Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1312

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-11-2018
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
17/02266
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:41
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedrag op bankrekening klaagster. Maatstaf. Bij beoordeling klaagschrift beslagene gericht tegen beslag a.b.i. art. 94a.1 of 94a.2 Sv dient rechter te onderzoeken a. of er t.t.v. beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens misdrijf waarvoor geldboete van vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter, later oordelend, aan klaagster, als verdachte, verplichting tot betaling van geldboete dan wel geldbedrag ter ontneming w.v.v. zal opleggen. Beschikking is ontoereikend gemotiveerd omdat niet blijkt dat Rb deze maatstaven heeft aangelegd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02266 B

Zitting: 27 november 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[klaagster]

  1. De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, heeft bij beschikking van 12 april 2017 het klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag gelegd op het saldo van € 6.272,91 van een op haar naam gestelde bankrekening en teruggave daarvan aan haar, ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht houdt in dat de rechtbank in haar beschikking heeft verzuimd de grondslag van het beslag vast te stellen en dat uit de beschikking niet kan volgen dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift de aan te leggen maatstaven heeft toegepast. De tweede klacht is dat de rechtbank niet of niet toereikend gemotiveerd het door de raadsman gevoerde verweer dat de beslaglegging onrechtmatig dan wel disproportioneel is, voor zover deze (mede) de op de bankrekening gestorte uitkeringen uit de Bijstandswet waarop een beslagvrije voet van toepassing is omvat, heeft verworpen.

3.2. De bestreden beschikking houdt in:

“Motivering

(…)

Klaagster stelt in haar klaagschrift dat onder het beslag op haar bankrekening is gevallen een uitkering namens de Bijstandswet ad € 6.272,91. Namens klaagster heeft mr. Van Tuinen verzocht om teruggave van voornoemde uitkering. Hiertoe heeft mr. Van Tuinen aangevoerd dat de betaling van voornoemde uitkering aan klaagster beneden de beslagvrije voet ligt.

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de beslagvrije voet niet geldt, indien beslag wordt gelegd onder een bank. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de wet uitsluitend voorziet in een beslagvrije voet voor beslagen gelegd onder een derde tot periodieke betalingen, en het bankbeslag geen periodieke betaling is. Gelet hierop dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat de wet uitsluitend voorziet in een beslagvrije voet voor beslagen gelegd onder een derde tot periodieke betalingen. De rechtbank oordeelt dat er een wezenlijk verschil is tussen het beslag op periodieke betalingen en het beslag op een bankrekening, nu het beslag op een bankrekening slechts het op dat moment aanwezige saldo betreft. De rechtbank zal het klaagschrift derhalve ongegrond verklaren.”

3.3. De klacht dat de rechtbank omtrent de grondslag van het beslag in haar beschikking niets heeft vastgesteld is op zichzelf juist. Uit de stukken die op de voet van art. 447 lid 2 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden blijkt echter dat het gaat om een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag op een rekening die de klaagster houdt bij de KNAB bank en dat dit beslag strekt tot bewaring van het recht op verhaal van een aan de klaagster op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.1

3.4. De maatstaf voor de beoordeling van het klaagschrift van de klaagster is dan ook a) of er ten tijde van de beslissing van de rechtbank sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.2

3.5. Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat de rechtbank bij de beoordeling van klaagsters klaagschrift aan deze maatstaf heeft getoetst. Voor zover het middel hierover klaagt is het dus terecht voorgesteld.

3.6. Alhoewel het vorenstaande mijns inziens betekent dat de tweede klacht van het middel geen afzonderlijke bespreking behoeft, wil ik daarover toch het volgende opmerken.

3.7. Namens de klaagster is aangevoerd dat het (conservatoir) beslagen banksaldo van € 6.272,91 geheel of ten dele bestandsuitkeringen betreft, die aan de klaagster zijn uitbetaald. Klaarblijkelijk gaat het dus om periodieke betalingen zoals bedoeld in art. 475c Rv. Het oordeel van de rechtbank dat de wet uitsluitend voorziet in een beslagvrije voet voor beslag gelegd op vorderingen van de klaagster tot periodieke betaling van een bijstandsuitkering gelegd onder de instantie die de bijstandsuitkering uitbetaalt, is op zichzelf juist. Een beslagvrije voet is niet – althans nog niet3 – van toepassing indien het beslag is gelegd op de bankrekening van de gerechtigde waarop met de bijstandsuitkering of vergelijkbare inkomensregelingen gemoeide bedragen zijn bijgeschreven. In dat laatste geval is er sprake van bankbeslag.4

3.8. Het vorenstaande laat mijns inziens onverlet dat in het geval dat namens de klaagster gemotiveerd is aangevoerd dat het beslag op de bankrekening waarop de aan haar toekomende bijstandsuitkeringen zijn uitbetaald tot gevolg heeft dat hetgeen zij aan inkomsten overhoudt beneden het bestaansminimum ligt en zij daarom geen ruimte meer heeft om in haar levensonderhoud te voorzien, het aangevoerde bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan een verweer dat de rechter had moeten nopen tot nader onderzoek naar de vraag of de (voorzetting) van het beslag aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet.5 De rechtbank heeft nagelaten een dergelijke toets uit te voeren en ook de hierop betrekking hebbende klacht is gegrond.

4. Het middel slaagt.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie het proces-verbaal van conservatoir beslag onder een derde, opgemaakt en getekend op 7 maart 2017 door verbalisant [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal is gehecht aan de reactie van het OM van 10 april 2017 op het klaagschrift.

2 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/6, rov. 2.14.

3 Het conceptwetsvoorstel “Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de herziening van het beslag- en executierecht” beoogt hierin te voorzien. De memorie van toelichting bij dit conceptwetsvoorstel, dat thans nog in consultatie is, vermeldt het volgende (zie p. 7): “Voorgestelde regeling Dit wetsvoorstel regelt dat er een met de beslagvrije voet bij een beslag op inkomen vergelijkbare regeling wordt ingevoerd voor bankbeslag (het beslagvrije bedrag genoemd), zowel voor conservatoir- als executoriaal bankbeslag. De regeling moet voorkomen dat de regeling van de beslagvrije voet wordt doorkruist doordat er beslag wordt gelegd op de bankrekening van de schuldenaar (bijvoorbeeld net nadat daarop het inkomen is gestort) in plaats van op het loon of de uitkering zelf, puur om beslagvrije voet te omzeilen. Uiteraard is het aan de schuldeiser om te bepalen of hij beslag legt onder bijvoorbeeld de inkomensverstrekker of de bank. Voor de schuldenaar is echter van belang dat hij niet onder het bestaansminimum uitkomt door een beslaglegging. De schuldenaar moet ook als er beslag wordt gelegd op zijn banktegoed leefgeld overhouden om in zijn primaire levensbehoeften te voorzien, zoals het kopen van eten, het betalen van de huur of hypotheek, zorgpremies en gas en elektra. (…)”

4 Vgl. HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2908, NJ 2001/630. Zie ook L.P. Broekveldt, Beslagvrije voet en bankbeslag, BER 2014/94 (afl. 4, p. 27-31). Zie verder ook het preadvies A.W. Jongbloed e.a., Naar een nieuwe beslagvrije voet; vereenvoudiging in een tweetrapsraket, Den Haag: Sdu uitgevers 2014, inhoudende onder meer een voorstel tot het treffen van een regeling waardoor tot aan de beslagvrije voet geen verhaal kan worden genomen op een bankrekening waarop de beslagdebiteur zijn periodieke uitkeringen ontvangt (zie. p. 328).

5 Zie ter illustratie Hof ’s-Hertogenbosch 21 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1496, Vzr. Rechtbank Amsterdam 16 november 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BK3544 en Rechtbank Rotterdam 17 oktober 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:8478.