Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:139

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
16/05491
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:897
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de vraag of onder het begrip 'gewapende strijd' als bedoeld in art. 205 Sr kunnen worden begrepen gedragingen als het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een directe deelnemer aan de gewapende strijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05491

Zitting: 20 februari 2018 (bij vervroeging)

Mr. W.H. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 juli 2016 door het Gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde werven van personen voor de gewapende (terroristische) strijd (art. 205 Sr), en wegens 2 “Een afbeelding waarin tot een terroristisch misdrijf wordt opgeruid, verspreiden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat in het geschrift zodanige opruiing voorkomt, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, geheel voorwaardelijk.

  2. Zowel door de Advocaat-Generaal bij het hof als namens de verdachte is cassatieberoep is ingesteld. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.

  3. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

  4. De Advocaat-Generaal bij het hof heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  5. Het middel houdt in dat 's hofs oordeel met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde dat het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een directe deelnemer aan de gewapende strijd niet zijn aan te merken als rechtstreekse inzet ten behoeve van en daarmee als deelname aan de gewapende strijd en dat het werven van personen voor het verrichten van dergelijke bezigheden niet kan worden aangemerkt als werven voor de gewapende strijd als bedoeld in art. 205 Sr, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

  6. Aan de verdachte is onder 1, na wijzigingen ter terechtzitting in hoger beroep op 12 februari 2016 en 9 juni 2016, tenlastegelegd dat:

“zij in of omstreeks de periode van 13 juni 2012 tot en met 17 Juli 2013 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, en/of te Antwerpen, in elk geval in België, zonder toestemming van de Koning(in),

- [betrokkene 1] (geboren: [geboortedatum] 1995) en/of

- [betrokkene 2] (geboren: [geboortedatum] 1994) en/of

- [betrokkene 3] (geboren: [geboortedatum] 1996) en/of

- [betrokkene 4] (geboren: [geboortedatum] 1994) en/of

- [betrokkene 5] (geboren: [geboortedatum] 1995) en/of

- [betrokkene 6] (geboren: [geboortedatum] 1997) en/of

- [betrokkene 7] (geboren: [geboortedatum] 1986) en/of

- [betrokkene 8] (geboren [geboortedatum] 1989 en/of

heeft geworven voor de gewapende (terroristische) strijd, door (onder meer)

- intensief contact te onderhouden met die personen (voorafgaand aan de afreis Syrië en/of ten tijde van het verblijf van die personen in Syrië) en/of

- lezingen te geven over haar, verdachtes, denkbeelden met betrekking tot de "strijdbare islam" en/of die lezingen actief bij te wonen en/of anderen daarbij uit te nodigen en/of te flyeren voor lezingen en/of

- lezingen te geven via Skype en/of Paltalk en/of andere (sociale) media over haar, verdachtes, denkbeelden met betrekking tot de "strijdbare Islam" en/of

- uitingen te doen (al dan niet via/middels allerlei (sociale) media) waaruit haar, verdachtes, steun van deelname aan de gewapende strijd in Syrië uit naam van de islam blijkt en/of

- met [betrokkene 1] kort voor diens vertrek voor de Islamitische wet te trouwen en/of (een) bericht(en) aan [betrokkene 1] te sturen met daarin onder meer opgenomen: "Ik vraag Allah om jou te laten sterven als Shaheed" en/of

- met [betrokkene 2] kort voor diens vertrek voor de Islamitische wet te trouwen en/of chatberichten aan [betrokkene 2] te sturen met daarin onder meer opgenomen: "Eenieder die niet vecht of goed zorgt voor de familie, die een strijder heeft achter gelaten, Allah zal hem kwellen met een rampspoed voor de Dag der Opstanding" en/of

- [betrokkene 3] te helpen met de afreis naar Syrië door geld voor de reis te verzamelen en/of aan te bieden om [betrokkene 3] naar het vliegveld te brengen en/of

- tegen [betrokkene 4] te zeggen: "Weet je wat jij moet doen, gewoon trouwen en wegwezen" en/of

- [betrokkene 5] onder druk te zetten door tegen [betrokkene 5] te zeggen: "De accepteer niet, ik accepteer niet dat je hier blijft. Dat accepteer niet" en/of

- door onder andere aan [betrokkene 6] advies te geven over trouwen met een broeder en/of te zeggen dat er broeders zijn in Syrië die willen trouwen en/of

- (hiermee) die personen (geleidelijk aan) te beïnvloeden en/of te overreden (om af te reizen naar Syrië) en/of die personen geestelijk rijp te maken voor het afreizen naar Syrië,

terwijl deze gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt;”

7. Het hof heeft de verdachte van dit feit vrijgesproken - kort gezegd - omdat de gedragingen waarvoor de verdachte de in de tenlastelegging genoemde personen geworven heeft - het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een directe deelnemer aan de gewapende strijd - geen deelname aan de gewapende strijd opleveren.

8. De tenlastelegging is toegesneden op art. 205 Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende term "(werven voor de) gewapende strijd" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel. Het middel werpt dus de vraag op of bedoelde gedragingen deelname aan “de gewapende strijd” opleveren als bedoeld in art. 205 Sr.

9. Het hof heeft met betrekking tot het juridisch kader van het onder 1 tenlastegelegde overwogen:

6.2 Artikel 205 Sr: werven voor de gewapende strijd

Artikel 205 Sr stelt het werven voor de gewapende strijd strafbaar. Het artikel luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

1. Hij die, zonder toestemming van de Koning, iemand voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd werft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Het werven voor de gewapende strijd is met de invoering van de Wet terroristische misdrijven1 aan dit wetsartikel toegevoegd, waarbij tevens de maximumstraf is verhoogd van één jaar naar vier jaar gevangenisstraf. De wijziging stond in de sleutel van het bevorderen van de mogelijkheden tot strafrechtelijk optreden tegen rekrutering ten behoeve van de Jihad. Beoogd werd ook die rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen die betrekking hebben op het werven van personen voor de rechtstreekse inzet ten behoeve van de (islamitische) gewapende en gewelddadige strijd, zonder dat daarbij aantoonbaar sprake is van deelname aan een groep of samenwerkingsverband. Een strijd is ‘gewapend’ wanneer de (beoogde) toepassing van geweld vergelijkbaar is met het ingrijpend geweld dat wordt toegepast in een oorlogs- of guerrillasituatie. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat Jihad binnen het begrip gewapende strijd valt. De wetgever omschrijft de Jihad als een ‘islamitische strijd die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitische geloof - de koran en de soenna - staat vermeld’.2 De verhoging van de strafmaat hangt samen met de verscherpte afkeur voor werven voor de Jihad, een volgens de wetgever zeer kwalijke en bedreigende vorm van rekrutering die mogelijk desastreuze gevolgen heeft voor de betrokkene en de mogelijke slachtoffers.3 Voor de vaststelling of sprake is van het bestanddeel vreemde krijgsdienst spelen vooral het element ‘optreden in een bepaald organisatorisch verband (dienst)’ en ‘het geweldselement in een oorlogs- of guerrillasituatie’ een rol. Bij het bestanddeel gewapende strijd speelt alleen het laatstgenoemde.4

Dat maakt dat naar het oordeel van het hof de door het openbaar ministerie5 voorgestane ruime interpretatie van het bestanddeel gewapende strijd geen steun vindt in de door het openbaar ministerie aangehaalde wetsgeschiedenis. Integendeel: blijkens die wetgeschiedenis er is een strikt onderscheid tussen het bestanddeel vreemde krijgsdienst en het bestanddeel gewapende strijd. Milities en de door het openbaar ministerie als voorbeeld genoemde kok vallen onder het bereik van het bestanddeel vreemde krijgsdienst, maar niet onder het bestanddeel gewapende strijd,6 De door de rechtbank gebruikte strikte uitleg van het bestanddeel gewapende strijd is naar het oordeel van het hof juist.

De werving moet aldus de daadwerkelijke deelname aan dan wel de rechtstreekse inzet bij de strijd beogen. Enkele financiële ondersteuning valt hier niet onder.7 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet alleen de eigenlijke gevechtshandelingen, maar ook het verlenen van concrete hand- en spandiensten, zoals het fouilleren van personen, het controleren van voertuigen en het verlenen van hulp bij het plegen van een aanslag vallen onder het deelnemen aan de gewapende strijd. Het enkele moreel, ideologisch of financieel ondersteunen van de strijd of de strijders, het trouwen met een strijder en/of het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een strijder zijn echter niet aan te merken als rechtstreekse inzet ten behoeve van en derhalve als deelname aan de gewapende strijd.

Voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van art. 205 Sr volstaat overigens het enkele ronselen van personen voor - onder meer - de gewapende strijd, waarbij het aankomt op de (feitelijke) gedragingen van degene die werft, zonder dat op zichzelf van belang is of het werven resultaat heeft of niet en hoe degene die wordt geworven op dat moment tegenover die strijd staat.8 Iemand die reeds de gewapende strijd is toegedaan kan dus ook worden geworven.9 Het delict is voltooid wanneer een handeling die ertoe strekt iemand tot aansluiting bij de gewapende strijd te bewegen, zich heeft geopenbaard.10

Blijkens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie komt aan het bestanddeel ‘werven’ een ruime betekenis toe en kan het dus op allerlei manieren plaatsvinden. Het bestanddeel wordt omschreven als “iemand tot aansluiting bewegen”, “benaderen teneinde te overreden”, “bespelen (met behulp van communicatiemiddelen)”11 en “beïnvloeden, het ideologisch rijp maken, bewegen of vergelijkbare handelingen”.12 Ook “ronselen voor de gewapende strijd” valt onder het delictsbestanddeel werven.13

Zoals het hof eerder in een andere zaak heeft overwogen zal werven over het algemeen geen eenmalige handeling betreffen, doch omvat veeleer een proces dat begint met het spotten van een mogelijke rekruut en via het wekken van vertrouwen eindigt met het daadwerkelijk bewegen van iemand tot deelname aan een gewelddadige strijd.14

1 Stb. 2004, 290 (inwerkingtreding op 10 augustus 2004).

2 TK 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 12.

3 TK 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 9 e.v.

4 TK 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 13.

5 Zie schriftelijk Requisitoir openbaar ministerie hoger beroep pagina 31.

6 Handelingen II, vergaderjaar 2003-2004, nr. 33, p. 2346.

7 EK 2003-2004, 28 463, C, p. 12.

8 Hoge Raad 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7585 (Piranha); Rechtbank Rotterdam 30 oktober 2007 ECLI:NL:RBROT:2007:BB7203.

9 Hoge Raad 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7585 (Piranha).

10 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 11.

11 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 11.

12 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 16.

13 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 463, nr. 10, p. 11.

14 Gerechtshof ’s-Gravenhage 2 oktober 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BF3987.”

10. Voorts heeft het hof met betrekking tot de vraag of het onder 1 tenlastegelegde bewezen is overwogen - met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten -:

“Vastgestelde feiten

Het hof sluit zich ter zake van de onderstaande feiten en omstandigheden, zoals die uit de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken, grotendeels aan bij de vaststellingen van de rechtbank.

Online activiteiten

De verdachte heeft in de periode van maart tot juni 2013 via haar Twitteraccount met de naam [A] filmpjes geplaatst door in een twitterbericht een link of hyperlink aan te brengen naar een videobestand op de website YouTube. Een aantal van deze berichten betroffen zogeheten getweet. Door op de gedeelde link te klikken kunnen de volgers of bezoekers van het twitteraccount van verdachte de filmpjes bekijken. De 29 filmpjes hadden allemaal betrekking op het islamitisch geloof. Zes van de filmpjes zijn in hoger beroep op CD-rom aan het dossier toegevoegd en ter terechtzitting getoond.

Contacten met anderen

In de periode van 13 juni 2012 tot en met 30 maart 2013 heeft de verdachte intensief telefonisch gehad met [betrokkene 1] . Er zijn 474 telefonische contacten geregistreerd. Op 8 februari 2013 zijn de verdachte en [betrokkene 1] voor de Islamitische wet met elkaar getrouwd. [betrokkene 1] is op 30 maart 2013 van huis vertrokken en niet lang daarna liet hij zijn ouders weten dat hij is afgereisd naar Syrië. In de telefoon van verdachte is een notitie aangetroffen die was gericht aan [betrokkene 1] . In dit bericht spreekt zij [betrokkene 1] aan met ‘Mujaheed’ (strijder) en schrijft verdachte dat [betrokkene 1] zijn doel heeft bereikt en dat zij hem daarin volledig steunde. Ook vraagt zij Allah hem te laten sterven als martelaar. In haar telefoon wordt voorts een tekst aangetroffen met als titel ‘het voorbereiden van een strijder die op Jihad gaat’. Niet lang nadat [betrokkene 1] vertrok naar Syrië heeft verdachte laten weten dat zij van hem wilde scheiden.

Al in maart 2013 leert verdachte eveneens medeverdachte [betrokkene 2] kennen via internet. Hij wilde vrij snel met haar trouwen, omdat het in de islam goed is om vroeg te trouwen. Verdachte en [betrokkene 2] zijn op 10 juli 2013 - naar hun opvatting - daadwerkelijk voor de Islamitische wet getrouwd. Op 1 juli 2013 heeft verdachte aan [betrokkene 2] een chatbericht gestuurd met de boodschap dat een ieder die niet vecht of goed zorgt voor de familie die een strijder heeft achtergelaten, door Allah gekweld zal worden met een rampspoed. Ook wil zij hem iets prachtigs sturen waardoor twijfel zal weggaan. De verdachte en [betrokkene 2] worden op 17 juli 2013 aangehouden terwijl zij van plan waren om naar Syrië af te reizen. Omdat [betrokkene 2] op dat moment niet als verdachte wordt aangemerkt wordt hij diezelfde dag vrijgelaten en niet lang daarna is hij naar Syrië vertrokken.

In juni 2013 had de verdachte voorts met meerdere vrouwen contact over het trouwen met een broeder in Syrië, zo is gebleken uit telefoontaps. Zo zegt zij onder meer tegen [betrokkene 4] dat zij een melding heeft gekregen dat er broeders in Syrië zijn die willen trouwen en dat je daar zonder man niet naartoe kan. Ook zegt ze tegen [betrokkene 4] dat ze gewoon moet ‘trouwen en wegwezen’. Ook in een gesprek met [betrokkene 5] gaat het over trouwen en vraagt verdachte [betrokkene 5] of zij met een broeder uit Syrië wilde trouwen. Als [betrokkene 5] uitlegt waarom zij dat niet kan antwoordt de verdachte dat zij niet accepteert dat [betrokkene 5] hier blijft.

De getuigenverklaringen

De getuige [betrokkene 3] is gehoord bij de politie en bij de raadsheer-commissaris. De getuige heeft verklaard dat zij verdachte, die zich ook wel [A] en [B] noemde, via internet kende en dat zij haar in de Qibla moskee in Zoetermeer heeft ontmoet. [betrokkene 3] verklaarde dat verdachte het veel over Jihad had. Als verdachte een stukje over Jihad had gelezen dan ging ze dat gelijk op internet gooien en knippen en plakken. Ook met nieuwe filmpjes van Sharia for Belgium waarbij lezingen werden gehouden, was ze de eerste die het filmpje op Facebook plaatste. De jongere meiden vonden dat interessant. Ook plaatste verdachte berichten over Jihad op Facebook. Dit deed zij onder verschillende namen, waaronder [B] . Als het ging om Jihad was verdachte de eerste die wat plaatste. Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige nog verklaard dat verdachte en zij van plan waren samen de Jihad te bestuderen. Jihad is volgens de getuige vechten omwille van Allah. Mannen strijden met wapens en voor de vrouwen is het zorgen. Verdachte heeft nooit tegen haar gezegd dat ze ook naar Syrië moest gaan.

De getuige [betrokkene 9] , de zus van [betrokkene 5] , heeft een verklaring afgelegd bij de politie. De getuige heeft verklaard dat verdachte onder de naam [C] Facebook gebruikte. Zij verklaarde dat verdachte alles plaatste wat met de islam te maken had, zoals filmpjes, lezingen over de situatie in Syrië. Verdachte plaatste ook wel eens wat over de Jihad. [betrokkene 5] heeft verklaard dat verdachte een tekst heeft geplaatst met als titel "De rol van de strijder". In de tekst stond wat je als strijder moest doen. Ruim honderd mensen volgden de Facebook site.

De getuige [betrokkene 7] is gehoord door de politie en bij de raadsheer-commissaris. De getuige heeft verklaard dat verdachte erg met Jihad bezig is in deze tijd. Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige nog het volgende over de Jihad en vertrekken naar Syrië verklaard: ‘Ik denk dat we er in die tijd een beetje hetzelfde instonden, namelijk dat het voor de mannen een verplichting was. Voor de vrouwen was het geen verplichting, maar de ene man vindt dat je je vrouw mee moet nemen, de andere man vindt dat je je vrouw hier moet laten. [verdachte] is nooit heel concreet geweest over wat zij daarvan vond.’

Volgens de zus van verdachte, getuige [betrokkene 10] , had verdachte het elke dag over de Jihad.

De getuige [betrokkene 8] is zowel bij de politie als bij de raadsheer commissaris gehoord. De getuige heeft verklaard dat verdachte vond dat het voor iedereen een plicht is om naar Syrië te gaan. Verder verklaarde ze dat verdachte best wel een overtuigende uitspraak en manier van praten heeft. Ze klinkt heel overtuigend en mensen luisteren graag naar haar. Bij de raadsheer-commissaris komt de getuige gedeeltelijk terug op haar politie verklaring en stelt zij dat verdachte op geen enkele wijze haar heeft beïnvloed om naar Syrië te gaan.

De getuige [betrokkene 4] is gehoord bij de politie en bij de raadsheer-commissaris. De getuige heeft bij de politie verklaard dat verdachte zei dat de Jihad voor zowel de man als de vrouw verplicht was. Volgens verdachte valt onder Jihad zowel het strijden van de man als de taken van de vrouw. Verdachte verdiepte zich veel in de Jihad. Zij was alleen maar met Syrië bezig en wilde daar naartoe. [betrokkene 4] verklaarde ook dat verdachte helemaal verliefd was op Bin Laden: hij was haar grote voorbeeld. Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige nog verklaard dat zij nooit overwogen heeft om naar Syrië te gaan noch dit met verdachte heeft besproken.

De medeverdachte [betrokkene 2] is als getuige gehoord door de raadsheer-commissaris. Tijdens dit verhoor heeft hij het volgende verklaard: ‘U vraagt mij of [verdachte] mij heeft geronseld. Nee, ik vind het bijna een belediging naar mij toe om dat te zeggen.’ De getuige verklaarde voorts dat hij al het idee had om naar Syrië te gaan voordat hij verdachte kende. Ter terechtzitting van het hof op 1 juni 2016 heeft [betrokkene 2] als verdachte nog verklaard dat hij heeft deelgenomen aan de gewapende strijd.

De verklaringen van de verdachte

Het hof stelt met de rechtbank het volgende vast over hetgeen de verdachte heeft verklaard.

Verdachte heeft ontkend dat zij het regelmatig over de Jihad had. Verdachte heeft verklaard dat zij niet radicaal is en dat zij nooit iemand tot een strijd heeft aangespoord. Zij heeft verklaard dat de Jihad bovendien niet alleen de gewapende strijd inhoudt. Het is een veel breder begrip, het is bijvoorbeeld ook helpen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij meer dan tientallen volgers op Twitter had. Zij twitterde over de orthodoxe islam. Zij heeft zich onder andere via Twitter bezig gehouden met het verspreiden van het geloof. Zij weet niet of zij allemaal gewelddadige filmpjes op Twitter heeft gezet. Abu Dujana al Khorasani is een Duitser die lezingen geeft. Verdachte weet niet wat voor filmpje het is. Zij heeft geen lezingen van hem gevolgd. Anwar Al Awlaki is een geleerde die lezingen geeft, een broeder. Abu Muhammad Al-Maqdisi is een broeder die zegt dat de niqaab verplicht is. Verdachte verklaarde met betrekking tot een filmpje over Bin Laden: "Het is mijn broeder en hij is moslim. Ik oordeel niet over zijn daden.".

Verdachte heeft bevestigd dat zij het filmpje "Daily life of a Mujahid" op Twitter heeft gedeeld, maar dat zij daar verder geen doel mee had. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat het filmpje niet ging over strijden, maar over hoe de strijders leefden. Verdachte betwist dat zij filmpjes heeft geplaatst die een strijdbare inhoud hebben, omdat de filmpjes gingen over het leven van mensen die Jihad pleegden. Er werd niet iets moois gemaakt van de deelname aan de strijd. Ten aanzien van het filmpje waarop executies te zien zijn, verklaarde verdachte dat zij zich dit filmpje ook niet herinnert. Zij kijkt niet naar de beelden. Zij luistert alleen naar de muziek.

Verdachte heeft verder verklaard dat zij de Facebooksite [C] beheerde. Een aantal andere zusters had ook een wachtwoord. Ter terechtzitting heeft verdachte gezegd dat de "vrienden van" alles konden inkijken: de pagina was openbaar. Verdachte ontkende echter te hebben gepost over de gewapende Jihadstrijd. Zij herinnert zich niet of zij filmpjes van Sharia for Belgium heeft geplaatst. Verdachte verklaarde dat dit zou kunnen, maar dat zij dacht dat het over een bredere interesse voor het geloof ging.

Over haar reis naar Syrië heeft de verdachte ten slotte als volgt verklaard. De verdachte heeft zich na haar vrijlating bij [betrokkene 2] gevoegd in Syrië. Ze heeft - net als [betrokkene 2] - verklaard dat zij beiden, onafhankelijk van elkaar, het plan hadden om naar Syrië te gaan om daar hulp te verlenen en in een islamitische staat te wonen.

8. Beoordeling van het ten laste gelegde

8.1 Het onder 1 ten laste gelegde

8.1.1 Heeft verdachte de vrouwen [betrokkene 3] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] geworven voor de gewapende strijd?

Met het openbaar ministerie en de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde werving van [betrokkene 3] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , nu het procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat zij hen heeft proberen te beïnvloeden of geestelijk rijp te maken voor de gewapende strijd.

8.1.2 Heeft verdachte de vrouwen [betrokkene 8] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] geworven voor de gewapende strijd?

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van verdachte en de getuigen zoals hiervoor onder 7 weergeven, alsmede de notitie die op verdachtes telefoon is aangetroffen over het voorbereiden van een strijder die op Jihad gaat, kan worden opgemaakt dat de verdachte de mening is toegedaan - en die mening ook verkondigde - dat vrouwen de mannelijke strijders in Syrië dienen te ondersteunen.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte de genoemde vrouwen zodanig heeft beïnvloed dat er sprake is van handelingen die ertoe strekken om iemand tot aansluiting bij de gewapende strijd te bewegen. Het hof zal bij de beantwoording van deze vraag nog iets uitgebreider dan onder 7 ingaan op de door de getuigen afgelegde verklaringen.

De getuige [betrokkene 8]

De getuige [betrokkene 8] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte, die zij twee keer heeft ontmoet, lezingen gaf die over verschillende onderwerpen gingen. Volgens de getuige vond de verdachte het een goede zaak, een plicht eigenlijk, om naar Syrië te gaan omdat daar bepaalde delen door de Sharia worden geregeerd. De verdachte heeft tegen haar gezegd dat dit (het hof begrijpt: Nederland) niet de plek is waar je je geloof 100 procent kan praktiseren. Volgens de getuige had de verdachte best wel een overtuigende manier van praten; zij klonk overtuigend, wist goed wat zij moest zeggen en was niet op haar mondje gevallen. Zij kon overtuigen met bewijs uit de koran.

Deze verklaring wijkt af van hetgeen zij nadien tegenover de raadsheer-commissaris, deels onder ede, heeft verklaard. In dat verhoor heeft de getuige verklaard dat zij bevriend was met de verdachte, wiens kunya (bijnaam) ‘ [A] ’ was. Zij kende haar via sociale media. Anders dan in haar eerdere verklaring bij de politie, heeft de verdachte volgens de getuige [betrokkene 8] via Paltalk nooit over Syrië gesproken. Zij ontkent dat zij door de verdachte is uitgelokt om mee te doen aan de Jihad. Ook heeft zij niet met de verdachte gesproken over of zij met haar naar Syrië wilde gaan. Volgens de getuige heeft de verdachte in haar bijzijn geen uitlatingen gedaan waaruit steun aan de gewapende strijd bleek. Dat is volgens de getuige de rol van de vrouw ook niet.

Ofschoon de verklaring die de getuige [betrokkene 8] bij de politie heeft afgelegd op onderdelen belastend is voor de verdachte, immers heeft zij tegen de getuigen op een dwingende en overtuigende gezegd dat het een (haar) plicht is om naar Syrië te gaan, komt zij hierop in essentie terug in haar latere onder ede afgelegde verklaring tegenover de raadsheer-commissaris. Dat de verdachte een overtuigende wijze van praten had, blijkt ook uit de verklaring van de zus van [betrokkene 5] , welke [betrokkene 5] volgens het openbaar ministerie eveneens door de verdachte zou zijn geworven voor de gewapende strijd in Syrië.

Daar staat evenwel tegenover dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 8] geen enkele (overtuigende) aanwijzing bevatten dat de verdachte de getuige heeft geworven voor deelname aan de gewapende (terroristische) strijd in Syrië. Nu de eerdere verklaring van de getuige voorts onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, zal het hof de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Gelet hierop behoeft de verklaring van de verdachte dat zij door de politie beweerdelijk onder druk is gezet, wat daar verder ook van zij, geen verdere bespreking.

De getuige [betrokkene 4]

De getuige [betrokkene 4] heeft bij de politie verklaard dat zij de verdachte, die zij ‘ [D] ’ noemt en wiens bijnaam volgens de getuige ‘ [A] ’ is, kende, maar dat zij niet achter alles stond wat zij deed. Zij zag de verdachte eens in de twee weken en ze spraken met elkaar af in de Qibla moskee in Zoetermeer. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de getuige verklaard dat de verdachte de Jihad voor zowel de man als de vrouw verplicht was. Naast het strijden van de man vielen volgens de verdachte de taken van de vrouw onder de Jihad. De verdachte vond dat de Jihad gerechtvaardigd is omdat de vrouwen in Syrië worden onderdrukt. De getuige verklaarde verder dat zij de week voor het verhoor een bericht van [D] ontving en dat zij toen in Turkije zat. Zij heeft toen niet met de verdachte over Syrië gesproken omdat zij het met haar niet daarover wilde hebben. Volgens de getuige [betrokkene 4] wilde de verdachte naar Syrië gaan. [D] zei dat onder Jihad zowel het strijden van de man als de taken van de vrouw vallen, het steunen van de strijders is ook Jihad omdat de beloning hetzelfde is. De getuige heeft verder verklaard dat zij lezingen van de verdachte volgde via Paltalk. Die lezingen gingen niet over Jihad, aldus de getuige.

Tegenover de raadsheer-commissaris heeft de getuige de eerder afgelegde verklaring, voor zover relevant, in de kern herhaald. Volgens de getuige was de verdachte praktiserend moslima en hielden zij beiden de normale stroming aan. De getuige had met de verdachte wel eens gesproken over afreizen naar Syrië, maar zij heeft zelf nooit overwogen om naar Syrië te gaan. Zij heeft er ook nooit met haar over gesproken.

Het hof is van oordeel dat de opeenvolgende verklaringen van de getuige [betrokkene 4] , die onderling consistent zijn, onvoldoende aanwijzingen bevatten dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde werven voor de gewapende (terroristische) strijd in Syrië van voornoemde getuige, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Dit klemt te meer nu het dossier ook overigens geen althans onvoldoende bewijs bevat van het tegendeel. De opmerking dat de verdachte tegen de getuige zou hebben gezegd dat de Jihad voor iedereen verplicht is en ‘weet je wat jij moet doen, gewoon trouwen en wegwezen’, maakt dit niet anders.

[betrokkene 5]

Op 12 juli 2013 maakten de ouders van [betrokkene 5] bij de politie kenbaar dat (toen) hun minderjarige dochter werd vermist en dat zij vermoedelijk in Syrië verbleef. Ter terechtzitting in hoger beroep is aannemelijk geworden dat de door het hof toegewezen getuige [betrokkene 5] zich nog steeds in het buitenland bevindt. Van haar zijn evenwel geen nadere adres c.q. verblijfsgegevens bekend geworden.

Op 25 juli 2013 deden de ouders bij de politie te Tilburg aangifte van het ronselen door ‘ [A] ’, zijnde de verdachte. Volgens de moeder van [betrokkene 5] kreeg zij op 12 juli van haar dochter een bericht waarin stond dat zij in Syrië zat. Haar dochter is door de verdachte gehersenspoeld. Dit weet zij omdat [betrokkene 5] de laatste weken echt uren achter haar laptop zat te praten met de verdachte.

Naast hetgeen hiervoor reeds als haar verklaring is opgenomen, heeft de getuige [betrokkene 9] bij de politie verklaard dat zij weet dat haar zus contact had met een meisje uit de omgeving van Zoetermeer en dat dit meisje aangehouden is en “ [A] ” is genaamd en ook “ [D] ” wordt genoemd. De getuige heeft verder verklaard dat zij heeft gezien dat haar zus met die [D] op Skype en Paltalk zat en dat [A] lezingen gaf. Volgens de getuige werd er na die lezingen over allerlei zaken gesproken, onder andere de genezing van de profeet en zijn metgezellen. Op de vraag: ‘Denk je dat [betrokkene 5] daar uit vrije wil zit?’ antwoordde de getuige letterlijk: ‘Aan de ene kant wel aan de andere kant niet’. Volgens de getuige wilde haar zus graag naar Syrië toe om te kijken hoe het daar is en nu ze daar is beseft ze dat ze niet terug kan.

Mensen hebben volgens de getuige op haar ingepraat om te gaan maar nu ze er is valt het haar tegen. Voorts verklaarde de getuige dat zij niet weet wat de rol van [A] is geweest bij het uitreizen van haar zus maar dat ze wel weet dat [A] bij het groepje hoorde wat veel bezig was met de Jihad. [A] plaatste volgens de getuige op Facebook alles wat met de islam te maken heeft en ook zaken die met de Jihad te maken hebben. Voor haar gevoel keek haar zus op naar [A] . Tenslotte verklaarde de getuige dat het niet kan dat haar zus alles in haar eentje heeft geregeld voor de reis en denkt dat zij daarbij hulp heeft gehad van anderen.

De verdachte heeft ontkend dat zij [betrokkene 5] heeft geronseld voor de gewapende strijd in Syrië. Evenmin heeft zij een rol gehad in het feit dat zij naar Syrië is gegaan.

Gebleken is dat de verdachte en [betrokkene 5] op verschillende momenten met elkaar telefonisch contact hebben gehad, waaronder op 15 juni 2013. Blijkens dit gesprek heeft de verdachte tegen [betrokkene 5] onder meer gezegd: “Ik accepteer niet dat je hier blijft”. Ofschoon dit onderdeel van het gesprek een duidelijk directief karakter heeft, volgt hieruit nog niet (zondermeer) dat de verdachte [betrokkene 5] heeft overreed voor het afreizen naar Syrië, laat staan dat laatstgenoemde door de verdachte is geworven voor de gewapende strijd aldaar. Daarbij komt dat de verdachte desgevraagd voor deze passage in het gesprek een verklaring heeft gegeven ( [betrokkene 5] voelde zich in Nederland niet vrij en zij wilde weg. Dus dan kan je beter naar een ander land gaan waar je wel blij bent), die niet op voorhand als volstrekt onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Dat de verdachte [betrokkene 5] zou hebben gehersenspoeld, zoals haar moeder heeft verklaard, is verder onvoldoende aannemelijk geworden. Dat [betrokkene 5] de laatste weken voor haar vertrek uren achter haar laptop zat te praten met de verdachte is daartoe ongenoegzaam. Dit geldt evenzeer voor de verklaring van de zus van [betrokkene 5] dat mensen op haar zus hebben ingepraat om te gaan, nu zij anderzijds niet weet wat de rol van [A] is geweest bij het uitreizen van haar zus. Dat de verdachte bij het groepje hoorde wat veel bezig was met de Jihad, maakt dit niet anders.

Het vorenstaande leidt het hof tot de slotsom dat ook ter zake van deze getuige onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het tenlastegelegde werven voor de gewapende (terroristische) strijd in Syrië, zodat de verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

8.1.3. Heeft verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geworven voor de gewapende strijd?

Op grond van de hierboven onder 7 vastgestelde feiten en omstandigheden oordeelt het hof, grotendeels in navolging van de rechtbank, als volgt.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van de verklaringen van verdachte, de medeverdachte [betrokkene 2] en de moeder van [betrokkene 1] , aannemelijk is dat beide mannen zelf reeds het voornemen hadden om naar Syrië af te reizen.

[betrokkene 1]

Ten aanzien van [betrokkene 1] kan voorts worden vastgesteld zoals onder 7 nader is weergegeven dat hij intensief telefonisch contact heeft onderhouden met [verdachte] en dat hij met haar voor de islamitische wet is getrouwd. Op 30 maart 2013 is hij richting Syrië vertrokken. Volgens zijn moeder was hij er van overtuigd dat het martelaarschap het beste is wat je kan overkomen. Zijn moeder denkt dat de verdachte hem gestimuleerd heeft om te gaan, maar dat het zijn eigen beslissing is geweest. Dat verdachte [betrokkene 1] steunde in zijn voornemen om naar Syrië te gaan blijkt naar het oordeel van het hof ook uit de aan [betrokkene 1] geadresseerde notitie die is aangetroffen op de telefoon van de verdachte en uit haar eigen verklaringen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het enkele steunen echter niet voldoende is om te komen tot een bewezenverklaring van werven. Dat verdachte met [betrokkene 1] trouwde en veelvuldig contact met hem had levert op zichzelf geen handelingen op die aan te merken zijn als wervingshandelingen. Dat de verdachte de gewapende strijd voorstond staat vast, maar of en op welke wijze de verdachte [betrokkene 1] daarmee zou hebben getracht te werven voor de gewapende strijd kan niet uit het dossier worden afgeleid.

[betrokkene 2]

Uit hetgeen onder 7 is vastgesteld met betrekking tot de contacten tussen de verdachte en [betrokkene 2] kan worden afgeleid dat de verdachte ook [betrokkene 2] heeft gesteund in zijn voornemen om naar Syrië te gaan. Zoals hiervoor is overwogen, is het enkele steunen echter niet voldoende om te komen tot een bewezenverklaring van werven. Dat verdachte met [betrokkene 2] trouwde en daarvóór veelvuldig contact met hem had, levert op zichzelf geen handelingen op die aan te merken zijn als wervingshandelingen voor de gewapende strijd. De omstandigheid dat verdachte dat een aantal maanden ervoor ook met [betrokkene 1] had gedaan, maakt dat niet anders. Dat verdachte de gewapende strijd steunde staat vast, maar of en op welke wijze verdachte daarmee [betrokkene 2] zou hebben getracht te werven voor die strijd kan niet uit het dossier worden afgeleid.

Wel blijkt uit het chatgesprek dat verdachte op 1 juli 2013 met [betrokkene 2] had, dat zij een mogelijk bij hem gerezen twijfel over het strijden in Syrië, in dat gesprek probeert weg te nemen, hetgeen zou kunnen worden opgevat als een handeling met een zeker wervend karakter. Zoals hierboven onder 7.2 is overwogen betreft werven echter over het algemeen geen eenmalige handeling, doch omvat dit veeleer een proces. Het proberen twijfel weg te nemen is in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof op zichzelf niet voldoende om werving op te leveren.

Daarbij speelt ook een rol dat [betrokkene 2] reeds het vaste voornemen had om deel te gaan nemen aan de gewapende Jihad. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een enkele dagen eerder door hem gevoerd chatgesprek met een onbekend gebleven persoon, waarin hij zijn keuze voor deelname aan de Jihad als volgt verdedigt. Hij schrijft onder meer "mijn dood staat al vast", "dus als ik sterf tijdens een Jihad, dan is dat maar zo", "ik heb meerdere malen istikhara gebeden om Allah's advies om de keuze voor Jihad, ik heb antwoord gekregen, ik weet genoeg en geen enkele iemand gaat het nu nog veranderen, Allahu Alam en heb advies van Allah gekregen voor mijn keuze". Verdachte rechtvaardigt zijn beslissing met een verwijzing naar twee artikelen getiteld: "Jihad in Syrië is voor iedere moslim verplicht" en "Raad der verdicten van Azhar Universiteit: Jihad in Syrië individueel verplicht!".

De combinatie van omstandigheden dat het hier (i) een eenmalige handeling van verdachte betreft ten aanzien van (ii) een persoon die reeds zijn keuze had gemaakt om deel te gaan nemen aan de gewapende strijd, maakt dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat in casu niet kan worden gesproken van strafbare werving in de zin van artikel 205 Sr, ook niet bezien in de door het Openbaar Ministerie geschetste context. Verdachte zal dus ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

8.1.4 Conclusie

Gezien het bovenstaande zal de verdachte integraal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.”

11. Volgens het hof omvat (deelnemen aan) “de gewapende strijd” in de zin van art. 205 Sr niet alleen de eigenlijke gevechtshandelingen, maar ook het verlenen van concrete hand- en spandiensten, zoals het fouilleren van personen, het controleren van voertuigen en het verlenen van hulp bij het plegen van een aanslag. Het enkele moreel, ideologisch of financieel ondersteunen van de strijd of de strijders, het trouwen met een strijder en/of het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een strijder zijn in de opvatting van het hof daarentegen niet aan te merken als rechtstreekse inzet ten behoeve van en derhalve als deelname aan de gewapende strijd.

12. Tegen dat laatste oordeel richt zich het middel. Volgens de toelichting op het middel vallen het trouwen met een strijder en/of het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een strijder wel onder het begrip “gewapende strijd” als vorenbedoeld. Daartoe wordt erop gewezen dat de Minister in de Tweede kamer heeft gesteld dat de kok die wordt geworven om in vreemde krijgsdienst te gaan strafbaar is op grond van art. 205 Sr. Daarmee, aldus de toelichting op het middel, is tot uitdrukking gebracht dat de bezigheden van personen die zich bezig houden met ondersteunende taken waardoor de daadwerkelijke strijders in staat worden gesteld daadwerkelijke gevechtshandelingen te verrichten, ook vallen onder het begrip 'gewapende strijd' als bedoeld in art. 205 Sr. Hieronder vallen volgens de toelichting op het middel niet alleen de door de Minister genoemde kok, maar ook bijvoorbeeld de arts, de verpleger en, zoals in de onderhavige zaak, de vrouwen die zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een strijder, opdat deze strijder zich onbezorgd bezig kan houden met (directe) gevechtshandelingen.

13. Met betrekking tot de vraag of onder het begrip 'gewapende strijd' als bedoeld in art. 205 Sr ook gedragingen als het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een directe deelnemer aan de gewapende strijd kunnen worden begrepen is het volgende van belang.

14. Art. 205 Sr luidt:

“1. Hij die, zonder toestemming van de Koning, iemand voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd werft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Indien de schuldige een van de strafbare feiten, omschreven in het eerste lid, in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

3. Indien de gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.”

15. Aanvankelijk kwam het begrip werven voor de gewapende strijd niet voor in art. 205 Sr. Het is ingevoegd bij Wet van 24 juni 2004 tot wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met terroristische misdrijven (Wet terroristische misdrijven)1, in werking getreden 10 augustus 20042.

16. De memorie van toelichting op het voorstel tot deze wet, waarin nog niet van toevoeging aan art. 205 Sr van “werven voor de gewapende strijd” werd gesproken, houdt in - voor zover van belang -:

“De aanslagen van 11 september jongstleden hebben ertoe geleid dat in internationaal en nationaal verband onder andere wordt nagegaan of het strafrecht voldoende is toegesneden op terrorisme. In het verband van de Europese Unie is een kaderbesluit dat op terroristische misdrijven ziet voorbereid en op 13 juni 2002 vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel geeft uitvoering aan dit kaderbesluit terrorismebestrijding. Het beoogt, in aansluiting op het kaderbesluit, het materiële strafrecht aan te scherpen, opdat het beter tot uitdrukking brengt dat terroristische misdrijven tot de ernstigste misdrijven behoren.

Het kaderbesluit bevat een aantal verplichtingen, waarvan de belangrijkste zijn:

– Een aantal gedragingen dienen, bij aanwezigheid van het zogenaamde «terroristisch oogmerk», als terroristisch misdrijf strafbaar te worden gesteld, en – indien mogelijk – met een hogere straf te worden bedreigd;

– Enkele misdrijven die worden gepleegd met het oog op een voorgenomen terroristisch misdrijf, dienen met een hogere straf te worden bedreigd;

– De deelneming aan en het leiden van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven dient met minimaal acht respectievelijk vijftien jaar gevangenisstraf te worden bedreigd;

– De rechtsmacht ter zake van terroristische misdrijven dient te worden uitgebreid.

Het kaderbesluit geeft aan dat de terroristische misdrijven – niet het terroristisch oogmerk – naar nationaal recht omschreven worden. Het biedt daarmee enige ruimte bij de implementatie. Die ruimte is in dit wetsvoorstel aldus benut, dat gekozen is voor een royale implementatie, waarbij niet alleen de letter maar ook de ratio van het kaderbesluit en de daarin opgenomen strafbaarstellingsverplichtingen zijn betrokken. De verplichtingen tot strafbaarstelling, en daarmee de keuze van de terroristische misdrijven, zijn verder mede bezien tegen de achtergrond van strafbaarstellingsverplichtingen inzake terroristische misdrijven die zijn opgenomen in andere internationale rechtsinstrumenten. Ook is bij de implementatie rekening gehouden met systematiek en uitgangspunten van het Wetboek van Strafrecht.”3

17. Toevoeging van het begrip “werven voor de gewapende strijd” aan art. 205 Sr werd door de regering voorgesteld bij tweede nota van wijziging op het voorstel van wet tot Wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met terroristische misdrijven (Wet terroristische misdrijven)4. De wijziging werd als volgt toegelicht:

“Toelichting

Op 24 juni 2003 is aan de Tweede Kamer toegezonden de notitie «terrorisme en de bescherming van de samenleving» (Kamerstukken II 2002/03, 27 925, nr. 94). In deze notitie is aangegeven welke maatregelen de regering nodig acht om op een effectieve wijze terroristische activiteiten aan te pakken. Daartoe behoren ook maatregelen die zien op verbetering van een op terrorismebestrijding afgestemde juridische infrastructuur. Aangekondigd wordt een aanpassing van het Wetboek van Strafrecht, strekkend tot strafbaarstelling van rekrutering ten behoeve van de jihad, alsmede strafbaarstelling van samenspanning tot het begaan van terroristische misdrijven. In deze nota van wijziging zijn beide maatregelen uitgewerkt en ondergebracht in het wetsvoorstel terroristische misdrijven. Zij zullen in het navolgende nader worden toegelicht.

Rekrutering ten behoeve van de jihad

De meest op rekrutering toegesneden bepaling in het Wetboek van Strafrecht is artikel 205. Daarin is het aanwerven voor vreemde krijgsdienst, zonder toestemming van de Koning, strafbaar gesteld. De maximale gevangenisstraf is een jaar. Onder vreemde krijgsdienst vallen daarbij ook strijdgroepen en milities. In het losbladige commentaar van Noyon-Langemeijer-Remmelink op het Wetboek van Strafrecht wordt bij artikel 101 van dat wetboek het begrip «krijgsdienst» (suppl. 112, p. 68) omschreven als alle dienst die gewapenderhand optreden in een oorlog meebrengt en daarnaast dienst bij elke organisatie die naar het recht van het betrokken land tot de krijgsmacht behoort. Omdat betwijfeld kan worden of ook het aanwerven voor de «jihad» in relevante gevallen onder het aanwerven voor vreemde krijgsdienst kan worden begrepen, wordt voorgesteld om naast vreemde krijgsdienst ook gewapende strijd in artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht te noemen. Aldus wordt zeker gesteld dat elk aanwerven voor een «jihad» (islamistische strijd) strafbaar is, ook als -nog- onduidelijk is of de geworvene zijn bijdrage aan deze strijd in enig georganiseerd verband zal willen leveren.

De onderhavige nota van wijziging stelt ook een tweede aanpassing in deze bepaling voor. Onder het begrip «aanwerven» in artikel 205 Wetboek van Strafrecht wordt verstaan het werven, waarbij een bepaalde verbintenis tot stand is gebracht. In de wetsgeschiedenis is daarbij aan een bepaalde tegenprestatie gedacht, zoals handgeld of andere voordelen (vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, p. 215). Bij de werving van rekruten voor de jihad kan van een dergelijke verbintenis niet altijd gesproken worden. Voorgesteld wordt daarom de term «aanwerven» te wijzigen in «werven», zodat ook de rekrutering voor de vreemde krijgsdienst of gewapende strijd zonder dat er een dergelijke verbintenis is tot stand gekomen of zelfs zonder dat deze tot succes heeft geleid, onder dit artikel valt. Ten slotte wordt voorgesteld de strafmaat van een jaar te verhogen tot vier jaar, mede met het oog op de mogelijke toepassing van voorlopige hechtenis en andere dwangmiddelen.

Aldus wordt bevorderd dat het werven van personen voor de jihad in de gevallen waarin zulks wordt opgespoord effectief strafrechtelijk kan worden vervolgd.”5

18. De nota naar aanleiding van het nader verslag houdt onder meer in:

“Verder vroegen de leden van de PvdA-fractie om voorbeelden te geven hoe andere, Europese, landen praktijken als het werven voor de jihad hebben strafbaar gesteld dan wel anderszins aanpakken. In antwoord op deze vraag kan ik erop wijzen dat rekrutering kort aan de orde is gesteld ten tijde van de onderhandelingen over het kaderbesluit inzake terrorismebestrijding. Bij die gelegenheid bleek dat een meerderheid van de EU-landen, waaronder destijds ook Nederland, tegen deze strafbare vorm van werven wilde gaan optreden met behulp van de strafbaarstellingen ter uitvoering van het kaderbesluit inzake terrorismebestrijding (artikel 2, tweede lid, in verbinding met artikel 4, eerste lid). Ten opzichte van overige Europese landen is Nederland het eerste land dat thans op dit punt een aanvullende strafbaarstelling voorstelt. Landen als Duitsland en Frankrijk kennen wel met artikel 205 Sr vergelijkbare strafbepalingen, maar ook die zijn toegesneden op het werven voor een gewapende organisatie, zoals ons huidige artikel 205 Sr. Op deze plaats kan nog gewezen worden op de strafbaarstelling in het recht van de Verenigde Staten die betrekking heeft op het werven van ondersteuners en leden ten behoeve van het begaan van ernstige misdrijven. Deze strafbaarstellingen staan uitdrukkelijk naast de strafbepalingen inzake het werven van ondersteuners en leden voor terroristische organisaties. Dat wijst erop dat de Verenigde Staten hebben willen voorzien in de strafbaarheid van het werven voor strafbare feiten waarvan de samenspanning, voorbereiding, poging en uiteindelijke voltooiing buiten georganiseerd verband plaatsvindt. Het onderhavige voorstel tot verruiming van artikel 205 Sr gaat minder ver doordat alleen «het voor de gewapende strijd werven» is strafbaar gesteld, terwijl het werven in de desbetreffende bepalingen in de Verenigde Staten ook kan gebeuren voor feiten die niet of niet geheel samenvallen met de gewapende strijd. Het voorstel gaat ook beduidend minder ver in de strafbedreiging, aangezien op dergelijke gedragingen in de Verenigde Staten een maximale vrijheidsstraf van vijftien jaar is gesteld.

De leden van de fractie van de PvdA wilden voorts graag vernemen wat de gevolgen zijn van de verruiming van artikel 205 Sr en op welke situaties dit artikel nog meer van toepassing kan zijn dan de rekrutering ten behoeve van de jihad. In antwoord op deze vragen zou ik graag in de eerste plaats de aandacht willen vestigen op het feit dat artikel 205 Sr thans spreekt over «vreemde krijgsdienst». Uit de literatuur blijkt dat daaronder mede strijdgroepen en milities worden begrepen, alsook «alle dienst die gewapenderhand optreden in een oorlog meebrengt en daarnaast dienst bij elke organisatie die naar het recht van het betrokken land tot de krijgsmacht behoort». Geconstateerd moet dan ook worden dat ook bij deze uitleg van het bestaande artikel een aanzienlijke groep van militaire/gewapende bewegingen – zo niet elke gewapende strijdbeweging buiten ons eigen leger – onder de reikwijdte van de bepaling valt.

De onderhavige aanvulling van artikel 205 Sr heeft vooral waarde voor rekruteringshandelingen waarbij het groepsverband niet duidelijk herkenbaar en bewijsbaar zal zijn; beoogd wordt om ook rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen welke betrekking hebben op het werven van personen met het oog op hun rechtstreekse inzet ten behoeve van de islamistische of een anderszins gewapende en gewelddadige strijd zonder dat daarbij aantoonbaar sprake zal zijn van deelneming aan enige groep of samenwerkingsverband. Met deze uitleg van de aanvulling van het misdrijf van artikel 205 Sr is gegeven dat de verruiming geen enkele wijziging brengt in de toepasselijkheid van de strafbepaling met betrekking tot werving in verband met bestaande conflicten in de wereld waarbij bijvoorbeeld krijgsdiensten van al dan niet bevriende naties betrokken zijn. Wat betreft de vraag van deze leden omtrent de vrijheid om in krijgsdienst te treden van een vreemde staat, kan ik opmerken dat artikel 205 Sr alleen ziet op het werven ten behoeve van vreemde krijgsdienst en geen betrekking heeft op de indiensttreding. Verder geldt – als gezegd – dat elk werven van iemand, zonder toestemming van de Koning, voor vreemde krijgsdienst strafbaar is. Het doet niet ter zake of al dan niet sprake is van een bevriende natie.

(…)

Naar aanleiding van vragen van de leden van de VVD-fractie over de uitleg van het begrip «werven van personen» kan het volgende worden opgemerkt. De reden voor vervanging van het begrip «aanwerven» is in de eerste plaats gelegen in het feit dat voor het «aanwerven» nodig is dat een bepaalde verbintenis tot stand is gekomen. Onder «aanwerven» wordt verstaan «elke handeling welke tot strekking heeft (welke geëigend is en ten doel heeft) iemand tot vreemde krijgsdienst te verplichten» (vgl. Noyon-Langemeijer-Remmelink, suppl. 96, blz 537). Blijkens de wetsgeschiedenis is daarbij van belang dat sprake is van een bepaalde tegenprestatie, zoals handgeld of ander voordeel. De voorgestelde wijziging van het begrip «aanwerven» in «werven» beoogt aan de strafbaar gestelde handeling een minder formele betekenis te geven. De eerdergenoemde voorwaarde van de totstandkoming van een overeenkomst komt te vervallen; voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid volstaat het enkele ronselen van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd. Of het werven tot een bepaald resultaat heeft geleid, zal voor de strafbaarheid niet meer relevant zijn. Het voorgestelde delict zal voltooid zijn wanneer een handeling die ertoe strekt om iemand tot aansluiting te bewegen, zich heeft geopenbaard. Een dergelijke handeling behoeft niet samen te gaan met of te bestaan uit het bieden van een tegenprestatie. Van «werven» kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer mensen vis-à-vis – te denken valt aan schoolpleinen, clubhuizen en uitgaansgelegenheden – worden benaderd teneinde hen te overreden deel te nemen aan een gewapende strijdgroep. Ook zal het bespelen van personen met behulp van communicatiemiddelen, zoals bijvoorbeeld een internetsite, «werven» in de zin van artikel 205 Sr kunnen opleveren.6

(...)

Het voorstel om de delictsomschrijving van het misdrijf van artikel 205 Sr aan te vullen met het begrip «gewapende strijd» -– zo worden vragen van de leden van de VVD-fractie over dit begrip beantwoord – vindt zijn achtergrond in de wens om het werven ten behoeve van een jihad binnen het bereik van deze strafbepaling te brengen (vgl. ook de toelichting bij de tweede nota van wijziging). Het bestanddeel dat in dat geval voor de vervulling van de delictsomschrijving van artikel 205 Sr bewezen dient te worden, betreft «gewapende strijd». Omdat een jihad te omschrijven is als islamistische strijd die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitische geloof – de koran en de soenna – staat vermeld, valt jihad binnen het begrip «gewapende strijd». Immers, de verwezenlijking van een wereld volgens een bepaald model door het ontplooien van geweldsactiviteiten kan niet anders dan (ook) met ingrijpend geweld worden gerealiseerd. Het gaat bij een «gewapende strijd» derhalve niet om gevechten tussen criminele bendes of jeugdbendes die elkaar met het nodige geweld bestrijden. «Gewapend» is de «strijd» als bedoeld in het voorgestelde artikel 205 Sr, wanneer de (uiteindelijk beoogde) toepassing van geweld vergelijkbaar is met het ingrijpend geweld dat wordt toegepast in een oorlogs- of guerillasituatie. In relatie tot de geweldstoepassing wijkt het begrip «gewapende strijd» dan ook niet af van «krijgsdienst». De aanvulling met «gewapende strijd» is – zoals reeds aangegeven – vooral van belang omdat hierdoor naast het rekruteren voor een organisatie die gewapenderhand optreedt (krijgsdienst), tevens het werven met het oog op de rechtstreekse inzet ten behoeve van een gewapende strijd strafbaar wordt gesteld zonder dat sprake behoeft te zijn van deelname aan enige groep of enig samenwerkingsverband (vgl. de islamistische strijd). Op de vraag van deze leden of het van belang is of «de strijd» ten tijde van de rekrutering reeds begonnen is, kan ik antwoorden dat te dien aanzien hetzelfde geldt als met betrekking tot het «werven voor vreemde krijgsdienst»: ook voor de vreemde krijgsdienst kan worden geworven zonder dat al gewapenderhand wordt opgetreden.

Voor een omschrijving van het begrip «jihad» veroorloof ik mij de leden van de VVD-fractie op deze plaats te verwijzen naar hetgeen hierboven is opgemerkt. Daarbij benadruk ik nogmaals dat het voor de toepasselijkheid van artikel 205 Sr niet doorslaggevend is of sprake is van een jihad volgens een bepaalde omschrijving. Het aanknopingspunt vormt de «gewapende strijd». De (geo)politieke, religieuze en/of ideologische achtergrond van de «gewapende strijd» waarvoor geworven wordt, doet niet ter zake. Voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid is slechts van belang dat vastgesteld wordt dat sprake is van het «werven» voor een «strijd» die zich kenmerkt door de toepassing van ernstig geweld als voornaamste methode om ongeacht welk (geo)politiek, religieus en/of ideologisch doel te bereiken.

(…)

Deze leden vroegen voorts of de voorgestelde aanpassing van artikel 205 Sr mede tot gevolg heeft dat rekrutering voor een in het buitenland gevestigde criminele organisatie die haar doeleinden door middel van geweld tracht te bereiken binnen het bereik van de genoemde strafbepaling komt te vallen. Een eenvoudig antwoord op deze vraag is lastig te geven aangezien dit telkens afhangt van de feiten en omstandigheden van het geval. Het belangrijke aanknopingspunt voor de toepasselijkheid van artikel 205 Sr is dat geworven wordt hetzij voor de krijgsdienst, omvattende dienst bij elke organisatie die naar het recht van het betrokken land tot de krijgsmacht behoort alsmede alle dienst die gewapenderhand optreden in een oorlog meebrengt (milities, strijdgroepen), hetzij voor de gewapende strijd, waarover hierboven reeds het een en ander is opgemerkt. Gaat het in het door deze leden gegeven voorbeeld alleen om een organisatie die tot oogmerk heeft het begaan van criminele activiteiten, dan zal de kwalificatie van deze organisatie als «krijgsdienst» geen kans van slagen hebben, net zomin als de uitoefening van haar activiteiten de kwalificatie «gewapende strijd» zou kunnen opleveren. Het element dat de betrokken organisatie in het buitenland is gevestigd, speelt daarbij overigens geen rol.

De volgende vraag van deze leden, inhoudende of het al dan niet handelen vanuit een bepaalde religieuze of ideologische overtuiging van belang is voor de toepasselijkheid van de strafbepaling, kan in beginsel ontkennend worden beantwoord. Voor de vaststelling of sprake is van «krijgsdienst» spelen vooral het element «optreden in een bepaald organisatorisch verband (dienst)» en «het geweldselement in een oorlogs- of guerillasituatie» een rol. Dat laatste element geldt evenzo voor de vraag of sprake is van een «gewapende strijd», het eerste element niet. Wel zal het bewijs moeten worden geleverd dat werving ten behoeve van een dergelijke «strijd» geschiedt en ter onderbouwing daarvan kan uiteraard informatie over een bepaalde religieuze of ideologische context behulpzaam zijn. Daarbij is niet van belang welke overtuiging in het geding is, maar het strijdvaardige karakter ervan. Niet vereist is dat de (voorgenomen) gewapende strijd zich in het buitenland afspeelt. Het is ook mogelijk dat de gewapende strijd, waarvoor geworven wordt, zich deels in Nederland afspeelt en deels in het buitenland. Verder is het voor het bewijs niet van belang of de geworven persoon de gewapende strijd heeft gevoerd of op enigerlei wijze bijdraagt aan de strijd. Het delict is voltooid wanneer het werven van iemand voor de gewapende strijd kan worden bewezen. Daarvoor doet het handelen of nalaten van de persoon die geworven wordt, in beginsel niet ter zake.7

(...)

De leden van de fractie van de SP zou ik gaarne voor antwoorden op hun vragen over de begrippen «werven», «krijgsdienst» en «gewapende strijd» willen verwijzen naar mijn hiervoor gegeven uitleg op gelijkluidende vragen van leden van de fractie van de VVD. Daaruit blijkt onder meer dat met de wijziging van artikel 205 Sr wordt beoogd om de strafbepaling te ontdoen van het formele element van de totstandkoming van een verbintenis. Het hebben van contact met iemand die sympathieën heeft met de jihad valt buiten de reikwijdte van de bepaling. Centraal staat in artikel 205 Sr degene die «werft»; niet de persoon die contact heeft met iemand die sympathiek staat tegenover de jihad. De vraag in hoeverre «jihad» onder de werking van artikel 205 Sr, komt te vallen, heb ik reeds naar aanleiding van vragen van de leden van VVD-fractie beantwoord. Ik veroorloof mij de leden van de SP-fractie op deze plaats wederom naar dat eerdere antwoord te verwijzen.

De zorg van deze leden dat het begrip «gewapende strijd» organisaties in beeld brengt waarover wat genuanceerder kan worden gedacht, wordt dezerzijds niet gedeeld. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, heeft artikel 205 Sr thans reeds betrekking op een ruime variëteit aan buitenlandse gewapende bewegingen, milities en legers. Daartoe behoren ook bewegingen waarover genuanceerder gedacht kan worden, hoewel het gewapende karakter van hun optreden wel vaststaat. Dat gegeven heeft echter tot dusver nimmer tot problemen geleid, niet in de laatste plaats omdat de strafbepaling toegesneden is op het werven. Voor het werken met een lijst – zoals deze leden in overweging gaven – bestaat dan ook geen aanleiding.

(...)

Zoals aangegeven gaat het in de onderhavige strafbaarstelling om een actief handelen: het «werven». Voorts moet sprake zijn van werven ten behoeve van een «gewapende strijd». Over dit vereiste van de inzet van oorlogsgelijkend geweld kan moeilijk begripsverwarring ontstaan.”8

19. Bij de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede kamer antwoordt Minister Donner op hetgeen door de leden van de Tweede Kamer naar voren is gebracht - voor zover hier van belang -:

“Voorzitter. Ik meen hiermee te zijn ingegaan op alle vragen die zijn gesteld over het wetsontwerp. Over de opmerkingen over de gewapende strijd en samenspanning kom ik nu te spreken. De directe aanleiding voor het voorstel tot strafbaarstelling van deelneming aan de gewapende strijd vormde het AIVD-rapport: Recrutering in Nederland voor de jihad. Recrutering vindt niet altijd plaats ten behoeve van een organisatie. Doorgaans spreek ik in dit verband van milities. Optreden tegen recrutering voor milities is nu al mogelijk op grond van het strafrecht. Probleem is thans dat de gewapende strijd niet hoeft plaats te vinden in het kader van een organisatie. Als dat het geval is, is artikel 140a van toepassing. Dat is de reden voor de uitbreiding. Verder is de bepaling over het werven voor de gewapende strijd opgenomen om in een vroegtijdig stadium, voordat sprake is van gewapende strijd of van terrorisme, te kunnen ingrijpen. Dit is nu juist een van de elementen waarmee wij proberen met de strafwet meer ruimte te creëren voor de bestrijding. Thans stelt artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht het aanwerven voor een vreemde krijgsdienst strafbaar. Daar vallen ook milities onder. Op de vraag van een aantal leden hoe het zit met bijvoorbeeld het ANC, zeg ik dat zoiets beschouwd moet worden als een militie, en daarvoor geldt nu ook al artikel 205. Daarbij is sprake van een organisatie en gewapende strijd. Waarschijnlijk moet men daarom spreken van milities. Een probleem is dat de gewapende strijd ook buiten een organisatie om kan plaatsvinden. Bepaald is dat sprake moet zijn van toepassing van geweld, vergelijkbaar met het ingrijpend geweld dat wordt toegepast in een oorlog- of guerrillasituatie. De motivering is dat er in wezen geen verschil is met de krijgsdienst. Het verschil zit met name daarin dat de gewapende strijd niet per definitie in organisatorisch verband van een leger of een militie hoeft plaats te vinden, anders zou die strijd nu al vallen onder de bepaling van artikel 205.

Mevrouw Vos meende dat suggestief werd gesproken vanwege het noemen van de jihad. De aanleiding was het rapport: Recrutering in Nederland voor de jihad. Er is gekozen voor de term "gewapende strijd". Ongewapende jihad valt er niet onder. Het valt echter niet te ontkennen dat de jihad ook met gewapende strijd gepaard gaat.

De heer Dittrich (D66):

Als iemand met kwik de sinaasappels in een supermarkt wil vergiftigen, valt dat dan ook onder gewapende strijd? Geldt dit ook voor iemand die een aanval met gifgas wil uitvoeren?

Minister Donner:

Met gassen ligt het wat moeilijker, omdat er ook oorlogsgassen zijn. Als je kwik in sinaasappels spuit, bedreig je een deel van de bevolking. Dat is niet vergelijkbaar met een oorlog of guerrilla. Daarbij moet je echt denken aan het schieten met kanonnen en dergelijke; dus met rechtstreeks geweld proberen om mensen te doden. In oorlogssituaties kan ook gas gebruikt worden, hoewel wij dat proberen te voorkomen. Je kan erover discussiëren of gas hieronder valt.

De heer Dittrich (D66):

Ik kan mij voorstellen dat het voor de rechter belangrijk is om te weten wat de wetgever daarvan vindt.

Minister Donner:

In de voorbereiding is aangegeven dat het gaat om de toepassing van geweld, vergelijkbaar met het ingrijpend geweld dat wordt toegepast in oorlogs- of guerrillasituaties. Het inbrengen van kwik in sinaasappelen is iets anders. De rechter zal invulling moeten geven aan de term "gewapend". Daarbij zal hij uitgaan van hetgeen daar doorgaans mee geassocieerd wordt. Bij het verstoren van netwerken zal de rechter bijvoorbeeld niet concluderen dat het om gewapend geweld gaat, hoe gewelddadig dit ook kan zijn.

De heer Dittrich (D66):

En het gebruik van gifgas in een metrostation?

Minister Donner:

Daar zou ik niet direct aan denken. Ik laat dat graag aan de rechter over. Hoewel de wapens ontbreken, gaat het wel om middelen die bedoeld zijn om mensen rechtstreeks dood te maken.

Mevrouw Albayrak (PvdA):

Dan dekt dit artikel niet wat wij voor ogen hadden. Wij willen dat het werven voor de jihad strafbaar is. Dan maakt het niet uit of men daadwerkelijk een wapen in handen heeft. Het kan ook dat men via biologische of chemische middelen een deel van de bevolking iets wil aandoen. Hoe wilt u dat ondervangen?

Minister Donner:

De strafbaarstelling ziet op het werven ten behoeve van de gewapende strijd. Het moet de betrokkene duidelijk zijn dat het gaat om gewelddadigheden. Degene die de bommen maakt, maar ze niet gooit, neemt naar mijn mening wel degelijk deel aan de gewapende strijd.

Mevrouw Albayrak (PvdA):

U lijkt nu iets anders te zeggen dan in antwoord op de vragen van de heer Dittrich. Ik heb het niet over iemand die bommen maakt, maar over iemand die een gifgas maakt of die een actie met kwik voorbereidt.

Minister Donner:

In dat soort situaties is er doorgaans sprake van een organisatie en van milities. Milities vallen onder artikel 205. Ik had het over de constatering dat er geworven wordt voor gewapende strijd zonder dat er een organisatie achter staat. Dus als er geworven wordt voor de organisatie die strijd voert, zal dat doorgaans vallen binnen de termen van "militie" en dan is het hetzelfde als vreemde krijgsdienst. De kok die in vreemde krijgsdienst gaat, valt daaronder en is strafbaar.

De heer Van Fessem (CDA):

Kunnen wij het niet onderbrengen bij "uitlokking van deelneming aan terroristische activiteiten"? Dit hoeft toch niet onder artikel 205 te vallen?

Minister Donner:

In veel gevallen van werving zit je allang in termen van andere misdrijven, maar het gaat nu om deze specifieke vorm van werven. Om die reden is de bepaling opgenomen. Nu vereist artikel 205 vanwege de term "aanwerven" dat het "werven" resultaat gehad moet hebben. Er wordt bewust gekozen voor de term "werven" om de activiteit van het werven, al heeft zij geen resultaat gehad, eronder te brengen. Het is dan moeilijk om al van uitlokking te spreken, omdat iemand nog niet tot gewapende strijd is gebracht.

De heer Van Fessem (CDA):

Poging tot uitlokking.

De heer Wilders (VVD):

Het moderne terrorisme is vaak niet meer ingedeeld in organisaties, maar in kleine cellen. Ik steun de opmerking van de heer Dittrich, want de minister gaat naar mijn oordeel te veel uit van de oude geweldsmiddelen bij het begrip "gewapende strijd". Het gas waarover de heer Dittrich sprak of een vingerhoedje met een biologische substantie is geen wapen in de conventionele zin van het woord, maar het is eigenlijk nog erger. Wij zijn medewetgever. Ik wil niet dat de minister te snel zegt dat dit aan de rechter wordt overgelaten. Ik wil dat hij aangeeft dat dit wat hem betreft, maar in ieder geval wat ons betreft, ook daaronder valt. Nogmaals, het effect kan erger zijn, terwijl er vaak geen organisatie achter zit.

Minister Donner:

Ik ben het geheel met u eens op dit punt. Wij hebben deze bepaling echter nodig, juist in geval er geen organisatie is. Ik ben het ook met u eens dat op zichzelf bijvoorbeeld het inbrengen van gifgas in een waterreservoir in wezen een vorm van geweld is, zoals in moderne oorlogen voorkomt. Het is zeker niet mijn bedoeling om dit per definitie uit te sluiten. Enkel het maken van chemische producten kan echter niet als gewapende strijd beschouwd worden. Dat veronderstelt een organisatie die deze middelen doorgeeft aan degene die ze toepast. Daarmee zijn al snel andere bepalingen aan de orde.

Gevraagd is naar vrijheidsstrijders die te goeder trouw zijn, waarbij het ANC werd genoemd. Ik heb al aangegeven dat dit al snel onder de term "militie" valt. Eén van de consequenties van deze bepalingen en van de afkeuring van terrorisme is dat geen onderscheid gemaakt wordt tussen terrorisme voor een goed doel en terrorisme voor een slecht doel en dat werven voor een gewapende strijd in het eerste geval is toegestaan en in het tweede geval niet. Onderdeel van de bepaling is "toestemming van de Koning", de constitutionele Koning, dus de regering. Die bepaling is opgenomen in de 19de eeuw om onderscheid te maken tussen werving die wel en werving die niet wordt toegestaan. De laatste keer dat deze bepaling is gebruikt, was ten behoeve van de Boerenoorlog in 1902. Daarna is zij niet meer gebruikt, ook niet voor de internationale brigades tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Toen is nog uitvoerig gediscussieerd over de vraag of zij eronder zou moeten vallen. Nogmaals, de bepaling zit erin als veiligheidsklep voor die situaties dat er eventueel nog werving mogelijk zou zijn. Zouden wij nog werven voor de Zwitserse garde in het Vaticaan, dan zou overwogen kunnen worden om het voor die situatie nog te gebruiken. Ik zou er daarom voor pleiten om de bepaling wel te laten staan. Je weet immers maar nooit. Maar tegelijkertijd zou ik ervoor willen waarschuwen om in de wetgeving onderscheid aan te brengen tussen die gewapende strijd die wel sympathiek is, en die gewapende strijd die niet sympathiek is. Beide vallen er onder.

Mevrouw Albayrak heeft een amendement ingediend in stuk nr. 19. Daarin wordt voorgesteld een tweede lid aan artikel 205 toe te voegen, luidend: "Het werven voor gewapende strijd door organisaties als bedoeld in artikel 140a, eerste lid, is slechts strafbaar indien die organisaties zijn vermeld op de EU-lijst van terroristische organisaties." Het doel van het huidige eerste lid is om het werven zonder organisatorisch verband in zijn geheel strafbaar te stellen als dat uitmondt in een gewapende strijd. Nu vallen onder het begrip "milities" voor een deel al de organisaties die mevrouw Albayrak bedoelt, als zij al niet onder een ander artikel, zoals artikel 140a, derde lid, vallen. Als een tweede lid aan artikel 205 wordt toegevoegd, leidt dat onmiddellijk tot verwarring over de strekking van artikel 140a, derde lid. Daarin wordt gesproken over "het werven ten behoeve van" organisaties. Dat zijn organisaties die voor een deel op die lijst staan vanwege de gewapende strijd die zij voeren. Artikel 205 vult in die zin artikel 140 aan, terwijl de door mevrouw Albayrak bedoelde organisaties al onder artikel 140a vallen. Er moet derhalve geen verwarring worden gecreëerd door die organisaties ook nog een keer onder artikel 205 te laten vallen. Ik vrees dat als de Kamer dat doet, daarmee de uitleg van artikel 140a wordt gewijzigd op een wijze die niet bedoeld is.

Mevrouw Albayrak (PvdA):

Ik heb in mijn toelichting op dit amendement gesproken over het voorval van de Amerikanen die Irakezen uit de asielprocedure in Nederland hebben weggehaald ten behoeve van de strijd in Irak. Zegt de minister met zoveel woorden dat het werven voor alle mogelijke gewapende strijd strafbaar wordt? Zo nee, welke vormen van gewapende strijd zijn denkbaar die dan niet onder deze bepaling zouden vallen?

Minister Donner:

Ik heb enerzijds de bepalingen die onder het "misdrijf tegen de Staat" vallen, namelijk het gaan in vreemde krijgsdienst op momenten dat mogelijk een oorlog met Nederland uitbreekt. Daarnaast noem ik artikel 205. Het daarin gestelde valt onder de bepalingen van vredestijd. Hij die zonder toestemming van de Koning iemand voor vreemde krijgsdienst aanwerft, wordt gestraft met gevangenisstraf, etc. Dat valt nu al onder de bepalingen. Daar heb ik de verandering in artikel 205 niet voor nodig. Die heb ik alleen maar nodig voor een heel andere situatie, namelijk de situatie waarin het gaat om een gewapende strijd zonder organisatie. Het amendement van mevrouw Albayrak draagt daaraan derhalve niet bij. Als het werven van Irakezen voor gewapende strijd aan de orde zou zijn geweest, dan zou dat onder artikel 205 vallen. Maar dat was niet aan de orde. Dus valt het er niet onder. Het ging in dat geval om het aantrekken van Irakezen voor de situatie nadat de gewapende strijd had plaatsgevonden, om als tolken, als bestuur op te treden in Irak. Dat valt niet onder artikel 205 en dat zou ook niet vallen onder de toevoeging.

Mevrouw Albayrak (PvdA):

Het tweede deel van mijn vraag hebt u niet beantwoord. Ik heb gevraagd of er vormen van gewapende strijd zijn die wel toelaatbaar zijn voor werving.

Minister Donner:

Nee.

Mevrouw Albayrak (PvdA):

Zou het in uw ogen ook wenselijk zijn geweest dat onder die omstandigheden de Amerikanen strafbaar zouden zijn geweest in geval van gewapende strijd?

Minister Donner:

Als ik moet vaststellen dat in Nederland werving plaatsvindt voor gewapende strijd of voor krijgsdienst elders, dan is dat strafbaar. Het is geen kwestie van wenselijkheid of niet. Het is dan de vraag of er moet worden vervolgd. Volgens artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht zou het een strafbare situatie zijn. Alleen, die heeft zich niet voorgedaan, zoals ik al heb geconstateerd.”9

20. De memorie van antwoord van de Minister op opmerkingen van leden van de Eerste Kamer houdt in - voor zover hier van belang -:

“Wat betreft de vraag van de leden van de SP-fractie of ik het aanvaardbaar vind dat een concrete aanmelding bij een terroristische organisatie geen vereiste is voor strafbaarheid op grond van het voorgestelde artikel 205 Sr verduidelijk ik graag het volgende. Artikel 205 Sr richt zich op degene die werft voor de gewapende strijd, niet op degene die zich aanmeldt of geworven wordt. Van werven zal sprake zijn wanneer een handeling is verricht die ertoe strekt iemand tot aansluiting bij de gewapende strijd te bewegen. Het betekent dat de thans geldende voorwaarde van de totstandkoming van een verbintenis komt te vervallen. Deze verruiming is wenselijk, gelet op het gevaar dat uitgaat van het ronselen voor de gewapende strijd, waar deze strafbaarstelling in de kern op ziet. Openbaart dergelijk handelen zich bijvoorbeeld op schoolpleinen of op het internet, dan moet strafrechtelijk opgetreden kunnen worden zonder dat dient te worden afgewacht of het werven tot enig succes heeft geleid. Een vergelijkbare strafbaarstelling betreft de omkoping van een ambtenaar (artikel 177 Sr). Ook hier geldt dat de omkoper reeds strafbaar is wanneer hij een ambtenaar tracht te bewegen tot iets. Of de ambtenaar gevoelig blijkt voor het «smeren» van de omkoper doet voor de strafbaarheid van de omkoper niet ter zake.”10

21. De hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis laat zien dat het toevoegen van “gewapende strijd” aan art. 205 Sr is ingegeven door de behoefte ook andere gevallen van gewapende strijd, met name die welke anders dan “vreemde krijgsdienst” niet worden gekenmerkt door een organisatorisch verband zoals de jihad, onder het bereik van art. 205 Sr te brengen.11 Het gaat om het brengen onder het verbod van art. 205 Sr van rechtstreekse inzet ten behoeve van de islamistische of een anderszins gewapende en gewelddadige strijd zonder dat daarbij aantoonbaar sprake zal zijn van deelneming aan enige groep of samenwerkingsverband. 12 Daarbij wordt onder jihad verstaan “islamistische strijd die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam”.13 “«Gewapend» is de «strijd» als bedoeld in het voorgestelde artikel 205 Sr, wanneer de (uiteindelijk beoogde) toepassing van geweld vergelijkbaar is met het ingrijpend geweld dat wordt toegepast in een oorlogs- of guerillasituatie.”14 Voor beantwoording van de vraag of sprake is van een “gewapende strijd” speelt het geweldselement in een oorlogs- of guerillasituatie een rol. 15 Het vereiste van “gewapende strijd” heeft het oog op de inzet van oorlogsgelijkend geweld. 16 Het maken van bommen levert wel deelneming aan de gewapende strijd op, ook al gooit de maker van de bommen deze niet. 17

22. Feiten die niet of niet geheel samenvallen met de gewapende strijd vallen niet onder (het werven voor) “de gewapende strijd”. 18 Zo valt ongewapende jihad, aldus de Minister, er niet onder.19 Omdat het gaat om de toepassing van geweld, vergelijkbaar met het ingrijpend geweld dat wordt toegepast in oorlogs- of guerrillasituaties, geldt dat eveneens voor het inbrengen van kwik in sinaasappelen.20

23. Uit het voorgaande volgt dat - zoals ook al in de bewoordingen ”gewapend geweld” besloten ligt - kenmerkend voor “gewapende strijd” in de zin van art. 205 is dat sprake is van enige vorm van toepassing van geweld. Het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een directe deelnemer aan de gewapende strijd zijn geen krijgsverrichtingen noch krijgsverrichtingen-ondersteunende gedragingen. Dat zorgen ontbeert enig geweld of ondersteuning van geweld en kan dus niet worden begrepen onder “gewapende strijd” als bedoeld in art. 205 Sr. Dit betekent dat het dienovereenkomstige oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

24. In de toelichting op het middel wordt nog een beroep gedaan op de uitlating van de Minister dat een kok in vreemde krijgsdienst kan gaan. Daarmee is echter nog niet gezegd dat een kok die jihad-strijders ondersteunt, deelneemt aan de gewapende strijd. Ook al zou dit anders zijn dan maakt dit het voorgaande overigens niet anders. Een kok die voorziet in het voeden van jihad-strijders verricht handelingen die van krijgsverrichtingen-ondersteunende aard zijn. Voor het voeren van een gewapende strijd is immers voeding van de deelnemers daaraan onmisbaar. Dat kan niet worden gezegd van het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een directe deelnemer aan de gewapende strijd.

25. In de toelichting op het middel wordt voorts gesteld dat internationale regelgeving noopt tot een zo ruime uitleg van “gewapende strijd” in art. 205 Sr als door het middel voorgestaan. Volgens de toelichting op het middel verplicht art. 6 Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Verdrag van Warschau, Trb. 2006/34) de lidstaten om de maatregelen te nemen die nodig zijn om werving voor terrorisme als strafbaar feit aan te merken, waarbij onder 'werving voor terrorisme' wordt verstaan het aansporen van een andere persoon een terroristisch misdrijf te plegen of daaraan deel te nemen, of zich aan te sluiten bij een organisatie of groep met het doel bij te dragen aan het plegen van een of meerdere terroristische misdrijven door de organisatie of groep. Hiermee wordt echter miskend dat het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een directe deelnemer aan de gewapende strijd geen misdrijf, laat staan een terroristisch misdrijf oplevert. Voorts wordt er hiermee aan voorbijgegaan dat voor het geval dergelijk zorgen wel hulp aan of aanzetten tot een terroristisch misdrijf zou opleveren, in strafbaarheid wordt voorzien door het bepaalde in de art. 47-49 Sr. Ik wijs ook op de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot goedkeuring van genoemd verdrag. Daarin stelt de Minister dat de door genoemd verdrag voorgeschreven strafbare gedragingen, met uitzondering van artikel 7 aangaande training voor terrorisme, reeds strafbaar zijn gesteld in nationaal recht.21 Hij wijst er niet op dat de in de parlementaire stukken gehanteerde uitleg van “gewapende strijd” als bedoeld in art. 205 Sr in het licht van het verdrag bij nader inzien tot een te beperkte reikwijdte van art. 205 Sr leidde en daarom diende te worden herzien.

26. In de toelichting op het middel wordt nog gewezen op het bestaan van Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding. Deze richtlijn vervangt het Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding. Voor zover hier van belang houdt de richtlijn in:

“Artikel 3

Terroristische misdrijven

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende opzettelijke handelingen, die overeenkomstig het nationale recht als misdrijven zijn gekwalificeerd en die door de aard of context ervan een land of een internationale organisatie ernstig kunnen schaden, worden aangemerkt als terroristische misdrijven indien zij worden gepleegd met een van de in lid 2 bedoelde oogmerken:

a) aanslagen op het leven van een persoon die de dood tot gevolg kunnen hebben;

b) ernstige schendingen van de lichamelijke integriteit van een persoon;

c) ontvoering of gijzeling;

d) het veroorzaken van grootschalige vernieling van een publiek of overheidsgebouw of installatie, een vervoersysteem, een infrastructuurvoorziening, met inbegrip van een informaticasysteem, een vast platform op het continentaal plat, een openbare plaats of niet voor het publiek toegankelijk terrein, waardoor mensenlevens in gevaar kunnen worden gebracht of grote economische schade kan worden aangericht;

e) het kapen van een luchtvaartuig, vaartuig of ander transportmiddel voor personen- of goederenvervoer;

f) het vervaardigen, bezitten, verwerven, vervoeren, leveren of gebruiken van explosieven of wapens, met inbegrip van chemische, biologische, radiologische of kernwapens, alsmede het verrichten van onderzoek naar en het ontwikkelen van chemische, biologische, radiologische of kernwapens;

g) het laten ontsnappen van gevaarlijke stoffen of het veroorzaken van brand, een overstroming of een ontploffing, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;

h) het verstoren of onderbreken van de toevoer van water, elektriciteit of andere essentiële natuurlijke hulpbronnen, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;

i) onrechtmatige systeemverstoring als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad, in gevallen waarin artikel 9, lid 3, of artikel 9, lid 4, onder b) of c), van die richtlijn van toepassing is, en onrechtmatige gegevensverstoring als bedoeld in artikel 5 van die richtlijn, in gevallen waarin artikel 9, lid 4, onder c), van die richtlijn van toepassing is;

j) het bedreigen met een van de onder a) tot en met i) genoemde handelingen.

2. De oogmerken als bedoeld in lid 1 zijn:

a) een bevolking ernstig vrees aanjagen;

b) een overheid of internationale organisatie op onrechtmatige wijze dwingen een handeling te verrichten of na te laten;

c) de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig ontwrichten of vernietigen.

Artikel 4

Misdrijven in verband met een terroristische groepering

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende handelingen, indien er sprake is van opzet, strafbaar worden gesteld:

a) het leiden van een terroristische groepering;

b) het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groepering, onder meer door het verstrekken van gegevens of materiële middelen aan de groepering of het in enigerlei vorm financieren van de activiteiten ervan, in de wetenschap dat daarmee wordt bijgedragen aan de criminele activiteiten van de terroristische groepering.

(...)

Artikel 6

Werving voor terrorisme

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het aansporen van een andere persoon om een van de in artikel 3, lid 1, onder a) tot en met i), of in artikel 4 genoemde misdrijven te plegen of daaraan bij te dragen, strafbaar wordt gesteld indien er sprake is van opzet.”

27. Het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een directe deelnemer aan de gewapende strijd valt niet onder de in art. 3 en 4 van de richtlijn beschreven misdrijven. Daarom noopt de richtlijn niet tot de door het middel voorgestane uitleg van “de gewapende strijd” als bestanddeel van het in art. 205 Sr strafbaar gestelde gedrag.

28. De door het hof gegeven, hiervoor onderschreven uitleg aan “gewapende strijd” als bedoeld in art. 205 Sr sluit niet uit dat men iemand werft voor de gewapende strijd door hem in het vooruitzicht te stellen dat zal worden gezorgd voor zijn bezittingen, zijn huishouden en zijn kinderen. Die gedachte schemert soms ook door in de overwegingen van het hof. Zo merkt het hof op dat de omstandigheden dat de verdachte met [betrokkene 2] respectievelijk [betrokkene 1] trouwde en (daarvóór) veelvuldig contact met hen had op zichzelf geen handelingen opleveren die zijn aan te merken als wervingshandelingen. In cassatie wordt echter niet geklaagd dat het hof aan de hier geopperde mogelijkheid voorbij is gegaan en dusdoende een verkeerde, namelijk te beperkte uitleg heeft gegeven aan “werven voor de gewapende strijd” als bedoeld in art. 205 Sr. Zoals in de toelichting op het middel onder 3.3. nog eens wordt benadrukt, is het middel helemaal toegespitst op de vraag of het werven van personen voor het zorgen voor de bezittingen, het huishouden en de kinderen van een strijder kan worden aangemerkt als werven voor de gewapende strijd als bedoeld in art. 205 Sr.

29. Het middel faalt.

30. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep en tot verwerping van het beroep van de Advocaat-Generaal.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Stb. 2004, 290.

2 Stb. 2004, 373.

3 Kamerstukken II 2001–2002, 28 463, nr. 3, p. 1 en 2.

4 Kamerstukken II 2002–2003, 28 463, nr. 8.

5 Kamerstukken II 2002–2003, 28 463, nr. 8, p. 3 en 4.

6 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 8, 9 en 11.

7 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 11-13.

8 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 14-15.

9 Handelingen II van de vergadering van 4 december 2003, p. 2345-2347.

10 Kamerstukken I 2003–2004, 28 463, C, p. 5.

11 Kamerstukken II 2002–2003, 28 463, nr. 8, p. 3 en 4.

12 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 9.

13 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 12.

14 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 12.

15 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 13.

16 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 15.

17 Minister Donner, Handelingen (II) van de vergadering van 4 december 2003, p. 2346.

18 Kamerstukken II 2003–2004, 28 463, nr. 10, p. 9.

19 Minister Donner, Handelingen (II) van de vergadering van 4 december 2003, p. 2346.

20 Minister Donner, Handelingen (II) van de vergadering van 4 december 2003, p. 2346.

21 Kamerstukken II 2007-2008, 31 422 (R 1853), nr. 3, onder 1.3, p. 4-5.