Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1364

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-12-2018
Datum publicatie
12-12-2018
Zaaknummer
18/03798
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:24
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering ter strafvervolging aan Marokko. 1. Vaststellen identiteit o.p. ex art. 26 lid 1 Uitleveringswet. 2. Juridische grondslag voor uitlevering. Ad 1. De Rb. was niet gehouden opnieuw de identiteit van de o.p. vast te stellen ook al was de behandeling wegens de gewijzigde samenstelling opnieuw aangevangen. Ad 2. De Rb. neemt het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie als grondslag voor uitlevering i.p.v. het Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen Nederland en Marokko, waarop Marokko het uitleveringsverzoek had gebaseerd. De juridische grondslag voor uitlevering wordt niet exclusief bepaald door de verzoekende staat. Plv. AG: verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/03798 U

Zitting: 11 december 2018 (bij vervroeging)

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. Met zijn uitspraak van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, de uitlevering van de opgeëiste persoon aan het Koninkrijk Marokko toelaatbaar verklaard “ter zake van verdenking van de feiten als omschreven in voornoemde uiteenzetting van de feiten zoals opgegeven door de verzoekende staat”. Met de “voornoemde uiteenzetting van de feiten” doelt de rechtbank klaarblijkelijk op de bij het uitleveringsverzoek overgelegde uiteenzetting van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, gedateerd 14 mei 2018.1 De rechtbank heeft deze feiten in haar uitspraak omschreven als “verduistering van gemeenschapsgeld en privégelden die hem in bewaring zijn gegeven op grond van zijn functie, het vervalsen van documenten uitgegeven door de overheid en het gebruik daarvan alsmede het plegen van valsheid in geschrifte aangaande informatica documenten”.

2. De opgeëiste persoon heeft het cassatieberoep laten instellen. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, een schriftuur met twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt in de kern dat de rechtbank heeft nagelaten op de zitting van 1 augustus 2018 de identiteit van de opgeëiste persoon te onderzoeken, althans heeft nagelaten op een begrijpelijke wijze blijk te geven van een dergelijk onderzoek, en daardoor het bepaalde in artikel 26, eerste lid, Uitleveringswet, heeft geschonden.

4. Artikel 26, eerste lid, Uitleveringswet luidt als volgt:

“De rechtbank onderzoekt de identiteit van de opgeëiste persoon op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, alsmede de ontvankelijkheid van het verzoek tot uitlevering en de mogelijkheid van inwilliging daarvan. De rechtbank is tevens bevoegd de identiteit van de opgeëiste persoon vast te stellen op de wijze, bedoeld in artikel 27a, tweede lid, van dat wetboek, indien over zijn identiteit twijfel bestaat. Artikel 29c, tweede lid, van dat wetboek is van overeenkomstige toepassing.”

Voorts luidt artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, Sv als volgt:

“De verdachte wordt ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit gevraagd naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats.”

5. De rechtbank heeft het verzoek tot uitlevering op twee zittingen inhoudelijk behandeld, te weten op 4 juli 2018 en op 1 augustus 2018. Het proces-verbaal van de zitting van 4 juli 2018 houdt het volgende in:

“Uitgeroepen wordt de zaak tegen na te noemen persoon.

Deze persoon, ter zitting aanwezig. antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats]

thans verblijvende in P.I. Leeuwarden te Leeuwarden

verder te noemen ‘de opgeëiste persoon’.”

6. Het proces-verbaal van de zitting van 1 augustus 2018 houdt het volgende in:

“De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen en heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om op zitting te verschijnen. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. M. Westerman, advocaat te Amsterdam is wel ter zitting verschenen.”

7. In de uitspraak van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon op de zitting van 4 juli 2018 onderzocht en vastgesteld dat van degene die voor de rechtbank is verschenen de uitlevering is verzocht.”

8. In cassatie is terecht niet betwist dat de rechtbank ter zitting van 4 juli 2018 de identiteit van de opgeëiste persoon heeft vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, eerste lid, Uitleveringswet in combinatie met het bepaalde in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, Sv. Daarbij was de rechtbank anders samengesteld dan ter zitting van 1 augustus 2018. De gang van zaken was als volgt.

9. Ter zitting van 4 juli 2018 heeft de rechtbank (samenstelling: Zwarts, Haisma en Venema) vastgesteld dat de daar verschenen persoon degene is op wie het uitleveringsverzoek betrekking heeft. Op deze zitting is het onderzoek vervolgens gesloten onder de mededeling dat uitspraak zal worden gedaan op 18 juli 2018. Vervolgens heeft de rechtbank op 11 juli 2018 bij interlocutoire uitspraak het onderzoek ter zitting heropend onder gelijktijdige schorsing daarvan tot 1 augustus 2018, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen vragen met betrekking tot het uitleveringsverzoek en de vertaling(en) daarvan te beantwoorden. Het uitleveringsverzoek is vervolgens ter zitting van 1 augustus 2018 (samenstelling: Keurentjes, Smeets en Haisma) nader behandeld en het onderzoek is op die zitting gesloten. Op grond van het voorgaande kan dus worden vastgesteld dat het onderzoek op 1 augustus 2018 in een gewijzigde samenstelling heeft plaatsgevonden.

10. Artikel 29, eerste lid, Uitleveringswet verklaart in verband met de wijze waarop het onderzoek na schorsing moet worden hervat artikel 322 Sv van overeenkomstige toepassing.

11. Artikel 322 Sv luidt als volgt:

“1. Onverminderd het bepaalde in artikel 280, tweede en derde lid, wordt in alle gevallen waarin de schorsing van het onderzoek is bevolen, het onderzoek in de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip der schorsing bevond.

2. De rechtbank is ook bij toepassing van het eerste lid bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.

3. De rechtbank beveelt dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen in het geval de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting gewijzigd is, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond.

4. Ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding uit hoofde van artikel 278, eerste lid, beslissingen op verweren van de verdachte uit hoofde van artikel 283, eerste lid, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de telastlegging alsmede beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van artikel 287 of artikel 288 in stand.”

12. Nu de rechtbank ten tijde van het onderzoek ter zitting van 1 augustus 2018 anders was samengesteld, terwijl uit het proces-verbaal van deze zitting niet blijkt dat de officier van justitie en (de raadsvrouw van) de opgeëiste persoon uitdrukkelijk hebben ingestemd met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de schorsing bevond, had de rechtbank behoren te bevelen dat het onderzoek op deze zitting opnieuw werd aangevangen.2 Dat is niet gebeurd, maar daarover wordt niet geklaagd. Wél klaagt het middel dat de rechtbank niet (opnieuw) de identiteit heeft vastgesteld van de opgeëiste persoon overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, eerste lid, Uitleveringswet in combinatie met het bepaalde in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, Sv.

13. Artikel 322, vierde lid, Sv bepaalt dat ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen, bepaalde beslissingen van de rechtbank in stand blijven. Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarbij artikel 322, vierde lid, Sv zou worden ingevoegd, kan worden opgemaakt dat dit nieuwe onderdeel is opgenomen om “een betrekkelijk zinloze herhaling van zetten” te vermijden.3 Naar mijn mening zou het opnieuw vaststellen van de identiteit van de opgeëiste persoon een betrekkelijk zinloze herhaling van zetten zijn, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen waarom moet worden betwijfeld dat de persoon die ter zitting is verschenen of afstand heeft gedaan om ter zitting te verschijnen dezelfde is als de persoon waarvan de rechtbank eerder de identiteit heeft vastgesteld.

14. De betekenis van het onderzoek naar de identiteit van de opgeëiste persoon heeft Swart als volgt omschreven:

“De rechtbank zal moeten vaststellen op welke persoon het uitleveringsverzoek betrekking heeft en tevens of de ter terechtzitting opgeroepen of gedagvaarde persoon degene is op wie het verzoek betrekking heeft.”4

15. Ter zitting van 1 augustus 2018 is de opgeëiste persoon niet verschenen, maar wel diens raadsvrouw. Uit het van de zitting opgemaakte proces-verbaal kan niet blijken dat zij heeft betwist dat haar cliënt de opgeëiste persoon is waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, terwijl evenmin daaruit kan blijken dat zij om een andere reden de rechtbank heeft verzocht de identiteit opnieuw vast te stellen of vraagtekens heeft geplaatst bij de eerdere vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon.5 Bij deze stand van zaken zie ik niet in waarom de rechtbank ter zitting van 1 augustus 2018 opnieuw de identiteit van de opgeëiste persoon had moeten vaststellen. In cassatie wordt daarvoor ook geen enkele reden aangevoerd zodat ik ook niet het in rechte te respecteren belang kan zien dat de opgeëiste persoon bij dit middel heeft.

16. Voor zover het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten op de zitting van 1 augustus 2018 de nationaliteit van de opgeëiste persoon te onderzoeken – althans heeft nagelaten op een begrijpelijke wijze blijk te geven van een dergelijk onderzoek – en daardoor het bepaalde in artikel 26, eerste lid, Uitleveringswet, heeft geschonden, gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting, nu het onderzoek als bedoeld in artikel 26, eerste lid, Uitleveringswet niet dwingt tot een onderzoek naar de nationaliteit van de opgeëiste persoon. Met het oog op artikel 4 Uitleveringswet is de nationaliteit van de opgeëiste persoon van belang voor de daar genoemde terugkeergarantie die echter niet ter beoordeling staat van de uitleveringsrechter maar van de minister van Justitie en Veiligheid. Ook om die reden was de uitleveringsrechter niet gehouden de nationaliteit van de opgeëiste persoon vast te stellen.

17. Het middel is ondeugdelijk.

18. Het tweede middel klaagt over schending van artikel 2 Grondwet en artikel 2 Uitleveringswet doordat de rechtbank de verdragsgrondslag voor de uitlevering van de opgeëiste persoon heeft gewijzigd terwijl het verdrag dat de verzoekende staat aan het uitleveringsverzoek ten grondslag heeft gelegd geen grondslag voor uitlevering biedt. De rechtbank heeft de uitlevering daarom ten onrechte toelaatbaar verklaard. Aangevoerd wordt dat in de wetsgeschiedenis noch in de jurisprudentie aanknopingspunten zijn te vinden voor de stelling dat de aangezochte staat de door de verzoekende staat in het uitleveringsverzoek genoemde verdragsgrondslag eenzijdig mag wijzigen, waardoor de verdragsrechtelijke grondslag die is gekozen door de verzoekende staat komt te vervallen en plaatsmaakt voor een ander door de aangezochte staat naar eigen inzicht gekozen verdrag.

19. Aan het uitleveringsverzoek heeft de verzoekende staat ten grondslag gelegd het Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko van 20 september 2010.6 Inderdaad volgt uit artikel 1, derde lid, van dit verdrag, dat het niet van toepassing is op uitleveringsverzoeken.7 In het uitleveringsverzoek wordt het verdrag abusievelijk aangeduid als een uitleveringsverdrag: “la convention signée à Rabat le 20-09-2010 entre le Royaume du Maroc et le Royaume des Pays-Bas dans le domaine de l’extradition.”

20. Op de onjuiste verdragsgrondslag waarop het uitleveringsverzoek berust, werd gewezen in de brief waarmee de minister van Justitie en Veiligheid het uitleveringsverzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, tweede lid, Uitleveringswet, in handen van de officier van justitie heeft gesteld. De brief houdt het volgende in:

“Ik verzoek u bijgaand verzoek overeenkomstig de Uitleveringswet, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende [georganiseerde, plv. AG] misdaad (UNTOC; Trb. 2004, 34) en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (New York, 31 oktober 2003, Trb. 2004, 11) [in behandeling te nemen, plv. AG]. Voor de goede orde wil ik opmerken dat het door de Marokkaanse autoriteiten genoemde bilaterale verdrag (Trb. 2010, 285) geen basis biedt voor uitlevering.”

21. Op het verzoek tot uitlevering heeft de rechtbank in haar uitspraak van toepassing verklaard het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie.8 Het verdrag biedt landen zoals Nederland, die voor uitlevering een verdrag vereisen, de mogelijkheid dit verdrag als juridische grondslag voor uitlevering te gebruiken indien een uitleveringsverzoek wordt ontvangen van een andere staat die partij is bij dit verdrag en in de relatie met deze staat geen uitleveringsverdrag van kracht is.9 Nederland heeft de in artikel 44, lid 6 aanhef en onder a, van het verdrag bedoelde verklaring afgelegd,10 die erop neerkomt dat Nederland het verdrag zal beschouwen als de juridische grondslag voor uitlevering met andere staten die partij zijn bij het verdrag.11 Marokko is partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie.

22. Tegen de verandering door de rechtbank van de verdragsgrondslag voor de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt door de steller van het middel aangevoerd dat in de wetsgeschiedenis noch in de jurisprudentie aanknopingspunten zijn te vinden voor de mogelijkheid voor de aangezochte staat om de door de verzoekende staat in het uitleveringsverzoek genoemde verdragsgrondslag eenzijdig te wijzigen, waardoor de verdragsrechtelijke grondslag die is gekozen door de verzoekende staat komt te vervallen en plaatsmaakt voor een ander door de aangezochte staat naar eigen inzicht gekozen verdrag. Aan deze klacht ligt de opvatting ten grondslag dat uitsluitend de verzoekende staat de verdragsgrondslag voor het uitleveringsverzoek bepaalt. Die opvatting is onjuist om de volgende redenen.

23. Nergens is voorgeschreven dat de om uitlevering verzoekende staat de partij is die exclusief, met uitsluiting van de verzoekende staat of de rechter die over de uitlevering oordeelt, bepaalt op basis van welk verdrag het uitleveringsverzoek moet worden beoordeeld. Een dergelijk voorschrift ontbreekt in het bijzonder in artikel 2 Grondwet en artikel 2 Uitleveringswet waarop in het middel een beroep wordt gedaan, en is evenmin te vinden in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie noch in het Europees Verdrag betreffende uitlevering dat op de onderhavige zaak van toepassing is op grond van artikel 51a, derde lid, Uitleveringswet.

24. Een voorschrift met de inhoud dat de verzoekende staat het toe te passen verdrag exclusief aanwijst, is wel opgenomen in het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen.12 Welk verdrag van toepassing is, kan bij de overname van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen van belang zijn voor bijvoorbeeld de mogelijkheid om de duur van de ten uitvoer te leggen vrijheidsstraf aan te passen aan Nederlandse maatstaven en de eventuele verplichting voor de aangezochte staat om de tenuitvoerlegging over te nemen.13 In het kader van de uitlevering zijn dergelijke verschillen niet aan de orde. Ook de ratio pleit tegen een strikte benadering waarbij uitsluitend de verzoekende staat de verdragsgrondslag bepaalt. Indien de uitlevering zou worden afgewezen omdat het verdrag tekort zou schieten waarop het uitleveringsverzoek volgens de verzoekende staat berust, dan zou de verzoekende staat de uitlevering opnieuw kunnen verzoeken en daaraan het toereikende verdrag ten grondslag leggen. De verzoekende staat houden aan de grondslag waarop het uitleveringsverzoek berust, zou daarom niet praktisch zijn.

25. Een vraag die vergelijkbaar is met de vraag die het middel in de onderhavige zaak aan de orde stelt, is aan de Hoge Raad voorgelegd in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 18 mei 2010. Het uitleveringsverzoek was gebaseerd op het bilaterale uitleveringsverdrag tussen Nederland en Argentinië dat echter geen grondslag bood voor de handel en uitvoer van drugs voor welke feiten de uitlevering werd verzocht. De rechtbank had behalve het bilaterale uitleveringsverdrag ook het VN Verdrag tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen toegepast, dat niet in het uitleveringsverzoek zelf was genoemd, maar wel in de brief waarmee de Argentijnse ambassade het uitleveringsverzoek aan het Nederlandse Ministerie van Justitie had aangeboden.

26. Met betrekking tot de verdragsgrondslag voor de uitlevering, had de rechtbank het volgende overwogen:

“Op verzoeken gedaan door de Argentijnse regering zijn van toepassing:

- Het Verdrag tusschen Nederland en Argentinië tot wederkeerige uitlevering van misdadigers van 7 september 1893, Stb. 1898, 29;

- Het VN-Verdrag tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen van 20 december 1988, Trb. 1990, 94;

- De Uitleveringswet.

In het oorspronkelijke verzoek is uitsluitend [gerefereerd] aan eerstgenoemd verdrag uit 1893 dat inderdaad in artikel 2 een limitatieve opsomming geeft van de strafbare feiten op basis waarvan uitlevering kan worden verzocht, in welk artikel 2 de handel en uitvoer van drugs niet is genoemd. De ambassade van Argentinië echter, die geacht dient te worden de regering van Argentinië te vertegenwoordigen, heeft in haar aanbiedingsbrief tevens verwezen naar voormeld VN-verdrag dat op grond van artikel 6 van dat verdrag uitlevering wegens strafbare feiten inzake verdovende middelen mogelijk maakt. Het verweer dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard nu het niet op het juiste verdrag is gegrond wordt verworpen.”

27. In cassatie werd erover geklaagd dat de rechtbank de toelaatbaarverklaring van de uitlevering “ten onrechte niet uitsluitend heeft beoordeeld op de grondslag” van het bilaterale uitleveringsverdrag. De Hoge Raad verwierp het middel en overwoog daarbij het volgende:

“2.3. Het middel steunt op de opvatting dat het ‘een van de fundamenten van de uitleveringsprocedure’ is dat de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering uitsluitend wordt beoordeeld op de grondslag van het verdrag dat in het ‘rechtshulpverzoek’ is vermeld, zodat de Rechtbank de verzochte uitlevering ten onrechte mede heeft getoetst aan het in voormelde ‘aanbiedingsbrief’ genoemde verdrag.
2.4. Deze opvatting vindt geen steun in het recht.”14

28. De onderhavige zaak zou hiervan verschillen, zo wordt in cassatie aangevoerd, omdat het door de rechtbank toegepaste verdrag niet werd genoemd in de aanbiedingsbrief van de Marokkaanse ambassade, zoals het door de rechtbank toegepaste verdrag wel werd genoemd in de aanbiedingsbrief van de Argentijnse ambassade in de hiervoor genoemde zaak. Hierboven heb ik aangegeven dat en waarom de om uitlevering verzoekende staat niet exclusief de grondslag van het uitleveringsverzoek bepaalt zodat daarvoor niet het uitleveringsverzoek noch de aanbiedingsbrief doorslaggevend zijn. Daarmee faalt het middel.

29. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat het tweede feit waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard naar het oordeel van de rechtbank naar Nederlands recht “valsheid in geschrift” oplevert, terwijl artikel 225 Sr niet in artikel 51a Uitleveringswet is aangewezen als een van de misdrijven waarvoor op basis van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie kan worden uitgeleverd.15 Dit kan de vraag opwerpen of het verdrag dat de rechtbank als grondslag voor de beoordeling van het uitleveringsverzoek heeft gebruikt, ook ten aanzien van dit feit de naar Nederlands recht vereiste verdragsgrondslag voor uitlevering kan bieden. Ik meen van wel in verband met navolgende.

30. Zoals hiervoor al is aangegeven, biedt het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie de verdragsstaten die uitlevering afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, de mogelijkheid dit verdrag aan te wijzen als grondslag voor uitlevering aan andere verdragspartijen en heeft Nederland van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Dit komt niet alleen tot uitdrukking in de door Nederland bij dit verdrag afgelegde verklaring waaruit blijkt dat Nederland het verdrag zal beschouwen als de juridische grondslag voor uitlevering met andere staten die partij zijn bij het verdrag, maar ook door de aanvulling van het tweede lid van artikel 51a Uitleveringswet met een verwijzing naar dit verdrag.

31. In het tweede lid van artikel 51a Uitleveringswet wordt niet alleen verwezen naar de betreffende verdragen en protocollen, maar wordt ook per verdrag of protocol aangegeven welke bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht corresponderen met de gedragingen die op grond van het verdrag strafbaar moeten worden gesteld en in zoverre als verdragsfeiten moeten worden aangemerkt. Die indicatie voor de uitleveringsrechter blijkt lastig voor de wetgever te realiseren, mede omdat de door de verdragen bestreken gedragingen niet altijd nauwkeurig zijn af te bakenen. De Hoge Raad heeft dit probleem ondervangen door te bepalen dat “voor het antwoord op de vraag voor welke delicten kan worden uitgeleverd, te dezen het Verdrag bepalend is en niet art. 51a UW.”16 Dat het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie mede ziet op valsheid in geschrift als gedraging die corruptie behelst dan wel daarmee verband houdt of als handeling die corruptie ondersteunt, blijkt uit de toelichtende nota waarmee de Minister van Buitenlandse Zaken het verdrag ter stilzwijgende goedkeuring aan het parlement heeft overgelegd.17

32. Het middel faalt.

33. De middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

34. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

35. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 In de franse vertaling aangeduid als “les faits” en opgenomen in het document “Exposé detaillé des faits imputés à l’accusé [de opgeëiste persoon] ” van 14 mei 2018, afkomstig van de “procureur Général de Roi de la cour d’Appel de Marrakech”.

2 Vgl. HR 25 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698.

3 Kamerstukken II 2003/04, 29254, 3, p. 4.

4 A.H.J. Swart m.m.v. K. Helder, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 419, nr. 377. Zie voorts V.H. Glerum & N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 196: De bij het verzoek gevoegde gegevens “moeten het de rechter mogelijk maken de identiteit vast te stellen van degene die ter zitting verschijnt: is hij wel de verdachte of veroordeelde waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft?”

5 Vgl. HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3973 r.o. 2.3.

6 Trb. 2010, 285; i.w.tr. 1 december 2012, Trb. 2012, 221, p. 2.

7 “Dit Verdrag is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van een bevel tot aanhouding, noch op de tenuitvoerlegging van veroordelingen.” Vgl. Kamerstukken II 2010/11, 32816 (R1955), A, p. 10 m.b.t. art. 16: “Overigens geldt dat verdachten in het kader van dit artikel nooit tijdelijk kunnen worden overgebracht met het oog op een terechtzitting of berechting. Dat kan alleen door middel van uitlevering gebeuren.”

8 Trb. 2004, 11, i.w.tr. 14 december 2005, Trb. 2005, 244, p. 64, voor Nederland op 30 november 2006, voor Marokko op 8 juni 2007, Trb. 2011, 5, p. 32.

9 Art. 44, vijfde lid, verdrag, Trb. 2004, 11, p. 52: “If a State Party that makes extradition conditional on the existence of a treaty receives a request for extradition from another State Party with which it has no extradition treaty, it may consider this Convention the legal basis for extradition in respect of any offence to which this article applies.”

10 Art. 44, zesde lid aanhef en onder a van het verdrag, luidt als volgt (Trb. 2004, 11, p. 52 en 54): “A State Party that makes extradition conditional on the existence of a treaty shall: a) At the time of deposit of its instrument of ratification, acceptance or approval of or accession to this Convention, inform the Secretary-General of the United Nations whether it will take this Convention as the legal basis for cooperation on extradition with other States Parties to this Convention”.

11 Trb. 2011, 32, p. 39: “The Kingdom of the Netherlands declares, with reference to Article 44, paragraph 6, sub a, of the Convention, that the Kingdom of the Netherlands takes the said Convention, for the Kingdom in Europe, as the legal basis for cooperation on extradition with other States Parties to this Convention.”

12 Trb. 1983, 74. Art. 22, vierde lid, VOGP: “If a request for transfer falls within the scope of both the present Convention and the European Convention on the International Validity of Criminal Judgments or another agreement or treaty on the transfer of sentenced persons, the requesting State shall, when making the request, indicate on the basis of which instrument it is made.”

13 Zie daarover mijn proefschrift, De overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen. Een onderzoek naar de voorwaarden naar Nederlands recht, diss. Utrecht, Pompe reeks nr. 13, Arnhem: Gouda Quint 1994, p. 98, nr. 142 (verplichting de tenuitvoerlegging over te nemen); p. 100, nr. 147 (uitsluitend exequaturprocedure) p. 110, nr. 169 (exequaturprocedure of voortgezette/onmiddellijke tenuitvoerlegging).

14 HR 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9130. Vgl. HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8326, NJ 2006/408 m.nt. A.H. Klip, voor een omgekeerd geval waarin de rechtbank naar het oordeel van AG Vellinga (sub 4-16) ten onrechte niet het bilaterale uitleveringsverdrag heeft toegepast, maar alleen het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, dat door de verzoekende staat Kenia aan het verzoek ten grondslag had gelegd en naar het oordeel van annotator Klip (sub 4-6) de Hoge Raad ten onrechte in het midden heeft gelaten welk uitleveringsverdrag van toepassing was.

15 Art. 51a, eerste en tweede lid, Uitleveringswet luiden, voor zover hier relevant, als volgt: “1. Voor de in het tweede lid genoemde feiten, strafbaar te stellen ingevolge de in dat lid genoemde verdragen, kan worden uitgeleverd aan Staten die Partij zijn bij het desbetreffende verdrag. 2. Het eerste lid heeft betrekking op: […] – de misdrijven, strafbaar gesteld in de artikelen 177, 178, 284, 285a, 310, 321, 322, 326, 328ter, 359 tot en met 366, 376, 416, 417, 417bis, 420bis, 420ter en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, dan wel de misdrijven, strafbaar gesteld in de artikelen 183, 183a, 184, 297, 298a, 323, 334, 335, 339, 341ter, 375 tot en met 382, 392, 431, 432, 432bis, 435a, 435b en 435c van het Wetboek van Strafrecht BES voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 15 tot en met 17, 19 en 21 tot en met 25 van het op 31 oktober 2003 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen corruptie (Trb. 2005, 244)”.

16 HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0837 r.o. 5.2. m.b.t. art. 16, vijfde lid, Verdrag van de VN tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad.

17 Kamerstukken I/II 2005/06, 30808 (R1815), A/1, p. 4.