Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1384

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-11-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
18/04430
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2311, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad. Houdt art. 46 lid 4 Wet bescherming persoonsgegevens uitzondering in op art. 426a lid 1 Rv? (Vgl. HR 18 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2947.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/04430 Mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 2 november 2018 Standpunt (art. 80a RO) inzake:

[verzoeker]

tegen

Coöperatieve Rabobank U.A.

In deze verzoekschriftprocedure is een verzoek tot cassatie ingediend. Voordat de Hoge Raad aan behandeling daarvan toekomt, is de vraag aan de orde of het cassatieverzoekschrift had moeten worden ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.

1 Procesverloop

1.1.

Verzoeker heeft een door hypotheek gedekte lening afgesloten bij de Rabobank. Na aanmaning tot betaling heeft de Rabobank in 2010 een achterstandsmelding (code A) ten aanzien van verzoeker laten registreren in het kredietinformatiesysteem van het Bureau Kredietregistratie (BKR). In 2017 heeft verzoeker de Rabobank vergeefs verzocht de BKR-registratie te laten verwijderen.

1.2

Bij inleidend verzoekschrift heeft verzoeker aan de rechtbank Rotterdam verzocht de Rabobank te verplichten om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, als einddatum van de registratie 9 februari 2012 (althans 9 februari 2017) aan het BKR door te geven en de A- en 2-coderingen alsmede de gehele registratie ten aanzien van verzoeker te doen verwijderen. Aan dit verzoek heeft hij de artikelen 36 lid 1 en 46 lid 1 en 2 van de toenmalige Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ten grondslag gelegd.

1.3

De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen bij beschikking van 22 december 2017. Vervolgens heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Bij beschikking van 10 juli 2018 (nr. 200.233.138/01, niet gepubliceerd) heeft het gerechtshof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

1.4

Op 9 oktober 2018 – binnen drie maanden na de beschikking van het gerechtshof – heeft verzoeker een verzoekschrift tot cassatie ter griffie van de Hoge Raad ingediend. Dit was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad zoals art. 426a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorschrijft. Bij brief van 10 oktober 2018 heeft de griffier van de Hoge Raad verzoeker op dit verzuim gewezen. De griffie heeft, zoals gebruikelijk1, verzoeker een termijn van twee weken gegeven om dit verzuim te herstellen door het verzoek opnieuw in te dienen, maar dan ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.

1.5

Verzoeker heeft hierop gereageerd bij brief van 17 oktober 2018, waarin hij stelt dat ondertekening door een advocaat bij de Hoge Raad niet nodig is in zaken waarin het gaat om een verzoek op grond van art. 46 Wbp. Verzoeker heeft te kennen gegeven het cassatieberoep te willen doorzetten zonder bijstand van een advocaat.

1.6

Op de voet van art. 3.5.9a.1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden is mij verzocht advies uit te brengen over de vraag of deze zaak in aanmerking komt voor toepassing van art. 80a lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).

2 De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1

Art. 426a lid 1 Rv bepaalt voor zaken waarover de burgerlijke rechter oordeelt dat het beroep in cassatie wordt aangebracht bij een verzoekschrift, dat wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad en wordt ingediend bij de griffie van de Hoge Raad. Op deze hoofdregel zijn uitzonderingen gemaakt in bijzondere wetten2. Enkele, ook door verzoeker genoemde, voorbeelden zijn:

- art. 8 lid 1 van de wet van 27 september 1961, Stb. 303, houdende uitvoering van het op 20 juni 1956 te New York gesloten Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud (optreden Ontvangende Instelling)3;

- art. 26 Uitvoeringswet Rechtsvorderingsverdrag 1954 (Stb. 1958, 677);

- art. 1:243 lid 4 BW (optreden Raad voor de kinderbescherming).

2.2

De omstandigheid dat een partij bevoegd is zonder procesvertegenwoordiger bij de rechtbank of, in hoger beroep, bij het gerechtshof een verzoek- of beroepschrift in te dienen, betekent niet zonder meer dat die partij bevoegd is zelf een verzoekschrift tot cassatie bij de Hoge Raad in te dienen4. Daarvoor is een afzonderlijke wettelijke bepaling nodig.

2.3

De Wet persoonsregistraties (Wpr), de voorloper van de Wet bescherming persoonsgegevens, bevatte in art. 34 lid 6 een uitzonderingsbepaling die het mogelijk maakte bepaalde op die wet gebaseerde verzoekschriften bij de rechtbank in te dienen zonder procesvertegenwoordiging door een procureur. Art. 34 lid 6 Wpr (oud) bepaalde dat de twaalfde titel van boek 1 Rv (de toenmalige wettelijke regeling van de verzoekschriftprocedure) van toepassing was op de in art. 34 Wpr bedoelde verzoekschriften, met uitzondering van art. 429d lid 3 (oud) Rv. In laatstgenoemd artikellid was de verplichte procesvertegenwoordiging door een procureur geregeld. Voor de procedure in hoger beroep verwees art. 429o (oud) Rv naar art. 429d (oud) Rv. De Hoge Raad heeft beslist dat de uitzondering in art. 34 lid 6 Wpr op de hoofdregel van verplichte procesvertegenwoordiging ook gold voor de verzoekschriftprocedure in hoger beroep, maar dat dit niet meebrengt dat art. 426a lid 1 Rv (ondertekening van het cassatieverzoekschrift door een advocaat bij de Hoge Raad) buiten toepassing bleef voor dit type zaken 5.

2.4

Het genoemde artikel 429d (oud) Rv is vervallen. Het huidige artikel 278 lid 3 Rv bepaalt, voor zover van belang:

“Tenzij indiening bij de kantonrechter plaatsvindt of ingevolge bijzondere wettelijke bepaling niet door een advocaat behoeft te geschieden, wordt het verzoekschrift ondertekend door een advocaat. (…)”

Dit artikel maakt deel uit van de derde titel van Boek 1 Rv (“De verzoekschriftprocedure in eerste aanleg”); zie ook art. 280 Rv. Ingevolge het bepaalde in art. 362 Rv is de derde titel van Boek 1 overeenkomstig van toepassing in hoger beroep, voor zover uit de vierde afdeling van de zevende titel (“Hoger beroep”) of uit een andere wettelijke regeling niet anders voortvloeit. Art. 426a lid 1 Rv is gehandhaafd naast art. 278 lid 3 Rv. Daaruit kan worden afgeleid dat art. 426a Rv − niet art. 278 lid 3 Rv − de vormschriften voor het indienen van een verzoekschrift in cassatie regelt.

2.5

Dan blijft nog de vraag of een bijzondere wet anders bepaalt. In de Wet bescherming persoonsgegevens6, die vanaf 1 september 2008 de Wet persoonsregistraties verving, bepaalde art. 46 lid 4 (oud) dat de indiening van het in lid 1 en lid 2 van dit artikel bedoelde verzoekschrift niet behoeft te geschieden door een advocaat. Blijkens de parlementaire geschiedenis van deze wet, is de rechtsbescherming in zoverre uitgebreid dat niet slechts de betrokken persoon maar ook andere belanghebbenden een dergelijk verzoek kunnen indienen. Verder is met de invoering van dit artikel geen voor deze zaak relevante wijziging beoogd7. Verschillende gerechtshoven hebben hieruit afgeleid dat onder de Wet bescherming persoonsgegevens geldt dat (ook) het verzoekschrift in hoger beroep kan worden ingediend zonder een advocaat als procesvertegenwoordiger8.

2.6

Hoewel niet rechtstreeks van belang voor dit geding, voeg ik volledigheidshalve toe dat de Wet bescherming persoonsgegevens met ingang van 25 mei 2018 is vervallen. In plaats daarvan is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) gekomen9. Art. 35 lid 4 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (Stb. 2018, 144) bepaalt dat de indiening van het in lid 2 van dat artikel bedoelde verzoekschrift niet behoeft te geschieden door een advocaat.

2.7

De Hoge Raad heeft bij mijn weten nog niet uitdrukkelijk beslist of met art. 46 lid 3 (oud) Wbp een uitzondering is gemaakt op de hoofdregel van art. 426a lid 1 Rv. Verzoeker bepleit een bevestigend antwoord op deze vraag. De hiervoor genoemde rechtspraak, die onder de voormalige Wet bescherming persoonsregistraties is ontwikkeld, wijst echter in de tegengestelde richting10. Belangrijker nog voor het antwoord op deze vraag zijn de redenen waarom in cassatieprocedures de ondertekening van het beroepschrift door een advocaat bij de Hoge Raad als bedoeld in art. 9j Advocatenwet is voorgeschreven. Deze redenen zijn te kennen uit de wetsgeschiedenis11. Dit vormvereiste dient niet alleen een particulier belang (kort gezegd: betere rechtsbescherming doordat een daarin gespecialiseerde advocaat de kansen en risico’s met de cliënt bespreekt en de cassatiemiddelen opstelt). Het vormvereiste dient ook een publiek belang, te weten dat de cassatierechter zich kan concentreren op cassatieberoepen in zaken waarin een daarin gespecialiseerde advocaat de kansen op succes heeft beoordeeld en de cassatiemiddelen heeft opgesteld. Dit laatste aspect brengt mee dat een partij niet ervoor kan kiezen, afstand te doen van procesvertegenwoordiging en zelf de procedure in cassatie te voeren.

2.8

Bij deze stand van zaken kan verzoeker niet in zijn cassatieverzoek worden ontvangen. Aan een bespreking van de door verzoeker ingediende middelen 1 – 5 kom ik niet toe. Zo de Hoge Raad daarop prijs stelt, kan ik daarover aanvullend concluderen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Zie bijv. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders.

2 Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen, 2012/261.

3 Zie hierover: HR 9 augustus 1967, NJ 1967/377 (en HR 17 april 1958, NJ 1958/304 en HR 20 juni 1962, NJ 1962/284), waarnaar ook verzoeker verwijst in zijn brief van 17 oktober 2018.

4 Zie bijv. HR 13 april 2001, NJ 2001/334, met een vervolg in HR 1 maart 2002, NJ 2002/172 (art. 35 en 78 (oud) Wet Bopz).

5 Zie HR 18 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2947, NJ 1999/629. Vgl. HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD2687; HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9245, NJ 2003/229.

6 Wet van 6 juli 2000, Stb. 302.

7 MvT, Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 25 en 175-177.

8 Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 februari 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:363), met verwijzingen naar ECLI:NL:GHSHE:2006:AV0012 en AV0011; ECLI:NL:GHSHE:2016;5515; ECLI:NL:GHARN:2010:BN7839 en naar ECLI:NL:GHDHA:2015:2332 en ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3020.

9 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016, PbEU 2016, L 119.

10 Vgl. J.M.A. Berkvens en J.E.J. Prins, Privacyregulering in theorie en praktijk, hoofdstuk 4.4; W.H.B. den Hartog Jager, Procederen met of zonder procesvertegenwoordiger: de stand van zaken in 2012, Deventer: Kluwer, 2012, blz. 164.

11 Zie de memorie van toelichting bij de Wet versterking cassatierechtspraak (Kamerstukken II 2010/11, 32 576 nr. 3).