Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2018:131

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
17/03384
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:399
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Antilliaanse zaak. Uitlevering aan de V.S. Klacht over de vraag of aan eis van art. 9.3.b Uitleveringsverdrag tussen NL en de VS is voldaan m.b.t. redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon betreffende de feiten waarvoor uitlevering is verzocht. CAG strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03384 UA

Zitting: 13 februari 2018

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

  1. Bij advies van 23 mei 2017 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: het Hof) de bij “Affidavit in support of request for extradition” van 20 maart 2017 (verder: de affidavit) verzochte uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika ten behoeve van strafvervolging toelaatbaar verklaard.

  2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof in strijd met art. 9, derde lid aanhef en onder b van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag)1 heeft verzuimd te motiveren op grond van welke concrete feiten en omstandigheden als weergegeven in de affidavit zou kunnen blijken dat uit het in deze affidavit opgenomen bewijsmateriaal genoegzaam blijkt dat aan de betrokken verdragseis is voldaan, op grond waarvan het advies niet voldoende met redenen is omkleed.

4. De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:2

4.2 De genoegzaamheid van de stukken

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoekende staat zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon reeds in Saint Martin werd aangehouden en gehoord en door de Franse autoriteiten werd heengezonden. Dit zou er op wijzen dat de officier van justitie van Saint Martin onvoldoende aanwijzingen zou hebben gezien om de verdachte langer vast te houden. Het zou daarom van belang zijn de procureur- generaal van Saint Martin te horen. Ook zou de documentatie waar de verzoekende staat zijn verzoek op baseert onjuistheden bevatten en niet werkelijk tot enig ondersteunend bewijs dienen.

Dit betoog wordt verworpen. Daarvoor is het volgende redengevend.

In zijn arrest van 9 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX6949) heeft de Hoge Raad overwogen dat bij de toepassing van art. 9, derde lid aanhef en onder b, van het Uitleveringsverdrag -voortaan- als maatstaf heeft te gelden: “dat aan de verdragseis is voldaan indien uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld voortvloeit aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht dat naar Nederlands recht (in dit geval het recht van Sint Maarten) zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn”.

Naar het oordeel van het Hof blijkt uit het in de “Affidavit in support of request for extradition” opgenomen bewijsmateriaal genoegzaam dat aan deze verdragseis is voldaan.

Ook overigens is het Hof van oordeel dat de hiervoor onder 3 genoemde stukken voldoen aan de vereisten die op grond van het Uitleveringsbesluit en het Uitleveringsverdrag vervuld dienen te zijn om tot uitlevering te kunnen komen.

Ten aanzien van het standpunt van de raadsman dat de opgeëiste persoon in Saint Martin is heengezonden omdat er mogelijk te weinig verdenking tegen hem bestond wordt overwogen dat in het kader van deze procedure het aan dit Hof is om zelfstandig te toetsen of, op basis van de aangeleverde stukken, sprake is van een zodanig redelijk vermoeden van schuld als hierboven is uiteengezet. Dat de Franse autoriteiten mogelijkerwijs tot een andere conclusie gekomen zijn doet daar niet aan af. Daar komt bij dat, zoals door de procureur-generaal naar voren is gebracht, Frankrijk geen eigen onderdanen uitlevert, zodat moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon om die reden is heengezonden en niet omdat geen sprake zou zijn van een redelijk vermoeden van schuld zoals hiervoor bedoeld.”

5. De in het middel genoemde affidavit bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken en houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:

“SUMMARY OF THE FACTS

22. On July 9, 2016, a vessel known as the “Blue Spirit” capsized in international waters at a location between Sint Maarten and Virgin Gorda, British Virgin Islands (BVI). The United States Coast Guard — Sector San Juan, Puerto Rico received several distress calls from family members of loved ones who were on board the Blue Spirit. These family members, located in Puerto Rico and the Continental United States, detailed that their loved ones embarked on the Blue Spirit to illegally immigrate to the United States. The family members further stated that contact with their loved ones was overdue.

23. In response to the phone calls, and with assistance from the Dutch Coast Guard, the United States Coast Guard sortied air and sea assets and conducted over seventy (70) hours of searching — only recovering four life jackets. Several days later, a passing vessel rescued four persons from a capsized vessel identified as the “Blue Spirit.” The survivors were identified as [betrokkene 1] , [de opgeëiste persoon] , [betrokkene 2] , and [betrokkene 3] . [betrokkene 1] is a national of St. Vincent and the Grenadines, and [de opgeëiste persoon] is a French citizen (residing in St. Martin). It was subsequently determined that all other individuals on the vessel, including [betrokkene 2] and [betrokkene 3] , were Cuban nationals.

24. On July 11,2016, four survivors of the capsized Blue Spirit, the two boat captains

[de opgeëiste persoon] and [betrokkene 1] , and the two Cuban migrants [betrokkene 2] and [betrokkene 3] , were rescued by a “Good Samaritan” and taken to Tortola, BVI. All four survivors were taken into custody by BVI immigration authorities and briefly interviewed. During an interview with British authorities on July 12, 2016, [de opgeëiste persoon] admitted to getting paid $ 400 to co-captain the capsized boat, the “Blue Spirit.” He indicated, however, that he was carrying the “Cubans close to Anguilla to fish, snorkel, and have fun.” At no time did [betrokkene 1] or [de opgeëiste persoon] disclose to BVI authorities that there were additional migrants still stranded at sea. Surviving migrant [betrokkene 3] also claimed that several migrants were not provided lifejackets by either [betrokkene 1] or [de opgeëiste persoon] .

25. During an interview with U.S. Coast Guard officers on July 14, 2016, [betrokkene 3] and [betrokkene 2] confirmed to authorities that the voyage was a human smuggling venture that departed from St. Maarten with approximately nineteen (19) migrants aboard. They stated that the boat was en route to the island of St. John, United States Virgin Islands, and was captained by [betrokkene 1] and [de opgeëiste persoon] . [betrokkene 3] claimed “that someone forgot to put the stem plug,” and as a result, the boat started taking on water. The vessel eventually capsized on July 9, 2016, dumping all occupants into the water. The Cubans identified as deceased had no legal status in the United States and their family members have unanimously and independently confirmed that the purpose of the voyage captained by [de opgeëiste persoon] was to enter the United States illegally — specifically through the United States Virgin Islands. The family members have indicated a willingness to testfy at trial.

26. On December 11, 2016, during an interview of co-conspirator [betrokkene 4], she claimed she was contacted by [betrokkene 5], also known as “[betrokkene 5],” in Sint Maarten to house several of the Cuban migrants that were confirmed present on the Blue Spirit when the vessel capsized. [betrokkene 4] claimed she did not personally know [de opgeëiste persoon] and [betrokkene 1] ; however, she indicated that [betrokkene 5] would have been in charge of hiring the boat captains for the trip. She indicated that during her interactions with [betrokkene 5], it was understood the venture was to illegally smuggle Cubans into the United States for profit.”

6. Art. 9, derde lid aanhef en onder b, van het Verdrag luidt:

"3. Bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een persoon die wordt gezocht met het oog op vervolging dienen te worden gevoegd:

a. (...); en

b. het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd, met inbegrip van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de persoon wiens uitlevering wordt verzocht degene is op wie het bevel tot aanhouding betrekking heeft."

7. Artikel 9 van het Verdrag stelt bepaalde eisen aan de stukken die gevoegd worden bij een verzoek tot uitlevering met het oog op vervolging. Zo schrijft het derde lid onder b van het artikel voor dat de verzoekende Staat bewijsmateriaal aanlevert dat naar het recht van de aangezochte Staat de aanhouding en dagvaarding van de opgeëiste persoon zou rechtvaardigen. Een dergelijke eis is kenmerkend voor het uitleveringsrecht en –verkeer dat tussen common law landen en (bijvoorbeeld) Nederland geldt. Waar in de regel de verzoekende Staat geen direct bewijsmateriaal hoeft aan te reiken om het verzoek tot uitlevering te staven, stellen de common law landen in het kader van de uitlevering traditioneel eisen aan stukken van bewijs, uiteraard met name ten aanzien van de opgeëiste persoon.3

8. De Verenigde Staten houden in het verband van het verzoek om uitlevering ter fine van vervolging vast aan de eis dat het uitleveringsverzoek onderbouwd is met (te overleggen) bewijsmateriaal waaruit een verdenkingsgraad blijkt die omschreven wordt als probable cause. Deze uit het Amerikaanse recht afkomstige term laat zich begripsbepalend niet gemakkelijk in een Nederlands strafvorderlijk equivalent vertalen. Naar Nederlandse maatstaven zou volgens de toelichtende nota op de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 25 september 19814 een parallel te trekken zijn met art. 250 (oud) Sv, waarin voorzien was in de vroegere mogelijkheid tot indiening van een bezwaarschrift tegen de kennisgeving van verdere vervolging en waarbij de aanwijzingen van schuld marginaal werden bezien. De Hoge Raad sloot zich aanvankelijk aan bij deze uitleg en paste toen nog met betrekking tot art. 9, derde lid aanhef en onder b, van het Verdrag de rechtspraak ten aanzien van art. 250 (oud) Sv, en de in dat verband geldende maatstaf, op overeenkomstige wijze toe: is, indien de opgeëiste persoon voor een Nederlandse rechter zou zijn vervolgd, het niet hoogst onwaarschijnlijk dat deze rechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de tenlastegelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten.5

9. Bij arrest van 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949, NJ 2013/62 m.nt. Klip is de Hoge Raad van die zienswijze teruggekomen:

“De Hoge Raad is thans van oordeel dat voormelde maatstaf, waaromtrent de toelichtende nota inhoudt dat deze kan doch niet dat deze moet worden aangelegd, minder geschikt is omdat zij het oog heeft op de situatie waarin door het openbaar ministerie een dagvaarding (of kennisgeving van verdere vervolging) is uitgebracht, terwijl voormelde verdragsbepaling ziet op de situatie waarin dit nog niet aan de orde is. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat naar het recht van de verzoekende Staat het bewijsmateriaal voldoende moet zijn voor een "probable cause", dient voortaan te worden geoordeeld dat aan meergenoemde verdragseis is voldaan indien uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voorvloeit aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht dat naar Nederlands recht zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn.”6

10. Ik kom nu toe aan de bespreking van het middel. De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt in de onderhavige zaak verzocht ten aanzien van twee strafbare feiten die in de kern beide betrekking hebben op mensensmokkel, te weten in de Nederlandse vertaling: samenspanning ter zake van het binnenhalen van bepaalde vreemdelingen, welk misdrijf geresulteerd heeft in de dood van ten minste één vreemdeling, en het bieden van een schuilplaats aan hen.7

11. Het Hof heeft in zijn advies geoordeeld dat uit het bewijsmateriaal dat in de affidavit is opgenomen genoegzaam blijkt dat aan de verdragseis als bedoeld in art. 9, derde lid aanhef en onder b, van het Verdrag is voldaan. Volgens de steller van het middel “moet de gewijzigde opvatting van de Hoge Raad omtrent de genoegzaamheid van de stukken meebrengen dat hoge(re) eisen dienen te worden gesteld aan de motivering dat uit het overgelegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voortvloeit dat voldaan is aan de verdragseis”. Aan die eisen voldoet het advies van het Hof niet, zo vervolgt de steller van het middel, nu hier onvoldoende moet worden geacht “de enkele verwijzing naar de inhoud van de affidavit zonder concrete opgave welke concrete feiten of omstandigheden voor het hof redengevend zijn geweest”.

12. Voor zover de steller van het middel met betrekking tot de genoegzaamheid van de stukken van oordeel is dat te dezen met het nieuwe toetsingskader strengere eisen zijn gesteld aan de motivering dat uit het overgelegde bewijsmateriaal een, met art. 27 Sv respectievelijk art. 47 Sv Sint Maarten vergelijkbaar, zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voortvloeit dat aan de verdragseis is voldaan, kan dat op zichzelf juist zijn. Maar dat neemt niet weg dat ook nu nog altijd niet van de rechter wordt gevraagd om te beoordelen of hij in een hypothetische situatie tot een veroordeling zal komen, maar slechts dat het bewijsmateriaal op een zodanig vermoeden van schuld wijst dat een aanhouding of enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn.8

13. Uit de, ook in het Nederlands vertaalde, affidavit (meer in het bijzonder onder het hoofd ”Summary of the facts”) blijkt zonneklaar dat de verdenking jegens de opgeëiste persoon is gebaseerd op de volgende concrete feiten en omstandigheden:

- op 9 juli 2016 kapseist de boot “Blue Spirit” in internationale wateren tussen Sint Maarten en Virgin Gorda (Britse Maagdeneilanden);

- de Amerikaanse kustwacht ontvangt verschillende noodoproepen van familieleden die al enige tijd geen contact kunnen krijgen met hun dierbaren op de voornoemde boot en nauwkeurig beschrijven hoe hun dierbaren aan boord van het schip zijn gegaan om illegaal naar de Verenigde Staten te immigreren;

- naar aanleiding van deze berichten vangen de Amerikaanse lucht- en zeemacht en de Nederlandse kustwacht een zoektocht aan die meer dan 70 uren duurt en slechts de vondst van vier reddingsvesten oplevert;

- enkele dagen later redt een passerend schip vier overlevenden van de “Blue Spirit”, te weten de opgeëiste persoon [de opgeëiste persoon] , die tevens kapitein was, [betrokkene 1] (de andere kapitein) en de Cubaanse migranten [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ;

- de opgeëiste persoon erkent op 12 juli 2016 tijdens een verhoor door de Britse immigratieautoriteiten dat hij $ 400,- heeft ontvangen om mede-kapitein te zijn op de omgeslagen boot en verklaart voorts dat hij de “Cubanen had meegenomen om bij Anguilla te vissen, snorkelen en plezier te maken”;

- [de opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] zeggen echter niet tegen de Britse autoriteiten dat er nog vermiste immigranten zijn achtergebleven;

- [betrokkene 3] verklaart dat verschillende migranten geen reddingsvesten hebben gekregen van [de opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] ;

- [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bevestigen op 14 juli 2016 tegenover de Amerikaanse kustwacht dat ongeveer 19 migranten aan boord waren, dat de boot op weg was naar St. John (Amerikaanse Maagdeneilanden) en dat [betrokkene 1] en [de opgeëiste persoon] de kapiteins waren. Volgens [betrokkene 3] had de boot water gemaakt en sloeg de boot op 9 juli 2016 om doordat iemand de stop op het achterdek vergeten was;

- de geïdentificeerde Cubanen hadden geen legale status in de Verenigde Staten en door hun familieleden is unaniem en onafhankelijk bevestigd dat het doel van de reis waarop [de opgeëiste persoon] kapitein was om de Verenigde Staten illegaal te betreden;

- [betrokkene 4], in de affadivit als “co-conspirator” aangemerkt, verklaart dat [betrokkene 5] in Sint Maarten contact met haar heeft opgenomen om verschillende van de Cubaanse migranten, die zich op de boot bevonden, te huisvesten, dat zij [de opgeëiste persoon] en [betrokkene 1] niet persoonlijk kent, maar wel weet dat [betrokkene 5] de leiding had over het inhuren van kapiteins voor de reis en dat tijdens haar contact met [betrokkene 5] werd aangenomen dat de reis bedoeld was om Cubanen illegaal te smokkelen naar de Verenigde Staten voor winst.

14. Gelet op hetgeen de affidavit inhoudt, meen ik dat het oordeel van het hof dat het daarin opgenomen bewijsmateriaal genoegzaam is om aan te nemen dat aan de genoemde verdragseis is voldaan, toereikend is gemotiveerd. Uit de affidavit kan immers worden opgemaakt dat de opgeëiste persoon aanwezig was als betaalde kapitein op een boot ten aanzien waarvan verschillende personen hebben verklaard dat deze gebruikt is om illegale immigranten te vervoeren naar een plaats waar aan hen onderdak zou worden geboden, dit alles met een winstoogmerk, en dat deze boot door onzorgvuldigheid is gekapseisd ten gevolge waarvan in ieder geval één migrant is komen te overlijden. Deze in de affidavit beschreven feiten en omstandigheden zijn gebaseerd op het onderzoek van de Amerikaanse respectievelijk de Nederlandse kustwacht, de verklaringen van de opgeëiste persoon en de verklaringen van verschillende getuigen. Hieruit kon het Hof een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon betreffende de feiten waarvoor uitlevering is verzocht afleiden, dat genoegzaam voldaan is aan de meergenoemde verdragseis.

15. Het middel faalt en kan mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Trb. 1980, 111.

2 Onder de stukken van het geding bevindt zich niet het proces-verbaal van de openbare behandeling van het verzoek die blijkens het advies (de beschikking) op 9 mei 2017 plaatsvond. Nu daarover niet wordt geklaagd in cassatie en het ontbreken van dat proces-verbaal geen invloed heeft op de beoordeling van het middel, volsta ik met deze constatering. Overigens heb ik onder de gedingstukken wel de pleitnotitie betreffende het uitleveringsverzoek aangetroffen, die naar ik aanneem op de openbare behandeling is voorgedragen en aan het Hof is overgelegd gezien de bespreking van de in het advies aangehaalde verweren.

3 Zie ook: V.H. Glerum & N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 198-200; H.D. Sanders, Handboek Uitleverings- en overleveringsrecht, Onderdeel: I.2.1.3.2.0 De genoegzaamheid van stukken (bijgewerkt tot 30 juni 2014); en de noot van A.H. Klip onder HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9028, NJ 2006/407.

4 Kamerstukken II 1981/82, 17 122 (R1193), nr. 1, p. 7.

5 HR 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD5741, NJ 1994/266 (rov. 5.3). Zo ook HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9028, NJ 2006/407 m.nt. Klip.

6 Zie ook HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1571 en HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2754. Niet vereist is overigens dat het bewijsmateriaal waaraan in de affidavit wordt gerefereerd bij die affidavit is gevoegd, aldus HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1571.

7 Samenspanning is een afzonderlijk misdrijf dat naar Amerikaans recht strafbaar is, ook indien het beoogde misdrijf niet wordt begaan.

8 Vgl. al HR 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD5741, NJ 1994/266: “De aan het middel ten grondslag liggende stelling, dat die bepaling eist dat een zodanig ernstige verdenking ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat dat deze naar Nederlands recht vervolgd zou kunnen worden met een aanmerkelijke kans op veroordeling, vindt geen steun in het recht.”