het veroordelend arrest van het hof in stand en overwoog dat het hof gelet op de bewijsvoering bij zijn oordeel had betrokken
(i) de omstandigheden waaronder de verdachte op 11 en 24 juli 2012 de auto kennelijk in zijn bezit had, (ii) dat niet was gebleken dat de verdachte rechtmatig over de auto beschikte, (iii) dat de verdachte niet een aannemelijke verklaring had gegeven omtrent de rechtmatige verkrijging van de auto, alsmede (iv) dat de verdachte toen hij op 11 juli 2012 als bestuurder van de van een vals kenteken voorziene auto door de getuige werd aangesproken met de mededeling dat zij de politie wilde bellen, niet wilde wachten totdat de politie arriveerde, een valse naam en adres opgaf en als bestuurder wegreed. De Hoge Raad oordeelde dat het hof daarmee uit de bewijsvoering had kunnen afleiden dat de verdachte "ten tijde van het voorhanden krijgen" van de in de bewezenverklaring vermelde Renault Twingo "wist" dat deze auto afkomstig was uit enig misdrijf.

14. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Het hof heeft in een bewijsoverweging nader inzicht gegeven op welke gronden het tot de slotsom is gekomen dat de verdachte wist dat de in de bewezenverklaring genoemde auto een door misdrijf verkregen goed betrof. Anders dan de steller van het middel, zou ik de overweging dat “verdachte wist dat de Audi een door misdrijf verkregen goed betrof” in verband willen zien met het bewezen verklaarde. Daarin staat de wetenschap ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto centraal. Hoewel het hof er goed aan zou hebben gedaan dit moment ook in de bewijsoverweging te expliciteren, meen ik dat de bestreden uitspraak aldus kan worden gelezen, dat het hof heeft gedoeld op wetenschap ten tijde van de verkrijging van de auto. Daarbij merk ik nog op dat het hof in zijn nadere bewijsoverweging (mede) heeft gerespondeerd op het verweer van de raadsvrouw van de verdachte dat de medeverdachte [betrokkene 1] , en niet de verdachte, de gestolen auto onder zich had.

15. Niet bestreden wordt dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de auto een door misdrijf verkregen goed betrof. Bij de door het hof gebezigde bewijsmiddelen bevindt zich onder meer een aangifte van diefstal van [betrokkene 3] waarin hij – kort gezegd – verklaart dat hij op 30 november 2014 de Audi A5 met kenteken [BB-00-BB] heeft geparkeerd op een parkeerplaats nabij zijn woning, terwijl die auto zich daar op 1 december 2014 niet meer bevond (bewijsmiddel 3). Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant Stolk volgt onder andere dat op 24 december 2014 [betrokkene 1] zich als bestuurder bevond in een zwarte Audi A5 voorzien van het kenteken [AA-00-AA] en de verdachte in deze auto als bijrijder is ingestapt. Uit onderzoek van de verbalisant bleek vervolgens dat de auto sinds 1 december 2014 als ontvreemd gesignaleerd stond, terwijl het op de personenauto gevoerde kenteken [AA-00-AA] niet op die auto thuishoorde en het kenteken [BB-00-BB] het juiste was (bewijsmiddel 1).8

16. Evenmin wordt in cassatie bestreden dat de verdachte de Audi voorhanden had. Het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de Audi wist dat deze een door misdrijf verkregen goed betrof, acht ik niet onbegrijpelijk. Ook als de betekenis van de vaststelling dat de verdachte deel uitmaakt van een groepering die zich schuldig maakt aan vermogensdelicten en daarbij veelvuldig gebruik maakt van van diefstal afkomstige personenauto’s buiten beschouwing wordt gelaten (bewijsmiddel 1),9 meen ik dat het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de Audi wist dat deze door misdrijf afkomstig was. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking.

17. Niet is gebleken hoe de verdachte aan de Audi is gekomen, terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat hij de auto niet zelf heeft gestolen (bewijsmiddel 8). Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte wisselend en zelfs kennelijk leugenachtig heeft verklaard teneinde de waarheid dat hij de Audi voorhanden had te bemantelen. Uit de overwegingen van het hof leid ik af dat dat oordeel zijn grondslag vindt in de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] , [vader betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .10 Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof daarbij ook de omstandigheid betrokken dat [betrokkene 1] van de verdachte moest tanken met in de auto aanwezige diesel. Op deze wijze zou hij benzinestations kunnen mijden.

18. Het voorafgaande brengt mee dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging van het hof kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de Audi A5 wist dat die auto een door misdrijf verkregen goed betrof. Dit brengt mee dat de bewezenverklaring naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed.

19. Het middel faalt.

20. Het tweede middel behelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

21. Namens de verdachte is op 16 maart 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 23 februari 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

22. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812 (rov. 6.1) en HR 16 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1828 (rov. 6.2). Zie ook HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5527 (rov. 2.3).

2 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7259 onder 9. Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorafgaand aan HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:977, onder 3.7.de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga voorafgaand aan HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:955, onder 8 en de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens van 27 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1329 onder 3.13. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken in een andere zaak tegen de verdachte (conclusie van 13 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1263).

3 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7259 onder 9.

4 Vgl. onder meer HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456 en HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:127.

5 Zie in dit verband ook de noot van Kooijmans onder HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644, NJ 2017/277, die de nadruk legt op het ‘met voldoende concretisering’ ten verwere aanvoeren door de verdachte dat hij het bij hem aangetroffen voorwerp zelf als pleger of als medepleger — en daarmee op strafbare wijze — heeft verkregen. Die omstandigheid is van belang omdat van heling geen sprake is in geval degene die het goed voorhanden heeft dat zelf heeft gestolen.

6 ECLI:NL:HR:2003:AL8447 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

7 Vgl. ook HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652, NJ 2017/278 (rov. 2.3.1).

8 Vgl. HR 6 december 1943, NJ 1944, 270. En zie hierover ook de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Wortel voorafgaand aan HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8800 onder 16-18.

9 Zie over de vraag in hoeverre dergelijke informatie redengevend kan zijn voor het opzet de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7259.

10 Vgl. bijvoorbeeld HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467, (rov. 6.2), HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2897 (rov. 3.4), HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8873, NJ 2002, 567 (rov. 4.5).