Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1365

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-12-2018
Datum publicatie
12-12-2018
Zaaknummer
17/05226
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:174
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over o.m. openlijke geweldpleging (art. 141 sr) in een penitentiaire inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05226

Zitting: 11 december 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 9 mei 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. primair “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” en 2. ‘’bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’’, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. Th.O.M. Dieben en mr. G.A. Jansen, advocaten te Amsterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. In deze zaak gaat het kort samengevat om een vechtpartij die heeft plaatsgevonden in de (inmiddels voormalige) ‘Bijlmerbajes’ waarbij de verdachte als gedetineerde betrokken is geweest.

  4. Het eerste middel komt op tegen de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde openlijke geweldpleging en bestaat uit twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door vrijspraak van twee onderdelen daarvan. De tweede deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat het in de bewezenverklaring vermelde geweld "openlijk" is gepleegd. Ik zal beginnen met de bespreking van deze tweede klacht.

4.1. Aan de verdachte is, voor zover hier relevant, tenlastegelegd dat:

‘’hij op of omstreeks 03 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het woongebouw "Het Schouw" van Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel aan de H.J.E. Wenckebachweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer medewerker(s) van Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel vermeld onder nummer(s) 2998307 en/of 2998310 en/of 2998312 en/of 2998319 en/of 2998320 en/of 2998323 en/of 2998344 welk geweld bestond uit

- het eenmaal of meermalen schoppen en/of trappen tegen het (achter)hoofd, in elk geval het lichaam, en/of

- het eenmaal of meermalen geven van (een) zogenaamde "kopsto(o)t(en)" en/of

- het eenmaal of meermalen bijten, in de arm, in elk geval het lichaam, en/of

- het eenmaal of meermalen (met gebalde vuist) stompen en/of slaan tegen en/of op het (achter)hoofd, in elk geval het lichaam, van voornoemde medewerker(s) 2998307 en/of 2998310 en/of 2998312 en/of 2998319 en/of 2998320 , en/of 2998323 en/of 2998344

waarbij hij, verdachte,

- eenmaal of meermalen heeft geschopt en/of getrapt en/of (met gebalde vuist) heeft gestompt en/of geslagen tegen het (achter)hoofd, in elk geval het lichaam van voornoemde medewerker(s) 2998310 en/of 2998319 en/of 2998320 , en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) heeft gebeten in en/of op de (linker)arm van voornoemde medewerker 2998344 ,

welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel, bestaande uit

- een of meer verwonding(en) aan en/of op de (linker)arm van voornoemde 2998344 en/of

- een of meer verwonding(en) aan en/of op het (linker)oor, althans het (achter)hoofd van voornoemde 2998320 en/of

- een of meer verwonding(en) aan en/of op het gezicht van voornoemde 2998319 en/of

- verwonding(en) aan en/of op het (linker)oor, althans het (achter)hoofd van voornoemde 2998310 ten gevolge heeft gehad; (…)’’

4.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte:

‘’op 03 maart 2014 te Amsterdam met anderen, in het woongebouw "Het Schouw" van Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel aan de H.J.E. Wenckebachweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen medewerkers van Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel vermeld onder nummers 2998307 en 2998310 en2998312 en 2998319 en 2998320 en 2998323 en 2998344 welk geweld bestond uit

- het schoppen en trappen tegen het achterhoofd en

- het geven van een kopstoot en

- het bijten in de arm en

- het stompen en slaan tegen het hoofd van voornoemde medewerkers 2998307 en/of 2998310 en/of 2998312 en/of 2998319 en/of 2998320 , en/of 2998323 en/of 2998344 waarbij hij, verdachte,

- heeft gebeten in de linkerarm van voornoemde medewerker 2998344 ,

welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel, bestaande uit

- een verwonding aan de linkerarm van voornoemde 2998344 ten gevolge heeft gehad. (…)’’

4.3. De tweede deelklacht richt zich, zoals gezegd, tegen het oordeel van het hof dat het in de bewezenverklaring vermelde geweld ‘openlijk’ is gepleegd. De verdachte heeft in feitelijke aanleg aangevoerd dat geen sprake is van ‘openlijk’ geweld in de zin van art. 141 Sr. Het hof heeft dit verweer verworpen met de volgende overwegingen:

‘’Anders dan de raadsvrouw is het hof voorts van oordeel dat sprake is van "openlijke" geweldpleging in de zin van art. 141, eerste lid, Sr. nu voor het aannemen daarvan niet is vereist dat de geweldpleging plaatsvindt in een openbare of een voor ieder toegankelijke ruimte. Van openlijke geweldpleging is sprake bij geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, zonder dat is vereist dat ten tijde en ter plaatse van de geweldpleging feitelijk vrije toegang bestond (zie HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3681). De geweldshandelingen van de verdachte en diens medeverdachte kunnen niet anders dan als onverholen en niet-heimelijk worden beschouwd. Zowel medewerkers als daarbij aanwezige, ook niet bij het geweld betrokken medegedetineerden hebben deze handelingen kunnen waarnemen, waardoor de openbare orde (in de betreffende penitentiaire) instelling is aangerand.

Anders dan de raadsvrouw is het hof dan ook van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen kan worden geacht als hierboven vermeld."

4.4. De steller van het middel voert aan dat de plaats waar de bewezenverklaarde handelingen hebben plaatsgevonden een niet voor het publiek toegankelijke ruimte betreft en waarbij ook geen waarneming door het publiek vanaf een wel publiek toegankelijke ruimte heeft plaatsgevonden dan wel (met een reële kans) heeft kunnen plaatsvinden. Het oordeel van het hof dat sprake is van openlijke geweldpleging getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd.

4.5. De hiervoor geciteerde tenlastelegging onder 4.1. is toegesneden op art. 141 Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term ‘openlijk’ geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.1

4.6. De Hoge Raad heeft in een recent overzichtsarrest van 3 juli 2018 met betrekking tot de uitleg van het bestanddeel ‘openlijk’ in art 141 Sr het volgende overwogen:2

‘’2.5.1. Met betrekking tot het bestanddeel "openlijk" in art. 141, eerste lid, Sr is in de rechtspraak vaak vooropgesteld dat daarvan sprake is bij geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, zonder dat evenwel is vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was of dat er toen en daar feitelijk vrije toegang en zicht op wat er gebeurde bestond. (Vgl. bijvoorbeeld HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3560, NJ 2006/345.) Het gaat er dus wat betreft de "openlijkheid" in de kern om dat de geweldpleging zich op zodanige wijze en op een zodanige plaats moet hebben voltrokken dat de openbare orde is verstoord. Of van openlijkheid zoals bedoeld in art. 141, eerste lid, Sr sprake is, is mede afhankelijk van het antwoord op de vraag of bij de geweldpleging in zekere zin willekeurig publiek aanwezig was of had kunnen zijn. Deze (mogelijke) aanwezigheid van publiek verdient in het bijzonder aandacht als het gaat om geweldpleging op plaatsen die niet voor eenieder toegankelijk zijn. Voorts kan de mate van verstoring van de normale gang van zaken van belang zijn.

2.5.2. Het begrip "openlijkheid" in de hierboven bedoelde zin kan in sommige gevallen vragen oproepen. Dat laat onverlet dat er veel niet-problematische gevallen wat betreft de openlijkheid bestaan, zoals bij geweld gepleegd op of aan de openbare weg (vgl. HR 26 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6636, NJ 1979/618 en het heden uitgesproken arrest in zaak met nummer 16/04606, ECLI:NL:HR:2018:1050). Zie echter ook HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2809, NJ 2018/183 waarin gelet op een bijzondere omstandigheid (de openbare weg was wegens een aldaar geldend verbod niet vrij toegankelijk tussen zonsondergang en zonsopkomst in welke periode het geweld was gepleegd) nadere vaststellingen van belang waren met betrekking tot de feitelijke publieke toegankelijkheid en de nabijheid van woningen.

2.5.3.

De motivering van de bewezenverklaring van het bestanddeel "openlijk" verdient vooral in niet-evidente gevallen nadere aandacht. Daarbij zijn, mede in het licht van de hierboven onder 2.5.1 aangeduide gezichtspunten, de specifieke omstandigheden van het geval doorslaggevend. Onder meer de potentiële waarneembaarheid van de tenlastegelegde gedragingen en de omvang van het - potentieel aanwezige - publiek kunnen in dat verband een rol spelen (vgl. bijvoorbeeld HR 3 februari 1981,ECLI:NL:HR:1981:AB8265, NJ 1981/398, over geweld op een sleepboot dat zichtbaar en - via de radio - hoorbaar was voor opvarenden van andere schepen). In een niet zonder meer openbare ruimte zoals de aula van een school kan bijvoorbeeld op zijn minst van belang zijn in hoeverre die ruimte ten tijde van het tenlastegelegde toegankelijk was, ook voor personen die niet in een relatie stonden tot de onderwijsinstelling (vgl. HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:20, NJ 2018/62). Bij geweld in een treincoupé is relevant dat het openbaar vervoer in beginsel, zij het tegen betaling, voor een ieder toegankelijk is (HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3681, NJ 2011/380).’’

4.7. Het hof heeft vastgesteld dat het geweld tegen personen zoals vermeld in de bewezenverklaring heeft plaatsgevonden in het woongebouw ‘’Het Schouw’’, één van de torens van de (voormalige) ‘Bijlmerbajes’. Zowel medewerkers als daarbij aanwezige, ook niet bij het geweld betrokken, medegedetineerden hebben deze handelingen kunnen waarnemen vanaf de A- en de hoger gelegen B-vloer van het complex. Blijkens de bewijsvoering waren in totaal 3 tot 10 gedetineerden en ongeveer 10 medewerkers van de inrichting aanwezig.3

4.8. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat sprake is van ‘’openlijk’’ geweld in de zin van art. 141 Sr tendeert weliswaar naar het blijkgeven van een onjuiste rechtsopvatting maar is naar mijn mening op zijn minst ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking.

4.9. Het hof heeft overwogen dat de geweldshandelingen van de verdachte en diens medeverdachte niet anders dan als onverholen en niet-heimelijk kunnen worden beschouwd. Zowel medewerkers als daarbij aanwezige, ook niet bij het geweld betrokken medegedetineerden hebben deze handelingen kunnen waarnemen, waardoor de openbare orde (in de betreffende penitentiaire instelling) is aangerand.

4.10. Het hof heeft daarmee echter in het licht van de gezichtspunten zoals genoemd in rechtsoverweging 2.5.1. van het hierboven geciteerd arrest onder 4.6. verzuimd nader te motiveren welke specifieke omstandigheden doorslaggevend zijn voor het oordeel dat sprake is van openlijk geweld. Hier dringt zich de vergelijking op met (de aula van) een school waar geweld wordt gepleegd tussen leerlingen, zoals aan de orde was in het arrest van de HR van 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:20. De aula van een school kon niet zonder meer als een openbare of voor ieder toegankelijke ruimte worden aangemerkt.4 Volgens de Hoge Raad verdient in dergelijke gevallen de (mogelijke) aanwezigheid van willekeurig publiek in het bijzonder aandacht. Dat geldt a fortiori voor een penitentiaire inrichting waarbij de toegang aan nogal wat restricties is onderworpen. Op zijn minst is dus van belang zijn in hoeverre de ruimte ten tijde van het tenlastegelegde toegankelijk was, ook voor personen die niet in een relatie stonden tot in dit geval (het woongebouw Het Schouw van) de penitentiaire inrichting.5 De overweging van het hof dat er ook medewerkers en niet bij het geweld betrokken medegedetineerden aanwezig waren, is daarvoor onvoldoende omdat zij niet als ‘’willekeurig publiek’’ kunnen worden aangemerkt. Niet iedereen heeft immers toegang tot (het woongebouw van) een inrichting: in beginsel zijn dat alleen medewerkers en gedetineerden. Er bestaat daarmee – om met de woorden van AG Knigge te spreken – een ‘’persoonlijke, geïndividualiseerde betrekking’’ tot de inrichting en de personen die daar naar binnen mogen. Die groep van geïndividualiseerde personen, in dit geval medewerkers en gedetineerden, is dan geen publiek.

Als geen sprake is van (potentiële) aanwezigheid van in zekere zin willekeurig publiek dan heeft het hof verzuimd nadere vaststellingen te doen omtrent de potentiële waarneembaarheid vanuit een wél publieke ruimte van de tenlastegelegde gedragingen en de omvang van het – potentieel aanwezige – publiek dat dergelijke waarnemingen kon doen.6 Bij gebreke van dit een of ander is de openbare orde niet beïnvloed door het gepleegde geweld. De overweging van het hof, voor zover inhoudende “dat de openbare orde (in de betreffende penitentiaire) instelling is aangerand” miskent dat mijns inziens: de orde binnen de inrichting kan immers niet met de openbare orde worden gelijkgesteld.

4.11. De tweede deelklacht slaagt.

4.12. De eerste deelklacht

4.13. Als eerste deelklacht voert de steller van het middel aan dat sprake is van grondslagverlating omdat het hof niet het tenlastegelegde zinsdeel ‘’op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten’’ heeft bewezen heeft verklaard, maar wel het zinsdeel ‘’het woongebouw ‘’Het Schouw’’ van Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel aan de H.J.E. Wenckebachweg’’. Gelet op het slagen van de zojuist besproken tweede deelklacht behoeft deze klacht naar ik meen geen bespreking meer. Ik merk wel op dat de steller van het middel voorzover ik zie geen duidelijke conclusie aan de als eerste opgevoerde klacht heeft verbonden.

4.14. Het eerste middel slaagt.

5. Gelet op het slagen van het eerste middel behoeft het tweede middel strikt genomen (ook) geen bespreking, maar niettemin wijd ik toch wel een aantal woorden aan de daarin opgeworpen kwestie. Dit tweede middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te voldoen aan de motiveringseis van art. 360 Sv bij het gebruik als bewijs voor feit 1 van processen-verbaal waarin verklaringen van een drietal onder code aangeduide personen zijn opgenomen die nadien door de raadsheer-commissaris zijn gehoord als beperkt anonieme getuige.

5.1. Het gaat hierbij om de bewijsmiddelen 5, 7 en 8, die telkens een door twee – met naam genoemde – opsporingsambtenaren opgenomen verklaring bevatten van een persoon aangeduid onder code, respectievelijk 2998312 , 2998310 en 2998320 .

5.2. Juridisch kader

Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. In geval van een beperkt anonieme getuige gaat het om het gegrond vermoeden dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd. De rechter(-commissaris) kan op grond van art. 190 lid 3 of 290 lid 3 Sv bepalen dat – anders dan bij ‘gewone’ getuigen op naam – naar bepaalde persoonsgegevens als bedoeld in lid 1 van die artikelen niet zal worden gevraagd. Hetzelfde geldt voor de gegevens als bedoeld in lid 2 van deze artikelen (het beroep van de getuige en het bloedverwantschap met de verdachte). In het geval de rechter(-commissaris) besluit één of meerdere (maar niet alle) van zojuist genoemde gegevens niet te vragen, is sprake van een beperkt anonieme getuige en neemt de rechter de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat die gegevens alsnog worden onthuld.

5.3. Ingevolge artikel 360 lid 1 Sv bestaat voor het gebruik tot het bewijs van een verklaring van een beperkt anonieme getuige een bijzondere motiveringsplicht. Uit die motivering moet in de eerste plaats de reden voor de toekenning van de beperkte anonimiteit blijken en in de tweede plaats dat door de toekenning van de beperkte anonimiteit geen afbreuk is gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging.7De bijzondere motiveringseis van art. 360 lid 1 Sv heeft in beginsel alleen betrekking op verklaringen die een beperkt anonieme getuige bij de rechter-commissaris of ter terechtzitting heeft afgelegd. Het gaat dus niet om verklaringen afgelegd bij de politie, ook al zijn die onder codenummer afgelegd (zolang de betreffende personen maar voldoende individualiseerbaar zijn8). Deze verklaringen worden door opsporingsambtenaren opgenomen in processen-verbaal van verhoor (art. 344 lid 1 onder 2 Sv). Dergelijke processen-verbaal van verhoor zijn ‘reguliere’ processen-verbaal zodat art. 360 Sv niet van toepassing is.

5.4. Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, heeft de Hoge Raad echter bepaald dat de motiveringsplicht van art. 360 Sv in een bepaald geval wel geldt voor het gebruik tot het bewijs van processen-verbaal van politie waarin een verklaring is opgenomen van een ‘beperkt anoniem’ aangeduide persoon.9 Dat is wanneer die persoon na het bij de politie afleggen van zijn verklaring door de rechter(commissaris) wordt gehoord als beperkt anonieme getuige in de zin van art. 190 lid 3 of 290 lid 3 Sv. De motiveringsplicht geldt dan niet alleen voor de bij de rechter(-commissaris) afgelegde verklaring, maar ook voor het proces-verbaal van politie waarin zijn eerdere verklaring is opgenomen.10

5.5. De steller van het middel meent dat dit laatste hier aan de orde is. De personen wier verklaringen in de bewijsmiddelen 5, 7 en 8 zijn opgenomen zijn namelijk onder code aangeduid en op verzoek van de verdediging bij de raadsheer-commissaris gehoord. Hoewel niet met zoveel woorden vermeld in het proces-verbaal van verhoor bij de raadsheer-commissaris, zijn zij alle drie kennelijk met toepassing van art. 190 lid 3 Sv gehoord. Steun voor die opvatting vindt de steller van het middel in het feit dat zij tijdens die verhoren slechts zijn aangeduid met een nummer dat overeenkomt met het nummer waaronder zij zijn aangeduid bij de politie en kan worden vastgesteld dat de identiteitsgegevens alleen kenbaar zijn gemaakt aan de raadsheer-commissaris. Omdat het arrest niet een motivering als bedoeld in art. 360 Sv inhoudt, dient dit te leiden tot nietigheid.

Beoordeling van het middel

5.6. Allereerst merk ik op dat in het arrest inderdaad niet een motivering als bedoeld in art. 360 Sv valt te lezen.11 In zoverre heeft de steller van het middel gelijk. Het is echter de vraag of de opvatting juist is dat de onder code aangeduide personen zijn gehoord als beperkt anonieme getuigen. Alleen dan strekt immers de motiveringsplicht zich uit over de door het hof gebezigde processen-verbaal waarin hun eerder bij de politie afgelegde verklaringen zijn opgenomen.12

5.7. Hoewel uit correspondentie in het dossier blijkt dat het wel de bedoeling was de getuige onder codenummer 2998310 bij de raadsheer-commissaris te doen horen, blijkt dat dit verhoor alsnog is komen te vervallen.13 Ik heb ook geen proces-verbaal van verhoor in het dossier kunnen aantreffen. In cassatie moet het er daarom voor worden gehouden dat een dergelijk verhoor niet heeft plaatsgevonden. Voor wat betreft het gebezigde bewijsmiddel 7 faalt het middel dus wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

5.8. Dat is evenwel anders ten aanzien van de getuigen onder codenummer 2998312 (bewijsmiddel 5) en 2998320 (bewijsmiddel 8). Uit de processen-verbaal van verhoor bij de raadsheer-commissaris van de desbetreffende getuigen blijkt dat zij de vragen als bedoeld in art. 190 lid 1 en 2 Sv telkens hebben beantwoord, behalve wat betreft hun voor- en achternaam. In plaats daarvan staat respectievelijk ‘’Medewerker 2998312 ’’ en ‘’Medewerker 2998320 ’’ vermeld. Daarnaast is in beide processen-verbaal het volgende opgenomen:

‘’Ter sprake komt of de aanwezige getuige de persoon is die in het dossier onder nummer # 12 [AEH: respectievelijk #20] voorkomt. De begeleider van de getuige op de gang is niet diens meerdere. Als procedure, met instemming van de raadsvrouw, wordt gekozen dat ik, raadsheer-commissaris, telefonisch contact heb met een meerdere van de getuige: De plaatsvervangend vestigingsmanager van JC Zaanstad, destijds plaatsvervangend vestigingsmanager PI Overamstel, die mij mededeelt welke namen en nummers in het dossier bij elkaar horen. Op grond daarvan kan ik gelet op het voorliggende rijbewijs bevestigen dat de getuige # 12 [AEH: respectievelijk # 20] is.

De raadsvrouw werpt het probleem op dat in haar vragen de nummers van collegae zullen voorkomen. De getuige verklaart dat hij die nummers niet kent en dat hij dus voornamen zal moeten gebruiken. Ik, raadsheer-commissaris, beschik tijdelijk over een lijst, waardoor ik nummers en namen kan verbinden. In het proces-verbaal zal ik slechts nummers gebruiken.’’

5.9. Hieruit volgt dat de onder codenummer aangeduide personen inderdaad zijn gehoord als beperkt anonieme getuige. Dat betekent dat het middel gegrond is voor zover het de bewijsmiddelen 5 en 8 betreft.

5.10. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden omdat, gelet op de inhoud van de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, ook met weglating van die bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring zou kunnen worden gekomen.14

6. Het tweede middel is tevergeefs voorgesteld.

7. Het derde middel richt zich tegen de bewezenverklaring van de onder 2 tenlastegelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Volgens de steller van het middel volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) dat sprake is van een bedreiging in de zin van art. 285 Sr.

7.1. Het hof heeft, voor zover hier relevant, ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘’hij op 03 maart 2014 te Amsterdam, een medewerker van Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-AmsteI vermeld onder nummer 2998329 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde 2998329 dreigend de woorden toegevoegd: "U weet toch wat er met Menno Buch is gebeurd de afgelopen week in zijn huis? Past u ook maar op mevrouw!" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.’’

7.2. Het hof heeft blijkens de aanvulling van het verkort arrest van 2 november 2017 hierbij de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

‘’13. Een proces-verbaal van verhoor van getuige met nummer 2014056439-10 van 19 augustus 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 84 en 85).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van 2998329. zakelijk weergegeven:

Op 3 maart 2014 bevond ik mij in de Penitentiaire Inrichting Over-Amstel te Amsterdam. Ik ben hier de directrice. Die dag heeft er een incident plaatsgevonden waarbij enkele gedetineerden bewaarders hebben aangevallen en mishandeld. Naar aanleiding van dit incident bezocht ik gedetineerde [verdachte] in de isolatiecel waar hij op dat moment verbleef. Aan het eind van dit gesprek waarin ik hoor en wederhoor heb toegepast, heb ik [verdachte] meegedeeld dat ik hem een disciplinaire straf zou opleggen. Terwijl ik hierna de cel verliet hoorde ik dat [verdachte] met luide stem tegen mij schreeuwde: ‘U weet toch wat er met Menno Buch is gebeurd de afgelopen week in zijn huis? Past u ook maar op mevrouw,” of woorden van gelijke strekking. De woorden die [verdachte] tegen mij uitsprak kwamen zeer bedreigend op mij over. Ik weet namelijk dat Menno Buch in februari 2014 met gebruik van vuurwapens is overvallen in zijn woning.

Het was mij duidelijk dat [verdachte] hieraan refereerde op het moment dat hij de bedreiging uitte. Ik neem de bedreiging van [verdachte] zeer serieus.

14. Een proces-verbaal van verhoor van getuige met nummer 2014056439-23 van 18 augustus 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 136).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van 3066895, zakelijk weergegeven:

Op 3 maart 2014 heeft er een incident plaatsgevonden waarbij gedetineerden betrokken waren. Ik heb onze directrice, met ons IBT team, begeleid terwijl zij gesprekken had met de gedetineerden die betrokken waren bij het incident. Ik was ook bij het gesprek dat zij had met [verdachte] . Op het moment dat de directrice weg liep, hoorde ik dat [verdachte] boos werd en begon te schreeuwen. Ik hoorde dat [verdachte] tegen de directrice schreeuwde: ‘Kankerwijf, ik ken je nog van tv van Menno Buch. Wat Menno Buch is overkomen zal jou en jouw familie ook overkomen,’ of woorden van gelijke strekking.’’

7.3. Het hof heeft, voor zover hier van belang, ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

‘’De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor feit 2 nu de verdachte heeft ontkend de ten laste gelegde woorden te hebben gebezigd.

Subsidiair wordt betoogd dat de verdachte op het moment van uitspreken van de betreffende bewoordingen geen kennis had van een tweede overval op Menno Buch. De verdachte was wel op de hoogte van een inbraak bij Buch een maand eerder. Het dreigen met een inbraak is echter geen bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling.

Het hof overweegt als volgt.

Op basis van de te bezigen bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat de verdachte op 3 maart 2014 de hierboven bewezenverklaarde bewoordingen heeft geuit. Voorafgaand aan deze uitlatingen is Menno Buch in zijn huis overvallen. Gelet hierop is het evident dat de verdachte met zijn bewoordingen niet refereerde aan een gebeurtenis die enige tijd eerder plaatsvond te weten de inbraak bij Buch een maand eerder, maar aan deze laatste gebeurtenis ‘’met Menno Buch’’. Nu bij de betreffende overval vuurwapens zijn gebruikt heeft de verdachte door het bezigen van de betreffende bewoordingen onmiskenbaar het slachtoffer willen bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht.’’

7.4. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.15 Hierbij is niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er werkelijk vrees is opgewekt en de bedreigde zich in zijn vrijheid belemmerd achtte.16 Het is voldoende dat de bedreiging in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken. Voorts is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging.17

7.5. Het hof heeft geoordeeld dat de in de bewezenverklaring onder feit 2 omschreven uitlating van de verdachte, in zijn context bezien, tegenover de directrice van de penitentiaire inrichting een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven oplevert. Het heeft hierbij overwogen dat het evident is dat de verdachte refereerde aan de overval op Menno Buch waarbij vuurwapens zijn gebruikt en de verdachte daardoor onmiskenbaar het slachtoffer wilde bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht.

7.6. Het hof heeft daarmee bovenstaand criterium niet miskend. Gelet op de bewijsvoering is het oordeel van het hof mijns inziens onjuist noch onbegrijpelijk, zodat het hof niet was gehouden zijn oordeel nader te motiveren.

7.7. De klacht dat de verdachte niet wist dat er een overval op Menno Buch met gebruikmaking van vuurwapens heeft plaatsgevonden, althans dat dit geen feit van algemene bekendheid oplevert, faalt reeds omdat blijkens de bewijsvoering het de verdachte zelf is die deze (meest recente) overval (van ‘’afgelopen week’’) benoemt. Wat betreft de klacht dat de vuurwapens tijdens die overval niet zijn afgevuurd en daarom geen sprake kan zijn van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven, het volgende. Die klacht faalt omdat dit naar mijn mening onverlet laat dat een redelijke vrees bij het slachtoffer kan ontstaan dat zij haar leven verliest en dat het opzet van de verdachte daar ook op is gericht. Bij een gewapende overval is het immers niet ondenkbaar dat de (vuur)wapens ook daadwerkelijk worden gebruikt.

8. Het derde middel faalt.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijv. HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2809.

2 HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1008.

3 De verklaringen van de medewerkers die tot het bewijs zijn gebezigd bevatten verschillende zienswijzen omtrent het aantal gedetineerden en medewerkers dat aanwezig was.

4 Tot ditzelfde oordeel kwam ook de rechtbank, zie p. 5. Daarbij teken ik aan dat dit mogelijk anders is ten aanzien van bijvoorbeeld de bezoekersruimte.

5 HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1008, rov. 2.5.3 en vgl. HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:20.

6 HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1008, rov. 2.5.3.

7 Kamerstukken II 1991/92, 22483, 3, p. 38-39; HR 23 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0799, NJ 1998/135, rov. 7.5; HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6608, NJ 2009/239, rov. 4.3; HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3300, rov. 2.5.

8 Zie bijv. HR 2 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1195.

9 HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230, rov. 2.4.2 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:421, rov. 3.3.

10 Ongeacht of dit proces-verbaal onder codenummer is opgemaakt. Zie HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:421, de conclusie van AG Spronken daarbij, ECLI:NL:PHR:2017:140, onder 9.4 en E.T. Luining, De beperkt anonieme getuige: een puzzel, Strafblad 2018/8, p. 69-70.

11 Aangezien het hier gaat om gevangenisbewaarders waarvan in beginsel mag worden aangenomen dat zij bij gedetineerden bekend zijn, voert het m.i. te ver om deze motivering alsnog in te lezen zoals bijv. in HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230 en HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:722. Het hof heeft bovendien anders dan in die arresten ook niets over de hoedanigheid van deze getuigen vermeld. Daarbij komt dat, zoals de steller van het middel opmerkt, de verdediging de verklaringen van de onder code aangeduide personen heeft betwist.

12 Zie nader over deze inconsistentie in de motiveringsplicht E.T. Luining, De beperkt anonieme getuige: een puzzel, Strafblad 2018/8.

13 Het dossier bevat een formulier ‘’Lijst verhoren Raadsheer-Commissaris’’ waarbij ten aanzien van getuige 2998310 met pen onder meer de volgende aantekeningen zijn gemaakt: ‘’vervallen! Lang weekend weg. Adv. afbellen voor 9/9. 21.Verstuurd verh. vervallen 1/9/2016.’’

14 Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1453, rov. 2.4.

15 HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659; HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4824, NJ 2006/397, m.nt. Buruma; HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7701; P.P.J. van der Meij, T&C Strafrecht 2016, aant. 8 op art. 285 Sr.

16 HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309, rov. 3.4.2.

17 HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659; HR 10 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6562.