Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1385

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-12-2018
Datum publicatie
18-12-2018
Zaaknummer
18/00573
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:598
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Hulp bij zelfdoding van zijn (stief)moeder door niet-arts, art. 294.2 Sr. 1. Overmacht in de zin van noodtoestand? 2. Verweer dat art. 294.2 Sr buiten toepassing moet blijven omdat toepassing daarvan in strijd is met art. 8 EVRM. Kan verdachte zich als naaste van (stief)moeder beroepen op eerbiediging van zijn privéleven?

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:418 m.b.t. strafbaarheid van hulp bij zelfdoding en uitzonderlijke omstandigheden waaronder in art. 293 en 294 Sr strafbaar gestelde handelingen gepleegd door niet-arts gerechtvaardigd kunnen worden geacht. Bij beoordeling van beroep op overmacht in de zin van noodtoestand heeft Hof tot uitgangspunt genomen dat wetgever m.b.t. verlenen van hulp bij zelfdoding en toepassen van euthanasie heeft voorzien in bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die zich beperkt tot handelen van artsen en heeft het vervolgens onderzocht of zich niettemin "uitzonderlijke omstandigheden" hebben voorgedaan op grond waarvan tlgd. handelingen van verdachte - die hoedanigheid van arts miste - gerechtvaardigd kunnen worden geacht. Daarvan uitgaande heeft Hof verweer verworpen. Door aldus te oordelen heeft Hof voornoemd toetsingskader niet miskend. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat Hof aan zijn vaststellingen kennelijk en niet onbegrijpelijk gevolgtrekking heeft verbonden dat niet aannemelijk is geworden dat geen redelijk alternatief bestond voor door verdachte gemaakte keuze om zijn (stief)moeder bij haar zelfdoding behulpzaam te zijn, noch voor wijze waarop en omstandigheden waaronder uitvoering van die keuze is geschied. HR merkt op dat opvatting dat ingeval door verdachte die geen arts is beroep is gedaan op overmacht in de zin van noodtoestand, rechter bij beoordeling van dat verweer nooit omstandigheden mag betrekken die ook tot uitdrukking komen in zorgvuldigheidseisen a.b.i. in art. 293.2 Sr, geen steun vindt in het recht. Die voor arts geldende zorgvuldigheidseisen zijn als zodanig niet van toepassing in geval als het onderhavige waarin verdachte - cruciale - hoedanigheid van arts mist (vgl. ECLI:NL:HR:2017:418, rov. 4.3). Het is evenwel niet uitgesloten dat omstandigheid die i.h.k.v. die zorgvuldigheidseisen relevant is, ook van belang kan zijn voor beoordeling van - in geval als het onderhavige slechts bij hoge uitzondering te aanvaarden - beroep op overmacht in de zin van noodtoestand, bijvoorbeeld bij beoordeling van eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat uit rechtspraak van EHRM niet kan worden afgeleid dat toepassing van art. 294.2 Sr in geval als het onderhavige - waarin verdachte, die t.t.v. handelen hoedanigheid van arts miste, naast familielid bij zelfdoding behulpzaam is geweest en deze middelen daartoe heeft verschaft - in strijd is met bij art. 8 EVRM gewaarborgd recht op eerbiediging van persoonlijke levenssfeer. Dat oordeel is juist, mede gelet op in CAG samengevatte jurisprudentie van EHRM, waaruit o.m. naar voren komt dat lidstaten op dit terrein ruime "margin of appreciation" toekomt.

Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:418.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2019/74 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/00573

Zitting: 18 december 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

Het cassatieberoep

  1. Het gerechtshof Den Bosch heeft de verdachte bij arrest van 31 januari 2018 wegens “opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en hem de middelen daartoe verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden en mr. J.T.E. Vis, advocaat te Amsterdam, hebben zeven middelen van cassatie voorgesteld.

Feiten en achtergronden

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte is zijn 99-jarige stiefmoeder, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), opzettelijk behulpzaam geweest bij haar zelfdoding. [betrokkene 1] had haar huisarts kenbaar gemaakt dat zij haar leven wilde beëindigen. De huisarts toonde zich niet bereid daaraan mee te werken, omdat naar haar oordeel niet was voldaan aan de voorwaarden voor de toewijzing van een euthanasieverzoek. Ook een herhaald verzoek om euthanasie honoreerde de huisarts niet. De verdachte heeft besloten [betrokkene 1] te helpen om haar stervenswens te vervullen. Daartoe heeft hij contact gelegd met een consulent van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde (NVVE), die de verdachte en zijn stiefmoeder heeft geïnformeerd over methoden van zelfdoding. De verdachte ontdekte dat [betrokkene 1] zelf pillen verzamelde met als doel een einde aan haar leven te maken, terwijl de pillen voor dat doel ongeschikt waren. De verdachte heeft [betrokkene 1] aangeboden haar te helpen en zelf medicatie te verzamelen. De verdachte een protocol opgesteld ten behoeve van de uitvoering van de zelfdoding, met zijn stiefmoeder een dag gepland waarop de zelfdoding zou plaatsvinden, de benodigde medicatie verzameld, zijn stiefmoeder instructies gegeven over de tijd en wijze van het innemen van deze medicatie en deze fijngemaakt, vermengd met yoghurt en aan zijn stiefmoeder gegeven. Daarna heeft hij aan zijn stiefmoeder drinken aangereikt om de medicatie mee weg te spoelen. De verdachte is na enige tijd naar huis gegaan om te slapen, waarna [betrokkene 1] is overleden.

Maatschappelijke context

4. De zaak heeft in de media veel aandacht gekregen. De beeldopnamen die de verdachte van het gehele proces heeft gemaakt zijn in een documentaire gebruikt, die in het televisieprogramma Netwerk is uitgezonden.1 Bovendien speelt de zaak een rol in het debat dat in de Tweede Kamer wordt gevoerd over de vraag of er in gevallen waarin mensen hun leven voltooid achten zonder dat sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden met een medische grondslag hulp moet kunnen worden geboden bij zelfdoding.2 Hiermee wordt doorgaans gedoeld op mensen die veelal op hoge leeftijd zijn en die, zonder dat zij overigens in medisch opzicht lijden aan een onbehandelbare en met ernstig lijden gepaard gaande ziekte of aandoening, voor zichzelf tot de conclusie zijn gekomen dat de waarde van het leven zodanig is afgenomen dat zij de dood verkiezen boven verder leven.3

5. Dit debat vindt plaats mede naar aanleiding van het door de Commissie-Schnabel uitgebrachte rapport met als titel Voltooid leven. Over hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten. De commissie heeft in haar rapport de onderhavige zaak besproken en in het kader van haar onderzoek ook met de verdachte gesprekken gevoerd.4 Eén van de belangrijkste conclusies van de Commissie-Schnabel is dat de huidige wetgeving voldoende ruimte biedt om het merendeel van de gevallen “van de ‘voltooid leven’-problematiek te ondervangen”. De formulering van de wet laat volgens de commissie bij handhaving van de zorgvuldigheidseisen en het medische handelingsmonopolie ruimte voor veranderende inzichten, zowel in verruimende als in beperkende zin. 5 Niettemin hebben de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van (toen nog) Veiligheid en Justitie in een brief van 12 oktober 2016 kenbaar gemaakt een extra uitzondering op de strafbaarheid van hulp bij zelfdoding te willen ontwikkelen, gebaseerd op het recht op autonomie.6 Tweede Kamerlid P. Dijkstra (D66) heeft eind 2016 een concept voor een initiatiefwetsvoorstel – Wetsvoorstel toetsing levenseindebegeleiding van ouderen op verzoek – gepresenteerd. Door de ChristenUnie, Omroep Max en ouderenorganisatie KBO-POCB is juist het initiatief genomen tot het schrijven van een manifest met als strekking leed dat achter de term ‘voltooid leven’ kan schuilgaan te verzachten, “zodat de wil om te leven weer de overhand neemt”. Het manifest is getiteld Waardig ouder worden.7

6. In het regeerakkoord van 10 oktober 2017 wordt dit manifest betrokken en wordt verwezen naar de uitkomsten van het onderzoek van de Commissie-Schnabel.8 Het regeerakkoord vermeldt dat het kabinet de aanbevelingen van het manifest “Waardig ouder worden” ter hand zal nemen. Hetzelfde geldt voor de aanbevelingen van de Commissie-Schnabel, die de minister van Volksgezondheid zal betrekken bij de derde evaluatie van de euthanasiewetgeving. Voorts zal een onderzoek worden gestart naar de omvang en omstandigheden van de groep mensen “voor wie de door de commissie-Schnabel genoemde ruime interpretatie en toepassing van de bestaande euthanasiewetgeving onvoldoende soelaas biedt in de ogen van betrokkenen.” De regering legt vervolgens de nadruk op het faciliteren van de discussie over waardig ouder worden, de reikwijdte en de toepassing van de huidige euthanasiewetgeving en het onderwerp ‘voltooid leven’. Met de uitkomsten van het onderzoek zal het kabinet bezien wat het te doen staat en kan de Tweede Kamer zelfstandig besluiten over initiatiefwetgeving.

De juridische context

7. Het openbaar ministerie is na de uitzending van de hiervoor genoemde documentaire een strafrechtelijk onderzoek naar het handelen van de verdachte gestart en heeft daarop besloten de verdachte te vervolgen wegens overtreding van art. 294, tweede lid, Sr (het bieden van hulp van zelfdoding). De rechtbank Gelderland heeft de verdachte bij vonnis van 22 oktober 2013 schuldig verklaard en met toepassing van art. 9a Sr afgezien van het opleggen van een straf of maatregel.9 Het hof Arnhem-Leeuwarden ontsloeg de verdachte bij arrest van 13 mei 2015 van alle rechtsvervolging, omdat het hof het bewezen verklaarde niet strafbaar achtte. Volgens het hof kwam de verdachte een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toe.10 Het openbaar ministerie stelde tegen dit arrest beroep in cassatie in.

8. Bij arrest van 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:418, NJ 2017/269 vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden ten aanzien van het door het hof gegeven ontslag van alle rechtsvervolging. De Hoge Raad overwoog dat het hof in essentie niet wezenlijk meer had gedaan dan de voor een arts geldende zorgvuldigheidseisen als referentiekader te hanteren, terwijl de verdachte de – in de huidige wetgeving cruciale – hoedanigheid van arts miste. De Hoge Raad voegde daaraan nog toe dat uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de verdachte zelfs niet had voldaan aan de vereisten van het door het hof gehanteerde kader. De Hoge Raad verwees de zaak naar het hof Den Bosch, dat de verdachte bij arrest van 31 januari 2018 wel veroordeelde wegens hulp bij zelfdoding. Tegen die uitspraak is het cassatieberoep gericht.

9. Gedurende de gehele procedure is de zaak in de juridische literatuur veelvuldig onderwerp van discussie geweest.11 Ook de verdachte heeft daarover gepubliceerd.12

10. In onderdeel 4 van haar conclusie voorafgaand aan het hiervoor genoemde arrest van 14 maart 2017 heeft mijn ambtgenoot Spronken ruim aandacht besteed aan de maatschappelijke discussie ten aanzien van mensen die hun leven als voltooid beschouwen en een doodswens hebben. Ik volsta met een verwijzing daarnaar en met de constatering dat het om een onderwerp gaat dat maatschappelijk gevoelig ligt, dat wordt benaderd vanuit verschillende uitgangspunten ten aanzien van de visie op de menselijke autonomie, de bescherming van het leven en de zorg voor – vooral oudere – mensen die hun leven als voltooid beschouwen. Daarbij spelen levensovertuiging en religieuze gezindte een rol van betekenis. Degenen die in het debat de nadruk leggen op barmhartigheid jegens de oudere medemens die het leven als voltooid beschouwt door hem of haar bij te staan bij de stervenswens vinden anderen tegenover zich die de beschermwaardigheid van het menselijk leven vooropstellen en willen investeren in ‘levenshulp’ in plaats van in hulp bij zelfdoding. Mijn voormalig ambtgenoot Keijzer heeft het gebrek aan consensus als volgt verwoord: “Verschillen in levensbeschouwing brengen verschillen in stervensbeschouwing mee”.13 Het gaat daarmee om een fundamentele discussie op het precaire terrein van leven en dood, waarover de meningen in de samenleving en in de politiek verdeeld zijn. In deze discussie is het laatste woord nog niet gezegd. Dat behoedzame strekking van het regeerakkoord vormt daarvan een illustratie. Ook deze cassatieprocedure zal geen einde maken aan de discussie over stervenswensen van mensen die hun leven als voltooid beschouwen.

11. In deze conclusie zal de aandacht verder worden gericht op de beoordeling van de cassatiemiddelen naar huidig recht. Uitgangspunt is de huidige wettelijke regeling. De wetgever heeft in het kader van de totstandkoming van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL)14 de problematiek van stervenswensen van mensen die hun leven als voltooid beschouwen nadrukkelijk onder ogen gezien. Minister Korthals bracht de in dat kader gemaakte keuze als volgt onder woorden:

“Diverse sprekers verzochten naar aanleiding van de zaak- […] om een duidelijk standpunt van het kabinet over de vraag of mensen, die ’’levensmoe’’ of ’’klaar met het

leven’’ zijn, op grond van dit wetsvoorstel voor euthanasie of hulp bij zelfdoding in aanmerking komen. Het antwoord daarop luidt ondubbelzinnig ontkennend. Wij menen niet dat eenieder die geen levenswil meer heeft dan ook de gereguleerde mogelijkheid moet hebben om het leven te (doen) beëindigen. Wel is het zaak dat in de samenleving

aandacht wordt besteed aan dergelijke signalen waarachter een vraag om hulp of aandacht kan schuilgaan. Deze problematiek is een duidelijk maatschappelijk vraagstuk,

maar valt buiten het bereik van dit wetsvoorstel.”15

12. Voorop staat dat de door de wetgever gemaakte keuze in de onderhavige zaak zal moeten worden geëerbiedigd. De wetgever heeft daarmee getracht een balans te vinden tussen het belang van de persoonlijke autonomie van mensen die uitzichtloos en ondraaglijk lijden aan de ene kant en de plicht van de overheid tot de bescherming van het leven van individuele burgers aan de andere kant. Het is denkbaar dat die balans op termijn onder invloed van veranderende opvattingen in de samenleving verschuift. Maar waar de wetgever heeft gesproken op een terrein dat fundamenteel en kwetsbaar is, waarin de maatschappelijke discussie niet is uitgekristalliseerd en waarin de politieke ontwikkelingen zich moeilijk laten voorspellen, ligt het niet in de rede dat de rechter stappen zet die de wetgever tot op heden niet heeft willen zetten.16 Tegen deze achtergrond kan ook het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:418, NJ 2017/269 in de onderhavige zaak worden gezien. Het toetsingskader dat in dat arrest centraal staat, vormt de basis bij de bespreking van de namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddelen.

Bespreking van de cassatiemiddelen

13. In cassatie zijn verschillende middelen geformuleerd. Het eerste middel betreft een klacht over de manier waarop het hof met de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad is omgegaan. Het tweede, vierde en vijfde middel bevatten klachten over het oordeel van het hof ten aanzien van de strafbaarheid van het feit en de verdachte. Daarbij komen overmacht in de zin van noodtoestand (middel 3), ‘verontschuldigbare noodtoestand’ (middel 4) en psychische overmacht (middel 5) aan bod. Ook wordt de aandacht gericht op de invloed van de rechtspraak van het Europese Hof (middel 3). Het zesde en zevende middel ten slotte behelzen klachten over de door het hof opgelegde straf en de motivering daarvan.

13. Hierna bespreek ik de desbetreffende klachten in de volgorde zoals die in de schriftuur worden gepresenteerd.

Vaststelling van feiten na verwijzing

15. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend, omdat het bij de beantwoording van de vragen die na verwijzing in hoger beroep nog aan de orde waren niet slechts is uitgegaan van de feiten zoals deze door het hof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 13 mei 2015 zijn vastgesteld. Voorts bevat het middel de klacht dat het hof heeft verzuimd te responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de vraag van welke feiten het hof diende uit te gaan.

15. In zijn arrest van 13 mei 2015 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“ [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1] ) in de periode van 7 juni 2008 tot en met 8 juni 2008 in Ermelo zelfdoding heeft gepleegd (door het innemen van een combinatie van pillen),

waarbij hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 juni 2008, in Ermelo en/of in Midlaren en/of in Ede, althans in Nederland,

opzettelijk [betrokkene 1] behulpzaam is geweest en opzettelijk [betrokkene 1] middelen daartoe heeft verschaft,

terwijl die zelfdoding daarop is gevolgd,

immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk:

- contact gelegd met de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde

(verder: NVVE) en afspraken gemaakt voor een bezoek van een consulent van de NVVE aan [betrokkene 1] en/of aan verdachte, welke consulent [betrokkene 1] en verdachte heeft

geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding

en

- een publicatie van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige

Zelfdoding (verder: WOZZ), uitgave 2008, getiteld 'Informatie over zorgvuldige levensbeëindiging', aangeschaft en geraadpleegd en gebruikt ten behoeve van de (wijze van) zelfdoding van [betrokkene 1]

en

- [betrokkene 1] geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding en de wijze

waarop zelfdoding kan plaatsvinden

en

- een dag gepland (tezamen met [betrokkene 1] ) waarop de zelfdoding door inname van een hoeveelheid pillen zou plaatsvinden

en

- een protocol/handleiding opgesteld, met betrekking tot de wijze van

uitvoeren van de zelfdoding

en

- voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van de zelfdoding van [betrokkene 1] , [betrokkene 1] instructies en aanwijzingen gegeven omtrent de tijd en wijze van innemen van de voor de zelfdoding benodigde / te gebruiken pillen

en

- aan [betrokkene 1] (een deel van) de voor de zelfdoding benodigde / te

gebruiken pillen verstrekt, namelijk ongeveer 4 zogenaamde anti braak pillen en ongeveer 75 Nivaquine/Chloroquine pillen en ongeveer 45 Oxazepam pillen en ongeveer 35 Temazepam pillen

en

- ongeveer 45 pillen fijn gemaakt in een bakje en vervolgens yoghurt in dat bakje gedaan en ongeveer 75 Nivaquine/Chloroquine pillen in dat bakje gedaan en dit bakje met genoemde inhoud aangereikt aan [betrokkene 1]

en

- ongeveer 35 Temazepam pillen in een bakje gedaan en aangereikt aan [betrokkene 1]

en

- drinken aan [betrokkene 1] aangereikt om de voor de zelfdoding benodigde / te

gebruiken pillen mee weg te spoelen.”

17. De rechter naar wie de Hoge Raad na vernietiging van een uitspraak de zaak heeft verwezen of teruggewezen, is gebonden aan de door de Hoge Raad gegeven beslissing.17 Bij arrest van 14 maart 2017 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden in de onderhavige zaak vernietigd, maar uitsluitend wat betreft het door het hof gegeven ontslag van alle rechtsvervolging. Dit brengt mee dat het hof zich na verwijzing terecht niet meer heeft gebogen over de vragen van art. 348 Sv en de eerste vraag van art. 350 Sv naar het bewijs van het ten laste gelegde. Wel diende het hof zich opnieuw een oordeel te vormen over de strafbaarheid van het feit en de verdachte en over de strafoplegging.

18. De stellers van het middel betogen dat het hof de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend door bij de beoordeling van de strafbaarheid van het feit andere feitelijke omstandigheden te betrekken dan de vaststellingen door het hof Arnhem-Leeuwarden. Zij gaan er kennelijk van uit dat het hof na een vernietiging en verwijzing als hiervoor bedoeld niet mag afwijken van de feitenvaststellingen zoals deze door het eerdere hof in het kader van de strafbaarheid van het feit en de verdachte zijn gedaan. Deze veronderstelling is onjuist. Het hof mocht in de onderhavige zaak niet treden in een nieuwe beoordeling van het bewijs van het ten laste gelegde en diende aldus uit te gaan van de bewezenverklaring, de bewijsconstructie en de in dat verband vastgestelde feiten. Voor de beoordeling van de strafbaarheid van het feit diende het hof echter alle van belang zijnde omstandigheden in zijn oordeel te betrekken.18 De uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden is immers ten aanzien van het ontslag van alle rechtsvervolging vernietigd. Daarmee diende het hof na verwijzing opnieuw de feitelijke en juridische grondslag van het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging te onderzoeken en alle voor de strafoplegging van belang zijnde omstandigheden in zijn oordeel te betrekken. Daarbij stond het het hof vrij in zoverre af te wijken van de door het hof Arnhem-Leeuwarden onder de aanhef ‘Strafbaarheid van het feit: overmacht in de zin van noodtoestand?' vastgestelde feiten. Daarop strandt de klacht.

19. De klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het verweer van de verdediging dat het hof zou moeten uitgaan van de feiten zoals deze door het hof Arnhem-Leeuwarden zijn vastgesteld, kan niet tot cassatie leiden. Gelet op het voorafgaande, had het hof dit verweer immers slechts kunnen verwerpen.19

20. Het middel faalt.

Overmacht in de zin van noodtoestand

21. Het tweede middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich niet kan beroepen op overmacht in de zin van noodtoestand getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.

21. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2017 gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat sprake is geweest van overmacht in de zin van noodtoestand en dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In dat verband heeft de raadsman aangevoerd dat voor de verdachte een conflict van plichten bestond, te weten enerzijds de verplichting om de wet na te leven en anderzijds de ongeschreven plicht om zijn 99-jarige stiefmoeder te helpen bij het realiseren van een pijnloze, vredige en waardige dood. De ontstane nood is volgens de raadsman acuut geworden toen de verdachte werd geconfronteerd met het feit dat [betrokkene 1] zelf medicatie was gaan verzamelen om haar leven te beëindigen. De verdachte heeft volgens de raadsman zorgvuldig gehandeld. De handelwijze van de verdachte voldoet volgens de raadsman aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, omdat hij heeft gekozen voor het meest zwaarwegende belang (het belang van zijn moeder bij een kort, vredig en pijnloos stervensproces) en hem geen minder vergaand middel ter beschikking stond. In dat verband heeft de raadsman gewezen op de omstandigheden dat [betrokkene 1] niet wilde versterven, zonder hulp van derden een verantwoorde zelfdoding niet mogelijk was en in 2008 een euthanasieverzoek – mede gelet op het […] -arrest20 van de Hoge Raad – kansloos was.

23. Het hof heeft het beroep op noodtoestand verworpen en in dat verband het volgende overwogen:

“Door de verdediging is een beroep gedaan op, kort gezegd, gerechtvaardigde overmacht in de zin van noodtoestand.

Onder verwijzing naar het door de Hoge Raad in zijn arrest van 14 maart 2017 voor de beoordeling van dit verweer geschetste kader (in r.o. 4.2.1 ) moet het volgende voorop worden gesteld. Het verlenen van hulp bij zelfdoding en het toepassen van euthanasie zijn strafbaar gesteld bij art. 293 en art. 294 Sr, zoals deze artikelen ten tijde van het handelen van de verdachte luidden. Het feit is niet strafbaar indien het is begaan door een arts die heeft voldaan aan de in art. 293, tweede lid, genoemde zorgvuldigheidseisen van art. 2, eerste lid, Wtl. Aldus is een bijzonder stelsel van zorgvuldigheidseisen in het leven geroepen dat ertoe strekt de juiste balans te waarborgen tussen enerzijds het belang van de persoonlijke autonomie van mensen die uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en anderzijds de plicht van de overheid tot bescherming van het leven van individuele burgers.

Uitzonderlijke omstandigheden kunnen meebrengen dat gedragingen zoals de in art. 293 en 294 Sr genoemde handelingen die strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, ook indien het feit is gepleegd door iemand die de hoedanigheid van arts mist, onder meer indien daarbij moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen - in het algemeen gesproken - dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Hiervan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn, aldus de Hoge Raad.

Het hof overweegt verder dat naarmate de situatie waarin de dader zich bevindt minder acuut is, de eisen die aan een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand worden gesteld zullen toenemen. Het gedrag van de dader moet bovendien de toetsing van proportionaliteit en subsidiariteit kunnen doorstaan.

Bij de beoordeling van het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op navolgende feiten en omstandigheden.

Uit de door de verdachte ter terechtzitting van dit hof afgelegde verklaring van 4 december 2017 volgt dat de verdachte op de hoogte was van de in art. 293 en 294 Sr beschreven verboden en de bijbehorende jurisprudentie. Verdachte heeft ervoor gekozen om zijn stiefmoeder hulp te bieden bij haar zelfdoding. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij niet wilde dat zijn stiefmoeder op een willekeurig moment en in haar eentje zou overlijden en hij voelde druk omdat zij zelf medicijnen was gaan verzamelen. [betrokkene 1] wilde geen 100 jaar worden en was bang om de regie over haar leven te verliezen, aldus de verdachte. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij, na de afwijzing van het euthanasieverzoek van [betrokkene 1] door de huisarts op 8 februari 2008, bij welk gesprek hij aanwezig was, besloten had dan zelf zijn stiefmoeder te helpen bij haar zelfdoding, waartoe hij korte tijd hierna contact heeft gezocht met de NVVE.

De huisarts heeft later in een brief van 24 maart 2010 verklaard dat [betrokkene 1] tijdens dit gesprek medicatie vroeg om haar leven te beëindigen, waarna zij aan [betrokkene 1] heeft aangegeven dat zij hier moeite mee had. [betrokkene 1] had volgens de huisarts weliswaar een beperkte levensverwachting door haar hart- en nierproblemen en haar hoge leeftijd, maar zij had er in deze situatie moeite mee om mee te werken aan euthanasie. Ook uit de verklaringen van verdachte volgt dat de lichamelijke aandoening van [betrokkene 1] maar zeer beperkt meespeelde bij haar wens te overlijden en zou, aldus de verdachte, het een drogreden zijn om euthanasie uit te voeren vanwege een medische grondslag. Feitelijk lagen immers niet de, reeds jarenlang aanwezige, gezondheidsklachten van [betrokkene 1] ten grondslag aan haar doodswens, maar de gedachte dat zij ‘klaar was met leven’. De verdachte stond achter de wens van [betrokkene 1] , kon die wens begrijpen en voelde zich niet in de positie om tegen die wens in te gaan. Op de vraag in hoeverre zijn moeder aan hem duidelijk heeft gevraagd om haar te helpen om haar leven te beëindigen, heeft de verdachte op 23 februari 2010 bij de politie verklaard dat hij dat eigenlijk niet goed weet. Het was voor hem echter duidelijk dat ze dat graag wilde, zo verklaart hij en, gelet op het feit dat [betrokkene 1] ‘gewoon dood’ wilde en niemand wilde verleiden tot het plegen van een strafbaar feit, heeft hij een andere arts (dan de huisarts mevrouw Vet) niet nogmaals willen verzoeken mee te werken aan euthanasie.

In het daarop volgende gesprek op 4 april 2008 reageerde de huisarts wederom terughoudend op een hernieuwd euthanasieverzoek. In overleg is toen besloten om te stoppen met de medicatie voor hart- en nierproblemen van [betrokkene 1] . Ook in het volgende gesprek met de huisarts heeft [betrokkene 1] haar verzoek wederom heeft herhaald, zonder dat dit volgens de huisarts verandering in haar standpunt heeft gebracht.

Bovendien is gekeken naar alternatieven, dat wil zeggen pogingen van de huisarts om het [betrokkene 1] meer naar de zin te maken in het leven. Huisarts [betrokkene 2] geeft in haar verklaring tegenover de raadsheer-commissaris d.d. 3 februari 2015 verder aan dat zij zeker weet dat er is gesproken over de mogelijkheid van versterven, maar dat dit voorstel door [betrokkene 1] resoluut van de hand werd gewezen. De huisarts kon zich tenslotte niet voorstellen dat er een andere arts bereid zou zijn gevonden om, binnen de bestaande wetgeving, de euthanasiewens van [betrokkene 1] uit te voeren kennelijk, zo begrijpt het hof haar verklaring, omdat het zijn van levensmoe de hoofdreden was en niet het ziek zijn.

Volgens de verdachte was het, gelet daarop en ingevolge het […] -arrest van de Hoge Raad, ondenkbaar dat een arts [betrokkene 1] zou helpen in 2008, omdat dit ook voor een arts verboden was in de gegeven omstandigheden. De verdachte durfde daarom ook niet om een (andere) arts een dergelijke vraag voor te leggen; een arts zou daardoor in een ongemakkelijke situatie worden gebracht en dat wilde verdachte niet. De verdachte heeft daarom niet verder gezocht naar een (andere) arts en niet geverifieerd of het […] -arrest - dat dateert van 24 december 2002 - nog steeds actueel was en onverkort gold. In plaats daarvan heeft hij, op verzoek van [betrokkene 1] , contact opgenomen met de NVVE. De consultatie van een vrijwilliger van de NVVE heeft naar het oordeel van het hof evenwel niet te gelden als de consultatie van een arts, nu is gesteld noch gebleken dat die vrijwilligers op enigerlei wijze medisch zijn geschoold of deskundig zijn op medisch gebied.

Vast is komen te staan dat bij [betrokkene 1] ten tijde van haar overlijden geen sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lichamelijk lijden, voortkomende uit een medische oorzaak. Anders dan dat zij levensmoe was en een stervenswens had, is ook niet, althans onvoldoende objectief, komen vast te staan dat sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk geestelijk lijden, voortkomende uit een medische oorzaak. De verdachte heeft derhalve eigenmachtig en in strijd met de wet, de zelfstandige beslissing genomen om [betrokkene 1] behulpzaam te zijn bij haar wens om te sterven, en daarbij willens en wetens voorbijgaand aan de zorgvuldigheidseisen die samenhangen met een dergelijke zwaarwegende beslissing. Het hof stelt vast dat de verdachte bij zijn uiteindelijke beslissing om zijn stiefmoeder actief te helpen bij haar zelfdoding zich enkel heeft laten leiden door die wens van zijn stiefmoeder en daarbij niet dan wel onvoldoende heeft betrokken dat zijn handelen strafbaar was. In dit kader betrekt het hof ook de verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 4 december 2017, waar hij op de vraag of het respect voor het feit dat de wens van [betrokkene 1] om de regie te behouden diende te eindigen bij het verbod tot hulp bij zelfdoding, heeft geantwoord dat de consequenties die zijn handelen zou hebben voor hemzelf niet hebben meegespeeld bij zijn beslissing om [betrokkene 1] te helpen. De verdachte was zich wel bewust van die consequenties, maar vond dat het voor [betrokkene 1] geen rol moest spelen op dat moment. Ook heeft verdachte ter zitting van het hof verklaard dat hij niet met [betrokkene 3] , de consulent van het NVVE met wie verdachte contact had, heeft besproken of [betrokkene 3] een andere arts kende die mogelijk wél wilde meewerken aan de door [betrokkene 1] gewenste euthanasie.

Nadat de verdachte [betrokkene 1] op de avond van haar overlijden heeft geholpen met het innemen van een dodelijke hoeveelheid medicijnen, is hij weggegaan en heeft haar alleen gelaten. Het hof acht dit volstrekt onverantwoord en onbegrijpelijk nu de verdachte ter terechtzitting van het hof van 4 december 2017 zelf immers heeft gesteld dat hij zijn daad, de hulp bij de zelfdoding van zijn stiefmoeder, juist heeft gepleegd omdat hij zijn stiefmoeder niet alleen wilde laten doodgaan. Niet ondenkbaar is immers dat er tijdens het stervensproces onverwachte complicaties konden optreden, die een onmiddellijk ingrijpen van een arts zouden hebben vereist. De volgende dag is door de huisarts een verklaring van natuurlijk overlijden van [betrokkene 1] afgegeven, wat de verdachte maar zo heeft gelaten. Hij vond het een ‘meevaller’, zo verklaarde hij ter terechtzitting van 4 december 2017. Eerst na het tonen van de eerdergenoemde en op 8 februari 2010 uitgezonden documentaire heeft de raadsman van de verdachte dit handelen onder de aandacht van het openbaar ministerie gebracht, waarna een justitieel onderzoek is gestart.

Gelet op het voren overwogene is het hof van oordeel dat de verdachte niet met succes een beroep kan doen op overmacht in de zin van noodtoestand. In dit verband overweegt het hof dat ook overigens naar zijn oordeel niet aannemelijk is geworden dat de verdachte verkeerde in een dusdanige toestand dat die een dergelijk beroep zou kunnen rechtvaardigen. Het verweer dient derhalve te worden verworpen.”

24. Het verlenen van hulp bij zelfdoding is strafbaar gesteld bij art. 294, tweede lid, Sr. Ten tijde van het debat dat sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw in Nederland heeft plaatsgevonden over de strafwaardigheid van euthanasie en hulp bij zelfdoding is rechtspraak tot stand gekomen die enige ruimte heeft geboden tot het door artsen straffeloos verlenen van hulp bij zelfdoding en de straffeloze toepassing van euthanasie door artsen. Deze rechtspraak komt er in de kern op neer dat omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat het verlenen van hulp bij zelfdoding, evenals het toepassen van euthanasie, gerechtvaardigd kan worden geacht. Daarvan is sprake indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand. Dat wil zeggen dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige verplichtingen, de zwaarstwegende is nagekomen. In het bijzonder een arts kan volgens deze rechtspraak in noodtoestand komen te verkeren, wanneer hij wordt gesteld voor de noodzaak te kiezen tussen enerzijds de plicht tot behoud van het leven en anderzijds de plicht om als arts al het mogelijke te doen om ondraaglijk en uitzichtloos lijden van een aan zijn zorgen toevertrouwde patiënt te verlichten.21

25. De wetgever heeft met de totstandkoming van de WTL aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad. Daartoe is in art. 293, tweede lid, Sr een bijzondere exceptie opgenomen. Art. 294, tweede lid, Sr verklaart art. 293, tweede lid, Sr van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat het toepassen van euthanasie (art. 293, eerste lid, Sr) en het bieden van hulp bij zelfdoding (art. 294, tweede lid, Sr) niet strafbaar zijn indien deze zijn begaan door een arts die daarbij voldoet aan de in art. 2 WTL opgenomen zorgvuldigheidseisen en hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig art. 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.22 De exceptie is aldus beperkt tot artsen en daarmee verbonden met de normen en ethiek van de medische professie, alsmede met een uitgewerkt stelsel van zorgvuldigheidseisen en procedurele voorschriften. De WTL heeft voorts niet mede betrekking op situaties waarin geen sprake is van medisch geclassificeerde somatische of psychische ziektes en aandoeningen.23

26. Het gaat in art. 293, tweede lid, Sr, in verbinding met art. 294, tweede lid, Sr om een exceptie waarop slechts artsen zich kunnen beroepen. Voor degenen die geen beroep op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van art. 293, tweede lid, Sr kunnen doen, is de weg naar een beroep op art. 40 Sr niet geheel afgesloten.24 De door de wetgever getroffen voorziening staat als zodanig niet in de weg aan een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand (art. 40 Sr) als algemene rechtvaardigingsgrond buiten de door de wetgever voorziene gevallen. Daarvoor is nodig dat de verdachte een gerechtvaardigde keuze maakt tussen strijdige plichten en belangen.25 Dat impliceert dat moet worden voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Het belang dat door het plegen van het strafbare feit wordt gediend, moet naar objectieve maatstaven zwaarder wegen dan het belang dat door de overtreding van de strafwet wordt aangetast (proportionaliteit), terwijl het belangenconflict niet kan worden opgelost op een wijze die geen overtreding van de strafwet inhoudt dan wel een minder ernstige (subsidiariteit).26 Die objectieve benadering brengt ook mee dat de situatie waarin een strafbaar feit wordt begaan omdat de verdachte ten diepste overtuigd is van de onjuistheid van de strafbaarstelling in de regel niet onder het bereik van overmacht in de zin van noodtoestand valt.27

27. Handelen in noodtoestand betekent handelen in strijd met de wet. Het karakter van noodtoestand als rechtvaardigingsgrond betekent dat het handelen in strijd met de wet gerechtvaardigd wordt geacht. Dat tekent het verstrekkende karakter van deze rechtvaardigingsgrond en noopt tot een beperking van de toepassing tot exceptionele gevallen. Noodtoestand vervult in het stelsel van strafuitsluitingsgronden een soort restfunctie.28 Dat geldt zeker als de wetgever een bijzondere regeling heeft getroffen voor de afweging van de aan de naleving van de wet verbonden nadelen. In gevallen waarin de wetgever welbewust de exceptie niet van toepassing heeft verklaard, zoals in geval van hulp aan zelfdoding door een ander dan een arts, zal een beroep op noodtoestand slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard.29 In wezen wordt de wettelijke regeling in een dergelijk geval twee keer overvleugeld: zowel ten aanzien van de strafbaarstelling als zodanig als ten aanzien van de door de wetgever voorziene uitzondering op de strafbaarstelling. De ruimte voor een beroep op noodtoestand is onder die omstandigheden uiterst gering. In een andere benadering bestaat het risico van het doorkruisen van afwegingen die de wetgever heeft gemaakt.

28. Het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2017 in de onderhavige zaak ademt deze terughoudendheid en bevat in dit opzicht geen verrassingen. De Hoge Raad had al eerder in deze zin geoordeeld in een zaak waarin de verdachte terechtstond voor het telen van medicinale cannabis ten behoeve van de echtgenoot van de verdachte, die leed aan multiple sclerose.30

29. Voor de volledigheid citeer ik hierna de dragende overwegingen van de Hoge Raad in het arrest van 14 maart 2017 in de zaak tegen de verdachte:31

“4.2.1.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het verlenen van hulp bij zelfdoding en het toepassen van euthanasie zijn strafbaar gesteld bij art. 293 en art. 294 Sr, zoals deze artikelen ten tijde van het handelen van de verdachte luidden en ook thans nog luiden. Het feit is niet strafbaar indien het is begaan door een arts die heeft voldaan aan de in art. 293, tweede lid, Sr genoemde zorgvuldigheidseisen van art. 2, eerste lid, WTL. Zoals wordt bevestigd door de wetsgeschiedenis, heeft de wetgever aldus een bijzonder stelsel van zorgvuldigheidseisen in het leven geroepen dat ertoe strekt de juiste balans te waarborgen tussen enerzijds het belang van persoonlijke autonomie van mensen die uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en anderzijds de plicht van de overheid tot bescherming van het leven van individuele burgers. De genoemde niet-strafbaarheid en de daarmee samenhangende zorgvuldigheidseisen hebben uitsluitend betrekking op levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding door artsen en zijn onder andere gericht op een door de betrokken arts te verrichten toetsing van het vrijwillige en weloverwogen karakter van het verzoek tot levensbeëindiging alsmede op het consulteren van een andere, onafhankelijke arts. De beoordeling of de betrokken arts de zorgvuldigheidseisen in acht heeft genomen, geschiedt primair door een multidisciplinair samengestelde regionale commissie voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. In verband daarmee voorziet art. 7, tweede lid, Wet op de lijkbezorging in een op de betrokken arts rustende plicht tot melding aan de gemeentelijke lijkschouwer van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding als bedoeld in art. 293, tweede lid, onderscheidenlijk art. 294, tweede lid tweede volzin, Sr, bij welke melding een verslag dient te worden gevoegd betreffende de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen.

4.2.2.

Uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval meebrengen dat gedragingen zoals de in art. 293 en art. 294 Sr genoemde handelingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, ook indien het feit is begaan door iemand die de hoedanigheid van arts mist. Dat kan het geval zijn indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen - in het algemeen gesproken - dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Een dergelijk beroep zal slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard, mede in het licht van de omstandigheid dat de wetgever naar huidig recht - zoals hiervoor is overwogen - heeft voorzien in een bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die zich beperkt tot het handelen van artsen en die nauw is verbonden met de deskundigheid alsmede de normen en ethiek van de medische professie alsook met een uitgewerkt stelsel van zorgvuldigheidseisen en procedurele voorschriften. Het eerbiedigen van deze terughoudendheid bij de aanvaarding van een dergelijk beroep op noodtoestand is tevens geboden in het licht van het - in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 in hoofdlijnen geschetste - maatschappelijke en politieke debat dat wordt gevoerd over levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

4.3.

Blijkens hetgeen onder 2.3.2 is aangehaald heeft het Hof bij zijn beoordeling van het handelen van de verdachte in essentie niet wezenlijk meer gedaan dan het als referentiekader hanteren van de voor een arts geldende zorgvuldigheidseisen, hoewel de verdachte in de bijzondere positie verkeerde dat hij de - in de huidige wetgeving cruciale - hoedanigheid van arts miste. Gelet hierop en, mede in het licht van hetgeen hiervoor onder 4.2.1 en 4.2.2 is vooropgesteld, is niet begrijpelijk dat het Hof het slechts bij hoge uitzondering te aanvaarden beroep op noodtoestand in de onderhavige omstandigheden gegrond heeft bevonden. Daarbij wordt nog daargelaten dat uit de vaststellingen van het Hof blijkt dat de verdachte zelfs niet heeft voldaan aan de vereisten van het door het Hof gehanteerde kader.”

30. De Hoge Raad benadrukt aldus het hoogst uitzonderlijke karakter van een mogelijk beroep op noodtoestand in geval van hulp bij zelfdoding. Dat betekent dat in cassatie het oordeel van het hof dat geen sprake is van omstandigheden die een beroep op noodtoestand kunnen rechtvaardigen niet snel als onbegrijpelijk zal worden aangemerkt.32 Tegen deze achtergrond zal ik hierna de klachten bespreken die in het middel en de toelichting daarop zijn opgeworpen.

31. Het middel bevat allereerst de klacht dat het hof heeft verzuimd te beoordelen of de verdachte, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Daarmee zou het hof niet hebben onderzocht of aan de maatstaven voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand is voldaan. De stellers van het middel betogen dat het hof slechts heeft uitgelegd de verdachte niet in alle opzichten zorgvuldig heeft gehandeld, zonder te onderzoeken of aan de voorwaarden voor overmacht in de zin van noodtoestand is voldaan. Daartoe voeren zij aan dat de geconstateerde onzorgvuldigheden niet aan een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand in de weg hoeven te staan, terwijl het hof geen woord wijdt aan het conflict van plichten of belangen waarmee de verdachte werd geconfronteerd. Evenmin heeft het hof volgens de stellers van het middel duidelijk gemaakt of de verwerping van het beroep erop berust dat de feiten niet aannemelijk zijn geworden of dat de vastgestelde feiten geen beroep op overmacht in de zin van noodtoestand rechtvaardigen.

31. Ik meen dat het middel in zoverre geen doel treft. Het hof heeft het juiste toetsingskader in zijn oordeel vooropgesteld. Zijn oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Daaraan doet niet af dat het hof niet uitdrukkelijk heeft verwezen naar een conflict van plichten of belangen, al had het naar mijn mening wel in de rede gelegen daaraan in de motivering uitdrukkelijk aandacht te besteden. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat, ook als zou worden uitgegaan van het door de verdediging gestelde conflict van plichten of belangen, te weten enerzijds de verplichting om de wet na te leven en anderzijds de ongeschreven plicht om zijn 99-jarige stiefmoeder te helpen bij het realiseren van een pijnloze, vredige en waardige dood33, het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand niet kan slagen omdat niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit zijn onderdeel van het toetsingskader in geval van een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand. Door tot uitdrukking te brengen dat niet is voldaan aan deze maatstaven, heeft de verwerping van het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand een juridische grondslag gegeven. Voor zover het middel berust op een andere lezing van het bestreden arrest, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het toepasselijke toetsingskader.

33. Het middel bevat voorts de klacht dat het hof heeft miskend dat art. 40 Sr ruimte biedt voor een geslaagd beroep op noodtoestand in gevallen waarin geen beroep kan worden gedaan op de bijzondere strafuitsluitingsgrond als bedoeld in art. 293, tweede lid, Sr. De stellers van het middel baseren deze klacht op de overweging van het hof dat strafbaarheid onder art. 294 Sr “enkel” uitblijft als het feit is begaan door een arts en is voldaan aan de in art. 293, tweede lid, Sr genoemde zorgvuldigheidseisen. Het hof heeft echter ook overwogen dat gedragingen als bedoeld in de artikelen 293, eerste lid, en 294, tweede lid, Sr in uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd kunnen worden geacht indien het feit is begaan door iemand die de hoedanigheid van arts mist en dat dit het geval kan zijn indien die persoon heeft gehandeld in noodtoestand. Daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht faalt.

33. De stellers van het middel voeren verder aan dat het hof heeft miskend dat de in art. 2 WTL neergelegde zorgvuldigheidseisen niet van toepassing zijn bij de beoordeling of de verdachte, die geen arts is, een geslaagd beroep op noodtoestand toekomt. Daartoe wijzen zij erop dat het hof overweegt dat de verdachte geen tweede arts heeft geraadpleegd nadat de huisarts van zijn stiefmoeder het euthanasieverzoek had afgewezen en dat niet is komen vast te staan dat sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk geestelijk lijden, voortkomend uit een medische oorzaak. Ook deze klacht kan niet slagen. Ik wijs daartoe op het volgende.

33. Bij arrest van 14 maart 2017 oordeelde de Hoge Raad dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in essentie niet wezenlijk meer had gedaan dan het als referentiekader hanteren van de voor een arts geldende zorgvuldigheidseisen, terwijl uit de vaststellingen van het hof bovendien bleek dat de verdachte niet aan die vereisten had voldaan. Deze overweging betekent niet dat bij de beoordeling van een beroep op noodtoestand in een geval als het onderhavige in het geheel geen acht mag worden geslagen op de zorgvuldigheidseisen als bedoeld in art. 2 WTL. Deze zorgvuldigheidseisen zijn door de wetgever ontwikkeld in het kader van een zoektocht naar de juiste balans tussen enerzijds het belang van persoonlijke autonomie van mensen en uitzichtloos en ondraaglijk lijden en anderzijds de plicht van de overheid tot bescherming van het leven van individuele burgers. Voor een succesvol beroep op noodtoestand moet zijn voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Aan die toetsing kan mede invulling worden gegeven door daarin zorgvuldigheidseisen als bedoeld in art. 2 WTL te betrekken.34

36. Het hof heeft het voorafgaande onderkend. Vervolgens heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de stervenswens van [betrokkene 1] niet aan een andere arts heeft voorgelegd dan aan de huisarts die niet bereid was een euthanasieverzoek van [betrokkene 1] in te willigen. Het hof heeft vastgesteld dat geen sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden, voortkomend uit een medische oorzaak. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte is weggegaan nadat hij [betrokkene 1] had geholpen met het innemen van een dodelijke hoeveelheid medicijnen. Het hof wees er in dit verband op dat niet ondenkbaar is dat tijdens het stervensproces complicaties optreden, terwijl het hof het weggaan onbegrijpelijk achtte in het licht van de verklaring van de verdachte dat hij zijn stiefmoeder heeft geholpen omdat hij haar niet alleen wilde laten sterven. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte het “maar zo heeft gelaten” nadat de huisarts een verklaring van natuurlijk overlijden had afgegeven en daarmee aanvankelijk geen openheid van zaken heeft gegeven. Het daarop volgende oordeel van het hof dat aan de verdachte geen beroep op noodtoestand toekomt acht ik in het licht van de vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand slechts bij hoge uitzondering kan worden aanvaard. Het oordeel is toereikend gemotiveerd.

36. De overige klachten die uit de toelichting op het eerste middel kunnen worden afgeleid, brengen mij niet tot een andere conclusie. De stellers van het middel richten hun pijlen op de overweging van het hof dat de verdachte in februari 2008, na de afwijzing van het euthanasieverzoek door de huisarts, besloot om zijn stiefmoeder zelf te helpen bij haar zelfdoding en daartoe contact zocht met de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (de NVVE). Volgens de stellers van het middel is deze overweging in strijd met hetgeen de verdachte heeft verklaard, te weten dat hij contact zocht met de NVVE op uitdrukkelijk verzoek van [betrokkene 1] en dat hij pas heeft besloten om zijn stiefmoeder met de zelfdoding te helpen nadat hij ermee werd geconfronteerd dat zijn stiefmoeder haar besluit had genomen en medicatie had verzameld om haar besluit daadwerkelijk tot uitvoering te brengen. Ook zou de overweging in strijd zijn met de feiten die het hof Arnhem-Leeuwarden heeft vastgesteld. Relevant is dat laatste niet. Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden is immers in zoverre vernietigd. Ook overigens deel ik het standpunt van de stellers van het middel niet. Daarbij wijs ik er nog op dat het hof heeft (op p. 9 van het arrest) overwogen dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet wilde dat zijn stiefmoeder op een willekeurig moment en in haar eentje zou overlijden en dat hij druk voelde omdat zij zelf medicijnen was gaan verzamelen. Voor een verdere toetsing van de feitelijke vaststellingen door het hof is in cassatie geen plaats. Ook deze klacht faalt.

36. Het middel faalt.

36. Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd het verweer van de verdediging dat art. 294, tweede lid, Sr buiten toepassing moet worden gelaten omdat de onverkorte toepassing in strijd is met art. 8 EVRM, heeft verworpen.

36. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 4 december 2017 en de daaraan gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de onverkorte toepassing van art. 294, tweede lid, Sr een ontoelaatbare schending zou opleveren van het recht van de verdachte op eerbiediging van het privéleven en dat de strafvervolging op basis van art. 294, tweede lid, Sr niet voldoet aan de beperkingsclausule van het tweede lid van art. 8 EVRM. Art. 294, tweede lid, Sr moet volgens hem daarom in het onderhavige geval buiten toepassing worden gelaten en de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In dat verband heeft de raadsman aangevoerd dat art. 8 EVRM een recht op zelfbeschikking omvat, dat de stiefmoeder van de verdachte ingevolge art. 8 EVRM een recht op zelfbeschikking toekwam en de verdachte eveneens bescherming geniet van art. 8 EVRM. Dat recht ontleent de verdachte volgens de raadsman aan zijn hoedanigheid van naaste van zijn stiefmoeder. Ook zou hij een van het recht van zijn stiefmoeder afgeleid recht hebben. De raadsman heeft gewezen op verschillende uitspraken van het Europese hof, waaronder Pretty tegen het Verenigd Koninkrijk, Haas tegen Zwitserland en Koch tegen Duitsland.35 In het bijzonder uit de uitspraak in de zaak Koch tegen Duitsland kan volgens de raadsman worden afgeleid dat de verdachte bescherming onder art. 8, eerste lid, EVRM toekomt. Er is volgens hem niet voldaan aan de beperkingsclausule van art. 8, tweede lid, EVRM, omdat de strafbaarstelling van art. 294, tweede lid, Sr in het onderhavige geval geen legitiem verdragsdoel dient en niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. De raadsman heeft erop gewezen dat de strafbaarstelling van art. 294, tweede lid, Sr berust op de notie van de bescherming van het leven als objectief rechtsgoed en dat deze notie niet kan worden aangemerkt als legitieme beperkingsgrond als bedoeld in art. 8, tweede lid, EVRM. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er geen “pressing social need” bestaat voor de onderhavige vervolging, dat deze niet “relevant and sufficient” is en evenmin “proportionate to the legitimate aim pursued”. De verdachte heeft volgens hem immers transparant en zorgvuldig gehandeld, terwijl er voor hem geen alternatieven voorhanden waren en er al jaren maatschappelijke steun bestaat voor het bieden van meer ruimte voor zelfbeschikking.

41. Het hof heeft het verweer verworpen. Het heeft in dat verband het volgende overwogen36:

“Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer inhoudende dat art. 294 lid 2 Sr buiten toepassing dient te worden verklaard nu onverkorte toepassing van dat artikel in strijd is met art. 8, eerste lid, EVRM, overweegt het hof in algemene zin allereerst als volgt.

Het recht op leven is onder andere vastgelegd in art. 2 EVRM. Het recht op leven behoort tot de meest fundamentele rechten van de mens. Het legt staten een verbod op om moedwillig mensen te doden alsook de verplichting om het leven te beschermen van alle mensen binnen de nationale rechtsmacht.

In de zaak Pretty v. United Kingdom oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat art. 2 EVRM geen recht om te sterven omvat, zoals door de ongeneeslijk zieke mevrouw Pretty werd aangevoerd. Volgens het EHRM heeft art. 2 EVRM geen negatieve dimensie maar alleen de positieve verplichting voor de overheid om het leven te beschermen. Er is volgens het EHRM ook geen verband tussen het te beschermen recht op leven en de kwaliteit van dat leven of wat een persoon verkiest te doen met dat leven. Art. 2 EVRM vestigt dus geen recht op zelfbeschikking over het eigen leven. Derhalve zijn de lidstaten niet verplicht om hulp bij zelfdoding te decriminaliseren, zelfs niet in de meest dwingende omstandigheden zoals die van Pretty.

Art. 8 EVRM (recht op privacy en familie- en gezinsleven) daarentegen luidt:

1. Een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economische welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en de vrijheid van anderen.

Het in deze zaak relevante en uit de tekst van art. 8, eerste lid EVRM te onderscheiden recht op eerbiediging van privéleven raakt aan de individualiteit van de burger en waarvan de bescherming een ontplooiing van zijn persoonlijkheid moet garanderen.

Art. 8 EVRM bevat zowel negatieve als positieve verplichtingen. De staat heeft een negatieve verplichting om de privacy rechten niet in het gedrang te brengen, maar daarnaast heeft de jurisprudentie van het EHRM art. 8 EVRM uitgebreid met een positieve verplichting van de staat om maatregelen te nemen om te voorkomen dat particuliere partijen zich met deze rechten bemoeien.

Het EHRM beschouwt het recht om medische behandeling te weigeren, zelfs als het een mogelijk levensreddende medische behandeling betreft, als een wezenlijk aspect voor het recht op zelfbeschikking. Een aanspreekbare volwassen patiënt moet immers het recht hebben om keuzes te maken volgens zijn eigen opvattingen en waarden, ook binnen de gezondheidszorg. De overheid heeft zich daar niet mee te bemoeien. Ofschoon uit de jurisprudentie van het EHRM kan worden afgeleid dat een oorspronkelijke, persoonlijke beslissing tot beëindiging van het leven onderdeel is van het recht op privéleven, is het nog niet juridisch vastgesteld hoeveel ruimte de overheid hierbij aan burgers moet geven om deze doodswens uit te voeren. Met betrekking tot nationale wetgeving over hulp bij zelfdoding hanteert het EHRM een ruime ‘margin of appreciation’ voor de nationale overheid. Deze mag de rechten van art. 8 EVRM beperken wanneer dat 'in overeenstemming met de wet' is en 'noodzakelijk in een democratische samenleving'.

Het hof overweegt dat de ‘margin of appreciation ’ een kernbeginsel is dat het EVRM beheerst. De ‘margin of appreciation ’ is een beoordelingsmarge die de lidstaten wordt geboden en die vaak wordt ingeroepen wanneer het moeilijk is om uniforme Europese opvattingen over de reikwijdte van rechten of beperkingen te achterhalen. Een gebrek aan consensus tussen de lidstaten is een indicatie voor het EHRM dat de zaak het beste aan de afzonderlijke lidstaten kan worden overgelaten. Veel factoren, zoals verschillen in lokale wetten en culturen, geven steun aan de toepassing van de beoordelingsmarge, met name in het kader van zeer gevoelige kwesties, zoals die van de zelfmoord, een alom bekend politiek en moreel debat in de hele wereld, dat duidelijk binnen de beoordelingsmarge valt die aan de lidstaten wordt toegekend.

De vaststelling van de breedte van de beoordelingsmarge is afhankelijk van het geheel van de omstandigheden. Hoewel de aanwezigheid van een consensus op zich niet betekent dat er een [smalle] appreciatiemarge bestaat, is anderzijds het ontbreken van consensus waarschijnlijk een doorslaggevende factor om te concluderen dat er een [brede] appreciatiemarge is. Zo weigerde het EHRM in de zaak Koch v. Germany, waar het EHRM een procedurele schending van art. 8 EVRM heeft vastgesteld, een oordeel te geven over de materiële klacht en merkte op dat de meerderheid van de staten geen enkele vorm van hulp bij zelfdoding toestond en dat het, gezien de ‘margin of appreciation in de eerste plaats aan de nationale rechtbanken was om de gegrondheid van de vordering te onderzoeken.

Ofschoon dit recht nooit uitputtend is gedefinieerd, wordt het begrip 'privéleven' in de jurisprudentie van het EHRM zeer ruim uitgelegd. Zo toont de jurisprudentie een ontwikkeling naar een recht op zelfbeschikking. In het hiervoor aangehaalde euthanasiearrest Pretty v. United Kingdom is voor het eerst uitdrukkelijk beslist dat ‘personal autonomy ' en ‘the right to self-determination ’ tot het wezen van art. 8 EVRM behoren (§ 60).

In Nederland is sinds 2002 de huidige euthanasiewetgeving van kracht. Levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding is nog steeds strafbaar volgens de art. 293 en 294 Sr. Op grond van art. 293 lid 2 Sr is de uitvoerend arts, indien hij een euthanasie uitvoert conform specifieke zorgvuldigheidseisen, niet strafbaar.

Bij de totstandkoming van de Wtl stelde de Nederlandse overheid zich op het standpunt dat het recht op leven niet onvervreemdbaar is: “Het recht op leven kan niet als onvervreemdbaar worden beschouwd in de zin dat die onvervreemdbaarheid in de weg zou staan aan de hoogst individuele en persoonlijke afweging die iemand kan maken om het eigen leven niet voort te zetten wanneer dat leven in de ogen van de betrokkene niet langer als menswaardig wordt beschouwd.”

Het samenstel van art. 293 lid 2 Sr en de in art. 2, lid 1, van de Wtl neergelegde zorgvuldigheidseisen legt een bijzondere strafuitsluitingsgrond vast voor de arts die handelt overeenkomstig de uitdrukkelijke doodswens van de patiënt. Daarom is de wet volgens de regering niet in strijd met het in mensenrechtelijke verdragen vastgelegde recht op leven. De regering is van mening dat uit art. 2 EVRM niet de verplichting voortvloeit om de vraag of de arts zorgvuldig heeft gehandeld in alle gevallen aan het oordeel van de rechter te onderwerpen.

In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de stiefmoeder van de verdachte in haar wens haar leven te beëindigen onder omstandigheden aanspraak had kunnen maken op bescherming van haar privéleven als bedoeld in art. 8, eerste lid EVRM.

Beoordeeld zal moeten worden of, zoals door de verdediging wordt gesteld, de verdachte, niet zijnde een arts, onder de gegeven omstandigheden waar het de gang van zaken rond het zelfverkozen levenseinde van zijn stiefmoeder betreft, op grond van het EVRM een eigen of afgeleid beroep op eerbiediging van privéleven toekomt.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het handelen van de verdachte, gelet op zijn nauwe relatie met zijn stiefmoeder, valt binnen de reikwijdte van zijn door art. 8 lid 1 EVRM beschermde recht op privéleven, valt naar het oordeel van het hof niet uit het (in dit verband door de verdediging aangehaalde) arrest Koch v. Germany en de andere door de verdediging aangehaalde jurisprudentie van het EHRM af te leiden dat verdachte onder deze omstandigheden een zelfstandig of afgeleid recht heeft op het geven van hulp bij zelfdoding dat hij zou kunnen ontlenen aan zijn eigen door art. 8, eerste lid EVRM beschermde recht op privéleven. In deze zaak (Koch v. Germany) heeft het EHRM geoordeeld dat, gelet met name op de uitzonderlijk nauwe band die tussen verzoeker en zijn echtgenote bestond, en op zijn onmiddellijke betrokkenheid bij de vervulling van haar wens om haar dagen te beëindigen, verzoeker rechtstreeks getroffen had kunnen worden door de weigering om haar toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een dodelijke dosis geneesmiddelen. Het EHRM oordeelde dat in het betreffende geval verzoekers procedurele rechten uit hoofde van art. 8 EVRM zijn geschonden, aangezien de Duitse rechter heeft geweigerd de gegrondheid van zijn klacht inhoudelijk te onderzoeken. Wat de grond van de klacht van verzoekster betreft, was het EHRM evenwel van oordeel dat het in de eerste plaats aan de Duitse rechter was om de gegrondheid ervan te onderzoeken, met name gezien het feit dat er tussen de lidstaten van de Raad van Europa geen overeenstemming bestond over de vraag of er al dan niet enige vorm van zelfmoord moest worden toegestaan.

Het hof is voorts met het openbaar ministerie van oordeel dat door de verdediging wordt miskend dat het binnen de ‘margin of appreciation’ van een staat valt om te bepalen in welke gevallen het verantwoord is om een uitzondering te maken op een verbod op hulp bij zelfdoding. Dit brengt met zich dat het niet in strijd is met art. 8 EVRM om hulp bij zelfdoding alleen toe te staan onder de in art. 293 lid 2 Sr genoemde voorwaarden, waarnaar de tweede zin van art. 294 lid 2 Sr verwijst.

De verdediging heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat de vervolging van de verdachte niet voldoet aan de beperkingsclausule van art. 8, tweede lid EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft meer in het bijzonder gesteld dat deze beperkingsclausule weliswaar bij wet is voorzien maar dat die beperking geen legitiem verdragsdoel dient.

Dit standpunt van de verdediging vindt geen steun in het recht. Zoals hiervoor beschreven valt uit de jurisprudentie van het EHRM niet af te leiden dat staten de verplichting hebben om euthanasie mogelijk te maken. Binnen de ‘margin of appreciation ’ staat het staten vrij om nadere regels te geven omtrent het mogelijk maken van euthanasie, zolang dit bij wet is voorzien.

De beperking genoemd in art. 8, tweede lid, van het EVRM op de in lid 1 van datzelfde artikel genoemde rechten wordt als volgt verwoord ‘geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

De Nederlandse wetgever heeft de hiervoor genoemde ‘margin of appreciation ’ ingevuld door te bepalen dat het verlenen van hulp bij zelfdoding en het toepassen van euthanasie niet strafbaar is indien het is begaan door een arts die heeft voldaan aan de in art. 293, tweede lid, Sr genoemde zorgvuldigheidseisen van art. 2 eerste lid van de Wtl. Dat het aldus door de Nederlandse wetgever invulling geven aan de ‘margin of appreciation ’ onrechtmatig zou zijn, vermag het hof niet in te zien. Dit klemt te meer nu de ratio van art. 294 Sr, voor zover deze wetsbepaling al een inbreuk zou vormen op art. 8 EVRM, in ieder geval omvat het voorkomen van misbruik van hulp bij zelfdoding en derhalve op de bescherming van wilsonbekwame en kwetsbare personen waarop art. 8, tweede lid EVRM mede betrekking heeft, waarmee aldus een relevant en legitiem doel wordt nagestreefd. Dat art. 8 lid 2 EVRM de beperkingen zoals omschreven in art. 293, tweede lid Sr, niet toestaat is ook overigens niet gebleken.

De Nederlandse wetgever heeft de hulp bij zelfdoding door niet-artsen strafbaar gesteld en de betreffende wettelijke regeling in weerwil van de maatschappelijke discussie (vooralsnog) niet gewijzigd. Het enkele feit dat verdachte in zijn handelen bij het verlenen van hulp bij de zelfdoding van zijn stiefmoeder beperkt wordt maakt dit niet anders.

Ook in het overige genoemde in het verweer van de verdediging heeft het hof geen aanleiding gevonden art. 294, tweede lid Sr buiten toepassing te laten.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het standpunt van de verdediging in al zijn onderdelen dient te worden verworpen.”

42. Het middel stelt de rechtspraak van het Europese hof over het in art. 8 EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven in de context van het bieden van hulp bij zelfdoding centraal. De volgende uitspraken vragen in dat verband de aandacht.

42. De uitspraak in de zaak Pretty tegen het Verenigd Koninkrijk vormt de eerste in een reeks uitspraken waarin het Europese hof zich uitliet over de vraag in hoeverre er onder art. 8 EVRM een recht op zelfbeschikking – waaronder een recht om te overlijden op een zelf gekozen moment – bestaat. De klaagster in deze zaak was een ongeneeslijk zieke vrouw die de Britse autoriteiten tevergeefs had verzocht haar man niet te vervolgen ingeval hij haar zou assisteren bij haar zelfdoding. Het Hof oordeelde dat art. 2 EVRM, dat het recht op leven behelst, geen recht om te sterven omvat.37 Art. 8 EVRM speelt echter wel een rol bij het waarborgen van een bepaalde kwaliteit van leven. Het Hof stelde in dit verband vast dat het concept privéleven als bedoeld in art. 8 EVRM (“private life”) een veelomvattende term is en dat “the notion of personal autonomy is an important principle underlying the interpretation of its guarantees”.38 De wet – in de vorm van een verbod op hulp bij zelfdoding – stond in de onderhavige zaak in de weg aan de keuze van de klager om een onwaardig en pijnlijk leven te vermijden. Het Hof oordeelde dat het niet bereid was om uit te sluiten dat dit een inbreuk op art. 8, eerste lid, EVRM oplevert.39 In het kader van de toetsing aan het bepaalde in het tweede lid van art. 8 EVRM wees het Hof echter op de “margin of appreciation” die de lidstaten in gevallen als het onderhavige (een ruime) eigen beoordelingsruimte biedt. Het kwam vervolgens tot de conclusie dat het absolute verbod op hulp bij zelfdoding niet disproportioneel was. Daarbij nam het Europese hof in aanmerking dat de Britse overheid had verklaard dat van geval tot geval werd beoordeeld of daadwerkelijk een vervolging werd ingesteld en dat lagere straffen konden worden opgelegd als dat passend werd geacht.40 Ook de weigering om toe te zeggen dat de echtgenoot van de klaagster niet zou worden vervolgd, leverde geen schending van art. 8 EVRM op.41 De inmenging in het door art. 8, eerste lid, EVRM beschermde recht op de eerbiediging van het privéleven kon in de desbetreffende zaak worden aangemerkt als “necessary in a democratic society”.

44. In de zaak Haas tegen Zwitserland ging het om een psychiatrische patiënt (de klager) die enkele mislukte zelfmoordpogingen had ondernomen en via zijn psychiater middelen wilde verkrijgen om zijn leven te beëindigen.42 In Zwitserland mogen aan mensen met een stervenswens levensbeëindigende middelen worden verstrekt, maar alleen na een gedegen psychiatrisch onderzoek en op recept. Haas kreeg geen recept en wendde zich tot het Europese Hof met een klacht dat het in Zwitserland bestaande verbod om zonder recept levensbeëindigende middelen te verschaffen een inbreuk op zijn zelfbeschikkingsrecht opleverde. Het Hof overwoog dat “an individual’s right to decide by what means and at what point his or her life will end, provided he or she is capable of freely reaching a decision on this question and acting in consequence, is one of the aspects of the right to respect for private life within the meaning of Article 8 of the Convention”.43 In deze zaak stond volgens het Hof de vraag centraal of er onder art. 8 EVRM een positieve verplichting bestaat voor de staat om middelen te verschaffen voor een waardig einde.44 Het Hof wees erop dat er onder de lidstaten allesbehalve consensus bestaat over de vraag in hoeverre een individu het recht heeft om zelf te beslissen wanneer en hoe zijn leven zou moeten worden beëindigd. Gelet op de verschillende in dit verband af te wegen belangen (de bescherming van het recht op leven tegenover de bescherming van het recht op zelfbeschikking), bestaat er op dit punt een ruime “margin of appreciation”.45Het EHRM was van oordeel dat de regelingen die Zwitserland heeft getroffen een legitiem doel dienen, te weten het beschermen van de publieke gezondheid en veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten. Het Hof concludeerde dat “even assuming that the States have a positive obligation to adopt measures to facilitate the act of suicide with dignity, the Swiss authorities have not failed to comply with this obligation in the instant case”. In dat verband wees het Hof op het belang van het voorkomen van misbruik van de desbetreffende middelen en van ondoordachte suïcides.46

45. In de hiervoor genoemde zaken ging het om de vraag of degene met de wens te sterven een beroep kon doen op art. 8 EVRM.47 In de zaak Koch tegen Duitsland stond de vraag centraal of art. 8 EVRM kon worden ingeroepen door de echtgenoot van een ongeneeslijk zieke vrouw met een stervenswens.48 Mevrouw Koch, de echtgenote van de klager, wilde haar leven beëindigen. Zij en haar man hadden een beroep op de Duitse autoriteiten gedaan om daartoe middelen te verschaffen. Dat verzoek werd afgewezen. Tegen die beslissing gingen Koch en zijn echtgenote in beroep. Nadat zijn echtgenote was overleden, procedeerde Koch verder en betoogde hij voor de nationale rechter met een beroep op art. 8 EVRM dat de weigering middelen aan zijn vrouw te verschaffen ook jegens hem onrechtmatig was geweest. Hij werd niet-ontvankelijk verklaard met als argument dat hij geen zelfstandig beroep kon doen op art. 8 EVRM en dat hem geen van zijn vrouw afgeleid recht ten aanzien van art. 8 EVRM toekwam. Bij het Europese hof stond de vraag centraal of de klager was geraakt in zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven door de weigering van de Duitse rechter hem te ontvangen in de procedure die betrekking had op de zelfverkozen dood van zijn vrouw.

46. Art. 8 EVRM omvat niet alleen het recht op de eerbiediging van het privéleven, maar ook het recht op een procedure waarin wordt getoetst of sprake is geweest van een schending van dat recht.49 Het Hof constateerde in dat laatste opzicht een schending.50 Het kwam tot dit oordeel omdat de klager (a) een zeer nauwe band had met zijn vrouw, met wie hij 25 jaar getrouwd was geweest (b) zijn vrouw lange tijd had bijgestaan in haar lijden en uiteindelijk had geaccepteerd dat zij haar leven zou beëindigen en daartoe met haar naar Zwitserland was gereisd (c) eerder al had laten zien belang te hebben bij de zaak, door samen met haar procedures te starten en na haar dood zelf door te blijven procederen. Onder die omstandigheden, zo oordeelde het Hof, had de klager een sterk en indringend belang bij een inhoudelijk oordeel over de zaak.51 Over de vraag of het recht op eerbiediging van het privéleven van de klager daadwerkelijk was geschonden (door de weigering mevrouw Koch middelen te verschaffen om een einde aan haar leven te maken), liet het Hof zich echter niet uit. Het oordeelde dat het – gelet op het beginsel van subsidiariteit – in de eerste plaats aan de nationale rechter was om dat te beoordelen. In dat verband wees het Hof wederom op de ruime “margin of appreciation” op dit terrein.52 Ook overwoog het dat de in art. 8 EVRM neergelegde rechten van persoonlijke aard en niet overdraagbaar zijn. Voor zover de klager zich beriep op de aan zijn overleden vrouw onder art. 8 EVRM toekomende rechten, werd hij daarom in zijn klacht niet-ontvankelijk verklaard.53

47. De vraag rijst welke conclusies uit de Europese rechtspraak zijn te trekken voor de Nederlandse situatie, in het bijzonder voor de onderhavige zaak. De commissie-Schnabel heeft zich ook gebogen over de betekenis van de rechtspraak van het Europese Hof voor de Nederlandse praktijk van euthanasie en hulp bij zelfdoding. Zij kwam tot de conclusie dat de betekenis in dit verband gering is. Specifiek ten aanzien van mensen die hun leven als voltooid beschouwen, concludeerde de commissie dat er geen positieve verplichting voor de Nederlandse overheid bestaat om in geval van een door de betrokkene ervaren ‘voltooid leven’ het realiseren van die wens te faciliteren. Het EHRM “leidt noch hindert” een eventuele keuze voor een regeling ten aanzien van ‘voltooid leven’. De commissie constateert dat het Hof geen andere eisen lijkt te stellen dan Nederland thans doet, zoals het waarborgen van de vrijwilligheid. De implicaties van het feit dat hulp bij zelfdoding als belang wordt beschermd door artikel 8 EVRM lijken volgens de commissie voor de Nederlandse euthanasiepraktijk en het huidige wettelijke kader gering. Het Hof laat het immers aan de verdragsstaten om te bepalen op welke wijze zij het recht om zelf te beslissen over wijze en moment van zelfdoding wensen te faciliteren via het toekennen van aanspraken en positieve verplichtingen.54

48. De terughoudende uitleg van de Straatsburgse rechtspraak door de commissie-Schnabel spreekt mij aan. Bedacht moet worden dat het Europese Hof zich niet heeft uitgelaten over een situatie als in de onderhavige zaak aan de orde, waarin degene die hulp biedt bij zelfdoding aanvoert dat hij niet kan worden gestraft vanwege de bescherming die art. 8 EVRM hem zou bieden. Een verbod op bestraffing van hen die behulpzaam zijn bij zelfdoding is in de Europese rechtspraak niet te lezen. Daarbij komt dat art. 2 EVRM juist een positieve verplichting voor de overheid in het leven roept om het leven te beschermen. Het Europese hof heeft in zijn rechtspraak benadrukt dat de lidstaten, gelet op het gebrek aan consensus op dit gevoelige terrein, een ruime “margin of appreciation” toekomt ten aanzien van de manier waarop zij hieraan invulling geven.

48. In de onderhavige zaak gaat het in de kern om de vraag of de verdachte, als naaste van zijn moeder, zich kan beroepen op het recht op eerbiediging van het privéleven zoals bedoeld in art. 8, eerste lid, EVRM en, zo ja, of zijn bestraffing een ontoelaatbare inbreuk op dit recht inhoudt. In hoger beroep is, zoals hiervoor onder 40 weergegeven, een verweer gevoerd met als strekking dat beide vragen bevestigend moeten worden beantwoord. Het hof heeft dit verweer verworpen.

48. De in cassatie opgeworpen klachten komen er in de kern op neer dat het hof het bedoelde verweer ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen. Deze klachten kunnen niet slagen. Ik wijs daartoe op het volgende.

48. Het hof heeft overwogen dat uit de uitspraak in de zaak Koch tegen Duitsland en de andere door de verdediging aangehaalde jurisprudentie van het Europese hof niet kan worden afgeleid dat de verdachte “onder deze omstandigheden” een zelfstandig of afgeleid recht heeft op het geven van hulp bij zelfdoding dat hij aan art. 8, eerste lid, EVRM zou kunnen ontlenen. Voorts heeft het hof overwogen dat voor zover art. 294, tweede lid, Sr een inbreuk zou vormen op art. 8 EVRM, deze inbreuk is gerechtvaardigd aangezien hiermee een legitiem en relevant doel wordt nagestreefd, te weten “in ieder geval” het voorkomen van misbruik van hulp bij zelfdoding en de bescherming van wilsonbekwame en kwetsbare personen. In deze overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat uit deze jurisprudentie niet kan worden afgeleid dat de strafvervolging en bestraffing van de verdachte een ontoelaatbare inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte opleveren, zoals bedoeld in art. 8 EVRM. Dat oordeel getuigt in het licht van de hiervoor beschreven rechtspraak van het Europese Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Naar aanleiding van de afzonderlijke klachten merk ik het volgende op.

48. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof, door te oordelen dat uit de uitspraak in de zaak Koch tegen Duitsland geen zelfstandig of afgeleid recht op hulp bij zelfdoding valt af te leiden, heeft miskend dat de verdediging een dergelijk recht in hoger beroep niet heeft bepleit. Bepleit is – zo wordt in de cassatieschriftuur gesteld – dat het handelen van de verdachte binnen de werkingssfeer van art. 8, eerste lid, EVRM kan worden gebracht, vanwege het eigen beroep van de verdachte op bescherming onder art. 8, eerste lid, EVRM en vanwege de bescherming die zijn stiefmoeder toekwam. Ik begrijp de klacht aldus, dat de stellers van het middel betogen dat het hof heeft miskend dat het eerst diende te beoordelen of het handelen van de verdachte bescherming onder art. 8, eerste lid, EVRM geniet en daarna de vraag diende te beantwoorden of de strafrechtelijke vervolging (en bestraffing) naar aanleiding van dat handelen in het licht van het tweede lid van art. 8 EVRM gerechtvaardigd waren.

48. De klacht slaagt niet. Het hof heeft in zijn overwegingen vooropgesteld dat moet worden beoordeeld of de verdachte onder de gegeven omstandigheden op grond van het EVRM een eigen of afgeleid beroep op eerbiediging van zijn privéleven toekomt. Het hof heeft in het vervolg van zijn uitspraak overwogen dat de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat de vervolging van de verdachte niet voldoet aan de beperkingsclausule van art. 8, tweede lid, EVRM. Anders dan de stellers van het middel betogen, heeft het hof niet miskend dat de verdediging heeft aangevoerd dat een vervolging op basis van art. 294, tweede lid, Sr “in deze specifieke zaak” in strijd zou zijn met het bepaalde in art. 8, eerste lid, EVRM. Het hof heeft immers overwogen dat het verweer ten aanzien van art. 8 EVRM moet worden beoordeeld “onder de gegeven omstandigheden waar het de gang van zaken rond het zelfverkozen levenseinde van zijn stiefmoeder betreft”. Hieruit volgt dat het hof het pleidooi van de verdediging, zoals dat door de stellers van het middel is geparafraseerd, niet heeft miskend.

48. In het oordeel van het hof dat uit de uitspraak in de zaak Koch tegen Duitsland en de andere door de verdediging aangehaalde jurisprudentie van het Europese hof niet kan worden afgeleid dat de verdachte “onder deze omstandigheden” een zelfstandig of afgeleid recht heeft op het geven van hulp bij zelfdoding dat hij aan art. 8, eerste lid, EVRM zou kunnen ontlenen, ligt besloten dat uit deze jurisprudentie niet kan worden afgeleid dat de handelwijze van de verdachte in de omstandigheden van het geval wordt beschermd door art. 8, eerste lid, EVRM. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat dat vervolging en bestraffing in de omstandigheden van het geval geen ontoelaatbare inmenging in het recht op privéleven in de zin van art. 8 EVRM inhouden en dat er geen grond is art. 294, tweede lid, in het onderhavige geval buiten toepassing te laten. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

48. Daarbij wijs ik erop dat de verdediging in hoger beroep heeft bepleit dat het handelen van de verdachte binnen de werkingssfeer van art. 8, eerste lid, EVRM valt. Dit handelen komt neer op het bieden van hulp bij zelfdoding. Het hof heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat het in de zaak Koch tegen Duitsland ging om de vraag of de procedurele rechten van de klager uit hoofde van art. 8 EVRM waren geschonden, omdat de Duitse rechter had geweigerd de gegrondheid van diens klacht inhoudelijk te onderzoeken. Voorts heeft het hof erop gewezen dat het Europese hof van oordeel was dat het in de eerste plaats aan de Duitse rechter was om de gegrondheid van zijn klacht te onderzoeken, gelet op het gebrek aan consensus tussen de lidstaten van de Raad van Europa over de vraag of er al dan niet enige vorm van (hulp bij) zelfmoord moest worden toegestaan. Die overwegingen doen recht aan de uitspraak van het Europese hof in de zaak Koch tegen Duitsland. Daaraan voeg ik nog toe dat het Europese hof in de zaak Koch tegen Duitsland heeft overwogen dat de in art. 8, eerste lid, EVRM neergelegde rechten van persoonlijke aard en niet overdraagbaar zijn.55 Voor zover het verweer in hoger beroep inhield dat aan de verdachte een afgeleid beroep op art. 8, eerste lid, EVRM toekomt, was het aldus gedoemd te falen.

56. Het middel bevat voorts de klacht dat het hof met de overweging dat het niet inziet dat “het aldus door de Nederlandse wetgever invulling geven aan de ‘margin of appreciation’ onrechtmatig zou zijn” heeft miskend dat de verdediging een dergelijk verweer niet heeft gevoerd. Ook deze klacht faalt. Kennelijk heeft het hof met deze zinsnede tot uitdrukking willen brengen dat voor zover er sprake is van een inbreuk op de aan de verdachte onder art. 8 EVRM toekomende rechten, deze inbreuk is gerechtvaardigd. Het hof heeft immers aangegeven dat het binnen de “margin of appreciation” van een staat valt om te bepalen in welke gevallen het verantwoord is om een uitzondering te maken op een verbod op hulp bij zelfdoding en dat de Nederlandse wetgever deze “margin of appreciation” heeft ingevuld door te bepalen dat het verlenen van hulp bij zelfdoding en het toepassen van euthanasie niet strafbaar is indien het feit is begaan door een arts die heeft voldaan aan de in art. 2, eerste lid, WTL genoemde zorgvuldigheidseisen. Voorts heeft het hof overwogen dat, voor zover met art. 294, tweede lid, Sr een inbreuk zou worden gemaakt op art. 8, eerste lid, EVRM, deze inbreuk is gerechtvaardigd gelet op het relevante en legitieme doel dat met deze bepaling wordt nagestreefd, te weten (onder meer) het voorkomen van misbruik van hulp bij zelfdoding en derhalve de bescherming van wilsonbekwame en kwetsbare personen.

56. In hoger beroep heeft de verdediging onder meer aangevoerd dat de ratio van art. 294, tweede lid, Sr – in de woorden van de verdediging “de bescherming van het leven als ‘objectief rechtsgoed’” – niet kan worden beschouwd als een legitieme beperkingsgrond als bedoeld in het tweede lid van art. 8 EVRM ten aanzien van het recht van de verdachte op eerbiediging van zijn privéleven.56 In cassatie wordt geklaagd dat het hof dit verweer heeft verworpen op ontoereikende gronden. De stellers van het middel voeren daartoe aan dat het hof de ratio van art. 294, tweede lid, Sr heeft miskend.

58. Ook deze klacht faalt. Het hof heeft kennelijk de strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding en de daarop bestaande exceptie in hun onderlinge samenhang bezien en in het licht daarvan overwogen dat de ratio van art. 294 Sr “in ieder geval” het voorkomen van misbruik van hulp bij zelfdoding en de bescherming van wilsonbekwame en kwetsbare personen omvat. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Hulp bij zelfdoding is in het Wetboek van Strafrecht van 1881 strafbaar gesteld vanwege de “aan het menschelijk leven verschuldigden eerbied”.57 De naderhand tot stand gekomen exceptie en de in dat verband geformuleerde zorgvuldigheidseisen strekken er mede toe te waarborgen dat de arts zich vergewist van de vrijwilligheid en de weloverwogenheid van het verzoek van de patiënt en eventuele defecten in de wilsvorming wegens ziekte of gebrek onderkent.58 Niet valt in te zien dat, uitgaande van de Europese rechtspraak, de bescherming van het leven “in objectieve zin” geen rol kan spelen als legitieme grond bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van inbreuken op het privéleven in de zin van art. 8, tweede lid, EVRM. Het Europese hof wees er in zijn uitspraak in de zaak Haas tegen Zwitserland op dat de meerderheid van de lidstaten meer gewicht toekent aan de bescherming van het leven van een individu dan aan diens recht om zijn of haar leven te beëindigen, zodat staten op dit punt een ruime “margin of appreciation” genieten.59

59. De klacht dat het hof heeft verzuimd te beoordelen of de door de verdediging gestelde beperking op het recht van de verdachte op eerbiediging van zijn privéleven noodzakelijk is (“necessary in a democratic society”), kan ten slotte evenmin slagen. Het hof heeft, zonder de jurisprudentie van het Europese hof te hebben miskend, overwogen dat het binnen de “margin of appreciation” van een staat valt om te bepalen in welke gevallen het verantwoord is om een uitzondering te maken op een verbod op hulp bij zelfdoding. Voorts heeft het hof omschreven op welke wijze Nederland aan die “margin of appreciation” heeft vormgegeven, te weten door een bijzondere exceptie te creëren voor artsen die aan de in art. 2 WTL neergelegde zorgvuldigheidseisen voldoen. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat met art. 294, tweede lid, Sr een legitiem en relevant doel wordt nagestreefd. In deze overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de vervolging en de bestraffing van de verdachte op basis van art. 294, tweede lid, Sr – voor zover hiermee al een inmenging plaatsvindt in zijn recht op privéleven als bedoeld in art. 8 EVRM – in de omstandigheden van het geval kan worden beschouwd als “necessary in a democratic society”.60 Dat oordeel geeft in het licht van de hiervoor besproken Europese rechtspraak geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

60. Het middel faalt.

‘Verontschuldigbare noodtoestand’

61. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof het verweer dat sprake is geweest van een ‘verontschuldigbare noodtoestand’ heeft verworpen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.

61. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2017 gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman van de verdachte onder verwijzing naar een noot van Mevis heeft aangevoerd dat de verdachte een beroep toekomt op “wat in de juridische literatuur wel is omschreven als ‘verontschuldigbare noodtoestand’; noodtoestand voor handelen met een zeker conflict van plichten en belangen als basis, maar dan als schulduitsluitingsgrond omdat handelen volgens de wet van de verdachte niet kan worden gevergd, een verontschuldigende erkenning rechtens voor een zekere onmacht om volgens de wet te handelen”.61 De raadsman heeft in dat verband aangevoerd dat de verontschuldigbare noodtoestand zich als het ware tussen de noodtoestand (rechtvaardigingsgrond) en de psychische overmacht (schulduitsluitingsgrond) in bevindt en kenmerkende elementen van beide strafuitsluitingsgronden bevat. Van de verdachte kon volgens de raadsman in alle redelijkheid niet worden gevergd dat hij anders handelde dan hij heeft gedaan, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

63. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Het betoog dat de verdachte heeft gehandeld uit verontschuldigbare noodtoestand faalt reeds omdat het hof hiervóór, onder 2.3., reeds heeft geoordeeld dat geen sprake was van een noodtoestand. Gelet daarop behoeft dat verweer geen bespreking. Het hof heeft daarbij in ogenschouw genomen dat, vanwege het niet aanwezig zijn van een noodtoestand, ook in het verband van het gevoerde verweer betreffende de verontschuldigbare noodtoestand, geen ruimte bestaat om nader in te gaan op dit verweer.”

64. Het middel berust op de veronderstelling dat art. 40 Sr, naast noodtoestand en psychische overmacht, een derde strafuitsluitingsgrond omvat, te weten ‘verontschuldigbare noodtoestand’. Die veronderstelling is onjuist. Daarop strandt het middel reeds, zodat het voor het overige geen bespreking behoeft. Het hof heeft met zijn hiervoor geciteerde overweging kennelijk en niet onbegrijpelijk tot uitdrukking willen brengen dat voor een beroep op ‘verontschuldigbare noodtoestand’ naast een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand geen ruimte bestaat. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

64. Het middel faalt.

Psychische overmacht

66. Het vijfde middel behelst de klacht dat het hof bij de beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op psychische overmacht door te oordelen dat niet aannemelijk is geworden dat het voor de verdachte op het moment van handelen onmogelijk was anders te handelen dan hij heeft gedaan niet de juiste maatstaf heeft aangelegd, althans dat de afwijzende beslissing op het beroep op psychische overmacht onbegrijpelijk is.

66. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2017 gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte zich kan beroepen op de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat “dit etiket [weliswaar] niet helemaal past” omdat de verdachte weloverwogen handelde, maar dat anders handelen onder gegeven omstandigheden niet van de verdachte kon worden gevergd, zodat er in zoverre van psychische overmacht kan worden gesproken. Voorts heeft hij betoogd dat er sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte geen weerstond kon en behoefde te bieden, dat de verdachte niet disproportioneel heeft gehandeld en dat ook aan het vereiste van subsidiariteit is voldaan.

66. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Ten aanzien van het beroep op psychische overmacht stelt het hof voorop dat, indien hierop een beroep is gedaan, de rechter op grond van dat verweer zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Uit de door de verdachte ter terechtzitting van het hof van 4 december 2017 afgelegde verklaring blijkt dat de verdachte druk voelde om zijn stiefmoeder te helpen omdat zij medicijnen had verzameld waarmee zij zelfdoding wilde bewerkstelligen. Verdachte heeft vervolgens zelf aangeboden om voor [betrokkene 1] andere medicijnen te verzamelen en haar te helpen bij de uitvoering van haar wens te sterven. Vervolgens heeft hij uit eigen beweging een protocol opgesteld voor de avond waarop [betrokkene 1] zou sterven en heeft hij diverse geneesmiddelen verzameld. Het hof is van oordeel dat daaruit blijkt dat [betrokkene 1] geen druk op de verdachte heeft uitgeoefend om geholpen te worden bij haar dood, maar van een aanbod van de verdachte, waarvan [betrokkene 1] gebruik heeft gemaakt. Met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat verdachte het wellicht zo voelde dat hij geen andere optie had dan het overtreden van de wet, maar acht het hof niet aannemelijk geworden dat het voor verdachte op het moment van handelen onmogelijk was anders te handelen dan hij heeft gedaan. In dit kader verwijst het hof naar de door verdachte geheel of ten dele onbenut gelaten mogelijkheid om te trachten zijn stiefmoeder, al dan niet door tussenkomst van derden, op andere gedachten te brengen dan wel -al dan niet via de NVVE — één of meer andere artsen te consulteren teneinde met hen de doodswens van [betrokkene 1] te bespreken. Daarmee is aldus het hof geen sprake van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden, zoals een geslaagd beroep op psychische overmacht wel vereist. Het verweer faalt reeds om die reden en wordt verworpen.

69. Voor de aanvaarding van een beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden.62 Psychische overmacht heeft daarmee een normatieve component. Van psychische overmacht zal slechts sprake kunnen zijn als van de verdachte redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij — door weerstand te bieden aan de (psychische) aandrang daartoe — zich anders zou gedragen.63 In zekere zin is daarmee sprake van objectivering. De vrees moet, in het licht van de persoon van de dader, redelijk zijn. Machielse wijst erop dat deze objectivering ertoe kan leiden dat de rechter van oordeel is dat een beroep op psychische overmacht niet opgaat omdat de verdachte heeft moeten beseffen dat er nog andere manieren waren om aan de bedreiging te ontkomen.64

70. Door te overwegen dat voor de aanvaarding van een beroep op psychische overmacht sprake moet zijn van een buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden, heeft het hof er blijk van gegeven de juiste maatstaf te hebben gehanteerd. Het hof heeft voorts overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat het voor de verdachte op het moment van handelen onmogelijk was om anders te handelen dan hij heeft gedaan. Daarmee lijkt de lat te hoog te worden gelegd, maar in samenhang bezien met de andere overwegingen meen ik dat het hof hiermee kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat er voor de verdachte andere manieren waren om zijn stiefmoeder te helpen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd. Het hof heeft immers ook overwogen dat de verdachte mogelijkheden om te trachten zijn stiefmoeder op andere gedachten te brengen dan wel één of meer andere artsen te consulteren onbenut heeft gelaten. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat geen sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon bieden. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat zich niet de situatie voordoet waarin de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden aan de drang die hij voelde. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

70. De klacht over het oordeel van het hof dat de “verdachte het wellicht zo voelde dat hij geen andere optie had dan het overtreden van de wet”, faalt eveneens. Volgens de stellers van het middel zou in deze overweging besloten liggen dat is voldaan aan het vereiste van een van buiten komende drang waaraan de verdachte geen weerstand kon en behoefde te bieden. Daarin volg ik de stellers van het middel niet. Het hof heeft immers tevens overwogen dat geen sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon bieden. Ten aanzien van het “van buiten komende” karakter van de drang heeft het hof nog overwogen dat [betrokkene 1] geen druk op de verdachte heeft uitgeoefend om te helpen bij haar zelfdoding, maar dat in dat verband sprake is geweest van een aanbod van de verdachte. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel geen sprake is geweest van een van een buiten komende drang, zoals vereist is voor de aanvaarding van een beroep op psychische overmacht. Ook in dit opzicht acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd.

70. Het middel faalt.

De strafoplegging

73. Het zesde middel behelst de klacht dat de beslissing van het hof dat aan de voorwaardelijk opgelegde straf een proeftijd van twee jaren wordt gekoppeld zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat er geen bijzondere voorwaarden zijn gesteld en het hof heeft vastgesteld dat er geen kans is op recidive. Het zevende middel bevat de klacht dat de motivering van de strafoplegging tekortschiet, omdat de opgelegde straf tegen de achtergrond van de door de advocaat-generaal gevorderde straf en de door de rechtbank opgelegde straf verbazing wekt. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

73. In eerste aanleg heeft de rechtbank de verdachte schuldig verklaard, maar met toepassing van art. 9a Sr geen straf opgelegd. In hoger beroep is door de advocaten-generaal een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren gevorderd. Uit de aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 4 december 2017 gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het hof toepassing zou moeten geven aan art. 9a Sr.

73. Het hof heeft aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opgelegd en daaraan een proeftijd van twee jaren gekoppeld. Het heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

“Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, een en ander zoals bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zijn stiefmoeder geholpen bij de voorbereiding en uitvoering van haar wens om haar leven te beëindigen, terwijl hij zich ervan bewust was dat hij daarmee handelde in strijd met de wet. De verdachte heeft zich bij dat handelen enkel laten leiden door zijn wens om zijn stiefmoeder te helpen en zijn eigen overtuiging dat de bestaande wetgeving aangepast zou moeten worden. Nadat [betrokkene 1] alle pillen tot zich had genomen, maar voordat zij daadwerkelijk was overleden, heeft de verdachte de kamer van waar [betrokkene 1] aanwezig was, verlaten en is naar huis gegaan om te slapen. [betrokkene 1] is vervolgens alleen overleden. Het hof rekent het verdachte aan dat hij onvoldoende oog heeft gehad voor de omstandigheid dat complicaties zouden kunnen optreden in de periode gelegen tussen zijn vertrek en het moment waarop zij zou overlijden. Het vertrek van de verdachte staat bovendien in contrast met de nadien door de verdachte aangevoerde reden voor zijn handelen, inhoudende dat hij wilde voorkomen dat [betrokkene 1] zichzelf het leven zou benemen zonder dat daar iemand bij aanwezig was en zonder dat zij voorafgaand daaraan afscheid van haar naasten zou kunnen nemen.

Het hof heeft bij de strafoplegging voorts ten nadele van de verdachte meegewogen dat hij gedurende de eerste twee jaar na zijn handelen geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Toen de dienstdoende huisarts een natuurlijke dood had geconstateerd bij [betrokkene 1] was dat volgens de verdachte ‘een meevaller’.

Pas nadien, toen ‘Netwerk’ aankondigde een documentaire te willen maken over ‘het voltooid leven’, is de verdachte naar voren getreden en heeft de raadsman, op verzoek van de verdachte, bij justitie het handelen van de verdachte gemeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting van 4 december 2017 is de verdachte boos op justitie, die hem naar aanleiding van deze melding en uitzending heeft vervolgd wegens het bieden van hulp bij zelfdoding. De verdachte is in de loop van de jaren kennelijk gesterkt in zijn opvatting dat zijn handelen gerechtvaardigd was, reeds omdat hij de mening was en is toegedaan dat de art. 293 en 294 Sr gewijzigd dienen te worden.

Ten voordele van de verdachte weegt het hof mee dat de drijfveer van verdachte is geweest zijn moeder behulpzaam te zijn bij het vervullen van haar doodswens. Hij heeft gehandeld vanuit mededogen. Het hof houdt voorts ten voordele van de verdachte rekening met het tijdsverloop dat heeft plaatsgevonden.

(…)

Bij de vraag welke straf(modaliteit) en -omvang in dit geval passend is heeft het hof zich voorts in belangrijke mate laten leiden door de strafdoelen die door bestraffing in meer of mindere mate gediend kunnen worden. Dat betreft in de eerste plaats de vergelding. Vanuit het oogpunt van vergelding acht het hof, gelet op de aard van het door de verdachte gepleegde feit, het opleggen van een straf aangewezen. Hoewel [betrokkene 1] niet meer verder wilde leven en de verdachte niet tegen haar wil heeft gehandeld, heeft de verdachte de bestaande wetgeving welbewust naast zich neergelegd door op deze wijze in te grijpen in het leven van zijn stiefmoeder.

Naar het oordeel van het hof brengt ook het tweede in ogenschouw te nemen strafdoel, de generale preventie, met zich dat aan de verdachte een straf dient te worden opgelegd. Het hof acht het van belang te bevestigen dat de wettelijk vastgelegde norm - zolang deze niet is gewijzigd door de wetgever - dient te worden nageleefd en, wanneer dat niet gebeurt, dit kan leiden tot vervolging en bestraffing.

Het hof heeft geen aanwijzingen waaruit volgt dat het derde strafdoel, de speciale preventie, eveneens dwingt tot een strafoplegging, nu thans geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat de verdachte zich nogmaals schuldig zal maken aan een feit als bewezen verklaard.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat er geen termen aanwezig te zijn om te volstaan met toepassing van art. 9a Sr en dat niet kan worden volstaan met oplegging van de door de advocaten-generaal gevorderde straf. Het hof zal aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opleggen, met een proeftijd van 2 jaar.

(…)

BESLISSING

Het hof:

(…)

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.”

76. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Volgens vaste jurisprudentie komt de feitenrechter een ruime vrijheid toe bij de selectie en waardering van de factoren die bij de strafoplegging in aanmerking worden genomen. De straftoemeting wordt in cassatie slechts terughoudend getoetst. Niet kan worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.65 Alleen indien de straftoemeting op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is, kan in cassatie worden ingegrepen.66 De rechter mag in hoger beroep - behoudens bijzondere omstandigheden - zonder nadere motivering een zwaardere straf opleggen dan de rechter in eerste aanleg.

77. Het hof heeft, anders dan de rechtbank, ervoor gekozen een straf op te leggen en is daarbij in het nadeel van de verdachte afgeweken van de eis van de advocaten-generaal. Dat stond het hof op zichzelf vrij. Het hof is ruim binnen de maximumduur van drie jaren gevangenisstraf gebleven (vgl. art. 294, tweede lid, Sr). Bovendien heeft het hof uitgebreid gemotiveerd uiteengezet waarom het geen termen aanwezig acht om te volstaan met toepassing van art. 9a Sr en waarom niet kan worden volstaan met oplegging van de door de advocaten-generaal gevorderde straf. Het hof heeft daarbij acht geslagen op handelwijze van de verdachte, in het bijzonder de omstandigheid dat hij zijn stiefmoeder alleen heeft gelaten nadat zij de medicatie had ingenomen maar voordat zij was overleden en het feit dat de verdachte gedurende de eerste twee jaar na zijn handelen volgens het hof geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Voorts heeft het hof overwogen dat vergelding en generale preventie in de onderhavige zaak belangrijke strafdoelen zijn. Gelet hierop, acht ik de strafoplegging voldoende gemotiveerd. Het zevende middel faalt aldus.

77. Ook het zesde middel kan niet slagen. Het hof was niet gehouden de motivering van de opgelegde straf specifiek toe te snijden op de aan de voorwaardelijke straf verbonden proeftijd.67 De omstandigheid dat het hof heeft overwogen dat speciale preventie in de onderhavige zaak niet tot strafoplegging dwingt, maakt dit niet anders. Het hof heeft immers tevens overwogen dat de strafdoelen van vergelding en generale preventie wel tot strafoplegging nopen, terwijl de oplegging van een voorwaardelijke straf met een proeftijd voor de duur van twee jaren als zodanig niet is gereserveerd voor die gevallen waarin de rechter tot het oordeel komt dat de speciale preventie dwingt tot strafoplegging.

79. De middelen falen.

79. De middelen falen en kunnen, behoudens het tweede en het derde middel, worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

79. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

82. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De documentaire is getiteld: [naam documentaire]

2 Zie hierover uitgebreid de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken in haar conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad in deze zaak van 14 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2015:3444, NJ 2017/269 m.nt. Mevis, onderdeel 4.

3 Aldus de omschrijving in Kamerstukken II 1999/2000, 26 691, nr. 6, p. 30.

4 Rapport van de adviescommissie voltooid leven, Voltooid leven. Over hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten, Den Haag, januari 2016, p. 22 en p. 72 e.v.

5 Rapport Voltooid leven, onder meer p. 215-216. Zie hierover nader onderdeel 4.2.3 van de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voor HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:418, NJ 2017/269 m.nt. Mevis.

6 Kamerstukken II 2016/17, 32 647, nr. 55, p. 8 e.v.

7 Raadpleegbaar via <www.waardigouderworden.nl>.

8 Regeerakkoord VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, Vertrouwen in de toekomst, 2017, p. 16-17. Raadpleegbaar via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2017/10/10/regeerakkoord-2017-vertrouwen-in-de-toekomst.

9 Rb. Gelderland 22 oktober 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:3976.

10 Hof Arnhem-Leeuwarden 13 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3444.

11 Zie onder meer G. den Hartogh, ‘Hulp bij zelfdoding door intimi’, NJB 2014, p. 1173-1605, G. den Hartogh, ‘Hulp bij zelfdoding door intimi. Tweede ronde’, NJB 2015, p. 2215-2220, L. de Vito, ‘Het recht op een zelfgekozen levenseinde’, NJB 2015, p. 1926-1929, M. Buijsen, ‘Betekenis van het arrest in de zaak Heringa is gering’, NJB 2015, p. 1478, P.A.M. Mevis, ‘Strafrecht en hulp bij zelfdoding’, DD 2018, p. 367-384, T. Vink, ‘Reactie bij het editorial ‘Strafrecht en hulp bij zelfdoding (DD 2018/28)’, DD 2018, p. 663 en L. de Vito, ‘Reactie op de uitspraak van het Hof Den Bosch 31 januari 2018 (Heringa)’, NJB 2018, p. 865-869.

12 [verdachte] , ‘Over enkele essentiële misverstanden in Mevis’ Editorial en meer’, DD 2018, p. 664-668.

13 Zie zijn conclusie voorafgaand aan HR 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8772, NJ 2003/167 m.nt. Schalken, waarin hij ook spreekt van ‘levenshulp’.

14 Wet van 12 april 2001, Stb. 2001/194. Zie nader Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 1.

15 Handelingen Tweede Kamer 22 november 2000, 26-2120.

16 Zie echter K. Rozemond, ‘De voortdurende invloed van de Hoge Raad op het euthanasierecht’, Ars Aequi 2015, p. 231-237 over de rol van de rechtspraak in de discussie.

17 Vgl. onder meer HR 27 februari 1996, NJ 1996/478, HR 20 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1112, NJ 2012/217, m.nt. Mevis, rov. 2.4 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1416.

18 Vgl. ten aanzien van de strafoplegging bijv. HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:884, rov. 3.3.

19 Vgl. HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1804 ten aanzien van een verweer over de nietigheid van de dagvaarding.

20 In dit arrest uit 2002 (HR 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8772, NJ 2003/167 m.nt. Schalken) oordeelde de Hoge Raad dat de vraag of een arts die hulp bij zelfdoding verleent of euthanasie toepast in geval van afwezigheid van medisch geclassificeerde somatische of psychische ziektes of aandoeningen zich onder omstandigheden met vrucht op noodtoestand kan beroepen ontkennend moet worden beantwoord. Zie in het bijzonder rov. 4.2 en 4.6 van het arrest.

21 Zie onder meer HR 27 november 1984, NJ 1985/106.

22 Wet van 12 april 2001, Stb. 2001/194. Zie nader Kamerstukken II 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 1.

23 HR 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8772, NJ 2003/167, rov. 4.4.

24 Kamerstukken II 1999/00, 26 691, nr. 6, p. 44.

25 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2018, p. 310. Zie nader over noodtoestand: M.M. Dolman, Overmacht in het stelsel van strafuitsluitingsgronden, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2006, p. 227 e.v.

26 Zie A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 7 bij art. 40 (actueel t/m 15 augustus 2018).

27 Zie ook De Hullu 2018, p. 313 en P.A.M. Mevis, ‘Strafrecht en hulp bij zelfdoding’, DD 2018/28.

28 Zie ook onderdeel 6.1.4 van de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voorafgaand aan HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:418, NJ 2017/269 m.nt. Mevis. Zo ook De Hullu 2018, p. 313.

29 Zie ook A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 8 bij art. 40 (actueel t/m 15 augustus 2018) en De Hullu 2018, p. 312.

30 HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7938, NJ 2010/5 m.nt. Mevis, rov. 5.2.

31 HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:418, NJ 2017/269 m.nt. Mevis.

32 Zie in dit verband ook onderdeel 7.1.4 van de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voor HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:418, NJ 2017/269 m.nt. Mevis.

33 Vgl. de pleitnotities van de raadsman van de verdachte ten behoeve van de terechtzitting van het hof ’s-Hertogenbosch van 4 december 2017, p. 5-6.

34 Zie ook de noten van Engberts en Mevis onder het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2017 in de onderhavige zaak in TvGr 2018/42 respectievelijk NJ 2017/269.

35 EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty tegen het Verenigd Koninkrijk), EHRM 20 januari 2011, nr. 31322/07 (Haas tegen Zwitserland) en EHRM 19 juli 2012, nr. 497/09 (Koch tegen Duitsland).

36 Met weglating van voetnoten.

37 EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty tegen het Verenigd Koninkrijk), rov. 40.

38 EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty tegen het Verenigd Koninkrijk), rov. 61.

39 EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty tegen het Verenigd Koninkrijk), rov. 65-67.

40 EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty tegen het Verenigd Koninkrijk), rov. 76-78.

41 EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty tegen het Verenigd Koninkrijk), rov. 71, 76 en 77.

42 EHRM 20 januari 2011, nr. 31322/07 (Haas tegen Zwitserland).

43 EHRM 20 januari 2011, nr. 31322/07 (Haas tegen Zwitserland), rov. 51.

44 EHRM 20 januari 2011, nr. 31322/07 (Haas tegen Zwitserland), rov. 53.

45 EHRM 20 januari 2011, nr. 31322/07 (Haas tegen Zwitserland), rov. 55.

46 EHRM 20 januari 2011, nr. 31322/07 (Haas tegen Zwitserland), rov. 58-61.

47 Voorts wijs ik nog op de uitspraken in de zaken Nicklinson en Lamb tegen het Verenigd Koninkrijk (EHRM 23 juni 2015, nrs. 2478/15 en 1787/15). Het arrest in de zaak Gross tegen Zwitserland (EHRM 14 mei 2013, 67810/10 (Gross tegen Zwitserland) laat ik verder rusten. Deze zaak werd verwezen naar de Grote Kamer en eindigde daar in een niet-ontvankelijkverklaring. Zie EHRM 30 september 2014, nr. 67810/10 (Gross tegen Zwitserland), in het bijzonder rov. 30, 35-37.

48 EHRM 19 juli 2012, nr. 497/09 (Koch tegen Duitsland).

49 EHRM 19 juli 2012, nr. 497/09 (Koch tegen Duitsland), rov. 53.

50 EHRM 19 juli 2012, nr. 497/09 (Koch tegen Duitsland), rov. 68.

51 EHRM 19 juli 2012, nr. 497/09 (Koch tegen Duitsland), rov. 43-50.

52 EHRM 19 juli 2012, nr. 497/09 (Koch tegen Duitsland), rov. 69-70.

53 EHRM 19 juli 2012, nr. 497/09 (Koch tegen Duitsland), rov. 78-82.

54 Zie het rapport van de commissie-Schnabel, p. 86-91. De bevindingen vinden hun basis in rapporten van M.A.J.M. Buijsen en A. Hendriks, die op verzoek van de commissie zijn opgesteld.

55 EHRM 19 juli 2012, nr. 497/09 (Koch tegen Duitsland), rov. 78-82.

56 Zie de pleitnota onder “Europese rechtspraak”, punten 33-39.

57 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1891, p. 465.

58 Kamerstukken II 1997/98, 26 000, nr. 3, p. 9.

59 EHRM 20 januari 2011, nr. 31322/07 (Haas tegen Zwitserland), rov. 55.

60 Vgl. in dit verband EHRM 29 april 2002, nr. 2346/02 (Pretty tegen het Verenigd Koninkrijk), rov. 70: “According to the Court's established case-law, the notion of necessity implies that the interference corresponds to a pressing social need and, in particular, that it is proportionate to the legitimate aim pursued; in determining whether an interference is “necessary in a democratic society”, the Court will take into account that a margin of appreciation is left to the national authorities, whose decision remains subject to review by the Court for conformity with the requirements of the Convention.”

61 Onderdeel 14 van de noot van Mevis onder hof Arnhem-Leeuwarden 13 mei 2015, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2015, p. 472-490.

62 Vgl. onderdeel 8 van mijn conclusie voor HR 22 april 2014, nr. 13/05711 (niet gepubliceerd). Zie bijvoorbeeld HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2067, NJ 2005/94 m.nt. Mevis, rov. 3.5 en HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6734, NJ 2012/594, rov. 2.6.

63 HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1146, NJ 2012/591 m.nt. Keulen. Zie nader: J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2018, p. 306-309.

64 A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 3 bij art. 40 (actueel t/m 15 augustus 2018) onder verwijzing naar HR 20 november 1979, NJ 1980/129.

65 Vlg. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 264-265.

66 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Kluwer 2018, p. 922. Zie in dit verband onder meer HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479, NJ 2006/549, HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313, NJ 2009/283 en HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6965.

67 Zie HR 3 februari 1987, NJ 1987/730.