Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:1310

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-10-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
18/03686
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2163, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Wet Bopz. Voorwaardelijke machtiging. Is redelijkerwijs aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven? Art. 14a lid 8 Wet Bopz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/03686

mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 12 oktober 2018

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie in het arrondissement Midden-Nederland

In deze zaak is een voorwaardelijke machtiging verleend (art. 14a Wet Bopz). Is voldaan aan het vereiste dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven?

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift, ingekomen op 25 april 2018, heeft de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland aan de rechtbank aldaar verzocht een voorwaardelijke machtiging tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis te verlenen met betrekking tot verzoeker tot cassatie (geboren in 1981, hierna: betrokkene). Volgens het verzoekschrift heeft betrokkene ermee ingestemd zich onder behandeling te stellen van de behandelaar, overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan (zie art. 14a lid 5 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd als bedoeld in art. 14a lid 4 Wet Bopz. Deze is op 17 april 2018 afgegeven door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1]. In rubriek 3 van die verklaring is als diagnose gesteld: ‘psychotische stoornis’ in de categorie ‘overige (incl. ongespecificeerde) psychotische stoornissen’.

1.2.

Blijkens de gedingstukken is betrokkene meermalen onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen, laatstelijk op grond van een (machtiging tot voortzetting van de) inbewaringstelling die gold tot en met 25 april 20181.

1.3

De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 25 mei 2018, in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouw en de casemanager [betrokkene 2] van FACT Zeist. De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Zij heeft – voor zover in cassatie nog van belang − aangevoerd dat betrokkene niet instemt met de voorwaarden zoals genoemd in het behandelingsplan. Volgens haar is er geen aanleiding om aan te nemen dat betrokkene zich zal conformeren aan de gestelde afspraken. Zij wees erop dat betrokkene het behandelingsplan niet heeft ondertekend. Het verplichtende karakter van een rechterlijke machtiging werkt volgens de raadsvrouw in dit geval averechts: betrokkene raakt daardoor geïrriteerd, waardoor het contact met de ambulante behandelaars moeizaam verloopt. Volgens de raadsvrouw gaat het sinds de opheffing van de laatste inbewaringstelling goed met betrokkene en hebben zich geen incidenten meer voorgedaan.

1.4

De rechtbank heeft in haar beschikking van 25 mei 2018 vastgesteld dat betrokkene in zijn geestvermogens gestoord is en dat deze (psychotische) stoornis betrokkene gevaar voor zichzelf doet veroorzaken, namelijk het gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat. Tot zover is de beschikking van de rechtbank onbestreden in cassatie. De rechtbank is verder van oordeel dat dit gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend. Volgens de rechtbank is redelijkerwijs aan te nemen dat betrokkene de in het behandelingsplan genoemde voorwaarden zal naleven. De rechtbank heeft de verzochte voorwaardelijke machtiging verleend voor het tijdvak tot en met 25 november 2018 en bepaald dat de voorwaarde geldt dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar, overeenkomstig het behandelingsplan.

1.5

Namens betrokkene is – tijdig2 – cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven. De bestreden overwegingen volgen hierna, met toevoeging mijnerzijds [tussen rechte haken] van de letters a tot en met d:

“(…) De rechtbank heeft vastgesteld dat het behandelingsplan is opgesteld door de behandelaar. De rechtbank gaat ervan uit dat betrokkene toen nog kon instemmen met de voorwaarden. Als voorwaarden worden vermeld:

- U onderhoudt regelmatig contact met de ambulante behandelaar/begeleider;

- U houdt zich aan de met de behandelaar/begeleider gemaakte afspraken;

- U houdt zich nauwgezet aan de medicatievoorschriften;

- U gaat akkoord met regelmatige laboratoriumcontrole van de bloedspiegel.

Redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven. Daarvoor is het volgende redengevend.

[a] De raadsvrouw heeft er een beroep op gedaan dat ontslag is verleend zonder dat daar voorwaarden aan zijn gesteld. Er is echter wel een behandelplan opgesteld waarin voorwaarden zijn gesteld waarmee betrokkene volgens de casemanager toen kon instemmen.

[b] Verder geldt dat de verleende inbewaringstelling bijna was afgelopen. De afwezigheid van het psychotisch toestandsbeeld was de reden van ontslag en het gevolg van het medicatiegebruik. Betrokkene heeft zich in de afgelopen periode min of meer aan de voorwaarden gehouden, ook al was er geen voorwaardelijke machtiging.

[c] Verder is redengevend dat betrokkene in het recente verleden twee keer moest worden opgenomen met een inbewaringstelling. Op dit moment is de situatie dat betrokkene vrij snel moet worden opgenomen als hij geen medicatie gebruikt. Als betrokkene wel medicatie gebruikt, kan een opname worden voorkomen.

[d] Onder deze omstandigheden is er voldoende reden om ervan uit te gaan dat betrokkene onder druk van een opname zijn medicatie blijft gebruiken, waarmee een opname kan worden voorkomen. (…)”

2.2

Het middel klaagt dat dit oordeel onjuist is, althans onvoldoende begrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De onderdelen 1.1 tot en met 1.5 richten zich tegen de overweging dat een behandelingsplan is opgesteld met voorwaarden waarmee betrokkene volgens de casemanager toen nog kon instemmen (punt a in de redengeving van de rechtbank).

Onderdeel 1.1 voert aan dat uit de geneeskundige verklaring niet blijkt dat betrokkene heeft ingestemd met het behandelingsplan: het daartoe bestemde vakje in rubriek 5 van de geneeskundige verklaring is niet aangekruist.

Onderdeel 1.2 betoogt dat de in het behandelingsplan opgenomen informatie door de feiten is achterhaald en geeft daarvan voorbeelden (zo wordt bijvoorbeeld gesproken over de vader van betrokkene alsof deze nog in leven was ten tijde van de indiening van het verzoekschrift door de officier van justitie). Weliswaar is in het behandelingsplan een bevestigend antwoord opgenomen op de vraag of betrokkene akkoord gaat met het behandelingsplan (en de daarin gestelde voorwaarden)3, maar dat antwoord wordt volgens het middelonderdeel gelogenstraft door hetgeen is vermeld in de ‘stand van uitvoering van het behandelingsplan’, ondertekend door dezelfde psychiater. Deze klacht is nader uitgewerkt in onderdeel 1.5.

Onderdeel 1.3 klaagt dat onduidelijk is op welke gronden de rechtbank heeft aangenomen dat betrokkene kon instemmen met de gestelde voorwaarden. Ter toelichting op de klacht is aangevoerd dat betrokkene zelf het behandelingsplan niet voor akkoord heeft getekend. Ook de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld heeft niet bevestigd dat betrokkene heeft ingestemd met het behandelingsplan. Ter zitting hebben betrokkene en zijn raadsvrouw uitdrukkelijk verklaard dat betrokkene niet instemt met de voorwaarden genoemd in het behandelingsplan. De casemanager heeft ter zitting verklaard dat er geen zicht op is of betrokkene wel of niet de medicatie inneemt.

Onderdeel 1.4 klaagt dat onduidelijk is waarop de door de rechtbank aangehaalde casemanager zich baseert, toen hij verklaarde dat betrokkene toen (d.w.z. ten tijde van het opstellen van het behandelingsplan) heeft ingestemd met de voorwaarden. Ter toelichting op deze klacht is naar voren gebracht dat de casemanager heeft verklaard dat betrokkene hem, de andere casemanagers en zijn persoonlijk begeleider niet wilde zien.

Onderdeel 1.5 herhaalt de argumenten dat betrokkene het behandelingsplan niet voor akkoord heeft getekend en ter zitting heeft verklaard het niet eens te zijn met het verzoek van de officier van justitie. Onder verwijzing naar twee passages uit de ‘samenvatting stand van uitvoering van het behandelplan’ d.d. 12 april 20184 stelt het onderdeel dat betrokkene zich met name niet wil houden aan de medicatievoorschriften. Al deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

2.3

Art. 14a lid 5 Wet Bopz bepaalt dat de rechter een voorwaardelijke machtiging slechts verleent indien een behandelingsplan wordt overgelegd dat na overleg met de betrokkene is opgesteld door de psychiater die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling (‘de behandelaar’). Aan het behandelingsplan wordt een passage toegevoegd waaruit blijkt dat het overleg tot overeenstemming heeft geleid of, indien zulks niet het geval is, op welke grond de behandelaar tot het oordeel komt dat redelijkerwijs is aan te nemen dat de betrokkene de voorwaarde, bedoeld in art. 14a lid 6 Wet Bopz, zal naleven. De voorwaarde in lid 6 houdt in dat de betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan. Art. 14a lid 8 Wet Bopz houdt in dat de rechter een voorwaardelijke machtiging slechts verleent indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden of redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven. Indien de betrokkene niet daartoe bereid is en evenmin valt aan te nemen dat betrokkene in de praktijk de voorwaarden zal naleven, is een voorwaardelijke machtiging geen passend alternatief voor een (onvoorwaardelijke) voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz.

2.4

Uit de parlementaire behandeling van het gewijzigde5 art. 14a lid 8 Wet Bopz volgt dat instemming van de betrokkene met de door de rechter te stellen voorwaarden weliswaar belangrijk is, maar dat een uitdrukkelijke instemming (een bereidverklaring) van de betrokkene niet wordt vereist6. Om die reden faalt onderdeel 1.1. Cruciaal is of er bij de rechter voldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkene zich zal houden aan het behandelingsplan; niet of hij met – alle facetten van – het behandelingsplan als zodanig uitdrukkelijk instemt7. Een redelijke inschatting of de patiënt de te stellen voorwaarden zal naleven wordt veelal gebaseerd op ervaringen uit het verleden en het ziektebeeld van de patiënt8. Het woord ‘redelijkerwijs’ geeft aan dat deze inschatting niet op willekeur berust, maar objectiveerbaar moet zijn:

“Het gaat om een inschatting van de rechter, op basis van de voor hem beschikbare informatie, van de aannemelijkheid of waarschijnlijkheid dat de patiënt zich aan de voorwaarden zal houden. “Redelijkerwijs” betekent niet dat er honderd procent zekerheid moet bestaan. Een dergelijke zekerheid kan ook niet bestaan. De term strekt er wel toe – zo is “redelijkerwijs” op vele plaatsen in de wetgeving en jurisprudentie gebruikt – dat de inschatting objectiveerbaar moet zijn, dus niet puur een subjectieve opvatting. Deze moet voor redelijke mensen begrijpelijk zijn. (…) Het is ook eigenlijk een verwijzing naar de gestelde motiveringseisen. Anders gezegd gaat het niet om een vrijbrief maar om een benadrukken van de verplichting om een en ander te verwoorden en te verantwoorden. De rechter baseert zich daarbij vooral op het dossier zoals het hem wordt voorgelegd door de behandelaar van de betrokkene.”9

2.5

Blijkens het proces-verbaal van de zitting en de bestreden beschikking, heeft betrokkene ten overstaan van de rechter aangegeven dat hij het niet eens is met het verzoek van de officier van justitie: betrokkene wil geen verplichting zoals voorwaarden. Betrokkene heeft gezegd dat zijn lichaam zal blijven functioneren indien hij de medicatie niet inneemt maar wel voldoende eet en drinkt. Betrokkene stelde dat hij dan wellicht wat meer last zal hebben van “stemmen”, maar hierdoor niet direct een gevaar voor anderen vormt. Betrokkene wil “het liefst zo lang mogelijk zonder medicatie op deze planeet zijn”10.

2.6

De casemanager heeft ter zitting verklaard dat betrokkene beter en prettiger in het contact is wanneer hij zijn medicatie neemt. Echter, betrokkene is volgens de casemanager momenteel “op oorlogspad”: hij weigert medicatie en is niet bereid om in contact te treden met zijn behandelaars; daardoor verloopt de behandelrelatie moeizaam. De casemanager heeft twijfels over het standpunt van betrokkene dat hij wel in eigen beheer de voorgeschreven medicatie kan innemen, nu er geen toezicht is. De casemanager heeft aangegeven dat het behandelingsplan met betrokkene is besproken en dat toen overeenstemming bestond over het behandelingsplan en de daarin gestelde voorwaarden. Nadien is betrokkene van mening veranderd. De casemanager heeft ter zitting gezegd dat hij verwacht dat betrokkene de medicatie uiteindelijk wel zal innemen, zodat een eventuele opname in het ziekenhuis kan worden afgewend.

2.7

De rechtbank heeft, zoals gezegd, beslist dat “redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven”. Voor de beantwoording van deze vraag heeft de in het vijfde lid van art. 14a Wet Bopz bedoelde vermelding van de akkoordbevinding in het behandelingsplan geen zelfstandige betekenis: zij dient ter ondersteuning van de oordeelsvorming van de rechter11. Het oordeel dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven berust op een inschatting door de rechter en is te zeer verweven met een waardering van de feiten om in cassatie op juistheid te worden getoetst. Dit neemt niet weg dat ook dat oordeel een toereikende motivering behoeft12.

2.8

De in het middel aangevoerde omstandigheden maken het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk. Uit de gedingstukken en de verklaringen ter zitting heeft de rechtbank kunnen afleiden dat betrokkene destijds (naar ik begrijp: op 4 april 2018) heeft ingestemd met de voorwaarden genoemd in het behandelingsplan; zie voetnoot 3 hiervoor. Ter onderbouwing van deze vaststelling verwijst de rechtbank naar de verklaring van de casemanager ter zitting. Verder volgt uit de ‘samenvatting stand van uitvoering van het behandelingsplan’ dat betrokkene destijds zonder problemen zijn medicatie innam13. Volgens rubriek 6 van de geneeskundige verklaring zijn medicatie en ambulante behandeling op vrijwillige basis als alternatieve mogelijkheden in de overweging betrokken, maar niet voldoende geacht om het gevaar te keren. De psychiater schreef hierover:

“Betrokkene kan zijn situatie en de consequenties van zijn beslissingen (bijvoorbeeld van het staken van medicatie) niet goed overzien. De wens om zonder medicatie en hulpverlening verder te gaan is groot, er is dan ook onvoldoende samenwerking om op vrijwillige basis de behandeling in kwetsbare periodes bij te stellen en/of hierop te anticiperen.” (…)

2.9

De rechtbank heeft uit de door haar genoemde bron kunnen opmaken dat betrokkene is teruggekomen op zijn eerdere instemming met het behandelingsplan, maar dat niettemin de inschatting van de casemanager kan worden gevolgd dat betrokkene, als het erop aankomt, in de praktijk de te stellen voorwaarden wel zal naleven. Dat oordeel is verweven met een waardering van de feiten en niet onbegrijpelijk. Om deze reden falen de onderdelen 1.2, 1.3 en 1.5. De omstandigheid dat de casemanager ter zitting heeft verklaard dat hij geen zicht erop heeft of betrokkene zijn medicatie inneemt – ten aanzien van betrokkene gold ten tijde van die verklaring geen Bopz-machtiging −, is geenszins in tegenspraak met het oordeel dat betrokkene de voorgeschreven medicatie en deze prikkel tot het innemen daarvan nodig heeft. Deze omstandigheid is ook niet in tegenspraak met de verwachting dat betrokkene, als het erop aankomt, in de praktijk de te stellen voorwaarden wel zal naleven.

2.10

In het bijzonder wat betreft onderdeel 1.4: dat betrokkene te kennen heeft gegeven dat hij deze en andere casemanagers en zijn persoonlijk begeleider niet (meer) wil zien, zou ook kunnen worden opgevat als een contra-argument, in die zin dat betrokkene om die reden de door de rechter te stellen voorwaarden niet zal naleven. Hoe deze uitlating moet worden opgevat staat echter ter beoordeling van de rechter die over de feiten oordeelt. Indien het (onbestreden door de rechtbank aanwezig geachte) gevaar niet kan worden gekeerd door het stellen van voorwaarden, zou een (onvoorwaardelijke) voorlopige machtiging het alternatief zijn, al dan niet na toepassing van art. 8a Wet Bopz. In dit geval heeft de feitenrechter het bezwaar van betrokkene gerelativeerd, door – in het voetspoor van de casemanager – de verwachting uit te spreken dat betrokkene op zijn houding zal terugkomen en in de praktijk alsnog de voorwaarden in het behandelingsplan zal naleven. In het licht van de opmerkingen van de casemanager ter zitting en de slotopmerking van de niet bij de behandeling betrokken psychiater in rubriek 6.b van de geneeskundige verklaring, behoefde dit oordeel geen nadere uitwerking om begrijpelijk te zijn. Ook onderdeel 1.4 faalt.

2.11

Onderdeel 1.6 richt zich tegen de vaststelling dat betrokkene zich in de afgelopen periode min of meer aan de voorwaarden heeft gehouden (punt b in de redengeving van de rechtbank). Het middelonderdeel stelt dat die voorwaarden ook omvatten: (i) dat betrokkene regelmatig contact onderhoudt met de ambulante behandelaar/begeleider en (ii) dat betrokkene zich houdt aan de met de behandelaar/begeleider gemaakte afspraken. De klacht houdt in dat de rechtbank uit de verklaring van de casemanager ter zitting niet heeft kunnen afleiden dat betrokkene zich in deze periode min of meer aan deze voorwaarden heeft gehouden. In zoverre zou punt b niet redengevend zijn voor het eindoordeel.

2.12

In deze klacht is kennelijk bedoeld: de periode tussen het einde van de laatste inbewaringstelling en de datum van de mondelinge behandeling in eerste aanleg. Uit de verklaring van de casemanager, ook geciteerd in de toelichting op deze klacht, heeft de rechtbank kennelijk de gevolgtrekking gemaakt dat de behandelaars zich zorgen maakten of betrokkene zijn bewering dat hij in eigen beheer in staat is zijn medicatie regelmatig in te nemen, wel kan waarmaken: de behandelaars dreigden het regelmatige contact met betrokkene, ten aanzien van wie in deze periode geen Bopz-machtiging gold, kwijt te raken. Uit het gebruik van de woorden “min of meer” maak ik op dat de rechtbank heeft onderkend dat betrokkene zich niet altijd aan alle voorwaarden heeft gehouden. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Uit de verklaring van de casemanager volgt dat de behandelaars in deze periode onvoldoende zicht hadden op het wel of niet innemen van medicatie, nu betrokkene in deze periode het contact met de behandelaars afhield. Met de in dit middelonderdeel bestreden vaststelling heeft de rechtbank kennelijk bedoeld dat − blijkens het feitelijke gedrag van betrokkene in de periode sinds het einde van de laatste inbewaringstelling − het ter zitting naar voren gebrachte bezwaar van betrokkene tegen de in het behandelingsplan genoemde voorwaarden niet van dien aard is dat de rechtbank een voorwaardelijke machtiging achterwege zou moeten laten als onhaalbaar: volgens de rechtbank valt te verwachten dat betrokkene in de praktijk wel zal bijdraaien en, met de prikkel van een voorwaardelijke machtiging achter de hand, alle genoemde voorwaarden zal naleven. Onderdeel 1.6 faalt.

2.13

Onderdeel 1.7 bevat geen concrete klacht, maar slechts een stelling. Het middelonderdeel merkt – op zich terecht − op dat het (op 29 maart 2018 gestarte en op 13 april 2018 gedateerde) behandelingsplan is ondertekend door psychiater [betrokkene 3]. Volgens het middelonderdeel blijkt niet dat [betrokkene 3] de psychiater is die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling. Ter zitting in eerste aanleg heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat betrokkene al drie weken wachtte op een afspraak met de psychiater (bedoeld is kennelijk: met een psychiater van FACT-team Zeist).

2.14

Die enkele stelling noopt niet tot vernietiging van de bestreden beschikking. Ten overvloede merk ik hierover nog het volgende op. Op zich is juist dat art. 14a lid 5 Wet Bopz vereist dat aan de rechtbank een behandelingsplan wordt overgelegd dat, na overleg met de betrokkene, is opgesteld door de psychiater die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat het behandelingsplan is opgesteld door “de behandelaar”. Betrokkene verbleef ten tijde van het opmaken van het behandelingsplan in een psychiatrisch ziekenhuis van Altrecht (de psychiater [betrokkene 3] is blijkens de gedingstukken verbonden aan de afdeling High Care 5). Volgens een vermelding aan het slot van de ‘samenvatting stand van uitvoering van het behandelplan’ is dit op 12 april 2018 ondertekend door psychiater [betrokkene 3] “waarnemend in afstemming van [betrokkene 4], psychiater FACT Zeist”. Psychiater [betrokkene 4] wordt in rubriek 2 van de geneeskundige verklaring genoemd als de behandelend psychiater. Klaarblijkelijk heeft de rechtbank de gang van zaken aldus begrepen dat, vanwege de overdracht van deze patiënt van de kliniek Altrecht HC 5 naar het ambulante FACT-team in Zeist, in overleg tussen beide psychiaters bij de aanvraag gebruik is gemaakt van het reeds eerder in Altrecht opgestelde behandelingsplan. Volgens de rechtbank is daarmee aan dit wettelijke vereiste voor een voorwaardelijke machtiging voldaan. Op dit punt is in eerste aanleg geen verweer gevoerd.

2.15

Onderdeel 1.8 komt neer op de klacht dat het procesdossier onvoldoende grondslag biedt voor de vaststellingen (i) dat betrokkene vrij snel moet worden opgenomen als hij geen medicatie gebruikt en (ii) dat indien betrokkene wél medicatie gebruikt, daarmee een opname kan worden voorkomen (punt c in de redengeving van de rechtbank). Verder klaagt het middelonderdeel dat de daaraan voorafgaande overwegingen van de rechtbank onvoldoende grondslag bieden voor de gevolgtrekking dat betrokkene onder druk van een dreigende opname in het psychiatrisch ziekenhuis zijn medicatie zal blijven gebruiken en dat aldus een opname in het psychiatrisch ziekenhuis kan worden voorkomen. Ter onderbouwing van deze klacht is verwezen naar verklaringen van de casemanager, samengevat in de bestreden beschikking en in het proces-verbaal, en naar het betoog van de advocaat in eerste aanleg.

2.16

De geneeskundige verklaring14 en de ‘samenvatting stand van uitvoering van het behandelingsplan’15, waarnaar de rechtbank in haar beschikking verwijst, bieden voldoende feitelijke grondslag voor de in dit middelonderdeel bestreden overwegingen. Het betoog van de raadsvrouw over het averechts werken van het verplichtende karakter van de voorwaarden in een voorwaardelijke machtiging, maakt dit niet anders. Ook onderdeel 1.8 faalt.

2.17

In de nog niet in werking getreden Wet verplichte ggz keert de voorwaardelijke machtiging niet terug. In het nieuwe systeem zal de rechter een zorgmachtiging kunnen geven waarin de in artikel 3:2 omschreven vormen van verplichte zorg worden omschreven16. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

plv

1 Zie de beschikking van de rechtbank, blz. 2, en het behandelingsplan blz. 5. Volgens het cassatieverzoekschrift (blz. 6) zou betrokkene reeds op 17 april 2018 uit het ziekenhuis zijn ontslagen.

2 Het cassatieverzoekschrift is op maandag 27 augustus 2018 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen (zie art. 1 Algemene termijnenwet).

3 In het behandelingsplan is de vraag: “Gaat de patient of vertegenwoordiger met het behandelplan akkoord?” beantwoord met: “ja”. De vraag: “Besproken met patiënt? - Datum” is beantwoord met: “04-apr-2018”.

4 Prod. 7 bij het cassatieverzoekschrift.

5 Wet van 25 februari 2008 tot wijziging van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (voorwaardelijke machtiging en dwangbehandeling), Stb. 80. In de conclusie van de A-G Wesseling-van Gent voor HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5048, NJ 2009/437 m.nt. J. Legemaate, BJ 2009/7 is de parlementaire geschiedenis op dit punt samengevat.

6 MvA I, Kamerstukken I 2007/08, 30 492, E, blz. 3.

7 MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 492 nr. 3, blz. 6 – 7 (citaat uit blz. 6).

8 Zie ook: W.J.A.M. Dijkers, SDU Commentaar bij Wet Bopz, aant. C.10.3.

9 Bespreking wetsvoorstel 30 492, Handelingen II 2006/07, nr. 36, blz. 2304.

10 Proces-verbaal blz. 2.

11 Vgl. HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5048, NJ 2009/437 m.nt. J. Legemaate, BJ 2009/7, rov. 3.3.

12 HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7239, BJ 2008/26.

13 Samenvatting stand van uitvoering van het behandelingsplan, p. 2: “Op 4 april op HC 5 beschikking voor 3 weken in het akder [lees: kader] van IBS. Patient is in de samenwerking op HC 5 en neemt medicatie in (…) zonder problemen. Hij wil graag weer met ontslag en de RM procedure loopt.”

14 Geneeskundige verklaring, rubriek 3: “Betrokkene is zowel in oktober 2017 als begin 2018 opgenomen met een IBS vanwege toegenomen psychotische symptomen (ten gevolge van therapieontrouw).”

15 Samenvatting stand van uitvoering van het behandelingsplan, blz. 2: “Patiënt is niet goed in staat zijn situatie, bestaande gevaren en de noodzaak van (o.a. medicamenteuze) behandeling te overzien. Er hebben zich frequent opnames middels juridische maatregel voorgedaan, vaak geluxeerd door middelengebruik/therapieontrouw, zo ook nu weer. Patiënt wil opnieuw geen medicatie blijven gebruiken en het vermoeden is dat hij na ontslag snel zal staken, waarop het toestandsbeeld weer zal toenemen. Hierbij wordt RM noodzakelijk geacht om medicatieinname te waarborgen en opnieuw escalatie/opname te voorkomen.”

16 Wet van 24 januari 2018, Stb. 37. Zie art. 6:4.