Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1313

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-11-2018
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
17/02331
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:90
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv bij verstek na veroordeling t.z.v. openlijke geweldpleging, art. 141.1 Sr. Aanhoudingsverzoek raadsvrouwe per e-mail met mededeling dat zij zich stelt als advocaat en dat zij de stukken bij vorige advocaat heeft opgevraagd door Hof afgewezen op de grond dat verzoek niet is gemotiveerd. Hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen en daartoe overwogen dat de raadsvrouwe voorafgaand aan de tz. zonder enige motivering dat verzoek heeft gedaan, terwijl verdachte noch raadsvrouwe ttz. zijn verschenen om redenen op te geven voor aanhouding. Daarin ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat door of namens verdachte niet is vermeld waarop het aanhoudingsverzoek steunt, zodat het verzoek moet worden afgewezen. Dat oordeel is - ook in het licht van het e-mailbericht - niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG (anders): E-mail kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat raadsvrouwe aanhouding verzoekt omdat zij nog geen stukken heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02331

Zitting: 27 november 2018

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 21 april 2017 door het gerechtshof Amsterdam bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde beroep.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat het hof het verzoek van de raadsvrouw tot aanhouding van de behandeling van de zaak ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2017 houdt in dat de verdachte en diens raadsvrouw aldaar niet zijn verschenen. Voorts houdt dit proces-verbaal het volgende in:

“De voorzitter deelt mee dat het hof gisteren heeft begrepen dat er een stelbrief van 14 april 2017 bestaat waarin tevens een aanhoudingsverzoek is gedaan. De voorzitter deelt mee dat aan dat verzoek geen nadere gegevens ten grondslag zijn gelegd.

De oudste raadsheer deelt mee dat het gaat om een e-mailbericht van de griffie, waarbij een e-mailbericht van de raadsvrouw van 14 april 2017, gericht aan de griffie, is doorgestuurd.

De oudste raadsheer leest bedoeld e-mailbericht voor.

De voorzitter deelt mee dat het hof kennis heeft genomen van voornoemd e-mailbericht, dat het hof op voorhand geen beslissing heeft genomen op het aanhoudingsverzoek, en dat de raadsvrouw vandaag niet is verschenen.

De advocaat-generaal deelt mee:

Dat is uitermate vervelend. De raadsvrouw heeft niets laten horen. Ik neem aan dat de raadsvrouw het dossier niet heeft, maar ik ben aan het raden. Ik vraag u de zaak inhoudelijk te behandelen; het ligt op de weg van de raadsvrouw om zich ervan te vergewissen of een aanhoudingsverzoek wordt gehonoreerd.

Het hof onderbreekt, bij monde van de voorzitter, het onderzoek voor beraad in raadkamer.

Na hervatting van het onderzoek deelt de oudste raadsheer mee dat de raadsvrouw in haar e-mailbericht te kennen heeft gegeven dat zij de stukken bij mr. Reehuis, de toenmalige raadsvrouw van de verdachte, heeft opgevraagd.

De voorzitter deelt mee dat:

- het hof constateert dat de raadsvrouw van de verdachte op 14 april 2017 een e-mailbericht aan de griffie van dit hof heeft gestuurd waarin zij zich stelt als raadsvrouw en waarin zij tevens - zonder enige motivering - om aanhouding van de behandeling van de zaak heeft verzocht;

- hij van de griffier heeft begrepen dat de raadsvrouw gisteren de griffie heeft gebeld en gevraagd heeft of het hof al een beslissing had genomen op het aanhoudingsverzoek, waarop aan de raadsvrouw namens het hof is meegedeeld dat vandaag een beslissing zou worden genomen op het aanhoudingsverzoek en het aan haar was om weI of niet ter terechtzitting van heden te verschijnen;

- de dagvaarding voor de terechtzitting van heden aan de verdachte in persoon is betekend;

- noch de verdachte noch de raadsvrouw vandaag zijn verschenen om redenen op te geven waarom de behandeling zou moeten worden aangehouden;

- gelet op het aanhoudingsprotocol ervan uit mag worden gegaan dat als een advocaat een zaak overneemt, deze op de dag van de behandeling beschikbaar is.

De voorzitter deelt mee dat gelet op het ontbreken van enige motivering het hof geen aanleiding ziet de zaak vandaag niet te behandelen.

(…)”

3.3. Het gaat om een verzoek tot aanhouding dat voorafgaande aan de terechtzitting per e-mail is gedaan. In zijn beslissing refereert het hof aan een e-mail van de raadsvrouw van 14 april 2017. Deze e-mail bevindt zich bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden stukken en houdt in:

“Geachte mevrouw/heer,

Tot mij heeft zich gewend [verdachte] met het verzoek hem bij te staan in de procedure bij uw hof.

Hierbij stel ik mij in de zaak van [verdachte] . Ik heb mevrouw Reehuis inmiddels ook een e-mail gestuurd waarin ik haar vraag om het dossier over te nemen.

Ik verzoek voorts uitstel voor de behandeling ter zitting op 21 april 2017.

Graag verneem ik hieromtrent van u.”

3.4. Bij de stukken bevindt zich eveneens een hierop gevolgde e-mailwisseling tussen de raadsvrouw en de griffie van het hof. Deze mailwisseling houdt in:

“Van: Administratie straf (Hof Amsterdam)

Verzonden: donderdag 20 april 2017 16:44

Aan: [betrokkene 1] (Hof Amsterdam) < [betrokkene 1] @rechtspraak.nI>; [betrokkene 2] . (Hof Amsterdam) < [betrokkene 2] @rechtspraak.nl>; [betrokkene 3] (Hof Amsterdam) < [betrokkene 3] @rechtspraak.nI>; Administratie RP Amsterdam (Ressortsparket, Amsterdam) < [...] @om.nl>

Onderwerp: SPOED! # Zitting 21-04-2017 inzake 23-002803-16 [verdachte] # verzoek aanhouding

Urgentie: Hoog

Advocaat stuurt mij net deze mail, ik weet niet of het verzoek al eerder gedaan is?? Maar advocaat heeft nog niets gehoord. Ik heb gevraagd of ze de mail nogmaals wil sturen.

Met vriendelijke groet,

[betrokkene 4]

Senior Administratief Medewerker

(…)

Oorspronkelijk bericht

Van: [...].nl [mailto:[...].nl]

Verzonden: donderdag 20 april 2017 16:41

Aan: Administratie straf (Hof Amsterdam) < [...] @rechtspraak.nl>

Onderwerp: Fwd: stelbrief inzake [verdachte] parketnummer 23-002803-16 /1e K

Originele bericht

(…)1

3.5. In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek om aanhouding de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht.2 Indien zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.3

3.6. Uit de boven weergegeven mailwisseling blijkt dat de raadsvrouw op 20 april 2017 op verzoek van de griffiemedewerker een e-mail heeft verzonden aan de griffie van het hof waarin zij het boven aangehaalde e-mailbericht van 14 april 2017 doorstuurt aan de griffie. Het is deze mailwisseling die de oudste raadsheer kennelijk bedoelt.4

3.7. Het hof heeft aan de afwijzing van het door de raadsvrouw gedane verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegd dat dit verzoek niet is gemotiveerd. Het lijkt mij dat de daags voor de zitting opnieuw aan de griffie van het hof verzonden e-mail waarin de raadsvrouw aanhouding van de behandeling verzoekt en meedeelt dat zij de stukken bij de voormalige raadsvrouw van de verdachte heeft (naar ik begrijp, zoals het hof het ook heeft begrepen:) opgevraagd, bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat zij om aanhouding verzoekt omdat zij nog geen stukken heeft ontvangen. Het oordeel van het hof acht ik dan ook zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

3.8. Ik merk nog op dat het feit dat een aanhoudingsverzoek niet is gemotiveerd, een factor is die betrokken kan worden bij de belangenafweging die van de rechter wordt verwacht, maar geen grond oplevert om – zoals het hof in deze zaak heeft gedaan – die belangenafweging geheel achterwege te laten. Mocht het zo zijn dat het hof behoefte had aan een nadere toelichting op het verzoek, dan had het hof, alvorens op het verzoek te beslissen, de raadsvrouw gelegenheid kunnen bieden om die toelichting alsnog – telefonisch – te geven.5

4. Het middel slaagt.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Weggelaten is de inhoud van het originele bericht, dat wil zeggen het onder 3.3 weergegeven e-mailbericht van 14 april 2017.

2 HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, rov. 2.4.

3 Idem, rov. 2.5.

4 Zie de mededeling van de oudste raadsheer omtrent het aanhoudingsverzoek, zoals aangetekend in het boven weergegeven proces-verbaal van het onderzoek ter zitting.

5 HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, rov. 2.4.