Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1323

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-11-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
17/03113
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2326
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

(Poging tot) diefstal in vereniging van o.m. geld en sieraden d.m.v. babbeltrucs waarbij verdachten zich valselijk hebben gelegitimeerd als politieambtenaar, witwassen en medeplegen van valsheid in geschrifte. 1. Klachten m.b.t. afwijzing van bij (niet tijdig) ingediende appelschriftuur en ttz. in h.b. gedane getuigenverzoeken en gebruik door Hof van verklaringen aangevers voor bewijs in strijd met ondervragingsrecht ex art. 6 EVRM. 2. Klacht m.b.t. gebruik van schakelbewijs. 3. Bewijsklacht witwassen. 4. Bewijsklacht medeplegen van valsheid in geschrifte m.b.t. opzettelijk gebruik maken van valse politiepassen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/03779.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03113

Zitting: 27 november 2018

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 22 juni 2017 het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 april 2016 met uitzondering van de beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen bevestigd, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van feit 3 ‘poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd’, de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 4 ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd’, feit 5 ‘witwassen, meermalen gepleegd’ en feit 6 ‘medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’ tot een gevangenisstraf van vijf jaren met aftrek van voorarrest. Het hof is met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen tot nieuwe beslissingen gekomen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/03779. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.1

4. Het eerste middel klaagt (1) dat het hof de verzoeken tot het oproepen van de aangevers ten behoeve van fotoconfrontaties en om deze personen te horen als getuige ten onrechte niet, althans onvoldoende, dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen. Daarnaast zou (2) dat het hof de verklaringen van de aangevers tot het bewijs hebben gebezigd terwijl de verdediging het haar in artikel 6 EVRM neergelegde ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen.2

5. Volgens de toelichting op het middel heeft de raadsman ter terechtzitting bij het hof op 18 oktober 2016 medegedeeld de in zijn eerdere (niet-tijdig ingediende) appelschriftuur gedane verzoeken te handhaven en heeft hij deze verzoeken voorts aangevuld. De appelschriftuur, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, houdt het volgende in (vetgedrukt in het origineel):

“(…)

15. De verdediging wenst tevens alle aangevers te horen in de zaken waarin de rechtbank tot een veroordeling is gekomen, te weten:

[getuigen 1 t/m 19]

16. De verdediging wenst de getuigen concreet vragen [te stellen] over voor [verdachte] lichaamsspecifieke eigenschappen. In het bijzonder de vraag of hen iets is opgevallen aan diens gebit. Naar mening van de verdediging is het onmogelijk dat in de ruim 50 zaken waarin [verdachte] verdachte is slechts een enkeling iets over het gebit van [verdachte] heeft verklaard. De personen die bij aangevers binnen zijn geweest, zijn alle geruime tijd binnen geweest. Het merendeel van de personen die tijdens de detentie van [verdachte] met [hem] heeft gesproken valt op dat hij voortanden mist.

17. Tevens wenst de verdediging te vragen of de politie geen concrete vragen hierover heeft gesteld.

18. De verdediging wenst de getuigen te vragen of de politie heeft gesproken over de mogelijkheid van fotoconfrontaties. Daarnaast wenst de verdediging zo nodig foto’s uit het dossier voor te houden aan de getuigen.

19. Daarnaast wenst de verdediging te vragen of de getuigen iets is opgevallen aangaande een eventueel dialect. [verdachte] spreekt ABN, maar wel met een accent uit de omgeving Arnhem/ Nijmegen.” 3

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 18 oktober 2016 vermeldt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende:

“(…)

De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Naast mijn verzoeken zoals opgenomen in mijn schriftuur heb ik nog enige aanvullende verzoeken.

(…)

De raadsman voert vervolgens het woord overeenkomstig de aan dit proces-verbaal gehechte aanvulling op de appelschriftuur. Aanvullend verklaart de raadsman – zakelijk weergegeven – als volgt:

(…)

Met betrekking tot de appelschriftuur wil ik opmerken dat als de politiemensen hun werk goed hadden gedaan, de aangevers nu niet nog een keer gehoord hadden hoeven te worden. De politie had de aangevers ook moeten confronteren met foto’s. De aangevers kunnen naast een fotoconfrontatie ook meer verklaren omtrent de beschrijving van de daders en hun accent. Met mijn cliënt is iets speciaals aan de hand. Als je langer met hem spreekt valt het op dat hij zijn voortanden mist.

De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik mis mijn voortanden al ongeveer tien jaar. Als ik ga staan kan uw hof dat zien. Ik ben bereid naar voren te komen zodat uw hof kan waarnemen dat ik mijn voortanden mis.

De voorzitter deelt mede dat het niet nodig is dat verdachte naar voren komt om waar te nemen dat verdachte zijn voortanden mist. De voorzitter merkt op dat hij dit ook al in de stukken van de zaak had gelezen en dat hij tijdens het spreken van verdachte daarop heeft gelet en niet heeft waargenomen dat verdachte zijn voortanden mist. Het lijkt erop dat verdachte zijn bovenlip nauwelijks beweegt tijdens het spreken.

De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Als ik lach kun u het missen van mijn voortanden duidelijk zien.

(…)

De raadsman deelt nog mede, nu door de voorzitter naar voren is gebracht dat aangevers [getuige 1] en [getuige 19] inmiddels zijn overleden, het verzoek om hen als getuige te horen als ingetrokken kan worden beschouwd.

(…)”

7. Het tussenarrest van het hof houdt ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek het volgende in (dikgedrukt in het origineel):

“(…)

Onderzoekswensen

Namens verdachte is bij schriftuur verzocht om als getuigen te doen horen:

- de medeverdachten [medeverdachte] (…)

- (…)

- de aangevers [getuigen 1 t/m 19] .

(…)

Ter terechtzitting heeft de raadsman het verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 19] ingetrokken, nu deze aangevers inmiddels zijn overleden.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen het horen van de verzochte getuigen en de overige verzoeken. (…)

Het hof overweegt allereerst dat op 4 mei 2016 namens verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Pas op 9 juni 2016 is namens verdachte bij het hof ingekomen appelschriftuur. Het hof neemt, nu de schriftuur niet tijdig is ingediend, tot uitgangspunt voor de beoordeling van de schriftuur en de overige verzoeken het noodzakelijkheidscriterium.

De medeverdachten

Het hof stelt vast dat de medeverdachte [medeverdachte] eerder, in het bijzijn van verdachte en zijn raadsman, ter terechtzitting van de rechtbank op 8 april 2016 als getuige is gehoord. Tijdens dat verhoor is de verdediging in de gelegenheid geweest om vragen te stellen aan de getuige. Van deze gelegenheid heeft de verdediging, zoals blijkt uit het proces-verbaal ter terechtzitting, ook daadwerkelijk gebruik gemaakt. Het hof is van oordeel dat het nogmaals horen van deze getuige niet noodzakelijk is.

(…)

De aangevers

Het verzoek tot het horen van de aangevers is onvoldoende onderbouwd. Het hof is van oordeel dat het horen van deze getuigen niet noodzakelijk is en zal het verzoek daarom afwijzen. Hetzelfde is van toepassing op het houden van een eventuele fotoconfrontatie. Bij de beslissing van het hof speelt ook een rol de aard van de zaak, de leeftijd van de aangevers en het tijdsverloop in deze zaak.” 4

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 8 juni 2017 houdt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende in:

“(…)

Daarnaast doet de raadsman het voorwaardelijke verzoek tot het horen van getuigen indien de signalementen worden gebruikt voor de bewezenverklaring.” 5

9. Het arrest van het hof houdt ten aanzien van het in het middel bedoelde voorwaardelijk gedane verzoek het volgende in (vetgedrukt in het origineel):

“Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen

De raadsman heeft, zonder daarbij meer of andere argumenten aan te voeren dan bij het al eerder gedane en afgewezen verzoek, het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het horen van de aangevers als getuige of het houden van een fotoconfrontatie, indien het hof tot een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde zou komen. Het hof wijst dit verzoek af. Het hof is van oordeel dat het horen van de aangevers als getuige niet noodzakelijk is. Hetzelfde geldt voor het houden van fotoconfrontaties.” 6

10. De eerste deelklacht luidt dat de afwijzende beslissingen van het hof op de (voorwaardelijk gedane) verzoeken tot het horen van de getuigen (de aangevers) en/of het houden van een fotoconfrontatie niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn en/of onbegrijpelijk. De tweede deelklacht luidt dat de verklaringen van de getuigen (de aangevers) in strijd met art. 6 EVRM tot het bewijs zijn gebezigd. Immers, de verdediging heeft deze getuigen à charge niet kunnen ondervragen – hetgeen noodzakelijk was voor de volledigheid van het onderzoek –, er was geen goede reden voor het niet oproepen en horen van deze getuigen, de verklaringen van de gevraagde getuigen dienen als ‘decisive’ voor de bewezenverklaring te worden aangemerkt, terwijl de verdediging niet is gecompenseerd voor de omstandigheid dat de gevraagde getuigen niet zijn gehoord, anders dan dat het hof de verdediging in de gelegenheid heeft gesteld om de betrouwbaarheid daarvan te betwisten.

10. Bij de beoordeling van de eerste deelklacht moet het volgende worden vooropgesteld. Met inachtneming van art. 301 Sv staat het de rechter vrij om voor het bewijs te putten uit schriftelijke stukken uit een eerdere fase van het strafproces, zoals een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal houdende de ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van een getuige. Daarbij merk ik op dat de verdediging op grond van art. 6 EVRM aanspraak heeft op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.7Indien de verdediging ter terechtzitting verzoekt een getuige (alsnog) op te roepen, dient de rechter te beoordelen of hij de noodzaak tot het horen van die getuigen aanwezig acht.8 Omtrent de toetsing in cassatie van (de afwijzing van) een dergelijk verzoek heeft de Hoge Raad – voor zover hier relevant – in zijn overzichtsarrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 (en ten dele herhaald in zijn overzichtsarrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219), het volgende beoordelingskader geschetst (vetgedrukt in het origineel):

“2.76.

Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) de omstandigheid dat de bij de appelschriftuur opgegeven getuigen – al dan niet op vordering van de advocaat-generaal – (alsnog) op de voet van art. 411a of art. 420 Sv zijn gehoord door een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris, waardoor in de regel het belang zal zijn ontvallen aan de oproeping van die getuigen ter terechtzitting.” 9

12. In de toelichting op het middel wordt omstandig ingegaan op de vraag of het hof de verklaringen van de aangevers en de medeverdachte voor het bewijs had mogen bezigen niettegenstaande de in het middel veronderstelde schending van het ondervragingsrecht ex art. 6 EVRM. Echter, inzake ‘s hofs afwijzende beslissing op het verzoek tot het horen van de aangevers en de medeverdachte, de eerste deelklacht, vermeldt de toelichting op het middel nagenoeg niets. Desalniettemin vang ik aan met de bespreking van die klacht. De verdediging heeft aan zijn bij (te laat ingediende) appelschriftuur gedane verzoek ten grondslag gelegd dat het de aangevers wil bevragen over voor de verdachte specifieke lichaamseigenschappen, in het bijzonder over zijn gebit (de verdachte mist voortanden), en zijn dialect. Voorts wil de verdediging de aangevers foto’s voorhouden aan de getuigen. Dat verzoek is ter terechtzitting in hoger beroep op dezelfde gronden herhaald. Verder is verzocht de medeverdachte [medeverdachte] als getuige te horen over het witwassen, het vervaardigen van de valse politiepassen en de door de verdachte gebruikte telefoons en auto’s. Bij tussenarrest van 1 november 2016 heeft het hof ten aanzien van de medeverdachte [medeverdachte] overwogen dat hij ‘eerder in het bijzijn van verdachte en zijn raadsman, ter terechtzitting van de rechtbank op 8 april 2016 als getuige is gehoord.’ Tijdens dat verhoor is de verdediging in staat geweest vragen te stellen aan de getuige en van deze mogelijkheid is door de verdediging gebruik gemaakt. Volgens het hof is van een noodzaak tot het nogmaals horen van de medeverdachte dan ook geen sprake. Dat laatste geldt ook voor het horen van de aangevers. Het hof acht het verzoek tot het horen van de aangevers en het houden van een fotoconfrontatie niet noodzakelijk en ‘onvoldoende onderbouwd’. Daarbij speelt volgens het hof ook ‘een rol de aard van de zaak, de leeftijd van de aangevers en het tijdsverloop in deze zaak’. Dit oordeel geeft, mede gezien hetgeen de verdediging aan die verzoeken ten grondslag heeft gelegd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.10 Ook voor zover het middel klaagt over de afwijzing van de voorwaardelijk gedane verzoeken ten aanzien van de aangevers indien die verklaringen voor het bewijs zouden worden gebezigd, kan het niet slagen. Deze verzoeken zijn niet onderbouwd en het hof overweegt dan ook dat de verdediging dit verzoek gedaan heeft ‘zonder daarbij meer of andere argumenten aan te voeren’ en oordeelt dat het horen van de aangevers en het houden van een fotoconfrontatie ‘niet noodzakelijk is’. De eerste deelklacht faalt dan ook.

13. Bij de beoordeling van de tweede deelklacht moet het volgende worden vooropgesteld. De Hoge Raad heeft zich in een (nieuw) overzichtsarrest (HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219) nader gebogen over de problematiek van het ondervragingsrecht van de verdediging in het licht van art. 6 EVRM. Hij overwoog daartoe – voor zover in dit kader relevant – als volgt:

“Nadere beschouwing

3.5.

De rechtspraak van de Hoge Raad houdt in dat een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal houdende de ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van een getuige, door de rechter ten laste van de verdachte voor het bewijs kan worden gebruikt, maar dat dit uitgangspunt slechts geldt voor zover het in art. 6 EVRM bedoelde recht van de verdachte op een eerlijk proces is gewaarborgd.

Met betrekking tot dit recht op een eerlijk proces ligt in de recente rechtspraak van het EHRM ter zake van het ondervragingsrecht de nadruk op de toetsing van de "overall fairness of the trial", mede aan de hand van een aantal door het EHRM geformuleerde, met elkaar samenhangende subvragen (zoals genoemd in de onder 3.3.2 weergegeven uitspraak in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland, §107). Daarbij is beslissend of het strafproces als geheel beschouwd eerlijk is verlopen. Die uiteindelijke balans kan eerst achteraf worden opgemaakt.

Bij het betrekken van de rechtspraak van het EHRM bij de uitleg van de (nationale) regels inzake het oproepen dan wel horen van daartoe door de verdediging opgegeven getuigen, dient evenwel in ogenschouw te worden genomen dat de nationale rechter reeds tijdens de behandeling van de strafzaak beslissingen dient te nemen omtrent het oproepen en het horen van getuigen.”

14. Bij de beoordeling of een beperking van het ondervragingsrecht niettegenstaande het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de niet ondervraagde getuige een schending van art. 6 EVRM oplevert, is het volgende beslissingsmodel (‘driestappenplan’) leidend:

(i) was er een goede reden voor het niet ondervragen van de getuige ter terechtzitting?;

(ii) vormt de verklaring van de niet ondervraagde het enige of beslissende bewijsmateriaal?; en, zo ja:

(iii) waren er voldoende compenserende factoren aanwezig, inclusief mogelijkheden om de betrouwbaarheid van de verklaring te beoordelen?11

De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid een getuige te ondervragen, staat er zodoende niet aan in de weg dat een door deze getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel — indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd — het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.12 Indien de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, staat art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring niet in de weg, als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van diens verklaring die door de verdachte zijn betwist.13

15. De tweede deelklacht ziet op het gebruik van de verklaringen van de aangevers voor het bewijs.14 In de toelichting op het middel worden het onder randnummer 14 genoemde driestappenplan toegepast op het onderhavige geval, waarop de conclusie luidt dat het hof de verklaringen van de aangevers in strijd met het ondervragingsrecht ex art. 6 EVRM tot het bewijs heeft gebezigd. Ten aanzien van de eerste stap van het genoemde beslissingsmodel merk ik op dat het hof heeft geoordeeld dat het de aangevers niet ter terechtzitting (in het bijzijn van de verdediging ) zal horen gezien ‘de aard van de zaak, de leeftijd van de aangevers en het tijdsverloop van de zaak’. Ik acht dit oordeel niet onbegrijpelijk. Het middel stelt voorts dat de verklaringen wellicht niet als ‘sole’, maar wel als ‘decisive’ moeten worden aangemerkt. De rechtbank overweegt hiertoe in haar door het hof overgenomen gronden onder meer dat ‘De enkele overeenkomst in de gevolgde werkwijze is […] niet voldoende voor een bewezenverklaring. De rechtbank heeft onder ogen gezien dat deze babbeltruc een in criminele kringen kennelijk populaire werkwijze is om mensen geld afhandig te maken. Ook het door de aangevers verstrekte signalement van de daders kan, indien het uiterlijk van de verdachten hier past, op zichzelf niet doorslaggevend zijn (…)’ en dat ‘de rechtbank alleen die feiten bewezen [heeft] geacht, waarin er telkens ten minste één concreet bewijsmiddel is dat specifiek in de richting van de verdachten leidt, zoals bijvoorbeeld het gegeven dat de telefoons van de daders ten tijde van de diefstal een zendmast in de buurt aanstraalden, het gegeven dat een auto die bij verdachten in gebruik was, onmiddellijk na de diefstal is gezien door aangevers of getuigen, het gegeven dat verdachten dezelfde dag of een dag later substantiële geldstortingen hebben gedaan of anderszins uitgaven hebben gedaan terwijl van een regulier inkomen niet blijkt.’15Uit de hierop volgende (uitgebreide) bewijsmotivering blijkt dat de verklaringen van de aangevers op geen enkel punt ‘decisive’ is geweest voor de bewezenverklaarde feiten. Voor al die feiten is in voldoende mate steunbewijs aanwezig.16 Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, behoefde het hof dan ook niet uitdrukkelijk te toetsen of aan de verdachte een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijk ondervraging van de getuige. Deze maatstaf kan doorslaggevend zijn in die gevallen waarin voldoende steunbewijs ontbreekt.17 Zoals hiervoor is uiteengezet, is dat in deze zaak echter niet het geval. Samenvattend acht ik het gebruik van de verklaringen van de aangevers voor het bewijs in het licht van hetgeen ik onder randnummer 13 en 14 heb vooropgesteld, alsmede gelet op hetgeen de processtukken blijkens de bewijsvoering inhouden niet in strijd met het ondervragingsrecht in de zin van art. 6 EVRM. Ook de tweede deelklacht faalt.

16. Het eerste middel faalt in al haar onderdelen.

16. Het tweede middel klaagt over de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder over ’s hofs oordeel dat voor de bewezenverklaring gebruik kan worden gemaakt van de constructie van het zogeheten ‘schakelbewijs’.

16. Ten laste van de verdachte onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 bewezenverklaard dat:

“1 subsidiair

hij op 22 juli 2015, in de gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [a-straat 1] ) heeft weggenomen 120.00 euro, in elk geval enig goed, toebehorende aan voornoemde [getuige 1] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse hoedanigheid, immers hebben verdachte en zijn mededader

- zich naar de woning van voornoemde [getuige 1] begeven en bij de woning van die [getuige 1] aangebeld en

- zich (daarbij) gelegitimeerd als politieambtenaren en (daarbij) een valse politielegitimatie aan voornoemde [getuige 1] getoond en

- (vervolgens) tegen die [getuige 1] gezegd dat een aantal buitenlandse criminelen het op zijn spaargeld gemunt had en de indruk gewekt dat een aantal buitenlandse criminelen zijn woning in de gaten hield en hem van zijn spaargeld wilde beroven en

- bij die [getuige 1] aangedrongen/gevraagd waar het spaargeld in de woning zou liggen en

- tegen die [getuige 1] gezegd -nadat die [getuige 1] had aangegeven zijn spaargeld niet te willen laten zien- dat hij en zijn vrouw (anders) mee moesten naar het politiebureau en

- nadat die [getuige 1] hem, verdachte en zijn mededader, voornoemd spaargeld (in blikken) op de zolder van zijn woning had gewezen, voornoemd geldbedrag heeft gepakt/weggenomen;

2 subsidiair

hij op 2 juni 2015 in de gemeente Oosterhout, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [b-straat 1] ) heeft weggenomen 22.300 euro en sieraden, toebehorende aan [getuige 2] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van een valse hoedanigheid, immers hebben verdachte en zijn mededader

- zich naar de woning van voornoemde [getuige 2] begeven en bij de woning van die [getuige 2] aangebeld en

- zich (daarbij) gelegitimeerd als politieambtenaren en (daarbij) een (valse) politielegitimatie aan voornoemde [getuige 2] getoond en

- tegen voornoemde [getuige 2] gezegd dat hij, verdachte en zijn mededader, inlichtingen had(den) dat er mogelijk bij 7 adressen - waaronder het adres van [getuige 2] - ingebroken zou gaan worden en

- aan die [getuige 2] gevraagd of hij de kluis mocht zien en -nadat die [getuige 2] de kluis had laten zien- gevraagd naar de inhoud van voornoemde kluis waarna die [getuige 2] hem, verdachte en zijn mededader de inhoud van die kluis heeft getoond en waarop verdachte en/of zijn mededader de - inhoud van die - kluis heeft/hebben weggenomen/gepakt;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 18 juni 2015 tot en met 19 oktober 2015, en in de gemeente Zuidlaren en in de gemeente Ommen en in de gemeente Deventer en in de gemeente Helmond en in de gemeente Boxtel en in de gemeente Noordwijk en in de gemeente Katwijk (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe- eigening

e) - op 19 juni 2015 en/uit een woning (gelegen aan de [c-straat 1] te Assen) weg te nemen geld en sieraden en de inhoud van een kluis en een muntenverzameling toebehorende aan [getuige 3] (zaakdossier 22, p. 1199 e.v. van het dossier) en

f) - op 26 juni 2015 in/uit een woning (gelegen aan de [d-straat 1] te Zuidlaren) weg te nemen sieraden, en andere waardevolle goederen toebehorende aan [getuige 4] (zaaksdossier 23, p. 1207 e.v. van het dossier) en

g) - op 13 juli 2015 in/uit een woning (gelegen aan de [e-straat 1] te Ommen) weg te nemen geld en sieraden toebehorende aan [getuige 5] (zaaksdossier 24, p. 1216 e.v. van het dossier) en

h) - op 13 juli 2015 in/uit een woning (gelegen aan de [f-straat 1] te Deventer) weg te nemen geld toebehorende aan [getuige 6] (zaaksdossier 25, p. 1226 e.v. van het dossier) en

i) - op of omstreeks 25 juni 2015 in/uit een woning (gelegen aan de [g-straat 1] te Helmond) weg te nemen geld en sieraden en munten toebehorende aan [getuige 7] (zaaksdossier 26, p. 1237 e.v. van het dossier) en

j) - op 18 juli 2015 in/uit een woning (gelegen aan de [h-straat 1] te Boxtel) weg te nemen geld en sieraden en goud, toebehorende aan [getuige 8] (zaaksdossier27, p. 1245 e.v. van het dossier) en

k) - op 30 juni 2015 in/uit een woning (gelegen aan de [i-straat 1] te Noordwijk) weg te nemen waardevolle goederen en sieraden, toebehorende aan [getuige 9] (zaaksdossier 28, p. 1254 e.v. van het dossier) en

l) - op 30 juni 2015 in/uit een woning (gelegen aan de [j-straat 1] te Katwijk) weg te nemen waardevolle goederen en munten, toebehorende aan [getuige 10] (zaaksdossier 29, p. 1264 e.v. van het dossier)

en zich daarbij de toegang tot die woningen te verschaffen en die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder hun bereik te brengen door middel van een valse hoedanigheid immers hebben verdachte en zijn mededader

- zich telkens naar de woningen van voornoemde slachtoffers begeven en bij de woningen van die slachtoffers aangebeld en

- zich telkens gelegitimeerd als politieambtenaren en daarbij een valse politielegitimatie laten zien en

- tegen voornoemde slachtoffers gezegd dat ze op de “inbrekerslijst” staan en dat er bij voornoemde slachtoffers ingebroken zou worden en dat er een onderzoek gaande is/was naar (aangehouden) woninginbreker(s) en/of dat er criminelen in de gevangenis zaten die adresgegevens van voornoemde slachtoffer(s) in hun bezit hadden en - middels een “babbeltruc” gevraagd naar geld en/of sieraden en/of gevraagd om geld en/of sieraden en/of (de inhoud van) een kluis te mogen fotograferen/bekijken

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf telkens niet is voltooid.

4

hij op tijdstippen in de periode van 23 maart 2015 tot en met 19 oktober 2015 in de gemeente Breda en in de gemeente Oss en in de gemeente Roermond en in de gemeente Tilburg en in de gemeente Zevenaar en in de gemeente Leerdam en in de gemeente Zwolle en in de gemeente Eindhoven en in de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit woningen en wel:

b) op 23 maart 2015 in/uit een woning -gelegen aan de [k-straat 1] te Zevenaar heeft weggenomen een horloge en sieraden, toebehorende aan [getuige 11] (Zaaksdossier 2 p. 211 van het dossier e.v.) en

f) - op 28 april 2015 in/uit een woning - gelegen aan de [l-straat 1] te Leerdam heeft weggenomen 4.000 euro, toebehorende aan [getuige 12] (Zaaksdossier 6, p. 241 van het dossier e.v.) en

g) - op 15 juni 2015 in/uit een woning - gelegen aan de [m-straat 1] te Tilburg heeft weggenomen gouden sieraden toebehorende aan [getuige 13] (Zaaksdossier 8, p. 261 van het dossier e.v.) en

h) - op of omstreeks 16 juni 2015 in/uit een woning - gelegen aan de [n-straat 1] te Breda heeft weggenomen gouden sieraden, toebehorende aan [getuige 14] (Zaaksdossier 9, p. 269 van het dossier e.v.) en

i) - op 18 juni 2015 in/uit een woning - gelegen aan de [o-straat 1] te Zwolle heeft weggenomen sieraden, toebehorende aan [getuige 15] (Zaaksdossier 10, p. 277 van het dossier e.v.) en

l) - op 7 juli 2015 in/uit een woning - gelegen aan de [p-straat 1] te Oss heeft weggenomen 8000 euro, althans een geldbedrag en (gouden) sieraden, toebehorende aan [getuige 16] (Zaaksdossier 13, p. 304 van het dossier e.v.) en

m) - op 25 juni 2015 in/uit een woning - gelegen aan de [q-straat 1] te Eindhoven heeft weggenomen (gouden) sieraden toebehorende aan [getuige 17] (Zaaksdossier 14, p. 314 van het dossier e.v.) en

n) - op 29 juni 2015 in/uit een woning - gelegen aan de [r-straat] te Roermond heeft weggenomen 500 euro en (gouden) sieraden en een goudstaaf en gouden munten, toebehorende aan [getuige 18] (Zaaksdossier 15, p. 322 van het dossier e.v.) en

o) - op 20 juli 2015 in/uit een woning - gelegen aan de [s-straat 1] te Weert heeft weggenomen 2900 euro en gouden sieraden en gouden munten, toebehorende aan [getuige 19] (Zaaksdossier 17, p. 343 van het dossier e. v.)

waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goeder(eren) onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van een valse hoedanigheid, immers hebben verdachte en zijn mededader

- zich telkens naar de woningen van voornoemde slachtoffers begeven en bij de woningen van die slachtoffers aangebeld en

- zich telkens gelegitimeerd als politieambtenaren en daarbij een valse politielegitimatie laten zien en

- tegen voornoemde slachtoffers gezegd dat ze op de “inbrekerslijst” staan en/althans dat er bij voornoemde slachtoffers ingebroken zou worden en of dat er een onderzoek gaande is/was naar (aangehouden) woninginbrekers(s) en/of dat er criminelen in de gevangenis zaten die adresgegevens van voornoemde slachtoffer(s) in hun bezit hadden en

- middels een “babbeltruc” gevraagd naar geld en/of sieraden en gevraagd om geld en/of sieraden en/of een kluis te mogen fotograferen en

- nadat voornoemde slachtoffers het geld en/of de sieraden hadden laten zien geld en/of sieraden uit de woning weggenomen”. 18

19. De bewezenverklaring van de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 steunt op de door het hof overgenomen gronden uit het vonnis en zijn aanvullende bewijsoverwegingen. In het kader van de leesbaarheid verwijs ik hiertoe naar p. 10 - 44 van het vonnis van de rechtbank en naar p. 2 - 3 van het arrest van het hof.

19. De rechtbank heeft, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, in zijn door het hof overgenomen gronden het volgende overwogen (onderstreept en vetgedrukt in het origineel):

De beoordeling door de rechtbank

Enkele inleidende beschouwingen

Vanaf 16 maart 2015 zijn vanuit het hele land aangiftes binnengekomen, waarbij veelal oudere personen slachtoffer zijn geworden van een babbeltruc door twee personen. Deze twee personen gaven te kennen dat zij voor de politie werken en dat zij in die hoedanigheid informatie hadden dat een inbrekersbende een lijstje heeft met woningen waar veel geld en/of sieraden zouden zijn. Op die manier kregen zij toegang tot de woning en werden hen de waardevolle spullen getoond. Deze personen verlieten met het geld en/of de sieraden de woning, terwijl de bewoners hen niet konden bijhouden en daarmee zijn beroofd van hun kostbaarheden.

Deze modus operandi vormt een belangrijke overeenkomst tussen de afzonderlijke dossiers, hoewel er op ondergeschikte punten ook verschillen zijn. De enkele overeenstemming in de gevolgde werkwijze is echter niet voldoende voor een bewezenverklaring. De rechtbank heeft onder ogen gezien dat deze babbeltruc een in criminele kringen kennelijk populaire werkwijze is om mensen geld afhandig te maken. Ook het door de aangevers verstrekte signalement van de daders kan, indien het uiterlijk van verdachten hierin past, op zichzelf niet doorslaggevend zijn, zij het dat een duidelijke en specifieke afwijking in het verstrekte signalement vergeleken met het uiterlijk van (één van) verdachten aanleiding kan zijn om te komen tot vrijspraak, in aanmerking genomen dat ook anderen, in al dan niet wisselende samenstelling, zich kunnen bedienen van deze werkwijze. De rechtbank heeft alleen die feiten bewezen geacht, waarin er telkens ten minste één concreet bewijsmiddel is dat specifiek in de richting van verdachten leidt, zoals bijvoorbeeld het gegeven dat de telefoons van de daders ten tijde van de diefstal een zendmast in de buurt aanstraalden, het gegeven dat een auto die bij verdachten in gebruik was, onmiddellijk na de diefstal is gezien door aangevers of getuigen, het gegeven dat verdachten dezelfde dag of een dag later substantiële geldstortingen hebben gedaan of anderszins uitgaven hebben gedaan terwijl van een regulier inkomen niet blijkt. Deze bewijsmiddelen kunnen per zaak wisselen. Een belangrijke verankering van de aan verdachten gemaakte verwijten ziet de rechtbank in het feit dat beide verdachten bij hun aanhouding beschikten over een vals politiepasje en dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat deze pasjes bedoeld waren om mensen “geld afhandig te maken”, samen met [verdachte] , zoals hierna bij feit 6 aan de orde zal komen. 19

21. In zijn aanvulling van de gronden heeft het hof, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen:

“Modus operandi

De wijze van benadering van de slachtoffers is telkens nagenoeg gelijk en de telkens gebruikte babbeltruc is eveneens inhoudelijk nagenoeg identiek. Dat in combinatie met de rolverdeling tussen de twee mannen, waarbij steeds de forse man dominant is en het woord voert en de ander zwijgend aanwezig is, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof de conclusie van de rechtbank dat de telkens gehanteerde modus operandi voldoende specifiek is.”

Signalementen

De raadsman heeft in hoger beroep aangevoerd dat de signalementen van de daders niet als bewijsmiddel hadden mogen worden gebruikt. Het hof deelt deze visie niet. De gegeven signalementen worden door de rechtbank telkens niet als een op zichzelf staand bewijsmiddel gebruikt dat voldoende is voor een bewezenverklaring, maar uitsluitend als ondersteund element dat, in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen bezien, waarde heeft.

Voorts heeft de verdachte nog aangevoerd dat hij niet binnen het signalement past, omdat aangevers niet als signalement hebben opgegeven dat de forse man zijn voortanden mist en slechts in een beperkt aantal gevallen is genoemd dat hij een bril draagt. Uit eigen waarneming heeft het hof tijdens de ondervraging ter terechtzitting geconstateerd dat in een gesprek met verdachte het ontbreken van zijn voortanden niet opvallend is. Ten aanzien van de bril merkt het hof op dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij niet altijd een bril draagt. Daarbij is het een feit van algemene bekendheid dat een bril naar believen op- en afgezet kan worden.

Het hof is van oordeel dat de gegeven signalementen verdachte niet uitsluiten en derhalve, in combinatie met andere bewijsmiddelen, als ondersteunend bewijs kunnen worden gebruikt.” 20

22. In de kern klaagt het middel dat een belangrijk element in de bewijsvoering wordt gevormd door de zogenoemd ‘modus operandi’, waarvan het hof heeft geoordeeld dat die bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten 1 tot en met 4 is gebruikt. De omstandigheden van het onderhavige geval zijn echter niet dusdanig onderscheidend dat zij uniek zijn voor de bewezenverklaarde feiten. Het hof heeft derhalve ten onrechte gebruik gemaakt een schakelbewijsconstructie, aldus het middel. In dat verband klaagt de steller van het middel voorts dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake contra-indicaties voor de modus operandi/ signalementen ten aanzien van de door het hof bewezenverklaarde feiten. Ten aanzien van feit 4 klaagt het middel dat (3) de in de bewijsvoering genoemde feiten en omstandigheden niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring van dit feit, dan wel dat die bewezenverklaring, in het licht van hetgeen de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd, onbegrijpelijk is.

22. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Vooral bij de bewijsconstructie treedt het verschil tussen de feitenrechter en de cassatierechter in alle scherpte aan de dag. De feitenrechter onderzoekt de feiten en stelt deze vast. In cassatie wordt niet beoordeeld of de feitenrechter de feiten juist heeft vastgesteld, doch alleen of hij bij zijn onderzoek de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen. Er zijn uitzonderingen op deze regel, maar het uitgangspunt blijft dat in cassatie niet met vrucht kan worden aangevoerd dat de feitenrechter het tenlastegelegde feit ten onrechte bewezen heeft geacht of dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd, omdat tegenover de twee getuigenverklaringen die tot het bewijs zijn gebezigd, tien getuigen staan die onder ede hebben verklaard dat de verdachte onschuldig is.21 Indien sprake is van een schakelbewijsconstructie zijn de motiveringseisen echter zwaarder. Met schakelbewijs pleegt de bewijsvoering te worden aangeduid waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten was betrokken.22 Indien de feitenrechter gebruik maakt van schakelbewijs dient hij dit in zijn bewijsmotivering toe te lichten.23 De centrale maatstaf voor schakelbewijs is de redengevendheid van dat bewijs. Uit de (schakel)bewijsmotivering moet blijken dat de wijze waarop feit Y is begaan, soortelijk is aan de wijze waarop feit X is begaan. Daarnaast moet het duidelijk zijn dat de verdachte bij beide feiten betrokken is geweest.24 Een en ander kwam aan de orde in HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2024, NJ 2017/38, m.nt. T.M. Schalken (overvallen Zeeman en Blokker) waaruit ik citeer (vetgedrukt in het origineel):

“2.4

Het oordeel van het Hof dat, kort gezegd, de verdachte ook de overval op het filiaal van Zeeman heeft begaan, is toereikend gemotiveerd, ook in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof heeft kunnen oordelen dat de modus operandi en het signalement van de verdachte van de overval op het filiaal van Zeeman op essentiële punten overeenkomen met de modus operandi en het signalement van verdachte tijdens de door hem gepleegde overval op het filiaal van Blokker.” 25

Als criterium voor het aannemen van soortgelijke feiten geldt derhalve dat sprake moet zijn geweest van een werkwijze, ofwel een modus operandi, die op essentiële punten overeenkomt met die van het bewezenverklaarde feit. Ook moet uit bewijsmotivering volgen dat de verdachte bij zowel het bewezenverklaarde feit als het soortgelijke feit betrokken is geweest, die betrokkenheid mag niet slechts uit een gelijke modus operandi worden afgeleid. Tegen de achtergrond van het voorgaande verdient het de aanbeveling dat de feitenrechter in een schakelbewijsoverweging uitlegt dat en waarom sprake is van een patroon en een context die vanwege hun typische elementen doorgetrokken kunnen worden naar en daarmee tevens een samenstellend deel kunnen vormen voor het bewijs soortgelijke feit.26

24. Terug naar het onderhavige geval. Het middel stelt dat de basis van de bewijsconstructie wordt gevormd door de ‘modus operandi’ en de signalementen uit de aangiften en dat zodoende uit de bewijsvoering van het hof onvoldoende specifieke omstandigheden blijken die de betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten aantonen. Daarmee is ten onrechte gebruik gemaakt van een schakelbewijsconstructie, aldus het middel. Ik deel dit standpunt niet. In de eerste plaats merk ik op dat de signalementen, zoals blijkt uit ’s hofs aanvullende bewijsoverweging, niet als een op zichzelf staand bewijsmiddel zijn gebezigd, maar slechts als ondersteunend element. Voorts is reeds bij de bespreking van het eerste middel aan de orde is gekomen dat de rechtbank in haar door het hof overgenomen overwegingen expliciet heeft vastgesteld dat hoewel ‘deze modus operandi een belangrijke overeenkomst tussen de afzonderlijke dossiers [vormt]’, zij onder ogen ziet dat het – kort gezegd - zich voordoen als een politieagent teneinde in die hoedanigheid oudere/ bejaarde personen te benaderen, het van hen willen weten waar en welke waardevolle zaken zij in huis hebben zodat zij die zaken van hen kunnen stelen, een onder criminelen populaire ‘babbeltruc’ is en dat ‘de enkele overeenstemming in de gevolgde werkwijze [..] niet voldoende [is] voor een bewezenverklaring’. Per bewezenverklaard feit heeft de rechtbank derhalve ten minste één concreet bewijsmiddel gebezigd dat ‘specifiek’ in de richting van de verdachte wijst. Hierop volgt een bespreking van de auto’s en de telefoons van de verdachte die in de afzonderlijke zaaksdossiers voorkomen en op welke wijze gebruik is gemaakt van zendmastgegevens, waarna per feit wordt overwogen waarom het kan worden bewezenverklaard (of waarom de verdachte dient te worden vrijgesproken vanwege de afwezigheid van een bewijsmiddel dat, naast de gelijke modus operandi, zijn directe betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit aantoont).27 Ter illustratie is ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde (onder meer) overwogen dat uit de aangifte van diefstal door het slachtoffer [getuige 1] op 22 juli 2015 de zojuist genoemde modus operandi kan worden afgeleid en dat hij in die aangifte een met de verdachten overeenkomstig signalement afgeeft. Voorts wordt overwogen dat de telefoon van de verdachte 25 minuten voor de diefstal een mast in Breda heeft aangestraald, dat de verdachte op diezelfde dag een bedrag van € 5.000 op zijn rekening heeft gestort en dat hij op de volgende dag voor € 9.500 een auto heeft gekocht, die hij contant betaalde met biljetten van € 50. Bij de overige bewezenverklaarde feiten is de rechtbank op dezelfde wijze te werk gegaan. Zodoende heeft de rechtbank in haar door het hof overgenomen bewijsvoering de vereisten voor het gebruik van schakelbewijs onder ogen gezien, haar oordeel hieromtrent (uitgebreid) gemotiveerd en per bewezenverklaard feit ten minste één (maar vaak meer) bewijsmiddelen gebezigd die specifiek de betrokkenheid van de verdachte bij dat feit aantoont. Voor zover het middel klaagt dat de daartoe gebezigde bewijsmiddelen slechts toevalligheden betreffen, dan wel te algemeen zijn en niet specifiek op de betrokkenheid van de verdachte wijzen, kan het niet slagen. De in dit kader in het middel opgevoerde zaken zien onder meer op de vaststellingen van de feitenrechter, veronderstelde of ondergeschikte tegenstrijdigheden in de bewijsmiddelen of reeds in de bewijsoverwegingen weerlegde standpunten die de verdediging ter terechtzitting heeft aangevoerd. Ik merk in dat verband voorts op dat, zoals onder randnummer 21 is vooropgesteld, in cassatie niet wordt beoordeeld of de feitenrechter de feiten juist heeft vastgesteld, doch alleen of hij bij zijn onderzoek de daarvoor geldende regels in acht heeft genomen. Dat is m.i. het geval. Datzelfde geldt voor de in het middel geuite klachten ten aanzien van de onder 4 (de voltooide babbeltrucs) bewezenverklaarde feiten. Er wordt onder meer geklaagd dat de signalementen van de verdachte en zijn medeverdachte, de door hun gehuurde auto’s en de (zendmast)gegevens over de door hen gebruikte telefoons in de buurt van de plaatsen delict niet redengevend zijn voor de onder 4 bewezenverklaarde feiten. Echter, uit de gebruikte bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen hieromtrent kan als het niet onbegrijpelijke oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle onder 4 bewezenverklaarde ‘babbeltrucs’. Het door het hof overgenomen oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 geeft gezien al het voorgaande dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.

25. In de toelichting op het middel wordt tot slot zijdelings geklaagd dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging inzake de door de verdediging opgevoerde contra-indicaties voor de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten. Voor zover gesproken kan worden van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hieromtrent vindt het zijn weerlegging in de door de rechtbank (en door het hof overgenomen) bewijsmiddelen en uitgebreide, niet onbegrijpelijk gemotiveerde (aanvullende) bewijsoverwegingen ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4. Ook deze klacht faalt.

25. Het tweede middel faalt in al haar onderdelen.

25. Het derde middel klaagt over het onder 5 bewezenverklaarde witwassen. In het bijzonder staat niet vast dat de gelden waarvan is bewezenverklaard dat zij zijn overgedragen en/of omgezet althans waarvan gebruik is gemaakt, geheel of gedeeltelijk en onmiddellijk dan wel middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, aldus het middel.

25. Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstip(pen) in de periode van 1 maart 2015 tot en met 19 oktober 2015, in Nederland, geldbedragen heeft overgedragen en/of omgezet, althans van die goederen en/of geldbedragen gebruik gemaakt terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf”.

29. De bewezenverklaring steunt op de volgende door het hof overgenomen gronden uit het (Promis)vonnis (met weglating van voetnoten):

“Feit 5: witwassen

Onderzoek van de bankrekening [rekeningnummer] van [verdachte] over de periode van 1 maart tot 11 september 2015 leert dat van 10 april 2015 tot 22 juli 2015 in totaal € 19.100,- contant wordt gestort op deze bankrekening. Daarnaast wordt geld overgemaakt door [medeverdachte] (€ 1.150) en [betrokkene 2] (€ 75) en vindt een storting plaats van € 1.052,96 i.v.m. einde werkzaamheden [A] BV. Op deze rekeningen vinden geen betalingen plaats uit hoofde van salaris of uitkering e.d.

Op 22 juli 2015 werd door [betrokkene 3] een bedrag van € 4.850,-, overgemaakt ten gunste van [betrokkene 4] in Amerika. Dat is de dochter van [verdachte] . [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij dat geld contant kreeg van [verdachte] met het verzoek dat geld over te maken. In de periode van 6 juni 2015 tot en met 5 augustus 2015 heeft [verdachte] in totaal 11 nachten in hotel Van der Valk in Cuijk verbleven, waarvoor hij in totaal € 1.551,97 contant heeft betaald. In de periode van 12 juni 2015 tot en met 3 augustus 2015 heeft [verdachte] in totaal €500,10 contant betaald aan hotel Van der Valk de Cantharel. Op een vraag dienaangaande heeft verdachte verklaard: “Ik ben 50 jaar. Dan kun je toch een beetje geld bezitten.” De rechtbank ziet dit als een bevestiging van deze contante betalingen.

Getuige [getuige 20] , werkzaam bij Hyundai-dealer Wittenberg in Amersfoort, heeft verklaard dat op 23 juli 2015 een man en een vrouw interesse toonden in de Hyundai i10 met het kenteken [kenteken] . Zij hebben de auto gekocht voor € 9.500. De man haalde een enorm pak biljetten van 50 euro tevoorschijn en wilde bij hem betalen, waarop hij de man verwees naar zijn collega [betrokkene 5] . Het kenteken is op naam van de vrouw gezet. [betrokkene 5] heeft verklaard dat de man de Hyundai contant betaalde met 190 biljetten van 50 euro. [betrokkene 3] heeft verklaard dat [verdachte] in Amersfoort een Hyundai voor haar heeft gekocht en [verdachte] heeft bevestigd dat hij een Hyundai i10 heeft gekocht ten behoeve van [betrokkene 3] .

[verdachte] was bestuurder van de vennootschap PPI BV. Onder [verdachte] is in beslag genomen een factuur van HPG Groothandel aan PPI BV d.d. 20 april 2015 ten bedrage van € 15.625,82 waarop was geschreven: “contant voldaan”. Vervolgens zijn alle door HPG aan PPI uitgeschreven facturen opgevraagd. Het totale bedrag was € 50.904,27. Blijkens een e-mail van de bedrijfsleider van HPG, [betrokkene 6] , zijn alle facturen contant betaald. [verdachte] heeft hieraan gerelateerde vragen niet willen beantwoorden. Geconstateerd moet worden dat een aantal facturen is gedateerd in de periode dat [verdachte] een vervangende hechtenis uitzat van 14 augustus 2015 tot en met 23 september 2015 en nadat hij was aangehouden in onderhavige zaak.

[verdachte] heeft verklaard geen vast salaris of uitkering te hebben. Inkomen wordt gehaald uit activiteiten en bedrijven, waarover hij evenwel niets wil verklaren. Hij zegt te zijn vrijgesteld van belastingaangifte omdat hij in Nederland geen inkomen heeft.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat verdachte in ruime mate geld heeft besteed en overgemaakt, terwijl hij geen aantoonbaar, verifieerbaar regulier inkomen had. Gezien de bewezenverklaarde diefstallen, kan het niet anders dan dat deze bestedingen zijn bekostigd uit de opbrengst van die door hemzelf en een mededader gepleegde diefstallen. Dat brengt echter nog niet mee dat er sprake is van witwassen. Immers, voor het kwalificeren als witwassen van “verwerven” en “voorhanden hebben” van geld en voorwerpen die uit eigen misdrijf verkregen zijn, gelden bijzondere voorwaarden voor strafbaarheid. Vereist is dat de gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Daarvoor bevat het dossier echter geen aanknopingspunten, in aanmerking genomen dat het enkele storten op eigen bankrekening daartoe onvoldoende is (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500; HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3169, NJ 2016/83).

Deze aangescherpte motiveringsregels gelden in beginsel niet voor het “overdragen” of “omzetten” of “gebruikmaken” van ‘criminele’ geldbedragen of voorwerpen. Echter, niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk "overdragen", "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. In die gevallen waarin het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn kan worden aangemerkt als "omzetten" of "overdragen" in de betekenis van art. 420bis, eerste lid, sub b, Sr, zal in de regel sprake zijn van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld, hetgeen meebrengt dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft, aldus HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913, NJ 2014/500. Hiervoor bevat het dossier echter geen aanknopingspunten. Ook na het storten op de eigen bankrekening blijft het geld immers direct herleidbaar tot verdachte. Indien dit geld echter vervolgens weer wordt opgenomen en gebruikt om betalingen mee te doen, is er wel sprake van witwassen, zo kan uit laatstgenoemd arrest worden afgeleid.

Het laten overmaken van € 5.000 naar verdachtes dochter in de Verenigde Staten kan worden aangemerkt als witwassen. Dit gebeurde immers niet door verdachte zelf, maar, op diens verzoek, door [betrokkene 3] waarmee ogenschijnlijk iedere band met de criminele herkomst wordt doorgesneden. Het besteden van € 9.500 contant geld voor de aankoop van de Hyundai [kenteken] op naam van [betrokkene 3] kan worden aangemerkt als “omzetten” als bedoeld in artikel 420bis lid 1 sub b Sr. In zoverre kunnen enkele witwashandelingen bewezen worden verklaard en als zodanig worden gekwalificeerd. Van gewoontewitwassen kan evenwel niet worden gesproken.

Onder verdachte zijn geen gestolen sieraden aangetroffen en niet duidelijk is wat hiermee is gebeurd. Aldus kan ook niet gezegd worden dat deze zijn ‘witgewassen’.“ 28

30. Namens de verdachte is hieromtrent in hoger beroep het volgende aangevoerd (vetgedrukt in het origineel):

“Feit 5 witwassen

228. De rechtbank somt ook aangaande dit delict een aantal bewijsmiddelen op. Zo overweegt de rechtbank dat onderzoek van een bankrekening van [verdachte] over een periode van 1 maart 2015 tot en met 11 september 2015 leert dat van 10 april 2015 tot en met 22 juli 2015 in totaal € 19.000,00 contant is gestort op deze rekening. Daarnaast wordt er door [medeverdachte] (€ 1.150,00) en [betrokkene 2] (€ 75,00) een tweetal bedragen gestort op deze rekening en vindt er storting plaats i.v.m. einde werkzaamheden [A] B.V. De rechtbank stelt tevens dat er op deze rekeningen, daar waar zij vermoedelijk bedoelt deze rekening, geen betalingen plaatsvinden uit hoofde van salaris of uitkering.

229. De storting via Western Union, betaling van hotelrekeningen, worden eveneens opgesomd. De contante aankoop van een auto ten behoeve van [betrokkene 3] worden aangehaald. De facturen van PPI die contant zijn betaald worden eveneens aangehaald.

230. De rechtbank overweegt dat [verdachte] verklaard heeft dat hij geen vast salaris of uitkering heeft en dat hij inkomen haalt uit de diverse ondernemingen, waarover hij niet wil vertellen. Dit heeft hij overigens in eerste aanleg wel gedaan. Hij heeft uitgelegd dat hij uit wiet gerelateerde zaken inkomsten genereert, hetgeen ik hiervoor uitvoeriger uiteen heb gezet. Daarnaast heeft hij aandelen in een aantal bedrijven overgenomen, waarvoor de verkopende partijen geld hebben betaald. Dat mag dan wellicht ook weer de nodige wenkbrauwen doen fronsen, maar het is wel inkomen dat de gestelde transacties kan verklaren.

231. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen, dan ook geenszins uit het voorgaande worden afgeleid dat [verdachte] in ruime maten geld heeft besteed en heeft overgemaakt, terwijl hij geen aantoonbaar inkomen heeft gehad. Evenmin kan derhalve de conclusie worden getrokken dat deze bestedingen zijn bekostigd door de bewezenverklaarde diefstallen.

232. Overigens merkt de rechtbank dan vervolgens terecht op dat, indien haar redenering wel stand zou houden, dat er dan nog géén sprake is van witwassen. Hetgeen de rechtbank vervolgens op pagina 45 vierde alinea tot en met eerste alinea pagina 46 stelt over witwassen wordt door de verdediging onderschreven.

233. Dit leidt voor de rechtbank tot de conclusie dat het laten overmaken van € 5.000,00 aan de dochter van [verdachte] kan worden aangemerkt als witwassen. Door dit door [betrokkene 3] te laten doen zou ogenschijnlijk iedere band met de criminele herkomst worden doorgesneden. Daarnaast zou contant kopen van een auto voor [betrokkene 3] kunnen worden aangemerkt als het "omzetten" als bedoeld in artikel 420bis lid 1 sub b Sr.

234. [verdachte] deelt deze mening niet. Zoals hiervoor al uiteengezet, heeft [verdachte] wel degelijk aangetoond dat hij inkomsten uit andere activiteiten genoot en dat gelden voor de twee hiervoor genoemde transacties niet afkomstig zijn uit een tweetal bewezen verklaarde diefstallen.

235. Het blijft voor [verdachte] ook onbegrijpelijk dat justitie op grond van een datum van een financiële transactie meent te kunnen concluderen dat het geld wel afkomstig moet zijn uit een bepaald delict, terwijl de omvang van die stortingen in de meeste gevallen niet in verhouding staan tot de buitgemaakte bedragen. De bedragen die zouden zijn ontvreemd, komen met andere woorden geenszins overeen met geconstateerde stortingen en/of opnames. Ik verwijs hierbij naar pagina 1500 onder 10.1 (Map 4). Met de beste wil van de wereld kan er een logische koppeling worden gemaakt tussen een ontvreemding van € 150.000,00 op 22 juli 2015 met een storting van € 5.000,00 op 22 juli 2015.

236. Evenmin kan gesteld worden dat het contact hebben met een goudhandelaar of juwelier betekent dat je sieraden onder je hebt die van enig misdrijf afkomstig zijn, en dat je deze vervolgens hebt omgezet of ingewisseld voor geld. Terecht dat de rechtbank dan ook oordeelt dat aangaande de sierraden witwassen niet kan worden bewezen. Er zal toch op zijn minst bewezen moeten worden dat [verdachte] specifiek goederen en/of geld onder zich heeft gehad die van enig misdrijf afkomstig waren. Dit kan het OM niet.

237. Het OM heeft in eerste aanleg ook bedragen dubbel geteld. Zo worden de bedragen die [verdachte] zou hebben gestort opgeteld bij de bedragen die hij aan onder andere zijn dochters via derden heeft overgemaakt. De € 19.100,00 die volgens het OM is gestort op de rekening van [verdachte] , heeft hij aangewend voor de betalingen aan zijn dochter.

238. Over zijn inkomsten heeft [verdachte] aangegeven dat hij inkomsten uit het buitenland heeft en inkomsten uit ondernemingen. Het feit dat hij inhoudelijk daarover niet eerder wilde verklaren, kan niet tot de conclusie leiden dat sprake is van witwassen.

239. Nu niet kan worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en derhalve van een gewoonte hiertoe ook geen sprake kan zijn, dient hij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs ook te worden vrijgesproken van dit laatste feit.” 29

31. Het hof heeft aan de geldstortingen en uitgaven een nadere (bewijs)overweging gewijd:

“Geldstortingen en uitgaven

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij wel degelijk over (contante) gelden kon beschikken uit hoofde van zijn zakelijke activiteiten voor verschillende ondernemingen. Niet is echter aannemelijk geworden dat deze middelen zien op de contante stortingen die de rechtbank bij de bewezenverklaring van de verschillende feiten heeft betrokken. Reeds daarom is het hof van oordeel dat deze verklaring van verdachte niet afdoet aan hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen.” 30

32. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In art. 420bis, eerste lid, Sr wordt de eis gesteld dat het voorwerp waarmee gehandeld wordt van enig misdrijf afkomstig is. Dit zal moeten blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen. Het gronddelict hoeft niet te worden bewezen, noch wie dat misdrijf zou hebben gepleegd.31 Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld ‘uit enig misdrijf afkomstig is’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie om bewijs bijeen te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. 32 Als de verdachte met een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring komt over de herkomst, is het aan het openbaar ministerie om nader onderzoek te verrichten.33 In cassatie wordt het oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld niet aannemelijk is, getoetst op zijn begrijpelijkheid.

33. Terug naar het onderhavige geval. De rechtbank heeft haar door het hof overgenomen oordeel dat sprake is van witwassen, gegrond op twee witwashandelingen, te weten dat de verdachte op 22 juli 2015 [betrokkene 3] contant € 5000,- heeft gegeven met het verzoek dit via haar bankrekening aan zijn dochter in Amerika over te maken en dat hij op diezelfde dag met contant geld een auto (een Hyundai i10) heeft gekocht, welke auto hij op naam van die [betrokkene 3] heeft laten zetten. Het middel klaagt dat er geen bewijs is dat die € 5000,- afkomstig is van één van de diefstallen waar de verdachte voor is veroordeeld. Die transactie is volgens de steller van het middel door [betrokkene 3] gedaan, omdat de rekening van de verdachte geblokkeerd was. Voorts kunnen de briefjes van € 50,- waarmee de auto (Hyundai i10) is gekocht voor [betrokkene 3] worden verklaard door de werkzaamheden die de verdachte verrichte, aldus het middel. In haar door het hof overgenomen vaststellingen overweegt de rechtbank hieromtrent dat de verdachte ‘in ruime mate geld heeft besteed en overgemaakt, terwijl hij geen aantoonbaar, verifieerbaar regulier inkomen had’. Gezien de bewezenverklaarde diefstallen kan het volgens de rechtbank dan ook niet anders dat deze bestedingen zijn bekostigd door de door hemzelf en een mededader gepleegde diefstallen. Verder wordt overwogen dat [betrokkene 3] het geld voor de zojuist genoemde overboeking aan de dochter van de verdachte contant van hem kreeg met het verzoek om het geld over te maken zodat iedere band met de criminele herkomst van dat geld werd doorgesneden. De (contante) aankoop van de auto door de verdachte voor [betrokkene 3] kan volgens de rechtbank voorts worden aangemerkt als “omzetten” als bedoeld in art. 420bis, eerste lid, sub b, Sr. Bij pleidooi in hoger beroep heeft de verdachte een verklaring gegeven voor het contante geld. Die komt er kortgezegd op neer dat hij (contante) inkomsten heeft gegenereerd uit wiet gerelateerde zaken, alsmede contante betalingen voor door hem aangekochte aandelen. Het hof acht het echter niet aannemelijk dat deze middelen zien op de contante stortingen die de rechtbank bij de bewezenverklaring van de verschillende feiten heeft betrokken. Die verklaring doet zodoende niet af aan hetgeen door de rechtbank is overwogen, aldus het hof. Het door hem overgenomen oordeel van de rechtbank dat zodoende sprake is van witwassen is, gezien al het voorgaande, dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

33. Het derde middel faalt.

33. Het vierde middel klaagt over het onder 6 bewezenverklaarde, meer in het bijzonder dat het opzettelijk gebruik maken van valse politiepassen/ politielegitimatie als pleger van dat feit niet zonder meer uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan blijken en dat ’s hofs oordeel dat in dit kader gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs onjuist, dan wel onbegrijpelijk is.

33. Ten laste van de verdachte is onder 6 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 23 maart 2015 tot en met 19 oktober 2015, in Nederland, tezamen en vereniging met een ander telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse politiepassen/ politielegitimatie, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en zijn mededader zich telkens bij argeloze burgers met voornoemde legitimatie/pas konden legitimeren en bij burgers zich de toegang tot woningen konden verschaffen en bestaande die valsheid hierin dat voornoemde politiepas/legitimatie was nagemaakt en was voorzien van een foto van verdachte en een (fictieve) naam die moest doorgaan voor de naam van verdachte, en welke (nagemaakte) pas in elk geval niet in overeenstemming was met een authentiek bewijs van (ambts)bevoegdheid.”

37. De bewezenverklaring steunt op de volgende door het hof overgenomen gronden uit het (Promis)vonnis (vetgedrukt en onderstreept in het origineel en met weglating van voetnoten):

“Feit 6: politiepasjes

Zaakdossier 54

De bewijsmiddelen

Bij gelegenheid van de aanhouding van [verdachte] is op 19 oktober 2015 onder zijn bezittingen een politiepas (in een zwarte houder) ten name van “ […] ” aangetroffen en in beslag genomen. Deze pas bevatte een foto van [verdachte] . Onder [medeverdachte] is een politiepas ten name van “ […] ” aangetroffen en in beslag genomen. Dit pasje bevatte een foto van [medeverdachte] .

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij zichzelf herkent op de foto van het valse politiepasje. [verdachte] kwam met het idee om met behulp van politiepasjes geld binnen te halen. Hij vroeg [verdachte] om [betrokkene 2] te bellen zodat deze […] kon benaderen. Hij heeft de namen voor de pasjes aan [betrokkene 2] doorgegeven en gezegd dat het ging om de politie Utrecht. Later vertelde [verdachte] hem dat hij de pasjes had ontvangen. Ze spraken af elkaar in Maastricht te ontmoeten op 13 oktober 2015. [verdachte] gaf hem toen zijn politiepasje. Die pasjes zouden ze gebruiken om mensen geld afhandig te maken.

Dit wordt bevestigd door [betrokkene 2] , die heeft verklaard dat hij door [verdachte] en [medeverdachte] werd benaderd om de politiepasjes te laten maken. Zij wisten dat […] dat kon. […] had al foto’s van [verdachte] en [medeverdachte] . Ze hadden eerder al, in 2014 of begin 2015, pasjes laten maken. De gegevens die op de pasjes stonden heeft hij aan […] gestuurd. Hij heeft de pasjes afgegeven aan [verdachte] .

[…] heeft verklaard dat hij politiepasjes heeft vervalst op verzoek van [betrokkene 2] . Medio 2014 heeft hij twee politiepasjes gemaakt en in oktober 2015 nogmaals twee pasjes voor de politie Midden-Nederland of Utrecht. Het betreft pasjes met de namen “ […] ” en “ […] ”. In de onder […] in beslag genomen Dell-computer werd een foto gevonden van een politiepasje met de naam “Patrick van Dongen” en een foto van [verdachte] . Ook werden afbeeldingen aangetroffen van politielegitimatiebewijzen op naam van […] en […] .

[verdachte] heeft verklaard dat hij het vervalste politiepasje wilde gebruiken om een woning te huren.

Uit het bovenstaande leidt de rechtbank af dat [verdachte] en [medeverdachte] opdracht hebben gegeven tot het vervaardigen van valse politie-legitimatiebewijzen en dat zij deze ook voorhanden hadden. Uit de bij de afzonderlijke zaakdossiers gehanteerde bewijsmiddelen (met name de aangiftes) kan worden afgeleid dat zij deze vervalste politiepasjes ook daadwerkelijk hebben gebruikt bij de babbeltrucs.” 34

38. Het hof heeft in zijn arrest aan de politiepasjes een nadere (bewijs)overweging gewijd:

“Politiepasjes

Ten aanzien van de politiepassen heeft de verdediging nog gesteld dat verdachte pas vanaf oktober 2015 in het bezit is geweest van een politiepas. In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank hierover merkt het hof op dat de door de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen in hoger beroep minder stellig hebben verklaard dan bij de politie. Het hof ziet echter geen reden om niet uit te gaan van de verklaringen die de getuigen bij de politie hebben afgelegd. Het hof neemt daarbij ook in overweging dat deze eerdere verklaringen worden ondersteund door het feit dat in de Dell computer van […] ook een andere politiepas met een foto van verdachte is aangetroffen.” 35

39. In de toelichting op het middel wordt voor het onder 6 bewezenverklaarde feit verwezen naar de toelichting op het tweede middel ten aanzien van het schakelbewijs, welke toelichting van overeenkomstige toepassing zou zijn op de bewezenverklaring van feit 6. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. In de door het hof overgenomen gronden ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde feit is m.i. namelijk geen schakelbewijsconstructie te ontwaren. Voorts wordt geklaagd over de redengevendheid van de bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde feit. Hierover merk ik op dat de rechtbank in haar door het hof overgenomen oordeel onder andere heeft overwogen dat bij de verdachte een (valse) politiepas met daarop zijn foto is aangetroffen. De medeverdachte heeft daarover verklaard dat de verdachte met het idee kwam om door middel van valse politiepassen geld binnen te halen en dat de verdachte via een contact van hem, te weten [betrokkene 2] , die passen bij een ander, te weten […] , zou kunnen laten vervaardigen. Deze [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij door de verdachte en de medeverdachte is benaderd voor de genoemde politiepassen en dat […] deze passen aan de verdachte heeft afgegeven. Ook […] heeft verklaard dat hij op verzoek van [betrokkene 2] deze passen voor de verdachte en de medeverdachte heeft vervaardigd. Het hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging vastgesteld dat hoewel de getuigen bij de raadsheer-commissaris minder stellig waren dan bij de politie, het geen reden ziet om aan niet uit te gaan van die (zojuist besproken) verklaringen. Dat geldt te meer nu op de computer van […] ook een andere politiepas met een foto van de verdachte erop is aangetroffen. Voorts is met name uit de aangiftes in de afzonderlijke dossiers afgeleid dat de verdachte de vervalste politiepasjes ook daadwerkelijk heeft gebruikt bij de babbeltrucs. Het door het hof overgenomen oordeel van de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van valse politiepassen is dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

39. Het vierde middel faalt tenslotte ook.

39. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.

39. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

43. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 De cassatieschriftuur van 6 februari 2018 bevat de middelen één tot en met drie (I – III) en de nagezonden cassatieschriftuur van 6 februari 2018 bevat middel vier (IV).

2 Het gaat hierbij volgens de klacht om de aangevers [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 10] , [getuige 11] , [getuige 12] , [getuige 13] , [getuige 14] , [getuige 15] , [getuige 16] , [getuige 17] , [getuige 18] en [getuige 19] en medeverdachte [medeverdachte] .

3 Zie de appelschriftuur van mr. S. Meeuwsen van (gezien de tijdstempel van de door middel van een faxbericht verzonden appelschriftuur) 9 juni 2016, p. 2, 4 – 5.

4 Zie: het tussenarrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 1 november 2016, p. 1 – 3.

5 Zie: het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 8 juni 2017, p. 7.

6 Zie: het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 22 juni 2017, p. 4.

7 Zie HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 3.3.1.

8 Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.61.

9 Zie ook: HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, r.o. 3.8.2.

10 Ik merk terzijde op dat het hof in zijn arrest heeft overwogen dat “(…) de verdachte nog [heeft] aangevoerd dat hij niet binnen het signalement past, omdat aangevers niet als signalement hebben opgegeven dat de forse man zijn voortanden mist en slechts in een beperkt aantal gevallen is genoemd dat hij een bril draagt. Uit eigen waarneming heeft het hof tijdens de ondervraging ter terechtzitting geconstateerd dat in een gesprek met verdachte het ontbreken van zijn voortanden niet opvallend is.”

11 Zie (onder andere) de uitspraak van het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland, EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, onder punt 101 e.v.

12 Zie HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, r.o. 3.2.1.

13 Zie HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:120.

14 Hoewel het middel klaagt dat dit ook geldt voor de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] , wordt zijn verklaring in de bespreking van het beoordelingskader hieromtrent en in de conclusie van de toelichting op het middel niet genoemd. Ik merk voorts op dat het hof in zijn tussenarrest van 1 november 2016 overweegt dat de medeverdachte [medeverdachte] reeds ter terechtzitting bij de rechtbank in het bijzijn van de verdediging is gehoord. Dientengevolge is ten aanzien van hem überhaupt geen sprake van een schending van het ondervragingsrecht ex art. 6 EVRM. Ik laat een en ander dan ook buiten beschouwing bij de beoordeling van deze klacht.

15 Zie het vonnis van de rechtbank van 28 april 2016, p. 11.

16 Zie: p. 10 - 44 van het vonnis van de rechtbank van 28 april 2016 en p. 2 - 3 van het arrest van het hof van 22 juni 2017.

17 Zie: HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4480, NJ 2013/193, r.o.v. 3.5.

18 Zie het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 april 2016, p. 46 – 50.

19 Zie het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 april 2016, p. 10 - 11.

20 Zie het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 22 juni 2017, p. 2 - 3.

21 Zie: A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 237.

22 Zie: G.J.M. Corstens (bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans), Het Nederlands strafprocesrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 849 – 850.

23 Zie: B. de Wilde ‘Schakelconstructies in bewijsmotiveringen’ DD 2009/24.

24 Zie wederom B. de Wilde ‘Schakelconstructies in bewijsmotiveringen’ DD 2009/24.

25 Zie ook HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, NJ 2018/84, m.nt. J.M. Reijntjes, r.o. 2.4: “Met de door het Hof gebezigde term schakelbewijs pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de — uit één of meer bewijsmiddelen blijkende —omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt.

26 Zie de aan HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118 voorafgaande conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:1126) van mijn ambtgenoot Hofstee, onder punt 9.

27 Het middel betoogt voorts dat het hof op grond van contra indicaties een aantal feiten niet bewezen heeft verklaard en klaagt dat voor de wél bewezenverklaarde feiten óók contra indicaties zijn die het hof zodoende ten onrechte niet heeft laten meewegen. Ik merk op dat de feitenrechter de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal heeft (zie voorts hetgeen onder randnummer 21 is vooropgesteld) en dat deze klacht, zoals die in de toelichting op het middel is geformuleerd, kansloos is.

28 Zie het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 april 2016, p. 44 – 46.

29 Zie de pleitnotitie van mr. S. Meeuwsen, gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 8 juni 2017, p. 44 – 46.

30 Zie het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 22 juni 2017, p. 3.

31 Zie: F. Diepenmaat, De Nederlandse strafbaarstelling van witwassen, SteR nr. 28, 2015/4.3.2.3 (Afkomstig uit enig misdrijf).

32 Zie: HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, zie onder andere r.o. 2.5.

33 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471.

34 Zie het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 april 2016, p. 14 – 15.

35 Zie het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 22 juni 2017, p. 3.