Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1335

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-10-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
17/01613
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2193
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Snelheidsovertreding begaan door onbekend gebleven bestuurder van personenauto waarvan verdachte eigenaar is, art. 62 jo. bord A1 RVV 1990 jo. 181.1 WVW 1994. Cautieverzuim bij aanvang onderzoek ttz., art. 273.2 Sv. Heeft omstandigheid dat voorzitter Hof op latere tz. (waarop onderzoek opnieuw is aangevangen) verdachte niet heeft medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is, terwijl verdachte niet werd bijgestaan door raadsman maar zijn verklaring niet bij bewijsvoering is betrokken, nietigheid onderzoek ttz. tot gevolg? Ex art. 273.2 Sv dient voorzitter bij aanvang onderzoek ttz. verdachte mede te delen dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Dit voorschrift beoogt verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. Genoemde mededeling dient o.g.v. art. 326.1 Sv in p-v ttz. te worden opgenomen. Op het niet-naleven van het voorschrift van art. 273.2 Sv is in de wet niet uitdrukkelijk de nietigheid van het onderzoek ttz. gesteld. Niettemin brengt de strekking van dat voorschrift mee dat het niet in acht nemen van die bepaling nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gewezen uitspraak tot gevolg heeft, te weten in het geval dat verdachte door het begane verzuim redelijkerwijs in zijn verdediging is geschaad (vgl. ECLI:NL:HR:1981:AC3210). P-v tz. in h.b. (vijfde tz. in h.b.) houdt niet in dat verdachte, die niet van rechtsbijstand was voorzien, is medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht, terwijl evenmin blijkt dat onderzoek ttz. is hervat in stand waarin het zich bevond. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat onderzoek ttz. opnieuw is aangevangen en dat op die tz. voorschrift van art. 273.2 Sv niet in acht is genomen. Dit behoeft echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden omdat verdachte door dat verzuim redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. Hof heeft immers de op die tz. afgelegde verklaring van verdachte noch bij bewijsvoering noch anderszins ten nadele van verdachte bij zijn beslissing betrokken. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01613

Zitting: 9 oktober 2018

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 21 december 2016 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A 1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig”, veroordeeld tot een geldboete van € 860,00, subsidiair 17 dagen hechtenis, waarbij het hof heeft bepaald dat de geldboete mag worden voldaan in 2 termijnen van 2 maanden, elke termijn groot € 430,00. Voorts heeft het hof aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van 4 maanden.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof de verdachte ter terechtzitting van 21 december 2016 niet heeft vermaand oplettend te zijn en evenmin hem heeft medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is, terwijl het hof de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte heeft meegenomen in de bewijsvoering.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“Een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), gekentekend [AA-00-AA], op 13 oktober 2012 te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A2, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord Al van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 159 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden, terwijl verdachte toen eigenaar of houder, als bedoeld in artikel 1, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was”

5. Deze bewezenverklaring steunt op het volgende bewijsmiddel:

“Een proces-verbaal van de politie Dienst Operationele Samenwerking, Korps Landelijke Politiediensten, opgemaakt door [verbalisant], BOA van de Domein Generieke Opsporing, gedateerd 14 februari 2014, met de bijbehorende bijlagen, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik stelde na onderzoek vast dat een persoon een feit pleegde dat is gecodeerd als feitnummer VM 060 en dat als volgt omschreven is:

Overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen buiten de bebouwde kom, met een overschrijding van 55 km per uur tot 60 km per uur (verkeersbord A1).

Overtredingsgegevens:

Datum : 13 oktober 2012

Omstreeks : 02:50 uur

Plaats : Vinkeveen

Gemeente : De Ronde Venen

Locatie : Trajectcontrole A2

Buiten een als zodanig aangeduide bebouwde kom

Soort weg : Autosnelweg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg

Richting van : Amsterdam

Richting naar : Utrecht

Voertuig : Personenauto

Merk/type : Audi

Kenteken : [AA-00-AA]

Deze overtreding werd langs elektronische weg geconstateerd en vastgesteld. Door mij is waargenomen hetgeen langs elektronische weg is geconstateerd en vastgesteld.

De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van de factoren tijd en afstand.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 164 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 159 km per uur.

Toegestane snelheid: 100 km per uur.

Overschrijding met: 59 km per uur.

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het collega van Procureurs-Generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid.

De bestuurder werd ter plaatse niet staande gehouden. Er werd volstaan met het bekeuren op kenteken.

Volgens de opgave van de Rijksdienst voor het wegverkeer dan wel uit een ingesteld nader onderzoek bleek het motorvoertuig toe te behoren aan:

Eigenaar

Naam : [verdachte]

Geboren : [geboortedatum]1975

Adres : [a-straat 1]

Postcode/woonplaats : [plaats]

Datum RDW-bevraging : 15 oktober 2012

Deel II : 8 augustus 2012.”

6. De behandeling van de strafzaak bij het hof heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015, 24 augustus 2015, 23 maart 2016, 25 mei 2016 en 21 december 2016. De in het middel verwoorde klacht ziet op de terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2016. Ik geef hier eerst kort weer wat zich voorafgaand aan de terechtzitting van het hof van 21 december 2016 heeft afgespeeld:

13 mei 2015: het onderzoek ter terechtzitting wordt voor onbepaalde tijd geschorst naar aanleiding van een aanhoudingsverzoek (e-mailbericht) van de niet aanwezige verdachte.

24 augustus 2015: de verdachte is niet verschenen, maar de advocaat-generaal bij het hof constateert dat de kantonrechter in eerste aanleg heeft nagelaten een door de verdachte meegebrachte getuige te horen. De meegebrachte getuige zou degene zijn die tijdens de overtreding de auto van de verdachte bestuurde. Het hof is van oordeel dat de getuige door de politie moet worden gehoord en schorst in verband hiermee het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd.

23 maart 2016: de verdachte is ter terechtzitting verschenen. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt onder meer het volgende:

“De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen deze zal horen en deelt verdachte mede dat deze niet tot antwoorden verplicht is.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De verdachte voert het woord - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik ben de Nederlandse taal niet goed machtig. Ik heb wel Nederlands leren praten, maar beheers het nog steeds niet goed. Ik heb geen geld om een advocaat te betalen. Dat is ook de reden waarom ik nu geen advocaat heb. Ik kan niet leven met deze zaak. Ik heb een groot probleem en heb daarbij een advocaat nodig. Ik weet dat de zaak over het te hard rijden met een personenauto gaat. Ik wil graag door een tolk in de Arabische/Egyptische taal worden bijgestaan.

De advocaat-generaal voert het woord - zakelijk weergegeven - als volgt:

Verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord zonder bijstand van een tolk. Hij beheerst de Nederlandse taal voldoende om de behandeling ter terechtzitting te kunnen volgen.

De verdachte voert het woord - zakelijk weergegeven - als volgt:

Met bijstand van een tolk kan ik u meer uitleggen over mijn persoonlijke omstandigheden. Ik heb een groot probleem. Ik heb in een tijdsbestek van zes maanden ongeveer €10.000,- aan boetes binnengekregen.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mee, zakelijk weergegeven:

Het hof is van oordeel dat verdachte ter terechtzitting dient te worden bijgestaan door een tolk in de Arabische/Egyptische taal.

In verband hiermee schorst het hof het onderzoek voor onbepaalde tijd in het belang van de verdediging, met bevel tot oproeping van verdachte en een tolk in voornoemde taal tegen het nog nader te bepalen tijdstip.”

25 mei 2016: het hof stelt vast dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, maar dat de door het openbaar ministerie opgeroepen tolk in de Arabische taal niet ter zitting is verschenen. Nadat de verdachte heeft aangegeven dat hij door een tolk in de Egyptisch-Arabische taal wenst te worden bijgestaan, schorst het hof - gehoord de advocaat-generaal - het onderzoek voor onbepaalde tijd.

7. Ter terechtzitting van het hof van 21 december 2016 is de onderhavige strafzaak in aanwezigheid van de verdachte, bijgestaan door een tolk, inhoudelijk behandeld. Het proces-verbaal vermeldt niet dat de voorzitter de verdachte heeft vermaand oplettend te zijn en hem heeft medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Vervolgens heeft de verdachte ter terechtzitting de volgende verklaring afgelegd:

“Ik heb hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, omdat ik niet heb gereden toen de snelheidsovertreding werd gepleegd. Mijn echtgenote was degene die toen in de auto achter het stuur zat. Zij had ten tijde van de zitting in eerste aanleg een schuld van € 13.000,—. Om die reden heb ik haar naam niet genoemd. Ik heb toentertijd in ieder geval niet de auto bestuurd. Ik word nu dan ook ten onrechte beschuldigd.

De politie had mijn vrouw en mij al meermalen bekeurd. Elk voor zo’n € 13.000,— in totaal.

Het kan zijn dat er op 13 oktober 2012 met een snelheid van 159 kilometer per uur is gereden. Het was midden in de nacht. We waren in Bloemendaal geweest. Ik had daar alcoholhoudende drank gedronken en dan rijd ik zelf niet meer.

Alle problemen die wij hebben komen door eerdere zaken die bij de politie en justitie hebben gespeeld en spelen. Alle beschuldigingen zijn door de politie en justitie in elkaar gezet. Er is sprake van een groot complot. Het klopt dat ik in eerste aanleg de naam van [betrokkene] heb genoemd. Ik heb hem toen aangewezen als de bestuurder. Hij reed in die tijd ook wel eens in onze auto en ik dacht dat hij toen gereden had.”

8. Het proces-verbaal houdt voorts het volgende in, voor zover hier van belang:

“Het hof spreekt het arrest ter openbare terechtzitting en overweegt daarbij het volgende.

Het gaat om een forse snelheidsovertreding door een onbekend gebleven bestuurder. Er is 59 kilometer per uur harder gereden dan toegestaan. Bij de kantonrechter heeft verdachte verklaard dat een vriend de auto zou hebben bestuurd en hier ter zitting heeft verdachte verklaard dat zijn echtgenote de bestuurder is geweest. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan wie de bestuurder is geweest. Verdachte blijft echter als kentekenhouder verantwoordelijk voor een met de auto begane overtreding. Uit de documentatie van verdachte blijkt voorts dat verdachte eerder is veroordeeld in verband met het overschrijden van de toegestane maximumsnelheid.”

9. Art. 29, tweede lid, Sv schrijft voor dat de verdachte niet tot antwoorden is verplicht en dat voor de aanvang van het verhoor aan de verdachte de cautie wordt gegeven. In art. 273 Sv is een soortgelijke bepaling opgenomen die zich richt tot de zittingsrechter.1 Voornoemde bepaling luidt thans als volgt:

1. (…)

2. De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

3. (…)

10. Art. 273, tweede lid, Sv bevat twee voorschriften voor de voorzitter (de plicht tot aanmaning en het geven van de cautie) en de wet zelf verbindt aan het niet naleven van die voorschriften geen rechtsgevolg. Voor zover mij bekend wordt aan het achterwege blijven van de aanmaning ook in de rechtspraak geen rechtsgevolg verbonden, maar dat ligt voor het achterwege blijven van de cautie (in het vooronderzoek) anders. Met de cautieverplichting van de voorzitter wordt evenals met art. 29, tweede lid, Sv beoogd de verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling.2 Het achterwege blijven van de cautie kan leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest dan wel uitsluiting van het bewijs dat is verkregen door de antwoorden van de verdachte, indien de verdachte hierdoor redelijkerwijs in zijn verdediging is geschaad.3 Tot dat oordeel is de Hoge Raad in het verleden al eens gekomen in het geval dat de rechter verzuimde de cautie te geven, rechtsbijstand ontbrak en de ter terechtzitting afgelegde verklaring voor het bewijs was gebezigd.4

11. Aan de mededelingsplicht zoals neergelegd in art. 273, tweede lid, Sv kleeft een belangrijk voordeel. Gelet op de inhoud van het eerste en het tweede lid van art. 273 Sv alsmede de plaatsbepaling in het Wetboek van Strafvordering, dient de rechter meteen na het uitroepen van de strafzaak de identiteit van de verdachte vast te stellen (eerste lid), waarna hij de verdachte vermaant oplettend te zijn en hem mededeelt dat hij niet tot antwoorden verplicht is (tweede lid).5 De verdachte wordt dan reeds bij aanvang van de terechtzitting duidelijk gemaakt dat hij goed moet opletten en dat hij het recht heeft om te zwijgen. Die mededeling behoeft op een later moment ter terechtzitting niet te worden herhaald, ook niet indien aan de verdachte vragen worden gesteld. Met de mededelingsplicht van art. 273, tweede lid, Sv wordt aldus voorkomen dat de verdachte op enig moment ter terechtzitting wordt gehoord, terwijl hem (nog) niet de cautie is gegeven.6

12. Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof van 21 december 2016 blijkt niet dat het voorschrift uit het tweede lid van art. 273 Sv is nageleefd. Uit de aantekening van het mondeling arrest in het proces-verbaal van de zitting blijkt niet dat het arrest naar aanleiding van enig ander onderzoek dan dat ter terechtzitting van 21 december 2016 is gewezen. Weliswaar is ter terechtzitting van het hof van 23 maart 2016 verdachte aangemaand om op te letten en is hem meegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht, maar noch uit het proces-verbaal van 25 mei 2016 noch uit dat van 21 december 2016 blijkt dat sprake is geweest van een hervatting of voortzetting van dat onderzoek. Daarvoor was, nu op alle genoemde zittingen een ander lid van de enkelvoudige kamer van het hof fungeerde, gelet op het ook in hoger beroep (art. 415 Sv) toepasselijke derde lid van art 322 Sv, vereist geweest dat de verdachte en de advocaat-generaal hadden ingestemd met hervatting van het onderzoek in de stand waarin zich dat bevond. Dergelijke verklaringen van instemming ontbreken in het proces-verbaal van 21 december 2016.

13. Kan uit het proces-verbaal van 23 maart 2016 worden afgeleid dat verdachte wist dat hij goed moest opletten ter terechtzitting en tevens wist dat hij niet tot antwoorden verplicht was? Het standpunt dat de tijdens een eerdere zitting gedane aanmaning en cautie doorwerking heeft, wordt (weliswaar voorzichtig) verdedigd.7 In aanmerking kan worden genomen dat de verdachte niet alleen op de appelzitting van 23 maart 2016 is vermaand en gewaarschuwd, maar ook op de zitting in eerste aanleg van 31 maart 2014. Enigszins problematisch is echter dat juist tijdens het onderzoek van 23 maart 2016 is besloten het onderzoek aan te houden omdat verdachte bijstand van een tolk behoefde, terwijl overigens uit het proces-verbaal in eerste aanleg geen enkele aanwijzing voor gebrekkige communicatie volgt. Omdat een basis voor wetenschap van de verdachte in het licht van de inschakeling van de tolk wankel is, nog het volgende.

14. Niet-naleving van het voorschrift vervat in het tweede lid van art. 273 Sv behoeft naar ik meen in het licht van hetgeen onder randnummer 10 is vooropgesteld, niet tot cassatie te leiden. Anders dan de steller van het middel meen ik dat van enige verklaring van verdachte ter zitting van het hof van 21 december 2016 bij de bewijsvoering geen gebruik is gemaakt.8 Uit de hierboven onder randnummer 5 geciteerde bewijsconstructie blijkt dat het hof voor het bewijs slechts gebruik heeft gemaakt van een proces-verbaal van politie waaraan het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk de in art. 344, tweede lid, Sv bedoelde unieke bewijskracht heeft toegekend. Ik meen dat aan de onder randnummer 8 geciteerde overweging van het hof waarin de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof dat zijn echtgenote de bestuurder is geweest minder gelukkig is, maar ten overvloede is gegeven en geen zelfstandige betekenis toekomt.9 Hoe dan ook is die overweging niet noodzakelijk om tot de bewezenverklaring te komen.

15. Voor zover aan die in de overweging gebruikte verklaring van verdachte wel enige betekenis wordt toegekend, meen ik dat die betekenis niet anders dan van zeer ondergeschikt belang is. Van belang is immers slechts of verdachte dan wel een ander heeft gereden en niet wie die ander is. De bewezenverklaring houdt ook niet meer in dan dat bewezen is dat een onbekend gebleven bestuurder heeft gereden. Nu de onder randnummer 5 geciteerde bewijsconstructie de bewezenverklaring zelfstandig kan dragen zie ik zonder toelichting van de kant van de steller van het middel niet in welk belang er is gediend met cassatie.

16. Het middel faalt.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ingevoerd bij Wet van 15 januari 1998 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering betreffende het aanhangig maken van de zaak en de regeling van het onderzoek ter terechtzitting (herziening onderzoek ter terechtzitting), Stb. 1998, 33. Inwerkingtreding 1 februari 1998, Stb. 1998, 34.

2 Vgl. HR 13 maart 1979, NJ 1979/268. Zie voorts hierover: Melai/Groenhuijsen e.a., art. 273 Sv, aant 4.2. Onlangs nog HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3198 en HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:247 waarin het een cautieverzuim in het vooronderzoek betrof dat (thans) valt onder de reikwijdte van art. 359a Sv.

3 HR 13 maart 1979, NJ 1979/268 en HR 31 oktober 1981, NJ 1982/17.

4 HR 31 oktober 1981, NJ 1982/17.

5 Vgl. Melai/Groenhuijsen e.a., art. 273 Sv, aant. 4.1.

6 Nadien is discussie over de noodzaak van het geven van de cautie ter terechtzitting in 2002 nog een keer opgelaaid naar aanleiding van de rede van N.A.M. Schipper bij de jaarvergadering van de NV op 14 juni 2002 (N.A.M. Schipper, ‘Ervaringen in de strafpraktijk. Rede bij de jaarvergadering van de Nederlandse Juristen-Vereniging op 14 juni 2002’, NJB 2002/27, p. 1295-1298). Door Schipper werd het voorstel gedaan de plicht van de rechter om aan de verdachte mede te delen dat hij niet tot antwoorden verplicht is af te schaffen. Naar aanleiding van (de publicatie van) zijn rede barstte in het Nederlands Juristenblad een discussie los over het belang van de mededeling van de cautie ter terechtzitting. Zie onder meer T. Prakken, ‘Het zwijgen van de onwetende verdachte’, NJB 2002/34, p. 1704-1705 en J.M. Barendrecht, ‘Het zwijgrecht van de strafrechtgeleerden’, NJB 2002/35, p. 1729.

7 J. Lensing, Het verhoor in strafzaken, Arnhem: Gouda Quint 1988, p. 209.

8 Vgl. ook HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3198. Het gaat hier om verzuimen in het vooronderzoek waarop art. 359a Sv van toepassing is. Doortrekken van deze lijn op het verzuim door de zittingsrechter lijkt mij voor de hand te liggen, ook al is in dat geval art. 359a Sv niet van toepasing. Vgl. ook Lensing, a.w., p. 208.

9 Ook het opschrift onder 3 in de aantekening van mondeling arrest luidende ‘Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring’ wijst gelet op het woord ‘alle’ op een limitatieve opsomming.