Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1311

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-11-2018
Datum publicatie
13-03-2019
Zaaknummer
16/05555
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:244
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag, beslag ex art. 94a lid 4 Sv. Vleesfraude. Anderbeslag op vorderingen die de klaagster

(een van de opvolgers van de verdachte BV’s) wegens reguliere slachtwerkzaamheden heeft op de NVWA, ter verhaal van een aan X (bestuurder van klaagster en voormalige aandeelhouder en tevens medeverdachte van de verdachte BV’s) op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De AG stelt zich op het standpunt dat in casu niet voldaan is aan de vereisten van art. 94a lid 4 Sv, namelijk dat deze vorderingen aan de klaagster zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel van verhaalsfrustratie. De AG adviseert de Hoge Raad de beschikking te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/05555 B

Zitting: 27 november 2018

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[klaagster]

  1. De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 2 november 2016 het klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het conservatoire beslag op een viertal vorderingen die haar toekomen, ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. J.L. Baar en mr. D.J.G.J. Cornelissen, beiden advocaat te Utrecht, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel

3.1. Het middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat aan de voorwaarden van art. 94a lid 4 Sv is voldaan voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van [betrokkene 1] op vorderingen die de klaagster heeft op de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

3.2. Voor een goed begrip van de zaak zal ik eerst de voorgeschiedenis samen vatten. Uit de gedingstukken kan het volgende worden opgemaakt.

- Op 5 december 2013 is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen [betrokkene 1] en de aan hem gelieerde medeverdachte rechtspersonen [A] en [B] vanwege een verdenking van het kort gezegd verkeerd labelen van vlees (paardenvlees dat als rundvlees is verkocht). In verband hiermee is ook een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld.1

- Per 31 januari 2014 heeft er een herstructurering plaatsgevonden van de beide B.V.’s met dien verstande dat per die datum drie nieuwe B.V.’s zijn opgericht:

1. [C] , waarin de activiteiten van [B] zijn ondergebracht met als enig aandeelhouder [D] (zie onder 3),

2. [E] , het bedrijf dat de slachterij exploiteert, dat de activiteiten [A] heeft voortgezet met als enig aandeelhouder [D] (zie onder 3),

3. en [D] , de holding waaronder beide voorgaande bedrijven vallen, met als enig aandeelhouder en bestuurder [betrokkene 1] .

Als reden voor de herstructurering is opgegeven dat deze ten doel had de imagoschade die [A] en [B] hadden opgelopen zoveel mogelijk te beperken.2

- Op 5 maart 2014 is de echtgenote van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , enig aandeelhouder van [D] geworden. Daarmee is zij tevens enig aandeelhouder geworden van [C] en van [E] (de slachterij) waarvan de naam per 3 mei 2014 is gewijzigd in [klaagster] (klaagster).3

- Op 29 en 30 juli 2014 en 1 en 2 augustus 2014 zijn door [klaagster] in opdracht van de NVWA kalveren gedood wegens de verdenking dat zij besmet waren met Furazolidon.4 Daarvoor heeft [klaagster] op 18 augustus 2014 vier facturen gezonden aan de NVWA voor een totaal bedrag van € 204.465,80.5

- Op deze vordering van [klaagster] is op 3 september 2014 ten laste van [betrokkene 1] in opdracht van de officier van justitie I.M. Koopmans verbonden aan het Landelijk Parket, conservatoir derdenbeslag gelegd op grond van art. 94a lid 4 en lid 5 Sv ter verzekering van verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel door [betrokkene 1] .6

- Op 26 september 2014 heeft [klaagster] opheffing van voormeld beslag verzocht, welk verzoek door de rechtbank Gelderland bij beschikking van 21 oktober 2014 ongegrond is verklaard. Deze beschikking is onherroepelijk.

- [klaagster] heeft bij klaagschrift van 14 januari 2015 de rechtbank Gelderland opnieuw verzocht het beslag op te heffen met een last tot teruggave c.q. afgifte aan klaagster. Nadat dit klaagschrift in eerste instantie door de rechtbank Gelderland op 25 februari 2015 niet-ontvankelijk is verklaard en deze beschikking door de Hoge Raad vervolgens op 5 april 2015 is vernietigd, heeft de rechtbank Gelderland na terugwijzing opnieuw rechtdoende op 2 november 2016 het klaagschrift ongegrond verklaard. Daartegen richt zich het cassatieberoep.

3.3. De bestreden beschikking houdt in:

“Het beklag

In het klaagschrift en tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft klaagster zich primair op het standpunt gesteld dat het klaagschrift gegrond dient te worden verklaard. Er is geen sprake geweest van verhaalsfrustratie zoals bedoeld in artikel 94a lid 4 Wetboek van Strafvordering. Er is namelijk geen vermogen van de verdachten in de strafzaak, [betrokkene 1] of één van zijn vennootschappen, veiliggesteld. De vorderingen betreffen zakelijke vorderingen die klaagster als zelfstandige entiteit, met een eigen vermogen en een eigen financiële huishouding, toekomen. De vorderingen hebben nooit aan verdachten toebehoord. De herstructurering van de bedrijfsvoering doet gelet daarop niet ter zake. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het beslag disproportioneel is in de zaak tegen verdachten, nu reeds voldoende conservatoir beslag is gelegd. Op verschillende vermogensbestanddelen van verdachten is beslag gelegd. Het is niet te verwachten dat een bedrag ter hoogte van deze vermogensbestanddelen zal worden gevorderd in een ontnemingsprocedure. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat sprake is van disproportioneel beslag ten opzichte van klaagster. De vorderingen dienen zo spoedig mogelijk te kunnen worden geïnd door klaagster om faillissement te voorkomen. Hierbij dient te worden betrokken dat de verwachting is dat de strafzaak niet binnen een halfjaar kan worden gepland en inhoudelijk kan worden afgedaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Het strafrechtelijk (financieel) onderzoek richt zich tegen [betrokkene 1] en een aantal van zijn besloten vennootschappen. De herstructurering van de besloten vennootschappen heeft mede tot doel gehad eventueel verhaal van overheidswege te frustreren. Het ex artikel 94a, vierde lid, Sv gelegde beslag kan derhalve voortduren. Daarnaast stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat door het Openbaar Ministerie de juiste maatstaf is aangelegd voor wat betreft het bepalen van de hoogte van het conservatoir beslag. Dit bedrag overstijgt het wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachten niet. Het beslag is proportioneel in de strafzaak. Daarnaast is het beslag ook proportioneel ten opzichte van klaagster. Niet is gebleken dat de financiële situatie van klaagster zo nijpend is dat een faillissement binnen een korte termijn zal worden uitgesproken.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

In een procedure als deze toetst de raadkamer de rechtmatigheid van het beslag en slechts marginaal het belang van een rechtens juiste en zorgvuldige strafvordering. In het kader van deze raadkamerprocedure op basis van een klacht ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering kan het onderzoek, gelet op de aard van de procedure, niet anders dan summier zijn.

Niet in geschil is, en ook de raadkamer gaat daar, marginaal toetsend, van uit, dat de vorderingen van klaagster op de NVWA aan klaagster toekomen. Derhalve is beslag gelegd op de voet van artikel 94a, vierde lid, Sv. De raadkamer ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of zich het geval voordoet als bedoeld in artikel 94a, vierde lid, Sv, namelijk dat het inbeslaggenomen voorwerp - kort gezegd - aan een derde te kwader trouw behoort.

In haar beschikking van 21 oktober 2014 heeft de raadkamer reeds overwogen dat op 31 januari 2014 een herstructurering heeft plaatsgevonden van [A] en B. [B] De functie van [betrokkene 1] is van enig aandeelhouder en directeur van (uiteindelijk) [A] en B. [B] vóór 31 januari 2014 gewijzigd naar bestuurder van een nieuwe besloten vennootschap (en uiteindelijk klaagster). Na 31 januari 2014 is de echtgenote van [betrokkene 1] als enig aandeelhouder van de nieuw opgerichte besloten vennootschappen aangesteld, terwijl zij eerst slechts werkneemster van een van de besloten vennootschappen van haar echtgenoot was. Ten tijde van deze herstructurering hebben besprekingen plaatsgevonden waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat de herstructurering onder meer plaats heeft gevonden in het kader van eventueel te leggen conservatoir beslag.

De raadkamer heeft in haar beschikking van 21 oktober 2014 reeds overwogen dat zij voldoende aanwijzingen ziet dat de herstructurering van de bedrijfsstructuur en de overheveling van vermogensbestanden daarbij, (mede) tot doel heeft gehad de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, waarvan de betrokken partijen weet moeten hebben gehad, dan wel waar zij redelijkerwijs een vermoeden moeten hebben gehad. De raadkamer ziet op basis van het onderzoek ter zitting thans geen aanleiding om daar van af te wijken en is van oordeel, marginaal toetsend, dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 94a, vierde lid, Sv.

(…)”.

3.4. De beschikking van 21 oktober 2014 waarnaar de rechtbank in haar motivering verwijst houdt in:

“(…)

Uit de overgelegde stukken leidt de raadkamer het volgende af. Op 5 december 2013 is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen [A] , [B] en [betrokkene 1] . Deze (rechts)personen hadden erkenningen met betrekking tot de slacht, de uitsnijderij en het verzenden van vlees. Op 31 januari 2014 heeft een herstructurering van de bedrijfsstructuur van, onder meer, genoemde rechtspersonen plaatsgevonden. Als reden hiervoor is kennelijk opgegeven: “het doel van deze herstructurering van de bedrijfsactiviteiten is om de reeds aangerichte imagoschade zoveel mogelijk te beperken en zo mogelijk verdere schade te voorkomen”. Gevolg van deze herstructurering is onder meer dat de activiteiten en de zeggenschap over (on)roerende zaken van [A] en [B] zijn overgenomen door andere besloten vennootschappen, waaronder klaagster. Verder is de functie van [betrokkene 1] van enig aandeelhouder en directeur van (uiteindelijk) [A] , [B] voor 31 januari 2014 gewijzigd naar bestuurder van een nieuwe besloten vennootschap (en uiteindelijk klaagster). Eerst na 31 januari 2014 is de echtgenote van [betrokkene 1] als enig aandeelhouder van de nieuw opgerichte besloten vennootschappen aangesteld, terwijl zij eerst slechts werkneemster van een van de besloten vennootschappen van haar echtgenoot was.

Uit een overgelegd proces-verbaal van bevindingen (AMB-0146) blijkt dat in het strafrechtelijk onderzoek onder andere notities in beslag zijn genomen. Uit een van deze notities blijkt dat op 31 december 2013 waarschijnlijk een bespreking plaats vond waarbij [betrokkene 1] aanwezig was. Daarbij is genoteerd: "risico slachterij, reden als de nvwa nu ingrijpt ligt alles stil ook de slacht. Bij splitsing met... kan loonslachten gewoon doorgaan. De opdrachtgever is dan namelijk verantwoordelijk en dat is de handels bv (DMC). Je kunt dan gewoon weer een nieuwe BV oprichten”. Bij een bespreking op 30 januari 2014 maakte [betrokkene 3] een notitie inzake “ [betrokkene 1] c.s.” : “extra holding om nieuwe structuur volkomen los te laten zijn v.d. oude structuur. Gaat het fout in “vlees” (Verbalisant: waarschijnlijk [A] ) dan wordt zoveel mogelijk voorkomen dat "vlees” de nieuwe structuur van [B] (verbalisant: waarschijnlijk [D] ) meetrekt. Natuurlijk is de extra noodzaak van een nieuwe holding er niet als [betrokkene 1] (verbalisant [betrokkene 1] ) privé wordt aangepakt. Wat wel een aardige bijkomstigheid is, is dat eventueel via " [B] " BV als (mede) aandeelhouder, de publicatie van ben als aandeelhouder in het handelsregister niet nodig is.”

In een notitie inzake “NVWA actie van 11 december 2013 strafrecht” staat een telefoonnotitie d.d. 4 februari 2014 waarin staat: ‘aandelen o.g. BV (opmerking verbalisant: vermoedelijk [F] ) niet overdragen, zou curator wel eens in de kaart kunnen spelen, alles wel erg in het zicht van het eventuele faillissement geregeld. Het is zelfs de vraag of aandelen op naam ega (opmerking verbalisant: vermoedelijk [betrokkene 2] ) wel werkt in het faillissement. [betrokkene 4] gaat dat nog na [betrokkene 5] is absoluut voorstander van overdracht van aandelen o.g., want als het strafrechtdeel doorgaat, kan er zonder meer conservatoir beslag worden gelegd en dan zit het o.g. gelocked bij Ben en kan het in het kader v/d voordeelsberekening uitgewonnen worden.

Uit hetgeen door het openbaar ministerie thans naar voren is gebracht, ziet de raadkamer voldoende aanwijzingen dat de herstructurering van de bedrijfsstructuren en de overheveling van vermogensbestanden daarbij, (mede) tot doel heeft gehad de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, waarvan de betrokken partijen weet moeten hebben gehad, dan wel waar zij redelijkerwijs een vermoeden moeten hebben gehad. Derhalve is naar het oordeel van de raadkamer, marginaal toetsend, voldaan aan het bepaalde in artikel 94a, derde lid Sv.

Hetgeen door het openbaar ministerie overigens is overgelegd, maakt dat naar het oordeel van de raadkamer het in dit stadium niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter, later oordelend over de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verdachten in dit strafrechtelijk (financieel) onderzoek de verplichtingen zal opleggen tot betaling van geldbedragen aan de Staat tot ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het belang van Strafvordering verzet zich dan ook tegen opheffing van het hier besproken beslag.”

3.5. Voordat ik het middel bespreek, wil ik het volgende opmerken. In haar (onherroepelijke) beschikking van 21 oktober 2014 overweegt de rechtbank dat “het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter, later oordelend over de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verdachten in dit strafrechtelijk (financieel) onderzoek de verplichtingen zal opleggen tot betaling van geldbedragen aan de Staat tot ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel”. Met verdachten doelt de rechtbank kennelijk op [betrokkene 1] en de aan hem gelieerde medeverdachte rechtspersonen [A] en [B]

3.6. In de bestreden beschikking zegt de rechtbank te blijven bij de overwegingen die in de beschikking van 21 oktober 2014 ten grondslag zijn gelegd aan het oordeel dat het op de voet van art. 94a lid 4 Sv gelegde conservatoir beslag op de vorderingen van de klaagster gehandhaafd moet blijven. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de herstructurering van de bedrijfsstructuur en de overheveling van de vermogensbestanden daarbij, (mede) tot doel hebben gehad de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, waarvan de betrokken partijen weet moeten hebben gehad, dan wel waar zij redelijkerwijs een vermoeden van moeten hebben gehad.

3.7. Uit het proces-verbaal van bevindingen dat als productie 4 aan het klaagschrift van de klaagster is gehecht, blijkt dat per 31 januari 2014 een nieuwe bedrijfsstructuur in het leven is geroepen, bestaande uit drie opgerichte nieuwe BV’s, te weten: [C] , [E] en [D] . De bedrijfsactiviteiten zijn voortgezet in de nieuwe bedrijfsstructuur. In deze nieuwe bedrijfsstructuur komen de medeverdachte rechtspersonen [A] en [B] niet meer voor. Het is [E] , sinds 5 maart 2014 [klaagster] genaamd (de klaagster), die de slachterij exploiteert.

3.8. Van belang is verder dat het in onderhavige zaak enkel gaat om de beslaglegging ten laste van de verdachte natuurlijke persoon [betrokkene 1] . Of op de vordering van de klaagster nog steeds beslag rust ten laste van de medeverdachte B.V.’s is mij niets bekend.

3.9. Ik acht het oordeel van de rechtbank in de (onherroepelijke) beschikking van 21 oktober 2014, dat het conservatoir beslag op de vorderingen van de klaagster gehandhaafd moet blijven omdat er voldoende aanwijzingen zijn dat de herstructurering van de bedrijfsstructuur en de overheveling van de vermogensbestanden daarbij, (mede) tot doel hebben gehad de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, niet ontoereikend gemotiveerd en ook niet onbegrijpelijk, voor zover het gaat om conservatoir beslag dat ten laste van de medeverdachte BV’s is gelegd. Of dat beslag is gelegd of nog ligt kan zoals eerder opgemerkt uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet worden opgemaakt.

3.10. De vraag is echter of de motivering van de rechtbank begrijpelijk en toereikend is, voor zover het beslag is gelegd tot bewaring van het recht op verhaal van een aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat is mijns inziens niet het geval en wel om het navolgende.

3.11. De vorderingen die de klaagster heeft op de NVWA vloeien voort uit diensten die de klaagster aan de NVWA heeft verleend, namelijk het slachten van kalveren op 29 en 30 juli 2014 en op 1 en 2 augustus 2014.7 Mocht er geen herstructurering hebben plaatsgevonden, dan zouden deze diensten naar alle waarschijnlijkheid zijn verleend door de medeverdachte [A] en zouden de vorderingen zijn toegekomen aan deze BV en/of aan de medeverdachte [B] Tot uitwinning van de aan deze BV’s op te leggen betalingsverplichtingen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen die vorderingen dus wel dienen. Door de nieuwe bedrijfsstructuur waarbij vermogensbestanden en de bedrijfsvoering zijn overgeheveld naar nieuwe rechtspersonen zouden aan de medeverdachte BV’s opgelegde betalingsverplichtingen immers moeilijk(er) kunnen worden verhaald op de activa van de ‘nieuwe entiteit’.

3.12. Wat betreft een aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, is uitwinning van de vorderingen die zonder de herstructurering aan [A] en of [B] zouden hebben toebehoord niet zonder meer mogelijk. Conservatoir beslag op de voet van art. 94a lid 4 Sv op die vorderingen tot bewaring van het recht op verhaal van een aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is immers slechts mogelijk, als wordt voldaan aan de eisen die deze bepaling stelt, te weten dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokken vorderingen aan de klaagster zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel van verhaalsfrustratie. Ook als er geen herstructurering zou hebben plaatsgevonden, dan vermag ik niet in te zien waarom en op welke wijze er voldoende aanwijzingen bestaan dat de vorderingen waar het in casu om gaat geheel of ten dele aan de medeverdachten [A] en of [B] zijn gaan toebehoren, met het kennelijke doel de uitwinning daarvan ter voldoening van een aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting te bemoeilijken of te verhinderen. Het lijkt mij dat herstructurering van de betrokken B.V.’s hierin ook geen verandering heeft gebracht. In ieder geval behoeft het oordeel van de rechtbank dat zulks wel het geval is, nadere motivering.

3.13. Het middel slaagt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant], werkzaam bij de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken, d.d. 23 september 2014, bijlage 4 bij klaagschrift d.d. 14 januari 2015, p. 1.

2 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant], d.d. 23 september 2014, bijlage 4 bij klaagschrift d.d. 14 januari 2015, p.2.

3 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant], d.d. 23 september 2014, bijlage 4 bij klaagschrift d.d. 14 januari 2015, p. 1.

4 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant], d.d. 23 september 2014, bijlage 4 bij klaagschrift d.d. 14 januari 2015, p. 1.

5 Bijlage 1 bij klaagschrift d.d. 14 januari 2015.

6 Bijlage 2 bij klaagschrift d.d. 14 januari 2015.

7 Zie productie 4 bij klaagsters klaagschrift.