Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1363

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-12-2018
Datum publicatie
12-12-2018
Zaaknummer
18/03665
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:94
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/03665 U

Zitting: 11 december 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

  1. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 8 augustus 2018 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging van de hiervoor genoemde drie feiten”, waarmee de rechtbank verwijst naar “1. het invoeren van verdovende of stimulerende middelen op 23 februari 2010 te Istanbul (Turkije); 2. het invoeren van verdovende of stimulerende middelen op 22 maart 2010 te Antalya (Turkije); 3. deelname aan een criminele organisatie en het invoeren van verdovende of stimulerende middelen op 22 januari 2012 te Istanbul (Turkije)”.

  2. De opgeëiste persoon heeft het cassatieberoep laten instellen. Mr. M.M.R. Slaghekke en mr. R. van Leusden, beiden advocaat te Amsterdam, hebben namens de opgeëiste persoon een schriftuur met één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt over de beslissing tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon, dan wel de verwerping van een verweer dat sprake is van een (dreigende) schending van artikel 6 EVRM, omdat er sterke aanwijzingen zijn dat sprake is van een voltooide, dan wel een dreigende flagrante inbreuk op de onschuldpresumptie. Deze inbreuk zou blijken uit het bij de processtukken gevoegde aanhoudingsverzoek waarin de opgeëiste persoon wordt aangeduid als “the guilty” en waarin verder de woorden “is committed” (heeft begaan) worden gebruikt. De rechtbank zou de uitlevering ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd toelaatbaar hebben verklaard, dan wel het verweer waarop het middel betrekking heeft, ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd hebben verworpen.

  4. Het verweer waarop het middel betrekking heeft, is ter zitting van 25 juli 2018 gevoerd door de raadsvrouw aan de hand van de daar overgelegde pleitnota die deel uitmaakt van het proces-verbaal dat van de zitting is opgemaakt. De pleitnota houdt het volgende in (typografische accentuering als in het origineel):

22. Dreigende schending van fundamentele rechten

Art. 6 EVRM

23. Door de arresten van het EHRM inzake Soering en van de HR inzake Short zijn de mensenrechten voor de uitleveringsprocedure van belang geworden. De mensenrechten als verweer zijn nog volop in ontwikkeling en eigenlijk heeft een dreigende schending ervan pas in een kort geding kans van slagen. Echter, uitzondering lijkt te zijn indien de opgeëiste persoon kan aantonen dat hem in de verzoekende staat een flagrant oneerlijk proces te wachten staat.

24. In het aanhoudingsverzoek d.d. 17 april 2018 onttrek ik sterke aanwijzingen dat er sprake zal zijn van een schending van de [onschuldpresumptie] als bedoeld in art. 6 EVRM (‘conclusion’):

‘Judgement is made in our Court for the alleged offence of importing drugs or stimulants that the defendant [de opgeëiste persoon] is committed . I ask you the extradition of the guilty who is determined in your country (NB: onderstreping advocaat’

25. Daarenboven in aanklacht die is ingediend bij Antalya Heavy Penal Court staat opgenomen dat:

‘[…] he will be brought into closest Penal Court of Peace without determining his defense and by making pre-dispatch detention, get him present in our Court as soon as possible without waiting for the trial date (NB: onderstreping advocaat’

26. Client is ogenschijnlijk al veroordeeld, wordt benoemd als ‘the guilty’ en ‘is commited’. Onschuldpresumptie is een van de meest fundamentele aspecten van een eerlijke proces. Ik meen dat uw rechtbank in dit verband wel kan oordelen en verzoek u ten aanzien dit aanhoudingsbevel te adviseren de uitlevering niet toe te staan.”

4.1. De rechtbank heeft naar aanleiding van dit verweer in de uitspraak het volgende overwogen:

“Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat uit de bewoordingen in het aanhoudingsverzoek blijkt van sterke aanwijzingen van de schending van de onschuldpresumptie, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Die enkele bewoordingen zijn onvoldoende om een dergelijke conclusie te rechtvaardigen.”

4.2. Wat opvalt aan de beslissing van de rechtbank, is dat daarin niet allereerst is ingegaan op de vraag of de uitleveringsrechter, gelet op de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Justitie en Veiligheid, een oordeel toekomt over een eventuele schending van de in het verweer bedoelde mensenrechten. Voordat ik daarover verder iets opmerk, ga ik in op de veronderstelling die aan het middel ten grondslag ligt, namelijk dat de aanduiding van de opgeëiste persoon in het bij de processtukken gevoegde aanhoudingsverzoek als “the guilty” die de feiten heeft begaan (“is committed”) een inbreuk op de onschuldpresumptie oplevert. Daarbij merk ik op dat het document waarom het gaat door de raadsvrouw ter zitting en de raadslieden in cassatie wordt aangeduid als het aanhoudingsverzoek van 17 april 2018, terwijl de gewraakte woorden zijn opgenomen in de Engelse vertaling van het uitleveringsverzoek van de 4e meervoudige kamer in strafzaken te Antalya van genoemde datum. Ik verwijs ernaar als het document.

4.3. De rechtbank heeft de bewoordingen “the guilty” en “is committed” zoals die zijn gebruikt in het document kennelijk aldus uitgelegd dat de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht omdat hij ervan wordt verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan de in het document uiteengezette feiten. Deze uitleg is niet onverenigbaar met de bewoordingen van het document, in het bijzonder niet nu de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht ter strafvervolging en niet ter tenuitvoerlegging. De uitleg die erop neer komt dat de opgeëiste persoon door de Turkse autoriteiten nog niet als schuldig wordt aangemerkt, vindt steun in de Nederlandse vertaling van het document, welke vertaling, net als de Engelstalige, is gebaseerd op het originele, in de Turkse taal gestelde document:

“Verdachte [de opgeëiste persoon] wordt vanwege het tenlastegelegde strafbaar feit invoer van verdovende of stimulerende middelen vervolgd door onze rechtbank. Hierbij verzoek ik u om de verdachte, waarvan vermeld wordt dat hij zich in uw land bevindt, aan Turkije uit te leveren teneinde vervolging mogelijk te maken.”

De Turkse begrippen laten zich kennelijk ook vertalen als “verdachte” respectievelijk “tenlastegelegd”. Anders gezegd: de begrippen “the guilty” en “is committed” zijn vertaalkwesties en wijzen niet op een inbreuk op de onschuldpresumptie. Nu het verweer van de verdediging zo evident niet kan slagen, heeft de rechtbank reeds daarom daaraan voorbij kunnen gaan, zonder eerst de vraag te beantwoorden of en in hoeverre de uitleveringsrechter in het licht van de bevoegdheidsverdeling, bevoegd is te oordelen over het beroep op (dreigende) mensenrechtenschendingen. Ik acht het daarom ook niet nodig uiteen te zetten waarom de uitleveringsrechter gelet op de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister van Justitie en Veiligheid, niet gehouden was het verweer met betrekking tot een (dreigende) schending van artikel 6 EVRM inhoudelijk te beoordelen.1

4.4. Het middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Om die reden leent deze zaak zich voor toepassing van artikel 80a RO.

5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van het beroep in cassatie.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.6.