Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1377

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-12-2018
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
17/02729
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:127
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Diefstal, art. 310 Sr. Opgave van bewijsmiddelen a.b.i. art. 359.3 Sv. Bevestiging aangetekend mondeling vonnis Pr. in h.b. terwijl vrijspraak is bepleit. De raadsman van verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in h.b. vrijspraak bepleit ten aanzien van het tlgde. Uit de bewoordingen van art. 359.3 Sv volgt dat deze bepaling i.i.g. geen toepassing kan vinden indien door of namens verdachte ttz. vrijspraak is bepleit. Gelet op het voorgaande had het Hof het vonnis niet mogen bevestigen dan onder de in art. 423.1 Sv bedoelde aanvulling van gronden, te weten de in de eerste volzin van art. 359.3 Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen met betrekking tot het tlgde. (Vgl. ECLI:NL:HR:2016:2026.) Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02729

Zitting: 18 december 2018

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 14 april 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring ten onrechte heeft doen steunen op bewijsmiddelen waarvan de inhoud niet in het arrest is opgenomen.

3.1. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

“op 18 april 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, toebehorend aan een onbekend gebleven eigenaar, waarbij verdachte die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking van het fietsslot.”

3.2. De bestreden uitspraak houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het hierna volgende in aanvulling op het vonnis waarvan beroep overweegt en met toevoeging van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan het toegepaste artikel.

Het hof overweegt in aanvulling op de verwerping van het in eerste aanleg gevoerde verweer door de politierechter onder 2.1 van het vonnis, dat de verdachte op geen enkele manier heeft onderbouwd dat hij de eigenaar is van de bij hem aangetroffen fiets en geen controleerbare aanknopingspunten voor die stelling heeft verschaft zodat aan die stelling evenmin een begin van aannemelijkheid is gegeven. Het hof acht, met de politierechter, de verklaring van de verdachte volstrekt ongeloofwaardig.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.”

3.3.

In de aantekening van het mondeling vonnis van 3 mei 2016 heeft de politierechter onder de aanhef “alle gebruikte bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring” het volgende overwogen:

“Uit het hiervoor vermelde proces-verbaal volgen de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de politierechter heeft beslist dat de verdachte het ten laste gelegde en hierna bewezen verklaarde feit heeft begaan.”

3.4.

Het proces-verbaal waarnaar in de aantekening van het mondeling vonnis is verwezen, betreft het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 mei 2016. Dit proces-verbaal houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“1. Een Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 april 2016 betreffende verdachte.

2. Een proces-verbaal met nummer 2016084967-3 van 18 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar I. Bakker (doorgenummerde pag. 3 e.v.).”

3.5.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2017 blijkt dat aldaar door de raadsman van de verdachte vrijspraak is bepleit. Volgens de raadsman bevat het dossier geen bewijs dat de fiets aan een ander dan de verdachte toebehoort.

3.6.

Het hof heeft het vonnis van de politierechter, dat is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, met een schriftelijk arrest bevestigd.1

3.7.

Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. De aantekening van het mondelinge vonnis van de politierechter dient ingevolge art. 378, tweede lid, Sv te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197, hierna: de Regeling). Ingevolge art. 1, onder b, van de Regeling mag voor de inhoud van de bewijsmiddelen worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken.

3.8.

Het ook in hoger beroep toepasselijke art. 359, derde lid, eerste volzin, Sv schrijft voor dat de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het arrest van het hof opgenomen bewijsmiddelen. Op grond van de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv kan het hof met een opgave van bewijsmiddelen volstaan, voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.

3.9.

Naar aanleiding van bestaande onduidelijkheden over de toepassing van de bewijsmotiveringsvoorschriften door het hof in geval van bevestiging dan wel vernietiging van een mondeling vonnis van de politierechter heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 6 september 20162 beschouwingen gewijd aan deze bewijsmotiveringsvoorschriften. Ten aanzien van de bevestiging van een mondeling vonnis bij schriftelijk arrest houden deze het volgende in:

“Bevestiging van een mondeling vonnis bij schriftelijk arrest

2.3.1.

Op grond van art. 423, eerste lid, Sv is zowel de meervoudige als de enkelvoudige kamer van het hof bevoegd een in eerste aanleg gewezen vonnis te bevestigen. Dit geldt ook indien het een mondeling vonnis betreft dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend op de wijze als in de Regeling bepaald. De bevoegdheid om zo een mondeling vonnis te bevestigen is niet beperkt tot het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv (bekennende verdachte).

2.3.2.

Indien die aantekening mondeling vonnis wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - in overeenstemming met de Regeling - verwijst naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, is de meervoudige kamer van het hof in geval van bevestiging van het vonnis in beginsel niet gehouden de inhoud van die stukken (alsnog) in zijn arrest op te nemen. Gelet op het bepaalde in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv lijdt dit evenwel uitzondering indien ter terechtzitting van de meervoudige kamer in hoger beroep door de verdachte anders - dat wil zeggen: niet in bekennende zin - is verklaard of door zijn raadsman vrijspraak is bepleit. In dat geval dient bevestiging te geschieden met aanvulling van gronden, dus met opneming van de (uitgewerkte) inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in het arrest. Dat houdt in dat de feiten of omstandigheden die redengevend zijn geacht voor de bewezenverklaring, moeten zijn vervat in de door het hof gebezigde en in zijn arrest weergegeven bewijsmiddelen. Indien zij niet in die bewijsmiddelen zijn vermeld, moet het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel of de wettige bewijsmiddelen aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.”

3.10.

Het hof heeft in de onderhavige zaak bij schriftelijk arrest de aantekening van het mondeling vonnis in het proces-verbaal van de politierechter bevestigd. Daartoe was het hof krachtens art. 423, eerste lid, Sv ook bevoegd. Namens de verdachte is in hoger beroep echter vrijspraak bepleit. Gelet op het bepaalde in de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv, dient de bevestiging in dergelijke gevallen te geschieden met aanvulling van de gronden waarop de bewezenverklaring steunt. Het arrest bevat geen opgave van de (uitgewerkte) inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Van een aanvulling op het arrest is evenmin gebleken. Ook van de (nadere) bewijsoverweging die het hof wijdt aan de (on)geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte, in reactie op het tot vrijspraak strekkende pleidooi van de verdediging, kan niet worden gezegd dat hiermee in voldoende mate van nauwkeurigheid de feiten en omstandigheden en wettige bewijsmiddelen worden aangeduid waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend.3 Aldus steunt de bewezenverklaring van dit feit in strijd met de eerste volzin van art. 359, derde lid, Sv niet op bewijsmiddelen waarvan de inhoud in (de aanvulling op) het arrest is opgenomen.4 Het middel klaagt daarover terecht.

3.11.

Het middel slaagt.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Daarbij heeft het hof een aanvullende overweging opgenomen ten aanzien van een in hoger beroep gevoerd verweer.

2 HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128 m.nt. P.A.M. Mevis.

3 G.J.M. Corstens, Het Nederlandse Strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Kluwer 2018, p. 890-891.

4 Vgl. HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, NJ 2017/128 en HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2014.